Produced by Marc D'Hooghe
LUCIFER
Treurspel
door
JOOST VAN DEN VONDEL
Met inleiding en aanteekeningen van L. SIMONS
* * * * *
PRAECIPITEMQUE IMMANI TURBINE ADEGIT
[HIJ DEED HEM NEDERTUIMELEN IN EEN ONTZAGLIJKEN DWARRELWIND"--
VERGILIUS: AENEIS VI, 599]
'k Zag er ook Salmoneus, Aeols zoon,
Vervaarlijk pijnigen, die, als een allersnoodste,
Gods weerlicht, donderkloot en bliksemstraal nabootste.
Dees liet in Griekenland, en midden door de stad
Van Elis, daar hij trotsch op zijnen wagen zat,
Zich met vier paarden door den drang der Grieken roeren
En, zwaaiende eene toorts, braveeren met rumoeren
De Goden in de lucht en stak ze naar hun kroon.
Dees zinnelooze durft de koopren brug uit hoon
Oprennen met zijn paard en weet met razen, ruischen
En storm den bliksem en den donder na te kuischen
Dat niemand ooit vermocht. Maar Gods almogendheid,
Om fakkel, rookrig licht noch zulk een onbescheid
Verlegen, schoot met kracht en uit de dikke wolken,
_Dreef met een dwarrelwind_, ten spiegel aller volken,
_Hem neder dat hij plofte_.
Uit VONDELS vertaling van _Vergilius: Aeneis_, VIe Zang
* * * * *
VOORWOORD
Vondel en zijn werk te verstaan is daarom voor ons, in dezen tijd, zoo
moeilijk omdat de dichter zoo veelzijdig gerijpt was in een wereld van
weten, denken en gevoelen, die ons niet alleen vreemd is in menigerlei
opzicht, maar die we nauwelijks meer kennen. Schrijvers las hij en
kerkschrijvers kende hij, en autoriteiten eerbiedigde hij, en
gebeurtenissen beleefde hij, wier bestaan ons al te licht ontgaat als
wij zoeken zijn arbeid te verklaren. Een wonderbaarlijke mengeling
leefde in hem van middeleeuwsche opvattingen, klassieke leerstellingen
en histories, en bijbelsch-kerkelijke legenden en dogma's, en dit alles,
naar den weinig kritischen geest van zijn tijd en naar den tot eerbied
gestemden eigen zin, die zoo sterk in hem leefde, aanvaard als niet of
nauwelijks te betwijfelen waarheden. En daarbij hij levend in een eeuw
van geweldige worstelingen: tusschen overgeleverd gezag en
vrijheidsdrang; tusschen vorsten en volkeren; tusschen allerlei
verscheidenheden van Christendom, en tusschen Christendom en
Mohammedanisme.
Vondels _Lucifer_ is dan ook geen louter "bijbelsch" en "Christelijk"
werk. Zonder dat hem "de grijze fabelen van den Reuzenstrijd" of het
verhaal van Salmoneus[1] of de fabel van Faeton door het hoofd gespeeld
hadden, als symbolisch ware worstelingen tegen de oppermacht der wereld,
had hij van de eenvoudige kerklegenden omtrent Lucifers verzet, afval en
val geen aldus gefigureerd treurspel kunnen opbouwen, waarin een strijd
tusschen de oproerige en de standvastige Engelen geteekend wordt, met
wapens, zwaarden en in krijgsorde geschaarde legers. In de voorstelling
van een wereld van Goden en halfgoden, waarin de almacht zelfs van den
Oppermachtige beperkt was door de wereldorde, en die elkaar benijdden en
bestreden, was een worsteling denkbaar als tusschen Zeus en Prometheus,
tusschen Thor en Loki. In een hemel met een werkelijk almachtig God is
de strijd vooruit beslist; een pogen om zich op Zijn plaats te zetten
ondenkbaar, en een worstelen met wapengeweld iets wezenlijk onzinnigs.
Maar geen treurspel, geen drama had kunnen ontstaan, indien Vondel zich
aanstonds en geheel aan deze beschouwing had overgegeven. En ten andere
was Vondel, hoezeer ook ingeleefd in de oude mythologieën en klassieke
overleveringen, te zeer een Christen, om van de worsteling tusschen
hoovaardij en Almacht een zoo sterk, zoo doorleefd, zoo gewijd en
hooggehouden spel, als zijn _Lucifer_ geworden is, te maken, wanneer
hij niet die worsteling geteekend had als begonnen tegenover zijn
eigen, innigst vereerde Godheid en in verband met wat hèm het opperst
wereldgegeven was: de menschwording Gods in Christus. Zijn _Salmoneus_
en zijn _Faeton_ zijn vergelijkenderwijs blasse en bloedlooze werken
gebleven, zonder aanwarming van zijn dieper devotioneel leven als in
zijn _Lucifer_ uiting vond.
* * * * *
Is Vondel, behalve door de klassieke wereld en haar overleveringen,
naast de Christelijke, ook nog beheerscht door de historische
gebeurtenissen en door politieke bedoelingen?
Men weet dat èn Jonckbloet èn Van Lennep het betoog geleverd hebben, dat
_Lucifer_ zelfs heel en al niets was, of tenminste voornamelijk, dan een
politieke allegorie op onzen opstand tegen Spanje.
Ik heb aan deze betoogen nooit veel waarde gehecht, al was het
allereerst omdat Jonckbloet--en Van Lennep, ondanks zijn groote
Vondelvereering, toch eigenlijk ook--beiden veel te rationalistisch
waren om Vondel te begrijpen. Jonckbloet, (ik heb als zijn leerling veel
met hem omgegaan) was een eerlijk, humoristisch-satyriek, nuchter-
scherpzichtig, kritisch mensch, maar de fijnere zieleplooibaarheid om
in een andersdenker en -voeler, als Vondel geweest was, zich in te leven,
ontbrak hem geheel; en zijn Vondelbeoordeeling is, zoo goed als die van
Huet en Jorissen, niets dan een groote vergissing geweest. Rationalisten
altemaal! voor wie het katholiek mysticisme iets griezeligs was, en die in
zulk een complexen geest als die van Vondel ganschelijk niet konden komen.
Er trouwens nooit eenige moeite voor deden, Vondel uit Vondel en zijn eigen
bronnen te verklaren, maar hem maten met dogmatische kunstmaat van 18e-19e-
eeuwsche "kunstphilosophie".
Niet dat Vondel buiten staat zou geweest zijn, zich te bedienen van den
allegorischen vorm; hij zelf erkent in zijn _Berecht_, dat hij de
Hoovaardij en Nijdigheid allegorisch doet optreden in het gespan van den
Leeuw en den Draak, vóór Lucifers wagen gespannen. Hij stond trouwens
nog dicht genoeg bij de middeleeuwen ervoor; en had niet Hooft in zijn
vroeg-17e-eeuwsche treurspelen nog zeer sterk geallegoriseerd? Maar
Vondel, hoewel allerminst een psychologisch-analyseerend of
persoonlijk-verbizonderend dichter, heeft toch wel altijd zijn tot typen
gegeneraliseerde figuren zuiver-menschelijk en levend willen houden. Dat
hij, al dichtende het eeuwige spel van den eerzuchtigen opstandeling,
daarbij alles zou hebben uitgesloten aan reflexen van aardsche
bizonderheden, hem uit historie en beleving bekend, is intusschen
geenszins aan te nemen. Hij stond zoo midden in zijn tijd; geen
wereldgebeurtenis of hij bezong ze; hij was partijganger; en zuiver
objectiveeren was allerminst een 17e-eeuwsche eisch. Zoo zal wel
Wallensteins verzet hem door het hoofd gespeeld hebben (_Cramer_),
en ook aan onzen opstand tegen Spanje zal hij gedacht hebben, (zeker vrs
1264 en 1266) en door deze en dergelijke reflexen van het leven zijn
anders licht te ver van de menschen verwijderd "tooneel des hemels" hun
wat dichter hebben willen bijbrengen. 't Is juist het veelkleurige, dat
zijn werk vaak zijn waarde geeft en het is dit menschelijke, waardoor
zijn _Lucifer_ in het bijzonder ons boeien blijft als hèt treurspel van
het verzet der Naijverigheid. Maar dit is alles wat anders dan zij
bedoelen, die hem een politieke allegorie tegen Oranje hebben willen
doen schrijven in een periode, toen hij zelf juist na den dood van Prins
Willem II (dien hij als _would-be_ overweldiger van zijn Amsterdam niet
kon dulden) ook weer met den Oranjestam, verbonden aan de afstammelingen
van den hem sympathieken Jacobus I, in sympathie kwam.
* * * * *
Een inleiding tot de _Lucifer_ kan niet ontberen een inwijding van den
lezer in den Hemelbouw en -verhoudingen, gelijk Vondel zich die dacht.
Zijn voorstelling van het Heelal is nog geheel die van Ptolomaeus en
Dante (zie h.o. "De Ploeg" 2e Jaarg.: J. Brandt, _Wereldstelsels_ en
Prof. Hauvette's in onze W.B. verschenen werk over Dante). De aarde
vormt het midden van het wereldruim; er omheen zeven schalen of bogen,
waarlangs de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus
in eenparige beweging hun wenteling volbrengen. Als achtste schaal of
boog komt die der vaste sterren; als negende de _kristallen hemel_.
En nog weer daaromheen: het _Empyreum_, of de Hemel van het Volmaakte
Licht: der Hemelen Hemel, waar de zaligen, de Engelen en het Opperwezen
zelf toeven. De Engelenwereld was intusschen, in middeleeuwsch-
katholieke opvatting, verdeeld in drie hiërarchieën (rijen) en elk
dezer weer in drie koren (orden):
1. Serafijnen, Cherubijnen, Tronen;
2. Heerschappijen, Krachten, Machten;
3. Vorstenheden, Aartsengelen, Engelen.
Een verdeeling, die Vondel door Gabriël, ten bate van zijn toehoorders
en lezers, nadrukkelijk laat aangeven:
"Gij weet hoe 't Engelschdom moet onderscheiden worden
In drieërhanden rij en negenvoudige orden:
De hoogste in Serafijn, en Cherubijn en Troon,
Die zitten in Gods Raad en sterken zijn geboôn.
De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten
En Machten, die op 't woord van Gods geheimraad wachten,
Tot 's menschen nut, en heil en hulp in 't algemeen.
De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheên
En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken
Voor 't woord der middenrij"--
Deze schikking, in verband met het feit dat _Lucifer_ herhaalde malen
(vs 1672, 1704, 1775; zoo ook in Opdracht, het Berecht en den Inhoud)
als _Aartsengel_ wordt aangeduid, zou doen vermoeden dat de hoofdfiguur
van het treurspel tot op een na de laagste orde behoort. Doch Gabriël
(vs 504) spreekt ervan dat God Lucifer ten top van _alle_ hierarchijen
geplaatst heeft, terwijl Rafaël hem er op wijst, hoe hij, Lucifer,
_boven_ duizenden gekroonde Heerschappijen (1e orde der middelrij)
gezalfd is tot Gods Stedehouder. En in vers 834-836 vinden we als L.'s
volgelingen in het verzet genoemd Tronen (3e orde der eerste Rij),
Heerschappijen en Machten. Volgt daaruit niet dat we minder aan het
woord "Aartsengel" te hechten hebben, en ons Lucifer inderdaad moeten
denken als een Engel van de hoogste orde der eerste Rij, den
uitverkoorne Gods onder de Serafijnen?--gelijk de Inhoud hem dan ook
noemt: "opperste en doorluchtigste boven alle Engelen". Aan een mindere
zouden alle Engelen-groepen zich niet, als hun leider, betrouwd hebben;
een mindere zou niet zóó fel en hevig zich teruggezet hebben gevoeld op
het vernemen van Gods bedoeling, den "Zoon des Menschen" naast zich ten
troon te verheffen, d.i. bòven Lucifer; en dus tusschen dezen en God
zelf een nieuwe macht stellend. En van een mindere zou het verzet niet
zóó vreeselijk, de val niet zoo diep geweest zijn. Men stelle zich dus
niet Lucifer voor als een gewonen Aartsengel, maar als inderdaad den
Opperste van _alle_ Hierarchijen. Ook de plaats van Gabriël, Michaël en
Raphaël kan niet gedacht worden onder de 8e orde, die der Aartsengelen.
Zij zijn toegelaten tot Gods Raad, en behooren dus tot een der eerste
drie Orden (van de eerste Rij), Serafijnen en Cherubijnen, waaronder
gèen afvalligen voorkomen. Belzebub, aangesproken als "Raad van Lucifer"
en "Prins", zal tot de 7e orde (of eerste der derde Rei: "Vorstenheden")
te rekenen zijn; Belial en Apollion tot de gewone Engelen, evenals de
Hemelteekenen, die deelnemen aan den strijd: de Leeuw en de Draak als
trekkers van Lucifers wagen; de Reus Orion (vs 1929), Noorsche
Beeren(1932), Hydra (1934), in de beschrijving van Uriël als meêkampende
monsters vermeld.
En heel deze verzetsworsteling om de laatste scheppingsdaad, die de
geruste Engelen naijverig maakt op de van God naar zijn beeld geschapen
menschheid, welke de lagere Engelen verplicht worden te dienen, en wier
toekomstbestemming, als gezegd, den staat der Opperste Engelen bedreigt!
Naijver dus en zucht tot handhaving van bevoorrechte positie, die onder
de fraaie nationalistische leus: "de Hemel voor de Engelen" zich te weer
stellen, en hun doel voorbijschieten;--een geschiedenis uit den hoogsten
Hemel die waarlijk niet mist van de Aarde te wezen, en ons daardoor als
menschelijk, indien al "oppermenschelijk," te boeien. Vooral door de
kracht van Vondels verbeelding; de vastgehouden stoutheid van zijn
verzenvlucht; de levendigheid van de schildering der worsteling; de
pracht van zijn taal en de devotie van zijn Gods-eerbied, tegenover de
felheid van verzetstuw.[2]
* * * * *
Voor de aanteekeningen bij den volgenden tekst heb ik natuurlijk ook
gebruik gemaakt van de vonden mijner voorgangers, zonder dat blindelings
te doen. En, evenals voor de andere stukken, niet met het doel
taalgeleerdheid te toonen, maar louter om den hedendaagschen lezer te
helpen zich in Vondels dichtwerk in te leven.
Bij het herdrukken van deze uitgaaf voor onze complete editie zijn
eenige drukfouten hersteld, en eenige nieuwe aanteekeningen opgenomen.
Febr. 1913. L. S.
Noten:
[1] Zie aanhaling, achter titel, uit zijn eigen vertaling van de Aeneis.
[2] Voor het overige zie men mijn uitvoerige beschouwing over Vondels
dramatiek in het algemeen en de "Lucifer" in het bizonder, in mijn
Inleiding: _Vondels dramatiek_ (1e stuk, 2e deel der complete
uitgaaf van Vondels Spelen, Nederl. Bibliotheek).
* * * * *
OPDRACHT[1]
DEN ONVERWINNELIJKSTEN VORST EN HEERE
DEN HEERE FERDINANDUS DEN DERDEN,
GEKOREN ROOMSCHEN KEIZER, ALTIJD VERMEERDER DES RIJKS
Gelijk de Goddelijke Majesteit in een ongenaakbaar licht gezeten is, zoo
zit ook de Wereldsche Mogendheid, die haar licht uit God schept en de
Godheid afbeeldt, in haren glans verheerlijkt; maar gelijk de Godheid,
of liever de opperste Goedheid, den allerminsten en ootmoedigen, met den
toegang tot haren troon, begenadigt, zoo gewaardigt de tijdelijke
Mogendheid ook den allerkleensten, dat hij zich eerbiedig voor haar
voeten vernedere. Op deze hope verstout zich mijne Zanggodin, van verre,
aan uwe Keizerlijke Majesteit op te offeren dit treurspel van Lucifer,
wiens stijl[2] wel rijkelijk de deftigheid en statigheid vereischt,
waarvan de Poëet spreekt:
_Omne genus scripti gravitate Tragoedia nincit_:
Hoe hoog men drave in stijl en toon,
Het treurspel spant alleen de kroon.
Doch wat aan de hoogdravendheid[3] des stijls ontbreekt, dat zal de
tooneelstof, titel en naam en doorluchtigheid des persoons vergoeden,
die hier, ten spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen[4], zijn
treurtooneel, den hemel, bekleedt; waaruit hij, die zich vermat[5]
aan Gods zijde te zitten, en Gode gelijk te worden, verstooten, en
rechtvaardiglijk ter eeuwige duisternisse verdoemd werd. Op dit
rampzalige voorbeeld van Lucifer, den Aarts-engel, en eerst heerlijksten
boven alle Engelen, volgden sedert, bijkans alle eeuwen door, de
wederspannige geweldenaars, waarvan oude en jonge historiën getuigen, en
toonen hoe geweld, doortraptheid, en listige aanslagen der ongerechtigen,
met glimp en schijn van wettigheid vermomd, ijdel en krachteloos zijn,
zoo lang Gods Voorzienigheid de geheiligde Machten en Stammen[6]
handhaaft, tot rust en veiligheid van allerhande Staten, die, zonder een
wettig Opperhoofd, in geene burgerlijke gemeenschap kunnen bestaan:
waarom Gods Orakel[7] zelf, den menschelijken geslachte ten beste, deze
Mogendheid, als zijn eigen, in eenen adem, bevestigt, gebiedende Gode en
den Keizer elk hun recht te geven. Christenrijk doorgaands, gelijk een
schip in de wilde zee, aan alle kanten, en tegenwoordig van Turk en
Tarter, bestormd, en in nood van schipbreuke, vereischt ten hoogste deze
eendrachtige eerbiedigheid tot het Keizerdom, om den algemeenen erfvijand
des Christen naams te stuiten, en den Rijksbodem en zijne grenzen,
tegens den inbreuk der woeste volken, te veiligen en te sterken; waarom
God te danken is, dat het hem beliefde, 't Gezag en de Kroon des H.
Roomschen Rijks, vóór 's Vaders overlijden, op den jongsten Rijksdag, in
den Zone, _Ferdinandus den Vierde_[8], te verzekeren; een zegen, waarop
zoo vele volken moed dragen, en de tooneeltrompet van onze Nederduitsche
Zanggodinne te moediger, voor den troon van Hoog-duitschland, den
overwonnen Lucifer, in Michaëls triomf-staatsie, ommevoert.
UWE KEIZERLIJKE MAJESTEITS
_allerootmoedigste Dienaar_,
J. VAN VONDEL.
anno 1653.
Noten:
[1] Dat deze opdracht van Vondel zich richtte tot den Roomschen keizer
vindt begrijpelijke verklaring in het verband, straks door hemzelf
aangegeven, tusschen de stof van zijn _Lucifer_ en diens verzet tegen de
gestelde macht, en den aanslag der Turken op de macht der Christenheid,
voor hem, in het wereldsche, in den Roomschen keizer gesymboliseerd. Dr.
Cramer heeft ook nog gewezen op de betrekking tusschen keizer Ferdinand
III en den oproerigen Wallenstein, aan wiens zelfverheffing Vondel bij
het schrijven van zijn Lucifer gedacht zou hebben.
[2] _Wiens stijl_, voor "welks stijl".
[3] _hoogdravendheid_ heeft bij V. niet de beteekenis van
"gezwollenheid"; maar van "hooggestemdheid"; "verhevenheid".
[4] _Staatzuchtigen_: politiek-eerzuchtigen--_Het treurtooneel
bekleeden_: Vondels geliefkoosde uitdrukking voor: een voorname rol in
het treurspel spelen.
[5] _die zich vermat_: feitelijk kwam het niet tot die daden; dus meer
op te vatten als: "die het waagde te willen".
[6] _Machten en Stammen_: De Koninklijke stam is de dynastie.
[7] _Gods Orakel_: Jezus: "Geef den keizer wat des keizers is".
[8] _Ferdinand IV_, 's keizers zoon, was in 1653 tot Roomsch-koning,
's vaders opvolger, gekozen.
* * * * *
OP DE AFBEELDINGE VAN ZIJNE KEIZERLIJKE MAJESTEIT
FERDINANDUS DEN DERDE;
toen Joachimus Sandrart[1] van Stokou mij, uit Weenen in Oostenrijk,
zijn Majesteits afbeeldinge, met haar loofwerk en sieraden[2], vereerde.
_Deus nobis haec otia fecit._
De Zon van Oostenrijk verheft haar schoone stralen,
Uit schaduwen van kunst, veel schooner in elks oog,
Dewijl ze, in haren troon gestegen hemelhoog,
Zich niet ontziet zoo laag op ons gezicht te dalen.
De derde _Ferdinand_, geschapen tot regeeren,
Gelijk een tweede August, en Vader van de peis,
Zijn zoon de heirbaan wijst naar 't Hemelsche paleis,
En leert met wapenen van Vrede triomfeeren.
Gezegend is het Rijk, gezegend zijn de volken,
Daar zijn voorzienigheid genadig 't oog op houdt,
En hem de Weegschaal wordt van 't heilig Recht betrouwd.
Een arend brocht zijn zwaard en schepter uit de wolken,
Een kroon versiert het hoofd, ter heerschappij gewijd:
Dit hoofd versiert de kroon, en schept een gulden tijd.
Noten:
[1] _Sandrart_: een zeer in trek staand schilder van Duitsche herkomst,
die V. zelf meer dan eens schilderde en in zijn werk herhaaldelijk
genoemd wordt. Men kent de beroemde regels van V. op Vossius:
"Sandrart, bekrans hem vrij met bloemen en met blâren
Al wat in boeken steekt is in zijn hoofd gevaren."
[2] _loofwerk en sieraden_: Het loofwerk zal waarschijnlijk slaan op de
lijst, in dien tijd vaak aldus versierd. De sieraden Z.M.'s
ordeteekenen.--_Deus nobis haec otia fecit_. (_Virgilius_): een god
heeft ons deze rust verschaft.
* * * * *
BERECHT
AAN ALLE KUNSTGENOOTEN, en BEGUNSTIGERS DER TOONEELSPELEN.
Hier wordt u, om uwen kunstijver weder t'ontsteken en uwen geest teffens
te stichten en te verkwikken, het heilig treurtooneel[1], dat den Hemel
afbeeldt, opgeschoven. De groote Aartsengelen, Lucifer en Michaël, elk
met hunne aanhangelingen van wederzijde gesterkt, komen de stellagië
stoffeeren[2] en hunne rollen spelen. Het tooneel en de personagiën
zijn zeker zoodanig, en zoo heerlijk, dat ze eenen heerlijker stijl
vereischen en hooger laarzen[3], dan ik haar weet aan te trekken.
Niemand, die de spraak van d'onfeilbare orakelen des goddelijken Geests
verstaat, zal oordeelen, dat wij een gedichtsel van Salmoneus[4]
bijbrengen, die midden in Elis, op zijnen wagen en metalen brug, Jupijn
braveerende, en met een brandende fakkel den bliksem en donder
nabootsende, van den donder geslagen werd; nochte wij vernieuwen hier
geen grijze fabel van den Reuzenstrijd[5], onder wiens schorse de Poëzy
hare toehoorders reukelooze[6] verwaandheid en godlooze kerkschenderijen
zocht te verleeren, en natuurkennis in te boezemen; namelijk, dat lucht
en winden, in den hollen buik en het zwavelachtige ingewand der aarde
besloten, bijwijlen ademtocht zoekende, met geweld van geborsten
steenrotsen, smook en rook en vlammen, en aardbevingen, en schrikkelijk
geluid, uitbersten, en, hemelhoog opgestegen, in het neerstorten den
grond van land en zee met assche en steenen bestulpen, en ophoopen.
Onder de Profeten verzekeren ons van den afval des Aartsengels en zijnen
aanhang, Isaïas en Ezechiël[7]; bij den Evangelist, Christus, het
allerwaarachtigste orakel, ons met eene stem uit den Hemel bevolen te
hooren; en endelijk Judas Thaddeus, zijn getrouwe Apostel; welker
spreuken waardig zijn in eeuwig diamant, en waardiger, in onze harten
geprint te worden. Isaïas roept: "_O Lucifer, die vroeg opgingt, hoe
zijt ge ter aarde geploft! die de volken kwetste, in uw harte spraakt:
Ik wil in den Hemel stijgen, mijnen stoel boven Gods gestarnte
verheffen, op den berg des verbonds aan de Noordzijde zitten. Ik wil
boven de hooge wolken steigeren, den Allerhoogsten gelijk worden; maar
gij zult ter Helle toe, in den poel des afgronds, vernederd worden_."
God spreekt door Ezechiël aldus: "_Gij zijt een uitgedrukte gelijkenis,
vol wijsheid en volkomen schoon. Gij waart, in de weelde van Gods
Paradijs, bekleed met allerhande kostelijke steenen, sardis, en topazen,
en jaspis, en chrizoliten, en onix, en beril, safier, en karbonkel, en
smaragden; goud was uw sieraad. Op den dag uwer scheppinge waren uwe
schalmeien vaardig. Gij breidde u uit, gelijk een beschaduwende
Cherubijn, en ik zette u op Gods berg. Gij wandelde midden onder de
blakende steenen. Gij waart volschapen in uwen tred, van den dage uwer
scheppinge aan, totdat men u op boosheid betrapte." Beide deze spreuken
zijn, naar den letterlijken zin, d'een van den Koning van Babylon,
d'andere van den Koning van Tyrus te verstaan, die, bij Lucifer, in
hunne heerlijkheid 55 en hoogmoed, geleken, bestraft, en gedreigd
worden. Jezus Christus ziet mede op den val van den weerspannigen
Lucifer, daar hij zegt: "Ik zag den Satan, gelijk een bliksem, uit den
Hemel vallen"; en Thaddeus ontvouwt den afval der Engelen, en hun
misdaad, en de straf daarop gevolgd, zonder eenige bewimpelinge, beknopt
op deze wijze: "_Doch hij heeft de Engelen, die hunne hoogheid niet
bewaarden, maar hun behuizinge verlieten, met eeuwige banden van
duisternisse, tegens het oordeel des grooten Gods bewaard._" Wij stuiten
dan met deze gouden spreuken, en inzonderheid met Judas Thaddeus,
leerling en afgezant des hemelschen Leeraars, en Konings aller Koningen,
gelijk op eenen diamanten schild, alle de pijlen der ongeloovigen, die
de zekerheid van der Geesten afval zouden durven in twijfel trekken.
Behalve dit onderstut ons ten overvloed doorgaans d'eendrachtige en
eerwaardigste aloudheid der godvruchtige oud-vaderen, die in den grond
dezer geschiedenisse overeenstemmen; doch om de kunstgenooten niet op te
houden, zullen we ons met drie plaatsen genoegen; d'eerste getrokken uit
den heiligen Cypriaan, Bisschop en Martelaar te Carthago, daar hij
schrijft: "_Hij, die te voren door een Engelsche[8] Majesteit
ondersteund, Gode aangenaam en waard was, borst, toen hij den mensch
naar Gods beeld geschapen zag, door eenen boosaardigen naijver uit, hem
door ingeven van dien naijver niet eer ten val brengende, voordat hij
zelf door dien naijver ter neer gestort lag, gevangen eer hij ving,
bedorven was eer hij hem bedorf; terwijl hij, van Nijdigheid
aangeprikkeld, den mensche van de genade der onsterfelijkheid, hem
geschonken, beroofde, en zelf ook verloor hetgene hij te voren hadde._"
De groote Gregorius[9] bestelt ons de tweede spreuk: "_Dees afvallige
Engel, geschapen om boven d'andere regementen der Engelen uit te
blinken, is door zijn hoovaardij zulks ter neder gestort, dat hij nu de
heerschappij der standvastige Engelen onderworpen blijft._" Het derde en
leste bewijs scheppen wij uit de predikatiën van den honigvloeienden
Bernardus[10]: "_Schuwt de hoovaardij; ik bidde u, schuwt ze toch!
d'Oorsprong van alle overtredinge is hoovaardij, die Lucifer zelf,
klaarder dan alle starren uitblinkende, met een eeuwige duisternisse
heeft verdonkerd. Zij heeft niet alleen eenen Engel, maar den oppersten
van alle Engelen in eenen Duivel veranderd._" De Hoovaardij en
Nijdigheid, twee oorzaken of aanstokers van dezen afgrijselijken brand
van tweedracht en oorloge, hebben wij uitgedrukt onder het gespan van
twee bestarnde dieren[11], den Leeuw en den Draak die, voor Lucifers
oorlogswagen gespannen, hem tegens God en Michaël aanvoeren; aangezien
deze dieren twee zinnebeelden van deze hoofdgebreken verstrekken; want
de Leeuw, der dieren Koning, gemoedigd door zijne krachten, acht uit
verwaandheid niemand boven zichzelven; en de Nijdigheid kwetst met hare
tong den benijden van verre, gelijk de Draak, met het schieten van zijn
vergift zijnen vijand van verre kwetst. Sint-Augustijn[12], deze twee
hoofdgebreken Lucifer toeëigenende, maalt ons den aard derzelve levendig
af, en zeit, dat Hoovaardij is een liefde tot zijn eigen grootschheid,
maar de Nijdigheid een haatster van eens anders geluk; waaruit klaar
genoeg blijkt wat hieruit geboren wordt: want een iegelijk, zeit hij,
die zijn eigen grootschheid[14] bemint, benijdt zijns gelijken, naardien
ze met hem gelijk staan; of benijdt zijnen minder, opdat die hem niet
gelijk werde; of die grooter zijn dan hij, omdat ze boven hem staan.
Nu dewijl de dieren[14] zelf van verdoemde Geesten misbruikt en bezeten
worden, gelijk in den aanvange de Paradijsslang, en in de heileeuwe de
zwijnskudden, die met een groot gedruisch in zee stortten; en dewijl de
gestarnten, aan den Hemel zelfs bij dieren afgeteekend[15], ook bij de
Profeten gedacht worden; gelijk de Pleiades of Zevenster, en Arcturus,
Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weligheid en leerzaamheid der
tooneelpoëzye te vergeven, dat de rampzalige geesten zich op ons tooneel
hiermede wapenen en verweren; want den Helschen gedrochten niets eigener
is dan slimme treken, en het misbruik der schepselen en elementen, tot
afbreuk van d'eere en naam des Allerhoogsten, zooverre hij dit gehengt.
Sint-Jan, in zijne Openbaringe, beeldt de Hemelsche geheimenissen, en
den strijd in den Hemel, door een Draak uit, wiens staart nasleepte het
derde deel der sterren, bij de Godgeleerden op d'afvallige Engelen
geduid; waarom men in Poëzye de gebloemde wijze van spreken[16] niet al
te neuswijs behoort te ziften, nochte naar de scherpzinnigheid der
schoollessen te regelen. Ook moeten wij onderscheiden de tweederhande
personagiën, die dit tooneel betreden, namelijk kwaadwillige en goede
Engelen, die een ieder hun eigen rol spelen; gelijk Cicero en de
voegelijkheid zelf ons elk personagië, naar heuren staat en aard, leeren
uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wij geenszins, dat heilige stof den
tooneeldichter nauwer verbindt en intoomt, dan wereldsche historiën of
Heidensche verziersels[17]; onaangezien d'oude en befaamde handvest der
poëzy, bij Horatius Flaccus, in zijne Dichtkunste, met deze verzen
uitgedrukt:
De Schilder en Poëeet ontvingen beide een macht
Van alles te bestaan, wat elk zich dienstig acht.
Doch hier dient inzonderheid aangeteekend, hoe wij, om den naijver der
hoogmoedige en nijdige Geesten te heftiger t'ontsteken, den Engelen de
geheimenis van het toekomende menschworden des Woords, door den
Aartsengel Gabriël, Gezant en Geheimenistolk der Godheid, eenigszins
ontdekken; hierin (onder verbeteringe) volgende, niet het gevoelen der
meesten, maar sommiger Godgeleerden, naardien dit ons treurtafereel
rijker stof en luister bijzet[18]; zonder dat wij evenwel in dit punt,
noch in andere omstandigheden van oorzaken, tijd, plaatse, en wijze
(waarvan wij ons dienden, om dit treurspel krachtiger, heerlijker,
gevoeglijker en leerzamer uit te voeren) de rechtzinnige waarheid
opzettelijk willen in het licht staan, of iet, naar ons eigen vonden, en
goeddunken, vaststellen. Sint-Pauwels, Gods geheimenisschrijver aan de
Hebreën, verheft zelf, benijdenswaardig genoeg, tot afbreuk van het Rijk
der logenen en verleidende Geesten, de heerlijkheid, macht, en Godheid
van het menschgeworden Woord, door zijn uitstekendheid boven alle
Engelen, in naam, in zoonschap en erfgenaamschap, in het aanbidden der
Engelen, in zijn zalvinge, in zijne verheffinge aan Gods rechtehand, in
de eeuwigheid zijner heerschappij, als een Koning over de toekomende
wereld, en de oorzaak en het einde aller dingen, en een gekroond Hoofd
der menschen en Engelen, zijne aanbidders, Gods boden en Geesten,
gezonden ten dienst der menschen, erfgenamen der zaligheid, welker
natuur Gods Zoon, de Engelen voorbijgaande, in het bloed van Abraham
aanneemt. Bij gelegenheid van deze onschuld[19] achte ik niet ongerijmd
hier ter loop iet aan te roeren tot onschuld van tooneel en
tooneeldichteren, die Bijbelstof voorstellen, naardien ze bijwijlen
opspraak onderworpen zijn[20]; gelijk trouwens 's menschen
zinnelijkheid[21] verscheiden is, en d'ongelijke getemperdheid der
hersenen veroorzaakt, dat d'een trek tot een zelve zaak heeft, die den
anderen tegens het hart steekt. Alle eerlijke kunsten en oefeningen
hebben hare beijveraars en tegenwrijters, ook haar recht gebruik en
misbruik. De heilige treurspeldichters[22] hebben, onder de oude
Hebreën, tot hun voorbeeld den Poëet Ezechiël[23], die den uittocht
der twaalf Stammen uit Egypte in Grieksch nagelaten heeft; onder
d'eerwaardige Oudvaders hebben zij het groote licht uit den Oosten,
Gregorius Nazianzener[24], die zelf den gekruisten Verlosser in
Grieksche tooneelverzen uitbeeldde; gelijk wij nog van wijlen den
Koninklijken Gezant, Hugo de Groot[25], dat groote licht der geleerdheid
en vromigheid onzer eeuwe, Sint-Gregorius' spoor nastrevende, voor zijn
treurspel van den Gekruiste, in Latijn beschreven, en dien onverganklijken
en stichtigen arbeid, eer en dankbaarheid schuldig blijven. Onder
d'Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Richard Baker[26],
Lucifer en al den handel der oproerige Geesten ook vrij breed in 't
rijmeloos uitgestreken. Wel is waar, dat de Vaders der oude Kerke de
gekristende tooneelspeelders buiten de gemeenschap der Kerke keerden, en
het tooneelspel van dien tijd heftig bestreden; maar let men er wel op,
de tijd en de reden van dien was heel anders gelegen. De wereld lag toen
nog diep, op vele plaatsen, in Heidensche afgoderij verzonken. De grond
des Christendoms was nog onbestorven, en de tooneelspelen werden Cybele,
der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere gespeeld, en
gehouden voor een verdienstig middel om hierdoor landplagen van den hals
des volks af te keeren. Sint-Augustijn getuigt, hoe de Heidensche
Aartspriester, een bedienaar van Numa's instellingen en afgodendienst,
te Rome, ter oorzake van een zware peste, de tooneelspelen eerst
instelde, en door zijn gezag bekrachtigde. Scaliger zelf bekent, dat ze,
om de gezondheid des volks te verwerven, door ingeven van de Sibille
ingesteld waren; in voegen, dat dit spelen eigenlijk strekte tot een
krachtig voedsel van de blinde afgoderij des Heidendoms, en verheffinge
der afgoden; een ingekankerde gruwel, wiens uitroeien den eersten
kruishelden, en de gedurig worstelende Kerke op zooveel zweet en bloed
stond, maar nu lang uitgestorven, geene voetstappen in Europa laat. Dat
de H. Oudvaders die tooneelen hierom, en tegelijk om het bederf der
zeden, en andere openbare en schaamtelooze misbruiken van naakte
jongelingen, vrouwen, en maagden, en andere vuiligheden, bestraften, was
noodig en loflijk, gelijk het in dien gevalle nog zoude zijn. Dit nu
overgeslagen, laat ons het nut en den oorbaar van stichtelijke en
vermakelijke spelen niet te licht wegworpen. Heilige en eerlijke
voorbeelden dienen ten spiegel, om deugd en Godvruchtigheid t'omhelzen;
gebreken, en d'elenden, daaraan gehecht, te schuwen. Het wit en oogmerk
der wettige Treurspelen[27] is de menschen te vermorwen door schrik en
meêdoogen[28]. Scholieren, en opluikende jonkheid worden door spelen,
in talen, welsprekendheid, wijsheid, tucht, en goede zeden en manieren,
geoefend, en dit zet, in de teere gemoeden en zinnen, een plooi van
voegelijkheid en geschiktheid, die hun, tot in den ouderdom toe,
bijblijven en aanhangen[29]; ja, het gebeurt bijwijlen, dat
overvliegende vernuften, bij geene gemeene middelen te buigen noch te
verzetten, door spitsvondigheden[30] en hoogdravenden tooneelstijl
geraakt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrokken worden; gelijk een
edele luitsnaar geluid geeft en antwoordt, zoodra heur weêrgade, van
dezelve nature en aard, op eenen gelijken toon en andere luit gespannen,
getokkeld wordt van een geestige hand, die, al spelende, den
tuimelgeest[31] uit eenen bezeten en verstokten Saul drijven kan. De
historiën der eerste Kerke bezegelen dit met de gedenkwaardige
voorbeelden van Genesius en Ardaleo, beide tooneelspeelders, in den
Schouwburg, door den H. Geest verlicht en bekeerd; terwijl ze, onder het
spelen, den Christenschen Godsdienst willende beschimpen, overtuigd
wierden van de waarheid, die ze geleerd hadden uit hun deftige
speelrollen, doorgaands beter gestoffeerd met pit van wijsheid dan laffe
redenen, uren lang in den wind gestrooid, en eer verdrietig dan
leerzaam. Men worpt ons, ten opzichte van Bijbelstoffe, voor, dat men
geen spel met heilige zaken behoorde te spelen; en zeker, dit zou wat
schijns hebben in onze tale, die juist het woord van Spel mede brengt;
maar wie slechts een woord of anderhalf Grieksch kan uitstamelen, weet
wel, dat dit woord bij Grieken en Latijnen geen gebruik heeft in dien
zin; want _Tragoedia_ is een koppelwoord, en beteekent eigenlijk
Bokkezang, naar der herderen wedgezangen, ingesteld om met zingen eenen
bok te winnen, uit welke gewoonte de treurzangen, en sedert de
tooneelspelen, hunnen oorsprong namen; en wil men ons immers dus
ongenadig knuffelen om het woord Spel[32], waar blijven we dan met
orgelspel, Davids harp- en zangspel, en het spel van tien snaren, en
ander fluit- en snarespel, bij verscheidenheid van Onroomschen in hunne
vergaderingen ingevoerd? Wie dan dit onderscheid vat, zal wel, het
misbruik der tooneelkunste bestraffende, het rechtmatig gebruik niet
ongenadig vallen, en dezen heerlijken, ja, Goddelijken vond, een
eerlijke uitspanninge en honigzoete verkwikkinge van 's levens
moeielijkheden[33], de jeugd, en kunstbeminnende burgerije niet
misgunnen; opdat wij, hierdoor gemoedigd, Lucifer met meer ijvers ten
Treurtooneele voeren, daar hij endelijk, van Gods bliksem getroffen, ter
Helle stort, ten klaren spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen, die
zich stoutelijk tegens de geheiligde Machten en Majesteiten, en wettige
Overheden durven verheffen.
Noten:
[1] _Het heilig treurtooneel_: tooneel waarop gewijd spel gespeeld
wordt.
[2] _de stellagië stoffeeren_: Uitdrukking verwant aan een andere, bij
V. zeer geliefd: "het tooneel bekleeden": bezetten, vullen. Men sprak
ook van een schilderij stoffeeren, met figuren.
[3] _hooger laarzen_. De Grieksche en Romeinsche tooneelspelers, die op
grooten afstand van de in halven cirkel gezeten toeschouwers optraden,
moesten, om niet te klein te lijken, hun gestalte vergrooten. Zij liepen
dus op _Kothurnen_, door V. vertaald als "tooneellaarzen", ook wel
"brozen". Hoe verhevener het spel, des te hooger, meent hij, ook deze
laarzen.
[4] _Salmoneus_. Zie achter het titelblad. Ook Voorwoord, en Inleiding
van De K., blz. XVII.
[5] _Reuzenstrijd_. Zie ook hierover mijn Voorwoord en de Inleiding van
De K.
[6] _reukeloos_: roekeloos.
[7] Isaias; Jesaja (Statenbijbel).
[8] Engelsche. Bij Vondel vaak gebruikt in verband met _Engel_, niet met
_Engeland_. _Engelsche Majesteit_: Engelen majesteit.
[9] _De groote Gregorius_: Paus Gregorius Magnus, 6e Eeuw--_bestelt
ons_: bezorgt ons.
[10] _Bernardus_ (van Clairvaux), 12e E. bijgenaamd _mellifluus_ =
honingvloeiende, om zijn welsprekenskunst.
[11] _bestarnde dieren_: dieren die als sterrebeelden voorkomen.
[12] _Augustijn_, bisschop Augustinus van Hippo, 4e E.
[13] _grootschheid_: grandezza, heerlijkheid.
[14] _Nu dewijl de dieren_. Het verband tusschen de dieren en deze stof
uitvoerig uitgewerkt in Bilderdijk's _De Dieren_. Zie ook Beets,
_Verscheidenheden_, N.B. II.
[15] _Zelfs bij dieren afgeteekend_: door dieren.
[16] _Waarom men in poezy de gebloemde wijze van spreken_: Dichters,
profeten, bijbelschrijvers gunne men de beeldspraak.
[17] _verzieren_ is: bedenken, verdichten; versieren: opschiken.
Verziersel dus: verdichtsel, verzinsel.
[18] _rijker stof bijzet_. Meer afwisseling geeft.
[19] _onschuld_: verontschuldigingen.
[20] _Naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn_. V. had hier een
profetisch oogenblik. Inderdaad heeft zijn ten tooneele brengen van deze
stof de verontwaardiging der predikanten opgewekt, die na de tweede
voorstelling den Amsterdamschen magistraat een verbod van verdere
vertooning wisten te ontlokken.
[21] _zinnelijkheid_, dat waar de zinnen zich op zetten: smaak. "De
smaken zijn verschillend."
[22] _heilige treurspeldichters_. "Heilig" behoort bij treurspel, niet
bij dichters: dichters van gewijde stoffen.
[23] _Poëet Ezechiël_. Niet _profeet_ (2e E. na Chr.).
[24] _Gregorius Nazianzener_. Gregorius van Nazianze (4e Eeuw).
[25] Vondels eerbied voor Huig de Groot, ook als dichter, was
onverwelkbaar. Hier huldigt hij zijn _Christus Pattens_; voor zijn _Adam
in Ballingschap_ inspireerde hem De Groots _Adamus Exul_; diens derde
Latijnsche treurspel: _Solompaneas_ vertaalde hij. Zie mijn Inleiding
pag. 71.
[26] _Sir Richard Baker_ (1568-1643) een Engelsch landedelman, die in
schulden kwam voor familieleden en in de gevangenis _Bespiegelingen_ en
_Overwegingen_ schreef over Bijbelsche onderwerpen (_Chambers_).
[27] _wettige treurspelen_: staat tegenover de onheilige, w.o. V. zoo
juist gesproken heeft. Dus die gewettigd zijn door hun hoog karakter.
Of: die geschreven zijn overeenkomstig de Tooneelwetten?
[28] _de menschen te vermurwen door schrik en mededoogen_. Voor de
beteekenis van deze woorden in de leer van het tragische zie mijn
Inleiding over V.'s dramatiek, pag. 32-45.
[29] _Zooals Vondel ook uitvoerig in zijn Berecht tot zijn (5 jaar
latere) _Jeptha_ den "matigenden" en "manierenden" invloed der
treurspelen zou uiteenzetten; voornamelijk gegrond op den gewekten
schrik.
[30] _spitsvondig_. Niet zoo scherp, en zeker niet ongunstig, op te
vatten als tegenwoordig: Vernuftige vonden, spreuken.
[31] _tuimelgeest_: oproerigen geest; de geest, die de hersenen doet
tuimelen, dazen.
[32] _gestoffeerd_: schoon gevuld met.
[33] Zie over V. en het Treurspel mijn Inleiding, "Vondel's Dramatiek",
pag. 24/25 en 31.
* * * * *
INHOUD
Lucifer, d'Aartsengel, opperste en doorluchtigste boven alle Engelen,
hoovaardig en staatzuchtig, uit blinde liefde tot zijn eigen, benijdde
Gods onbepaalde grootheid, ook den mensch, naar Gods beeld geschapen, en
in het welig Paradijs met de heerschappije des aardbodems begiftigd. Hij
benijdde God en den mensch te meer, toen Gabriël, Gods Heraut, alle
Engelen voor dienstbare geesten verklaarde, en de geheimenissen van Gods
toekomende menschworden hun ontdekte; waardoor het Engelsdom
voorbijgegaan, de waarachtige menschelijke natuur, met de Godheid
vereenigd, een gelijke Macht en Majesteit te verwachten stond; waarom de
hoovaardige en nijdige Geest, pogende zichzelven Gode gelijk te stellen,
en den mensch buiten den Hemel te houden, door zijne medestanders[1],
ontelbare Engelen oprokkende, wapende, en tegens Michaël, 's Hemels
Veldheer, en zijne heirkrachten, onaangezien Rafaëls waarschuwinge,
aanvoerde; en afgestreden, na de neêrlaag, uit wrake den eersten mensch,
en in hem alle zijne nakomelingen, ten val brocht, en hij zelf met zijne
weêrspannelingen ter Helle gestort, en eeuwig verdoemd werd.
_Het Tooneel is in den Hemel_.
Noot:
[1] _door zijne medestanders_: d.w.z. met behulp van zijn medestanders.
* * * * *
PERSONAGIEN
BELZEBUB..)
BELIAL....) _Wederspannige Oversten_.
APOLLION..)
GABRIEL, _Gods Geheimenistolk_.
REI VAN ENGELEN.
LUCIFER, _Stedehouder_.
LUCIFERISTEN, _Oproerige Geesten_.
MICHAEL, _Veldheer_.RAFAEL, _Beschermengel_.
URIEL, _Michaëls Schildknaap_.
(_Voor het eerst gespeeld te Amsterdam, op 2 Februari_ 1654.)
* * * * *
HET EERSTE BEDRIJF
BELZEBUB, BELIAL, APOLLION[1].
BELZEBUB:
Mijn Belial ging hene op lucht en vleugels drijven,
Om uit te zien waar onze Apollion mag blijven.
Vorst Lucifer zond hem, tot dezen tocht bekwaam,
Naar 't aardrijk, opdat hij eens nader kennis naam'
Van Adams heil en staat, waarin d'Almogendheden
Hem stelden. Het wordt tijd, om weder van beneden
Te keeren hier ter stede; ik gis, hij is niet veer.
Een wakker dienaar vliegt op 't wenken van zijn heer
En stut zijn meesters troon getrouw met hals en schouder.
BELIAL:
Heer Belzebub! gij Raad van 's Hemels Stedehouder,
Hij steigert steil, van kreits in kreits[2], op ons gezicht.
Hij streeft den wind voorbij, en laat een spoor van licht
En glanzen achter zich, waar zijn gezwinde wieken
De wolken breken. Hij begint ons' lucht te rieken,
In eenen andren dag en schooner zonneschijn,
Daar 't licht zich spiegelt in het blauwe kristallijn.
De hemelklooten[3] zien met hun gezicht, van onder,
Terwijl hij rijst, hem na, een ieder in 't bijzonder
Verwonderd om dien vaart en goddelijken zwier,
Die hun geen Engel schijnt, maar eer een vliegend vier.
Geen star verschiet zoo snel. Hier komt hij aangestegen,
Met eenen gouden tak, en heeft de steile wegen
Voorspoedig afgeleid.
BELZEBUB:
Wat brengt Apollion?
APOLLION:
Heer Belzebub! ik heb, zoo vlijtig als ik kon,
Het laag gewest bespied, en offere u de vruchten
Zoo diep beneden ons, in andre zon en luchten,
Gesproten; oordeel, uit de vruchten[4], van het land
En van den hof, door God gezegend en beplant,
Tot wellust van den mensch[5].
BELZEBUB:
Ik zie de gouden bladen,
Met perlen van de lucht, den zilvren dauw, geladen.
Hoe lieflijk riekt dit loof, dat zijne verf[6] behoudt!
Hoe gloeit dit vroolijk[7] ooft van karmozijn en goud!
't Waar jammer zoo men dit ontwijdde met de handen.
't Gezicht bekoort den mond. Wie zou niet watertanden
Naar aardsche lekkernij? Hij walgt van onzen dag,
En hemelsch mann'[8], die 't ooft der aarde plukken mag.
Men zou ons Paradijs om Adams hof verwenschen;
't Geluk der Engelen moet wijken voor de menschen.
APOLLION:
Nietwaar, heer Belzebub? Al schijnt de hemel hoog,
Wij liggen veel te laag. Hetgeen ik met mijn oog
Gezien heb, mist me niet[9]. 't Vermaak van 's werelds hoven,
Een eenig Eden gaat ons Paradijs te boven.
BELZEBUB:
Laat hooren wat ge zaagt; wij luistren t'zamen toe.
APOLLION:
'k Verzwijg mijn henevaart, om niet te reppen hoe
Gezwind ik nedersteeg, en zonk door negen bogen[10],
Die, sneller dan een pijl, rondom hun midpunt vlogen.
Het rad der zinnen kan zoo snel niet ommeslaan,
In ons' gedachten, als ik, lager dan de maan[11]
En wolken, afgegleên, bleef hangen op mijn pennen[12].
Om 't Oostersche gewest en landschap t' onderkennen[13],
Op 't aanzicht van den kloot, daar d'Oceaan om spoelt,
Waarin zoo menig slag van zeegedrochten woelt.
Van verre zag men hier een hoogen berg verschieten[14],
Waaruit een waterval, de wortel van vier vlieten,
Ten dale nederbruist. Wij streken steil en schuin
Voorover met ons hoofd, en rustten op de kruin
Des bergs, van waar men vlak de zalige landouwen
Der onderwereld[15] en haar weelde kon aanschouwen.
BELZEBUB:
Nu schilder ons den hof en zijn gestaltenis.
APOLLION:
De hof valt rond[16], gelijk de kloot der wereld is.
In 't midden rijst de berg, waaruit de hoofdbron klatert,
Die zich in vieren deelt en al het land bewatert,
Geboomte en beemden laaft, en levert beken uit,
Zoo klaar gelijk kristal, daar geen gezicht op stuit[17].
De stroomen geven slib, en koesteren de gronden.
Hier worden Onixsteen en Bdellion[18] gevonden.
Hoe klaar de hemel ook van sterren blinkt en barnt,
Hier zaaide Vrouw Natuur in steenen een gestarnt,
Dat onze starren dooft. Hier blinkt het goud in d'aderen.
Hier woû Natuur haar schat in éénen schoot vergaderen.
BELZEBUB:
Wat zweeft er voor een lucht, waarbij dat schepsel leeft?
APOLLION:
Geen Engel, onder ons, zoo zoet een adem heeft,
Gelijk de frissche geest, die hier den mensch bejegent,
Het aangezicht verkwikt en alles streelt en zegent:
Dan[19] zwelt de boezem der landouw van kruid en kleur,
En knop en telg[20] en bloem, en allerhanden geur.
De dauw ververscht ze 's nachts. Het rijzen en het dalen
Der zonne weet zijn maat, en matigt zoo haar stralen
Naar eisch van elke plant, dat allerhande groen
En vrucht gevonden wordt in eenerlei seizoen.
BELZEBUB:
Nu maal me de gedaante en 't wezen van de menschen.
APOLLION:
Wie zou ons Engelsdom voor 't menschdom willen wenschen[21],
Wanneer men schepsels ziet, die 't al te boven gaan,
En onder wiens[22] gezag alle andre dieren staan.
Ik zag den ommegang[23] van honderdduizend dieren,
Die op het aardrijk treên, of in de wolken zwieren,
Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewend,
En leven schept in zijn bijzonder element.
Wie zou een ieders aard en eigenschappen ramen
Als Adam? want hij gaf ze op eene rij haar namen.
De bergleeuw kwispelde hem aan met zijnen staart,
En loech den meester toe. De tiger lei zijn aard
Voor 's Konings voeten af. De landstier[24] boog zijn horen,
En d'olifant zijn snuit. De beer vergat zijn tooren;
Griffoen en adelaar kwam luistren naar dien man,
Ook draak, en Behemoth, en zelfs Leviatan[25].
Nog zwijg ik welk een lof den mensch wordt toegezongen
En toegekwinkeleerd van 't lustpriëel, vol tongen;
Terwijl de wind in 't loof, de beek langs d'oevers speelt,
En ruischt op een muziek, dat nimmer 't hart verveelt.
Had zich Apollion in zijnen last gekweten,
Hij had ons Hemelrijk in Adams Rijk vergeten[26].
BELZEBUB:
Wat dunkt u van het paar, dat gij beneden zaagt?
APOLLION:
Geen schepsel heeft omhoog mijn oogen zoo behaagd
Als deze twee omlaag. Wie kon zoo geestig[27] strengelen
Het lichaam en de ziel, en scheppen dubbele Engelen[28]
Uit kleiaarde en uit been! Het lichaam, schoon van leest,
Getuigt des Scheppers kunst, die blinkt in 't aanschijn meest,
Den spiegel van 't gemoed. Wat lid mij kon verbazen,
Ik zag het beeld der ziele in 't aangezicht geblazen.
Bezit het lijf iet schoons, dat vindt men hier bijeen.
Een Godheid geeft haar glans door 's menschen oogen heen.
De redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren.
Hij heft, terwijl de stomme en redelooze dieren
Naar hunne voeten zien, alleen en trotsch het hoofd
Ten hemel op naar God, zijn Schepper, hoog geloofd.
BELZEBUB:
Hij looft hem niet vergeefs voor zooveel rijke gaven.
APOLLION:
Hij heerscht, gelijk een God, om wien het al moet slaven.
D'onzichtbre ziel bestaat uit geest, en niet uit stof.
Z' is heel in ieder lid. Het brein verstrekt haar Hof.
Zij leeft in eeuwigheid, en vreest noch roest noch schennis.
Z' is onbegrijpelijk. Voorzichtigheid, en kennis,
En deugd, en vrijen wil bezit ze in eigendom.
Voor hare majesteit staan alle Geesten stom.
De wijde wereld zal eerlang van menschen krielen;
Zij wacht, uit luttel zaads, een rijken oogst van zielen.
En hierom huwde God den man aan zijn mannin.
BELZEBUB:
Wat dunkt u van zijn ribbe[29], en lieve gemalin?
APOLLION: