De Heer Klein vervoegde zig aan sommige algemene Pagters in de landen

des Konings van Pruissen, in wier landstreken vele wateren waren,

welker visschery een deel uitmaakte van hunne inkomsten, en die het

voordeligst in den winter is onder het ys, geschiedende met netten die

meer dan twee of driehonderd vademen zig uitstrekken, zo dat zy dikwyls

met werktuigen van wegens hunne zwaarte, moeten worden opgehaald. Nu

alle de volgende personen ondervraagd zynde hebben voor de

wethouderschap onder ede het volgende betuigd. I. De Moeder der Gravin

van Lehndorf zeide, dat zy enen klomp van Zwaluwen gezien had, gehaald

uit het Frisch Haff, een Meer dat by Pillau gemeenschap heeft met de

Oostzee, welken, in een matiglyk warm vertrek gebragt zynde levendig

wierden en begonnen te vliegen. II. De Graaf van Schlieben gaf een

bezegeld getuigschrift, behelzende, dat des winters in het Meer,

behorende aan zyn Landgoed van Gerdauen, visschende, hy verscheiden

Zwaluwen in het net kreeg, waarvan hy ’er ene opnam, ze in een warm

vertrek bragt, alwaar zy, een half uur gelegen hebbende, zig begon te

bewegen, en een half uur daarna herom te vliegen. III. De Amptman

Witkowski betuigde, dat in het jaar 1740. drie Zwaluwen in een net

opgehaald wierden in het grote Meer te Didlacken. In het jaar 1741.

kreeg hy twee Zwaluwen uit een ander deel van het Meer en bragt ze naar

huis, dewyl zy in zyn byzyn gevangen waren. Na den tyd van een uur

wierden zy allen in ene warme kamer levendig, vlogen, en stierven drie

uren daarna. IV. De Amptman Bonke zeide, dat hy, het Landgoed Kleskow

in pagt hebbende, negen Zwaluwen in een net van onder het ys had zien

ophalen, die hy allen in ene warme kamer bragt, waar hy duidelyk zag

hoe zy allengskens bykwamen, dog zy stierven allen kort daarna. Ene

andere reis kreeg zyn volk weder enige Zwaluwen in een net, dog hy deed

ze weder in ’t water smyten. V. Andries Rutta, een Visscher te Oletsko,

getuigde in ’t jaar 1747. dat tweeëntwintig jaar geleden hy in een net

twee Zwaluwen optrok van onder het ys van daan, die in ene warme kamer

bykwamen. VI. Jakob Kosiulo, ook een Visscher te Stradauen, betuigde

dat in ’t jaar 1736. hy in een net van onder, het ys op het Meer te

Ratski ene dood schynende Zwaluw optrok, die binnen een half uur in een

warm vertrek bykwam, dog een kwartier uurs daarna zwak wierd en kort

daarop overleed. VII. Ik kan my zelven onder de ooggetuigen rekenen van

deze vreemde stelling in de Natuurlyke Historie. In het jaar 1735. in

den winter, zag ik, een kleine jonge zynde, verscheiden’ Zwaluwen door

enen Visscher uit de Weissel in myn vaders huis brengen, waarvan ’er

twee in een warme kamer zynde gebragt bykwamen, en aan ’t vliegen

gingen. Ik zag dat ze verscheiden’ malen op den kacchel gingen zitten,

en het heugt my dat zy den zelven morgen nog stierven, en dat ik ze

dood in myne handen had.

In het jaar 1754. na den dood van mynen Oom Godefried Wolf, Kapitein in

het Regiment Poolsche Gardes te voet, een van wiens erfgenamen ik zelf

was, bestierde ik ten behoeven myner medeërfgenamen verscheiden

landgoederen, geheten de Starosty van Dirschau in Poolsch Pruissen, die

myn overleden Oom van den Koning had gepagt. In Januari beval ik onder

het ys van het Meer van Lybsbau te visschen, en in myne

tegenwoordigheid wierden ’er verscheiden Zwaluwen opgehaald, welken de

Visscher weer in ’t water smeet, uitgenomen ene, die ik zelf in huis

bragt, hetwelk vyf mylen van daar lag, waar zy bykwam, dog kort daaraan

overleed. Dit zyn daden bevestigd door lieden van den hoogsten rang,

waarvan sommigen openbare ampten bekleedden, of door anderen, die,

schoon van minder aanzien, dezelven met eden bevestigd hebben. Het is

onmogelyk te onderstellen, dat alle deze lieden zonder onderscheid

belang gehad zouden hebben van ene onwaarheid als ene gebeurde zaak

optegeven. Het is dan zeer waarschynlyk, of liever het is onbetwistbaar

waar, dat in de noordelyke landen de Zwaluwen gedurende den winter zig

in het water verbergen, en daar in enen staat van gevoelloosheid blyven

tot dat de warmte in de lente ze weder levendig maakt. Derhalven, dunkt

my, moest de stelling dus worden voorgesteld, “de Zwaluwen in Spanje,

Italie, Frankryk, en misschien sommigen in Engeland, verhuizen naar

warmer lugtstreken. Anderen in Engeland, sommigen in Duitschland en

andere gematigde gewesten, begeven zig in spleten en holen in de bergen

en klippen, en blyven daar in enen staat van ongevoeligheid. In de

kouder landen verbergen zy zig in ’t water, en blyven daar den winter

over zonder gevoel onder het ys.” Dog daar zyn enige tegenwerpingen

tegen dit laatste gevoelen, die wy moeten oplossen. Men zegt, hoe komt

het dat de visschen en andere viervoetige waterdieren de Zwaluwen onder

het water niet opvreten? Het antwoord is gereed. De Zwaluwen kiezen

alleen tot haar winterverblyf zulke plaatsen die digt by ’t riet zyn,

zo dat zy tusschen het zelve in nederzinkende bevryd zyn voor de

gulzigheid harer vyanden. Anderen werpen tegen; waarom haalt men gene

Zwaluwen uit waters daarmen gedurig met netten in vischt? Ik denk, dat

het zo even gegeven antwoord ook op deze vraag past. De Visschers

dragen zorg met hunne netten die plaatsen te vermyden waar veel riet

staat, uit vrees van in het zelve vastteraken en de netten te scheuren;

en dus is de legging der Zwaluwen onder ’t water oorzaak dat zy zelden

in haar winterverblyf gestoord worden. Wat deze mening nog verder

beveiligt is, dat men noit in Pruissen Zwaluwen uit het water gehaald

heeft als in dat gedeelte van het net dat langs het riet ging, en

somtyds zaten de Zwaluwen met hare poten vast aan het riet wanneer zy

met het net wierden opgetrokken. En wat de zwarigheid aangaat hoe zy zo

lang onder water kunnen zyn zonder te verrotten, schynt het my toe, dat

’er een wezenlyk onderscheid is tusschen dieren die in ’t water

versmoord zyn en zulken die daar gevoelloos in leggen. Daar zyn

voorbeelden van dingen die lang onder water zyn geweest; waarby men de

scherpe koude dier landen voegen kan, die de verrotting belet. Wie zou

gedagt hebben dat men slakken en polypes in stukken snyden kon, en dat

zy de afgesneden stukken van hun lichaam wederom konden voortbrengen,

indien dit niet ene daad was? Men behoort de Natuurlyke historie te

beoeffenen als zynde ene verzameling van daden, en niet als de Historie

van onze gissingen en meningen. De Natuur is op ene oneindige wys

verscheiden, en de Voorzienigheid heeft den aard der dieren en hunne

huishouding zeer onderscheiden gemaakt, en alles geschikt naar de

verschillende jaargetyden en lugtstreken. Ik oordeelde dezen langen

buitenstap nodig en te verschonen te zyn, des te meer omdat deze grote

voorstanders der Natuurlyke Historie, de Heren Collinson en Pennant,

beiden hebben beweerd, dat het onmogelyk was dat de Zwaluwen onder ’t

water zouden in ’t leven blyven. Ik eerbiedige de geheugenis en de

assche van den enen, en agte de vriendschap van den anderen ene eer

voor my te zyn, dog ik ben verzekerd dat de waarheid altyd by hun boven

hunne eigene meningen geschat geworden is, en dat zy altyd gereed waren

om ene zedige tegenspraak te dulden, wanneer zy opregtelyk wordt

voorgesteld, met inzigt om de waarheid te bevorderen, en met gevoelens

van eerbied en dankbaarheid, gelyk ik in dit geval ben doende. F.

[214] Linnæus noemt ze Hirundo riparia.

[215] Musträd. Mousewood.

[216] Bois de plomb.

[217] Dit Currants moet wel onderscheiden worden van het Currants dat

men in Engeland heeft, en ’t welk het Ribes rubrum is. F.

[218] Caprimulgus minor Americanus Catesby Nat. Hist. of Carolina vol.

3. t. 16. Edwards’s Nat. Hist. of Birds t. 63.

[219] Geitemelker.

[220] Kungsfogel.

[221] Veratrum album.

[222] Juglans regia.

[223] Malus Sylvestris, floribus odoratis. Gronov. Fl. Virg. p. 55.

Pyrus coronaria. Linn. Sp. Pl. p. 480.

[224] Dit kan zo zyn in de noordelyker landen van Europa dan de

Nederlanden, dog daar gebeurt het dikwyls dat de vorst den bloeisem

vernielt.

[225] Linnæus noemt ze Azalea nudiflora.

[226] Azalea erecta, foliis ovatis, integris, alternis, flore luteo,

piloso, præcoci. Cold. Ebor. 25.

[227] Linnæus noemt dezen Kikker Rana boans. Syst. Nat. T. 1. p. 358.

Catesby Nat. Hist. of Carol. Vol. 2. p. 72. heeft hem afgebeeld en

beschreven onder den naam van Rana maxima Americana aquatica.

[228] Cypressus thyoides. Linn. Sp. Pl. p. 1422. Cypressus Americana,

fructu minimo. Miller’s Gard. Diction.

[229] Juniperus Virginiana. Linn. Sp. Pl. p. 114.

[230] Juniperus communis. Linn. Sp. Pl. p. 1470.

[231] Een Eiland in de Rivier St. Laurence, by Montreal in Kanada.

[232] Warglo; Felis Lynx, Linn. De Zweden maken gewag van twee soorten

van Lynxen, het ene Warglo of de Wolflynx, en het ander Kattlo of de

Katlynx genaamd. De Duitschers maken het zelve onderscheid, en noemen

het eerste Wolf-luchs, en het andere Katz-luchs. Het eerste soort is

het zwaarste, bruinrood, gemengd met wit en grauw op den rug, en wit

naar den buik toe aan met bruine vlakken. Het laatste soort is

kleinder, zyn huid is wat witagtiger en meer gespikkeld. F.

[233] Anguis niger. Zie Catesby’s Nat. Hist. of Carol. vol. a. p. 48.

tab. 48.

[234] Scuta abdominalia.

[235] Sqamæ subcaudales.

[236] Men heeft by ene herhaalde ondervinding bevonden, dat het

byzondere kenmerk ’t welk Linnæus gebruikt om de soorten der Slangen te

onderscheiden, ontleend van derzelver scuta abdominalia en caudalia, of

squamæ subcaudales, in Slangen van het zelve soort grotelyks verschilt,

zo dat ’er dikwyls een verschil plaats heeft van tien of meer. Somtyds

is het gehele getal der schilden een behulp om het soort uittevinden,

mits men verdagt zy of de Slang ook by geval haren staart verloren

hebbe en die weder aangegroeid zy, in welk geval men zig van dit

kenmerk niet kan bedienen. Dit kenmerk is zo zeker en goed niet als men

wel wenschen zoude; dog de tekens ontleend uit de kleur, vlakken of

strepen, en diergelyken, zyn ook niet standvastig; en derhalven is het

beter zig aan een onvolmaakt kenmerk te houden dan ’er geen te hebben.

De tyd en ene grondiger kennis van dit gedierte zullen misschien

deszelfs natuurlyke kenmerken nader en zekerder doen vaststellen. F.

[237] Deze aanmerkingen werpen ook ene grote zwarigheid op de

uitlegging dezer zaak, hier boven I. D. bl. 137. in ene Aantekening

door den Heer Forster gegeven, welke uitlegging anders niet

onaannemelyk scheen.

[238] Dat onder de sterke dranken de Rum de minst schadelyke is, komt

voornamelyk van hare balsemagtige eigenschap, die zy van de suiker

krygt, welke de brandende kragt, allen sterken dranken eigen, matiger.

Hoe ouder de Rum is zoo veel te meer wordt deze brandende eigenschap

verminderd. Dit is onlangs, volgens de ontwyfelbaarste gronden der

Scheikunde, door den Heer Dossie, met duidelyke proeven, bewezen, F.

[239] De New Yorksche Steuren, die ik dit jaar overgebragt heb gezien,

hadden korte stompe neuzen, daar de Engelschen lange snoeten hebben. F.

[240] De Heer Kalm bedriegt zig als hy denkt dat op de toppen dezer

bergen niets wil wassen van wege de kragt der zonne aldaar, dewyl het

algemeen bekend, en op de ondervinding gegrond is, dat de zon zo grote

uitwerking niet maakt op de toppen der bergen als in de dalen, en de

koude verhindert dikwyls het hout op de toppen der bergen te wassen.

[241] Agaricus.

[242] Acer rubrum.

[243] Acer saccharinum.

[244] Carex.

[245] Dit gebruik zal men denkelyk van de Hollanders ontleend hebben.

[246] Van het Fransch Batteaux.

[247] Dit wordt volgens den O. S. gerekend.

[248] Convolvulus Batatas.

[249] Lampyris.

[250] Fireflies.

[251] Waterpoplar; Populus glaudulis variis basi foliorum adnexis,

foliis cordato-deltoidibus, acuminatis, serrato-angulosis, utrimque

glabris. Is dit de Populus heterophylla van Linnæus? F.

[252] Sedert dat de Engelschen ook meester van Kanada zyn moet hierin

noodwendig verandering gekomen zyn.

[253] Dat is die welke met den vrede van Aken in ’t jaar 1748.

geëindigd is.

[254] Deze Reis gaf de Heer Kalm uit gedurende den nu laatsten oorlog

tusschen de Franschen en Engelschen.

[255] Te weten de Mohawks, Senekas, Kaijugaws, Onondagoes, en Onidoes.

[256] De Heer Forster wil niet geloven dat de Fransche Zendelingen het

beter dan de Engelschen gemaakt hebben; en ik denk het zelve met hem.

“De Heer Kalm,” zegt hy, “schynt hier niet wel onderrigt te wezen. De

Fransche Geestelyken hebben enige arme Amerikanen tot hunnen Godsdienst

en hunne belangen overgehaald. Dog uit het gedrag dezer Bekeerden in

verscheiden oorlogen tusschen de Franschen en Engelschen bleek het, dat

zy tot de gruwelykste wreedheden bekwaam waren, en zelfs meer dan hunne

Heidensche Landsgenoten; en dus schynen zy eer bedorven dan bekeerd te

zyn. Integendeel, de Engelschen hebben den Bybel in de taal van de

Wilden van Virginie overgezet, en ’er velen van tot de ware kennis van

God gebragt. En tegenswoordig hebben de Amerikaansche liefdescholen,

onder het opzigt van den Heer Eleazar Wheelock, velen van de Wilden tot

den waren God getrokken. De Maatschappy ter verbreiding van het

Euangelium onder de Heidenen zendt alle jaren op hare eigene kosten,

verscheiden’ Zendelingen onder de Amerikanen. Ook zyn de Moravische

Broederen zeer yverig in het bekeren der Heidenen. Zo dat, indien de

Heer Kalm dit alles wat nauwkeuriger had gadeslagen, hy veel gunstiger

van den yver der Engelschen ter uitbreiding van het Euangelium zoude

geoordeeld hebben.”

[257] Sinapis arvensis.

[258] Deze Waterval is hier in print gebragt, zynde door den Ingenieur

Lewis Evans getekend.

[259] Conserva.

[260] Castor Zibethicus Linn.

[261] Dit schynt ene nieuwe waarneming te zyn. Ten minsten, Linnæus,

Buffon en Sarrasin beweren dat de Muskusratten alleen van den Acoras,

een riet, en andere wortels leven. F.

[262] Formica rufa Linn.

[263] Carpinus ostrya Linn.

[264] Dit is de woordelyke vertaling van het Zweedsche woord,

Jätte-grytor. Zie de Verhandeling der Zweedsche Maatschappy der

Wetenschappen voor het jaar 1743. bl. 122. en hierboven I. D. bl. 54.

en 55.

[265] Culex pulicaris. Linn.

[266] Culex pipiens.

[267] Acari Americani.

[268] Bl. 19.

[269] In Zweden en in Rusland is het de gewoonte onder allerlei soorten

van menschen van alle week ten minsten eens te baden, het welk

geschiedt door middel van ene kamer warm gemaakt door een kacchel, en

dat tot zulk enen graad dat menschen die ’er niet aan gewend zyn ’er

van stikken zouden. De hette wordt daar gemeenlyk vergroot door den

heten waassem veroorzaakt door het smyten van gloeyende stenen in

water. In deze baden baadt het gemene volk van beide geslagten in

Rusland dooreen, gelyk de Romeinen deden, van de welken, gelyk

Plutarchus in ’t leven van Cato aantekent, de Grieken deze onbeschaafde

en onbetamelyke gewoonte ontleend hebben, die zo algemeen werd, dat de

Keizers Adriaan en Marcus Antoninus genoodzaakt waren ’er wetten tegen

te maken, die egter niet werden in agt genomen; want wy vinden dat de

Kerkvergadering van Laodicea een verbod tegens deze ergerlyke gewoonte

heeft gegeven. En dit niettegenstaande vinden wy kort daaraan dat

lieden van allerlei staat, zelfs Priesters en Monniken, te gelyk met de

vrouwen in ’t bad gingen. Van daar is waarschynlyk deze gewoonte naar

Rusland overgegaan, toen het Christendom in dat Land wierd ingevoerd.

Digt by het bad in Rusland is gemeenlyk een water, waarin het volk zig

dompelt als zy door en door heet zyn, en in den winter rollen zy zig in

de sneuw; en des zaterdags ziet men gewoonlyk voor het bad een deel

mans en vrouwen geheel nakend, hebbende ieder enen bondel met roeden in

de hand, waarmede zy malkander in het bad vriendelyk den rug kwispelen.

F.

[270] De Heer Forster tekent hier aan, dat hy op zyne reizen in de

Woestenyen boven de Rivier de Volga gelegenheid gehad heeft deze

nuttigheid der Thee ook te ondervinden.

[271] By de Engelschen genaamd Lake George.

[272] “Hier, zegt de Heer Forster, schynt de Heer Kalm Dr. Colden, Dr.

Franklin, en den Heer Bartram, te vergeten, die in Noord Amerika de

natuur zo zorgvuldig hebben nagespoord. Hoe zoude zonder de vlyt der

Engelschen in dit Werelddeel de planten die daar voortkomen zo

menigvuldig wezen in de tuinen van Engeland? De nieuwe uitgaaf van het

Systema van Linnæus toont genoeg aan dat de Engelschen in Amerika zelfs

veel meer dan de Franschen hebben toegebragt ter bevordering der

Natuurlyke Historie. In de andere takken der wetenschappen overtreffen

de Engelschen in Amerika de Franschen in Kanada zeer ver, getuigen zo

vele instellingen en opgeregte boekeryen ter bevordering der

geleerdheid, die men in de Engelsche Volkplantingen vindt, en waarvan

de Franschen in Kanada weinig wisten voor dat dat Land in de handen der

Engelschen viel. Om niet te spreken van de voortbrengsels van

verscheiden in Amerika geborene geesten.”

[273] Het Land der Illinoizen legt op de Rivier Ohio, digt by de plaats

waar de Engelschen enig gebeente gevonden hebben, dat men

veronderstelde van Elefanten te zyn. Zie I. D. Bl. 60. in de

Aantekening.

[274] Dandelion, by Linnæus Leontodon Taraxacum.

[275] Dit noemen de Engelschen Paddling.

[276] Marmor schistosum Linn. vol. 3. p. 40. Marmor unicolor nigrum.

Waller. Min. p. 61. n. 2. Lime-slates, schistus calcareus. Forster

Introd. to Mineral. p. 9.

[277] Lithophyta.

[278] Madreporæ.

[279] Hondendood met eironde bladen.

[280] Vloikruid.

[281] I. Deel bl. 36.

[282] Ook wil men dat zy een dodelyk vergift voor honden, wolven en

ander vee is; waarom zy ook Hondendood genoemd wordt. Zie den nieuwen

druk van Chomel Huish. Woord. op het woord Apocynum.

[283] Arctium Lappa.

[284] Asclepias Syriaca Linn. Le Cotonier.

[285] Zie daar bl. 284. De Stillingia sylvatica, zegt de Heer Forster,

is waarschynlyk een van deze wortelen.

[286] Tænia.

[287] Loups marins.

[288] Zes Francs.

[289] Abies foliis subtus argenteis.

[290] Hier tekent de Heer Forster het volgende aan. “Het schynt dat

voor het toekomende de schone sex in de Engelsche Volkplantingen in

Noord Amerika de verwytingen, die de Heer Kalm doet, niet zal

verdienen, dewyl men berigt dat de Dames sedert malkander zoeken de

loef aftesteken in het vervaardigen van het nodige voor hare

huishoudingen, en dat in ’t algemeen een geest van nyverheid onder haar

de overhand begint te nemen.”

[291] Tetrao Logapus.

[292] Pag. 72.

[293] Maar zonden zy getemd zynde die voordelen die zy nu boven het

tamme vee hebben, en die zy aan hunnen wilden staat moeten danken, niet

verliezen? Zekerlyk, al het wilde gedierte dat tam gemaakt is geworden

veraardt. F.

[294] Le Cotonier. Dit is ook de naam dien zy der Asclopias Syriaca

geven. Zie bov. Bl. 89, 90.

[295] Poa culmo compresso, panicula tenuissima, spiculis trifloris

minimis, flosculis basi pubescentibus. Dus beschryft het de Heer Kalm.

[296] Tophus Tubalcaini Linn. S. N. vol 3. p. 187. n. 5. Minera ferri

subaquosa nigro cærulescens, Waller Miner. p. 263. Germ. Ed. p. 340. n.

3. Zie Forster Miner. p. 48.

[297] Stink-rivier.

[298] Vliegvogel.

[299] Deze kalksteen schynt een mergel te zyn, of liever een soort van

steenmergel; want men vindt ’er een witagtig soort van in Krimsch

Tartarye, en digt by Stiva of Thebe in Griekenland, ’t welk de Turken

en Tartaren gebruiken om pypenkoppen te maken. Met kan in ’t eerst

gemakkelyk doorgesneden worden, dog verkrygt naderhand groter

vastigheid. F.

[300] La haute & la basse ville.

[301] Le Seminaire.

[302] Gelyk het Nitrum Suillum van Linn. S. N. vol. 3. p. 86. of de

Lapis Suillus prismaticus van Waller Min. p. 59. 41. De Heer Forster

noemt dien steen Stink-stone. Introd. to Mineral. p. 40.

[303] Zie hier ene aantekening van den Engelschen Overzetter. “De

Rivier St. Laurence was niet langer een voormuur tegens de overwinnende

Britsche vloot in den laatsten oorlog. De Vestingwerken van Quebec

waren toen ook niet in staat de wakkere aanvallen van het Engelsch heir

te land te wederstaan. Dit stelde de goede Franschjes in Kanada omtrent

hunne gunstige gedagte aangaande de sterkte van hun land te loor. Thans

zyn zy gelukkig door deze omwenteling der Fortuin, welke hen aan den

Britschen Ryksstaf onderworpen heeft, wiens zoete invloeden zy thans

genieten.”

[304] De Kruidkundigen kennen deze plant onder den naam van Panax

quinquefolium, foliis ternis quinatis Linn. Mat. Med. §. 116. Spec.

Plant. p. 15. 12. Gronov. Fl. Virgin. p. 147. Zie ook Catesby’s Nat.

Hist. of Carol. vol. 3. p. 16. t. 16. Laffitau Gins. 51. t. 1.

Charlevoix Hist. de la Nouv. France Tom. 4. p. 308. Fig. 13. en Tom. 5.

p. 24.

[305] Description de l’Empire de la Chine. Tom. 4, p. 9.

[306] Zie Osbeck’s Voyage to China. Vol. 1, p. 223.

[307] De Heer Osbeck schynt te twyfelen of de Europers enige winst doen

met den handel in den Ginseng in China, aangezien de Chinezen de

Kanadasche wortels zo hoog niet schatten als de Tartaarschen, waardoor

de eersten nauwlyks half zo veel gelden als de laatsten. Zie Osbeck’s

Voyage to China. Vol. 1. p. 223. F.

[308] Dit strydt lynregt met het geen de Heer Osbeck verzekert. Zie

bov. Bl. 125 in de Aant.

[309] Dit is het Adiantum pedatum van Linn. Sp. Pl. p. 1557. Cornutus

in zyn Canadens. Plant. Historia p. 7. noemt het Adiantum Americanum,

en geeft by de beschryving ene afbeelding ’er van, p. 6.

[310] Maiden-hair.

[311] Adiantum Capillus Veneris.

[312] Solanum tuberosum.

[313] Convolvulus Batatas.

[314] Dit is een soort van Kool met lange ronde eetbare wortelen, die

boven den grond wassen, waarin zy van Brassica Napobrassica verschilt,

welker wortels onder den grond groeyen. Beide de soorten zyn gemeen in

Duitschland, en de eerste in Italie. F.

[315] Dit schynt zeer waarschynlyk te wezen, want wy vinden in Marco

Paolo, dat Kublai Khan, een van de Opvolgers van Genghis Khan, na de

zuidelyke delen van China te hebben overmeesterd, ene vloot uitzond om

Japan, of, gelyk zy het noemden, Nipan-gri, te veroveren; dog een

geweldige storm beliep de vloot, en geen schip is er oit van te regt

gekomen. Waarschynlyk wierden enigen van deze schepen op de Kust van

Amerika gesmeten, die, regt over de grote Amerikaansche Meren, tusschen

de 40, en 30. gr. N. legt; en het scheepsvolk zal naar alle gedagte

deze gedenktekens hebben opgerigt, en de voorvaders zyn geweest van

enige volken, Mozemleks genaamd, die enigsins beschaafd zyn. En ander

gedeelte dezer vloot schynt op de kust van Mexiko geraakt te zyn, en

den oorsprong aan het Mexikaansche Ryk gegeven te hebben, het welk,

volgens de verhalen der Mexikanen zelven, zo als ons de Spanjaarden

berigten, niet zeer oud is; zo dat zy nauwlyks meer dan zeven Vorsten

voor Motezuma den tweden weten optenoemen, die regeerde ten tyde dat de

Spaanschen onder Fernando Cortez daar in het jaar 1519. aanlandden.

Gevolgelyk begon de eerste dezer Vorsten in het jaar 1270. te regeren,

onderstellende dat elk van hun drieëndertig jaar en vier maanden

geregeerd heeft, en men daar de zestien jaren van Motezuma bydoet,

omtrent welken tyd Kublai Khan, de overweldiger van geheel China en van

Japan, op den troon zat, onder wiens regering ik meen dat de gemelde

ongelukkige togt op Japan werd ondernomen, die Amerika van beschaafde

inwoonders zal voorzien hebben. Daar is, indien ik my niet bedrieg, ene

grote overeenkomst tusschen de gedaante van de Afgodsbeelden der

Mexikanen en die van zulke Tartaren die den godsdienst van den Dalaï

Lama aankleven, welken godsdienst Kublai Khan het eerst by de Moguls

heeft ingevoerd. De Wilden van Amerika schynen enen anderen oorsprong

te hebben, en zyn waarschynlyk afkomstig van de Jukaghiri en Tkhuktkhi,

die in enigen der noordoostelyke delen van Asia wonen, van waar,

volgens de berigten der Russen, de overtogt naar Amerika niet zeer lang

is. De woestheid dier twee volken, gelyk aan die der wilde Amerikanen,

de gewoonte van zig het aangezigt te beschilderen, hunne gesteldheid op

sterke dranken, waarvan zig ’er de Jukaghiri enigen uit vergiftige en

bedwelmende paddenstoelen weten te bereiden, welken zy van de Russen

kopen, en vele andere overeenkomsten, tonen duidelyk aan dat de beide

volken den zelven oorsprong hebben. De Eskimaus schynen een en het

zelve volk met de Groenlanders, de Samoyeden en de Laplandens te wezen.

Zuid Amerika, en byzonderlyk Peru, is waarschynlyk uit het grote

onbekende Zuidland bevolkt, het welk digt by Amerika legt. F.

[316] Dit stuk is nog niet uitgegeven.

[317] Lichen rangiferinus.

[318] Pour faire un Recollet il faut une hachette, pour un Prêtre un

ciseau, mais pour un Jesuite il faut un pinceau.

[319] Spiculæ tri- vel quadrifloræ minimæ, semina basi pubescentia.

[320] Hier volgt in ’t Hoog Duitsch wederom ene breedvoerige

beschryving van de omheiningen die men in Amerika gewoon is om de

akkers te maken, het welk wy als vervelend en voor onzen Lezer van geen

nut hebben overgeslagen, gelyk ook de Engelsche overzetter gedaan

heeft.

[321] “Ik heb het ene soort van dezen boom, door de Franschen Cerisier

genoemd, in myn Dagboek dus beschreven;” zegt de Heer Kalm. “Cerasus

foliis ovatis serratis, serraturis profundis fere subulatis, fructu

racemoso. Het andere dus: Cerasus foliis lanceolatis, crenato-serratis,

acutis, fructu fere solitario.

[322] Helleborus trifolius.

[323] Helianthus annuus.

[324] Verscheiden proeven hebben bewezen dat een vogt in een ander vogt

gedompeld, en dan aan de lugt om uittewaassemen bloot gesteld, zeer

koud wordt; en hoe schielyker de uitwaasseming na herhaalde

indompelingen voortgaat te sterker is de koude. Dit is de reden dat de

wyngeest, die meer uitwaassemt dan water, ook meer verkoelt dan water,

en dat de spiritus salis Ammoniaci, die nog vlugger is dan de wyngeest,

ene nog groter kragt van verkoeling heeft. De uitwaasseming gelukt het

best als men het vat waarin het vogt is beweegt, het aan de lugt bloot

stelt, of ’er met een paar blaasbalgen op blaast. Zie de Mairan

Dissert. sur la Glace; Richman in Nov. Comment. Petropol. ad ann. 1747.

& 1748. p. 284. en Dr. Cullen in The Edinb. physical and literary

Essays and Observations vol. 2. p. 145. F.

[325] Het is bekend dat alle bomen ieder jaar maar enen nieuwen kring

maken, zo dat men ’er den ouderdom van den boom, en den spoed waarmede

hy groeit, uit kan opmaken. F.

[326] Polypodium fronde pinnata, pinnis alternis ad basin superne

appendiculatis.

[327] Waarschynlyk Onidoes, zegt de Heer Forster.

[328] Venus mercenaria Linn.

[329] Triglochin.

[330] Waarschynlyk was die aarde bezwangerd met deeltjes van kopererts.

[331] De grote Rivier.

[332] Vitis Labrusca & vulpina.

[333] Saxum micaceo quarzoso calcarium.

[334] Zie Bl. 115.

Reis door Noord Amerika · 第 49 / 50 段