aantekening op het woord Humus communis atra, zegt, dat sommigen van
mening zyn, dat de mulle tuinaarde van onzen aardkloot by trappen
vergroot wordt door het jaarlyksch rotten der planten, byzonderlyk op
zulke plaatsen die sedert den Zondvloed onbebouwd gelegen hebben, en
dat dus in honderd jaar een halve duim van tuinaarde wierd
voortgebragt. Dog hy merkt te gelyk aan, dat deze waarneming niet juist
is, dewyl die aarde gemeenlyk niet dieper is dan een voet, en ’er
sedert den Zondvloed meer dan 2400. jaren voorby zyn, ja zelfs, volgens
de Tydrekening der H. Schrift, meer dan 4000. jaren. Behalven dat merkt
hy aan, dat de mulle aarde altyd hoe langer hoe gepakter wordt waar zy
bedekt legt voor sneeuw en regen; en waar zy bloot legt voor den regen
wordt zy naar lager plaatsen gevoerd, en gevolglyk wast zy aan of neemt
zy af naar de gelegenheid der plaatsen. Nog meer. De gewassen komen het
best voort daar deze aarde gevonden wordt. Maar, dewyl ’er gewassen
over den gehelen aardbodem geweest zyn reeds sedert den Zondvloed,
moeten zy overal ene mulle aarde gehad hebben om in te groeyen.
Gevolgelyk is het zeer waarschynlyk dat ’er zulk ene mulle aarde
geweest moet zyn van den eersten oorsprong van den aardkloot af. Daar
zyn nog andere redenen die my doen twyffelen aan het toenemen van deze
vrugtbare aarde. In Rusland aan deze zyde der Volga, leggen hoge en
ruim uitgestrekte vlaktens, welken genoegzaam van den Zondvloed af
onbebouwd gelegen hebben. Want wy weten uit de Geschiedenissen dat de
Scythen, de Sarmaten, de Hunnen en de Mogols, na malkanderen, in ’t
bezit van die landen geweest zyn, welken allen wandelende volken
geweest zyn, die genen akkerbouw oeffenden. Het land is sedert
onheuglyke tyden zonder hout geweest, en ’er kan ook geen hout wassen,
om dat de zwervende Inwoonders alle voorjaren het droge gras in brand
steken, het welk ik in ’t laatst van Mai gevonden heb dat tot myn
middel reikte. Nu, deze grote woeste landen zag ik overal bedekt met
ten minsten twee voet tuinaarde, ja, op sommige plaatsen vier voet.
Dan, volgens de voorgaande rekening van enen halven duim ieder honderd
jaar, zou dit, in ’t eerste geval als ’er twee voet mulle aarde was,
4800. jaar, en in ’t twede als ’er vier voet was, 9600. jaar geven.
Hieruit blykt dat deze veronderstelling van den aanwas der mulle vette
aarde op genen goeden grond steunt. De scheikundige ontbinding der
planten wyst aan, dat zy bestaan uit water, aarde, een zuur en een
alkalisch zout, olie, en een ontvlambaar beginsel, onafhangelyk van de
olie. Deze stoffen moeten ieder jaar in de nieuwe planten indringen, om
hare zelfstandigheid uittemaken, en worden, als ware het, tot nieuwe
planten herschapen, na dat ze vry geraakt zyn van ’t lichaam der plant
van het voorgaande jaar, ’t zy door verrotting, ’t zy door het
verbranden derzelver. De vette mulle aarde, scheikundig onderzogt,
heeft dezelve eigenschappen. Een zuur zout en een brandbaar beginsel
zyn overvloedig in de lugt, en kunnen dus gemakkelyk aan de mulle aarde
teruggegeven worden, en dus in de nieuwe planten komen. Het water komt
insgelyks van den regen en de sneeuw uit den dampkring; alkalische en
oliagtige deeltjes, of een soort van zeep, alleen ontbreken ’er nog
aan; welken, wanneer zy, gevoegd by de voorgaanden, aan ene mulle aarde
worden medegedeeld, ene zeer goede tuinaarde zullen voortbrengen. Nu,
deze beginsels worden voortgebragt uit verrotting of verbranding van
groeibare of dierlyke zelfsstandigheden, en zyn de grote bevorderaars
der groeying.
Maar de grote vraag is, van waar deze voor de groeying zo noodzakelyke
beginsels oorspronglyk gekomen zyn. Te zeggen, dat zy van verrotte
planten gekomen zyn, is de zelve vraag op nieuws te doen. Daar is dan
niets op, dan te stellen dat zy oorspronglyk van den groten Schepper
van het Heelal zyn voortgebragt, en met die eigenschappen voorzien,
welken hen bekwaam maken om door verschillende mengingen nieuwe
lichamen voort te brengen. En wanneer zy door de vogtigheid in de zaden
der planten worden ingebragt, ontzwagtelen zy de zaadtjes, en brengen
een nieuw wezen voort, bekwaam om de dierlyke schepping te voeden. ’T
is klaar, dat de Heer Kalm zag op de gemelde mening van het toenemen
der mulle tuinaarde; en dit gaf my gelegenheid om deze grote vraag,
waarvan de Landbouw, de nuttigste der konsten, zo zeer afhangt, eens
voortestellen. F.
[61] Hedera quinquefolia Linn. Sp. Pl.
[62] Liquidambar Styraciflua Linn.
[63] Nasturtium hortense.
[64] Wormseed.
[65] Jerusalem Oak.
[66] Acer rubrum.
[67] Curled Mapple by de Engelschen.
[68] Prunus Virginiana Linn. Sp. Pl.
[69] By Tournefort.
[70] Spanish Needles.
[71] Formica rubra, antenna longitudine corporis, Linn. Faun. Su.
[72] Gelyk de Oesterschelpen een dierlyk voortbrengsel van de zee zyn,
en derzelver holtens vol van deeltjes van zeewater, vervliegt wel het
nat, dog het zout blyft over. Als nu de schelp verbrand en de kalk
gebluscht wordt, vermengt zig het zout met den kalk, en hoe droog ook
het geen niet zulken kalk gemetseld is wordt, trekken egter altyd de
zoutdeeltjes de vogtigheid der lugt aan en veroorzaken het zweten der
muren. F.
[73] Hoe zorgvuldig ook de Heer Kalm ware om dit gedierte het
verspreiden te beletten, verzekert ons egter de Heer Linnæus in zyn
Syst. Nat. dat de zuidelyke delen van Europa alreeds ’er van besmet
zyn. Scopoli spreekt ’er van onder zyne Insecta Carniolica p. 63. en
Geoffroy heeft ’er in zyne Insectes de Paris Vol. 1. p. 267. t. 4. t.
9. ene afbeelding van gegeven. F.
[74] Diss. de Noxa Insectorum. Amoen. Acad. Vol. 3. p. 347.
[75] Bruchus Americæ septentrionalis. In zyn Syst. Nat. noemt hy hem
Bruchus Pisi, of de Erwtkever; en zegt dat de Gracula Quiscula of de
Purpledaw van Catesby dit gedierte vernielt; en dat men nu bemerkt, hoe
onvoorzigtig het geweest is dien vogel in Pensylvanie, New Jersey, en
Nieuw Engeland uitteroeijen, dewyl ene menigte van wormen die deze
vogel plegt te verslinden thans de weilanden vernielen. F.
[76] Als men de erwt voor dat ’ze gezaid wordt in loog van kalkwater en
enig ontbonden Rottekruid legt, wordt de worm die ’er in zit gedood. F.
[77] Hedera arborea.
[78] Raphanus major oblongus.
[79] Convolvulus radice tuberosa esculenta.
[80] De Heer Miller beschryft dezen drank in zyn Tuinmans Woordeboek,
onder het woord Convolvulus. Soort 17. en 18.
[81] Ursus Meles.
[82] Ground hog.
[83] Dit dier is waarschynlyk de Sorex cristatus van Linnæus.
[84] Linn. Sp. Pl.
[85] De Amerikaansche Nagtschaduwe.
[86] Quercus Marilandica Catesby Nat. Hist. of Carolina vol. 1. tab.
19. Quercus nigra Linn.
[87] Springkraut heeft de Hoog Duitsche Overzetting.
[88] Horseweed.
[89] Calix, Corolla, stamina, Pistillum.
[90] Acer rubrum.
[91] Laurus æstivalis.
[92] Canoeträ, of by verkorting Knuträ.
[93] De Heer Forster voegt ’er by, “dit soort van Stier is de Bos Bison
van Linnæus.”
[94] Hommelvogel, of Bromvogel. Dit vogeltje noemen de Hollanders het
Bloemzuigertje.
[95] Linnæus noemt hem Trochilus Colubris.
[96] Nat. Hist. of Carolina Vol. I. p. 65. tab. 65. Men vindt hem ook
in Edwards Nat. Hist. of Birds p. 38. tab. 38.
[97] Daar is nog een kleinder soort, by Linnæus genoemd Trochilus
minimus. Dit is de kleinste vogel die bekend is. Een dien de Heer Hans
Sloane had woeg levendig maar twintig grein, en een van den Heer
Edwards vyf en veertig. Dog deze laatste was gedroogd. Hy is in ’t werk
van Edwards afgebeeld, in zyne natuurlyke grootte en met zyn ei. Tab.
150. F.
[98] Tubus.
[99] Flores verticillati.
[100] Mentha.
[101] Canabis spuria.
[102] Dit gebrom is de reden dat zy Humming bird, dat zo veel als
bromvogel zeggen wil, genoemd worden.
[103] Verbascum Thapsus.
[104] Vol. I. p. 27. tab. 27.
[105] Zulke schuren zyn gemeen in Holland, het Noorden van Duitschland
en Pruissen. F.
[106] Dit is omtrent 40. van onze Hollandsche Uren gaans.
[107] Waarschynlyk is dit een steenmergel. Men vindt ’er een blauw en
gruisagtig soort van in het Graafschap Banff in Schotland. Men gebruikt
hem met veel voordeel tot misting. F.
[108] De Heer Linnæus heeft, in zyne West Gothische Reisbeschryving,
ene afbeelding van den Wouwmolen gegeven.
[109] Blue bills.
[110] Linn. Anas acuta.
[111] Salvia Officinalis Linn.
[112] Gelyk ’er gene Joden in Zweden zyn was de Heer Kalm onbekend met
hunne godsdienstplegtigheden, en om die reden verhaalt hy ze als iets
byzonders. F.
[113] Platanus occidentalis Linn. Waterbeech in ’t Engelsch.
[114] Locusttree Linn. Robinia Pseudo Acacia.
[115] Dit is de Rana arborea van Linnæus, en wel de Amerikaansche
Verscheidenheid daar van.
[116] Pinus strobus Linn. Sp. Pl. p. 1419.
[117] Cupressus thyoides Linn. Sp. Pl. p. 1422.
[118] Dit is ook gebeurd door de betere vereniging en de pogingen der
Volkplantingen, ondersteund door de magt van Groot Brittanje zelf;
zodat Kanada overweldigd en door den laatsten vrede geheel aan de
Engelschen afgestaan is. F.
[119] Dat is Bunsem.
[120] Bête puante. Enfant du Diable.
[121] Nat. Hist. of Carol. vol. 2. p. 62. tab. 62. onder den naam van
Putorius Americanus striatus. Linnæus noemt het Viverra putorius.
[122] Nat. Hist. of Carol. Vol. 2. p. 78. tab. 78.
[123] Geen van deze berigten is voldoende, en daarom ben ik van
oordeel, dat deze Rosse Vossen oorspronglyk uit Asia zyn gekomen,
waarschynlyk van Kamschatka, waar dit soort gemeen is; dog dat dit al
lang geleden gebeurd is, en dat zy zig dus allengskens in Amerika
verspreid hebben. Misschien is het waar dat de Wilden ze noit vernomen
hebben voordat zig de Europers hier nederzetteden; dog dit kan
daarvandaan gekomen zyn dat zy van te voren geen gebruik van derzelver
vellen wisten te maken. Dog toen die begonnen gezogt te worden, leiden
zy ’er zig op toe om ’er op te jagen, en, daar zy ze van te voren
weinig gezien hadden, hielden zy ze voor iets nieuws. Het geen dit nog
bekragtigt is, dat toen de Russen onder den Kommandeur Bering op de
Westkust van Amerika landden, zy vyf Rosse vossen zagen, die zo mak
waren dat zy in ’t geheel niet bang voor menschen schenen. Nu dit zou
zeer wel te begrypen zyn, als wy ons voorstellen dat zy gedurende
verscheiden’ geslagten op ene plaats geweest zyn, waar zy door niemant
gestoord wierden. Dog het zou niet wel te begrypen zyn, als wy ze
afkomstig veronderstellen uit een Land waar vele Inwoonders zyn, gelyk
als omstreeks Kamschatka, en daar zy gewoon waren gejaagd te worden. F.
[124] Een soort van Marentak, of bygewas op de bomen.
[125] Linn. Sp. Pl. p. 709.
[126] Lycoperdon Tuber Linn.
[127] Linn. Sp. Pl. p. 966. Vergelyk hier mede wat in ’t vervolg van de
Tahim en Tukah zal gezegd worden
[128] Toen Kapitein Amadas, de eerste Engelschman die oit in Noord
Amerika landde, voet aan land zette, vloog ’er, om zyne eigene woorden
te gebruiken, zulk een troep Kranen, meest allen wit, op, onder zulk
een geschreuw, dat het door den weergalm verdubbeld zynde geleek als of
’er een geheel leger van menschen hard op schreuwde. F.
[129] Blackbirds, eigenlyk Shining birds, glinsterende vogels. F.
Linnæus noemt dezen vogel Gracula Quiscula.
[130] Philosoph. Transactions N. 368.
[131] Het geen te meer gewigt aan dit gevoelen van den Heer Kalm geeft,
is dat de Algonkins den Eland Musu heten, gelyk hy zelf naderhand
aantekent. En deze Algonkins waren, voor dat de Iroquoizen of de Vyf
Volken zo magtig wierden, het onzaglykste volk in Noord Amerika, schoon
zy nu tot een zeer gering getal gebragt zyn. Hunne taal was in dien tyd
een soort van algemene taal in geheel Noord Amerika; zo dat ’er geen
twyffel over blyft of het Moose-deer is de Eland. F.
[132] Asbestus fibris ecentro radiantibus.
[133] Soapsten.
[134] Dit schynt of het zogenaamde Fransch Kryt, of misschien de
Soap-rock of Zeeprots, die gemeen is in Kornwal digt by Lizardpoint, te
wezen, en die behalven enige talkdelen, voornamelyk uit ene aarde
gelykende naar magnetia bestaat, welke met het zure zout van vitriool
een aardagtig vitriool-zout, of Epsom salt, geeft. F.
[135] Mountain Flax, Linum montanum Forster’s Miner. p. 17. Bergvlas,
Berglinnen.
[136] Zodanig is het onder anderen by de Nederlanders aangenomen
gevoelen, dat de wind, die op den dag der lente nagt en dag evening
gewaid heeft, zes weken zal aanhouden te wayen.
[137] Nat. Hist. of Carol. Vol. 2. p. 74. tab. 74. Ray Syn. Quadrup. p.
215.
[138] Dormice in ’t Engelsch; Mus Cricetus by Linn.
[139] “Men heeft waargenomen” tekent hier de Heer Forster aan, “dat
alleen zulke Eekhoorns en vogels, die hunne nesten digt by de plaats
hebben daar zulke slangen komen, een zo naar geluid maken, en de takken
zo op en neder lopen om daar door de aandagt der slang van hunne jongen
af te trekken, en dus gebeurt het dat zy dikwyls zo digt by de slang
komen, met inzigt niet om zig in haren mond te werpen, maar om weder te
rug te lopen, dat de slang gelegenheid krygt van ze te byten, te
vergiftigen, en dus optevreten. En dit, denk ik, is ene genoegzame
verklaring van deze gehele zogenaamde betovering.”
[140] Nat. Hist. of Carol. vol. 2. p. 76. 77. tab. 76. 77. Zie ook
Edwards Nat. Hist. of Birds tab. 191. Het is egter nog zo uitgemaakt
niet dat deze Eekhoorn dezelve is met den Finlandschen en dien men in
’t Noorden van Asia vindt. De Amerikaansche heeft enen platten
penagtigen staart, en de Europische enen ronden. F.
[141] Nat. Hist. of Carol. vol. 2. p. 75. Zie ook Edwards Nat. Hist. of
Birds t. 181. Dog dezen hebben den Vliegenden Eekhoorn in ene zittende
gestalte afgebeeld. Men zal hem hier vliegenden in plaat vertoond
vinden, nevens ene nauwkeurige afbeelding van den Ground Squirrel of
Aardeekhoorn.
[142] Sciurus striatus. Zo heet hy ook by Linnæus.
[143] Schistus tabularis Linn. Syst. Nat.
[144] Pinus foliis geminis, Squammis conorum oblongorum aculeatis.
[145] Spoon tree.
[146] Kalmia foliis ovatis, corymbis terminalibus, vel Kalmia
latifolia.
[147] Naamlyk in de Delen van de jaren 1751. en 1752.
[148] Diospyros Virginiana.
[149] Rumex acetosella.
[150] Linum Virginianum.
[151] Pinus Abies.
[152] Pinus sylvestris.
[153] Liriodendron Tulipifera Linn.
[154] Cornus florida. Linn.
[155] Pleuritis.
[156] Diaphragma.
[157] Foxgrapes.
[158] Zie hier over het zeldzame dog opmerkelyke werk getiteld Torfæi
Historia Vinlandiæ antiquæ, seu partis Americæ Septentrionalis. Hafniæ,
1715. in 4°. F.
[159] Deze proef door middel van het zilver genomen vereischt dat het
afkooksel van den visch zo sterk zy dat het als een ontbindvogt op het
zilver werken konne. Maar daar kunnen vergiften wezen die op het zilver
niet werken en nogthans dodelyk zyn voor den mensch. Het voorzigtigste
zou by gevolg wezen van enen lust tegen te gaan die zo noodlottig zou
kunnen zyn, niet alleen voor enigen uit het Scheepsvolk maar voor het
gehele Schip zelfs, door het van zo vele nodige handen te beroven. F.
[160] Tineæ.
[161] Gryllus domesticus.
[162] Misschien is dit de Gryllus campestris, of gemene zwarte
Veldkrekel van Europa, die Rösel zeer frai heeft afgebeeld in zyn Werk
over de Insekten 2. D. Gryll. f. 13. F.
[163] Cimex lectularius.
[164] Daar is een nog onfeilbaarder middel, te weten, het houtwerk,
waarin dat ongedierte zit, met een smeltsel van Arsenicum of Rottekruid
te wasschen. F.
[165] Voor het jaar 1754.
[166] In Siberie in ’t Landschap Wiatka, in het Gouvernement van Kazan,
maken de Inwoonders kommen en ander huisraad uit de knobbels die men
daar veel op de berkebomen vindt. Zy worden gedraid, tamelyk dun
gemaakt, en met een seker soort van vernis overdekt, dat ze zeer frai
maakt, want het goed ziet ’er geel uit, gemarmeld met bruine aderen,
als of het beschilderd was. Het beste soort wordt zo dun gemankt dat
het half doorschynend is, en wordt buigzaam in warm water gelegd zynde,
zo dat ’er allerhande gedaantens aan gegeven kunnen worden, dog als men
het aan zig zelf laat en het koud geworden is, komt het weer tot zyn
oude figuur. Dit soort van hout wordt in Rusland genoemd Kap, en het
daarvan gemaakte houtwerk Kappowie Tchashki. Het is duur als het van
het beste soort en wel vernist is. F.
[167] En dit is iets het geen waarschynlyk het invoeren van Bisschoppen
in Noord Amerika, waarop velen zo gesteld zyn, zeer bezwaarlyk maken
zal.
[168] Where is my fee?
[169] Myrica aspleniifolia. Linn.
[170] Lapis ollaris.
[171] Journal historique d’un voyage d’Amerique. Tom. 5. Lettr. 13.
[172] Calumet de paix by de Franschen.
[173] Uit deze beschryving blykt klaar genoeg dat deze Hazen een
onderscheiden soort zyn van onze rosagtige grauwe Hazen, zo wel als van
die welken in de noorder delen van Europa en Asia gevonden worden, die
des winters wit zyn, met zwarte tippen aan de oren, dog des zomers een
grauw vel hebben. By een nauwkeurig onderzoek zouden de Natuurkenders
misschien nog meerder onderscheidende kenmerken vinden. F.
[174] British Empire in America vol. 1. p. 444.
[175] Catesby noemt hem Passer nivalis, en Linnæus Emberiza hiemalis.
[176] Tetrao bonasia.
[177] Rhus glabra.
[178] Muskusrat, in ’t Engelsch, Rat musqué in ’t Fransch,
Desmans-Rättor in ’t Zweedsch. Linnæus noemt hem Castor Zibethicus.
[179] Castor Moschatus Linn.
[180] Pedes palmati.
[181] Magnolia glauca.
[182] De Mink of Minx is een soort van kleinen Otter, by Linnæus
genaamd Mustela lutreola. F.
[183] Het vlek Rakoon.
[184] Deze krayen zyn maar ene verscheidenheid van den Corvus Cornix
van Linnæus.
[185] Fagus Sylvatica.
[186] Quercus alba.
[187] Dit schynt maar ene verscheidenheid te zyn van de Quercus rubra.
[188] Nat. Hist. of Carol. vol. I. pl. 47. Hy noemt hem Motacilla
Sialis. Men vindt hem ook in Edward’s Nat. Hist. of Birds p. 24. In myn
Dagregister heb ik hem Moticilla cærulea nitida, pectore rufo, ventre
albo genoemd.
[189] Nat. Hist. of Carol. vol. 1. pl. 38. Hy noemt hem Coccothraustes
rubra. Linnæus geeft hem in zyn Syst. Nat. den naam van Loxia
Cardinalis.
[190] Nat. Hist. of Carol. vol. 1. pl. 12. de Purple Daw, en pl. 13, de
Red-winged Starling. Wy hebben ze in dit werk doen invoegen.
[191] De Heer Kalm beschryft dezen vogel in ’t Latyn, naar het gebruik
der Natuurkundigen. Magnitudo Sturni. Rostrum subulato conicum, rectum,
convexum, basi nudum, nigrum, maxillis fere æqualibus, superiori tamen
tantillum longiori. Nares oblongo quadratæ, ad basin maxillæ superioris
oblique positæ, nudæ; tuberculum corneum, seu prominentia parva a
latere superiori. Lingua acuta, apice bifida. Oculorum iris pallida.
Capitis frons, pars superior, nucha collum superna & ad latera cæruleo
viridia, nitida, latera capitis sub oculis obscure coerulea. Dorsum
totum tectricesque alarum puppureæ, sed non ita manifeste in parte
superiori uropygii, sed ibi magis fuligine subnigræ. Remiges primariæ
novem nigræ; cæteræ secundariæ nigræ, margine exteriori purpurascentes.
Rectrices duodecim nigræ purpureæ, apice rotundatæ, quo lateribus
propiores eo breviores, intermediæ longissimæ. Cauda explicata versus
apicem rotunda videtur. Gula obscure viridis, nitida. Pectus etiam
versicolor & pro varia inter lumen & oculum positura jam nigrum, jam
smaragdinum. Venter fuligineus; tectrices inferiores caudæ obscure
purpureæ. Pectus & abdomen sub alis purpurea, tectrices alarum
inferiores fuligineæ. Alæ inferius nigræ; femora plumis fuligineis;
tibiæ & pedes nigri, nitidi. Digiti quatuor more avium plurimarum.
Ungues nigri, posticus cæteris major.
Deze vogel is de Monedula purpurea van Catesby, en de Gracula Quiscula
van Linnæus.
[192] Veratrum album.
[193] Gracula Quiscula.
[194] Oriolus Phoeniceus.
[195] Vaccinium hispidulum.
[196] Vaccinium vitis idæa.
[197] Zie hem in Catesby Nat. Hist. of Canada. B. 1. pl. 36. onder den
naam van Passer nivalis. Linnæus noemt hem Emberiza hyemalis.
[198] De Heer Forster houdt dit voor een verschynsel van Noorderligt.
[199] Hier van vindt men hier ene plaat.
[200] Rana ocellata.
[201] Linn. Turdus migratorius. Men heeft ’er hier van, nevens van den
Mocking-bird of Spotvogel, ene plaat gegeven.
[202] Corylus avellana.
[203] De Heer Kalm schreef dit wanneer het nog niet aangenomen was van
de pokjes op de koude wys te genezen, en dus dagt hy dat de behandeling
der Amerikanen deze ziekte zo gevaarlyk maakte. Maar hierin schynt hy
zig te bedriegen. Wanneer de Khalmukken in Rusland de kinderziekte
krygen, komen ’er weinig door, en ik denk dat hier gene andere reden
van kan gegeven worden, dan dat deze ziekte altyd gevaarlyk is, of
wanneer de opene poren in de huid te talryk zyn, het welk komt als men
zig in warm water baadt, of wanneer zy te veel gesloten zyn, het welk
plaats heeft by alle morssige volken. Alle de Amerikanen smeren hunne
lichamen met olie, de Khalmukken wasschen zig noit, en besmeren hun lyf
en hunne klederen met vet. De Hottentotten zyn, denk ik, voorbeelden
van morssigheid, hunne lichamen zyn besmeerd met schapevet. Dit sluit
de poren toe, belet geheel en al de doorwaasseming, en maakt de
kinderpokjes altyd dodelyk onder die volken, waarby men voegen kan het
gedurig gebruik van sterke dranken, waaraan zy, sedert hunnen omgang
met de Europers, zeer zyn overgegeven. F.
[204] Convallaria.
[205] Dit schynt de Scarabæus Carolinus van Linnæus Syst. Nat. p. 545.
te zyn. Hy is gemeen in New York, New Jersey, Pensylvanie, Maryland en
Karolina.
[206] Acari.
[207] Scarabæus stercorarius.
[208] Cimex lacustris.
[209] Dytiscus piceus.
[210] Typha latifolia Linn.
[211] Allium arvense, odore gravi, capitulis bulbosis rubentibus.
Gronov. Flora Virgin. 37. Het schynt het Allium Canadense, scapo nudo
tereti, foliis linearibus, capitulo bulbifero van Linn. Sp. Pl. te zyn.
F.
[212] Deze drie stippen zyn den meesten Insekten eigen, en moeten by
gevolg niet voor kentekens van een byzonder soort worden gehouden. Men
noemt ze Stemmata, en zy zyn een soort van ogen, dienende om in de
verte te zien, gelyk hunne andere ogen dienen om naby zynde voorwerpen
te beschouwen. F.
[213] Het is een stuk dat onder de Natuurkundigen in verschil staat, of
de Zwaluwen, wanneer zy in de noordelyke landen verdwynen, naar warmer
gewesten verhuizen, dan of zy in holle bomen en gaten in rotsen
kruipen, en daar den winter ongevoelig doorbrengen, dan eindelyk of zy
zig onder water verbergen en met den aanvang der lente weder te
voorschyn komen. De twee eerste gevoelens hebben de meeste goedkeuring
verworven, het laatste is by velen als een spreukje uitgejouwd. Maar de
Natuurlyke Historie, gelyk alle andere Historien, steunt niet altyd op
ene innerlyke waarschynlykheid, dog op daden, gegrond op het getuigenis
van geloofwaardige lieden. Men heeft zelden Zwaluwen in ’t water zien
wegduiken; Zwaluwen zyn niet met zulke werktuigen geschapen als kikkers
en hagedissen, die des winters ongevoelig zyn; by gevolg kunnen de
Zwaluwen des winters niet onderwater leven.—Zulk ene wys van redeneren,
denk ik, zou ons te ver voeren in vele gevallen; want, schoon men niet
wel begrypt hoe Zwaluwen onder water leven kunnen, zoude het egter waar
kunnen zyn. Hagedissen en kikkers zyn dieren al te zeer van de Zwaluwen
verschillende, dan dat de laatsten van een diergelyk maaksel als de
eersten zyn zouden. De beer en de bergrot zyn in den winter in enen
gevoellozen staat, en hebben egter gene werktuigen gelyk de kikkers en
hagedisssen, en niemant twyffelt ’er aan dat zy in de ruwste
lugtstreken in enen staat van gevoelloosheid zyn. De bewoonders der
Alpes graven de hollen der marmotten op, en vinden ze in enen
gevoellozen staat, zo dat zy hun den hals afsnyden kunnen zonder dat de
dieren het minste teken van leven geven. Dog als men den slapenden
marmot in een warm vertrek brengt en voor het vuur plaatst, wordt hy
levendig. Derhalven moet de vraag door daden worden beslist, en die
ontbreken hier niet. Dr. Wallerius, die beroemde Zweedsche
scheikundige, schreef in ’t jaar 1748. den 6. Sept. O. S. aan den Heer
Klein, Geheimschryver der stad Dantzig, dat hy meer dan eens de
Zwaluwen op het riet zig had zien verzamelen, tot dat zy allen in ’t
water wegzonken, na dat zy, als ware het, een kwartier lang een
doodlied gezongen hadden. Ook getuigt hy dat hy ene Zwaluw gezien heeft
die in den winter met een net uit een poel gehaald was, zynde, gelyk
dit in de noorder landen gewoonlyk is, onder het ys gezonken, welke in
ene warme kamer gebragt zynde by zig kwam, begon te vliegen, dog kort
daarna stierf.