Saut au Recollet is een klein kerspel, leggende aan enen arm van de St.

Laurence, die met groot geweld tusschen het eiland van Montreal en Isle

de Jesus doorstroomt. Met heeft zynen naam gekregen van een voorval dat

daar in ’t jaar 1725. een Bedelmonnik, Nicolas Viel geheten, had. Hy

was met enen bekeerden Huron in een schuitje gegaan om naar Quebec te

varen, dog het schuitje sloeg om, en men dagt dat de Wilden met

voordagt dit veroorzaakt hadden. De Monnik en de Bekeerling verdronken;

maar de Wilden zwommen aan land, en bergden het goed van den Monnik,

dat zy voor zig behielden. Het land hieromstreeks is stenig, en nog

niet lang bebouwd geweest. De oude lieden, die hier woonden,

verzekerden, dat in hunne jeugd byna overal een zwaar geboomte stond

daar nu akkers en weiden zyn. De Priesters zeiden, dat hier voorheen

een dorp van Hurons geweest was, die tot den Christelyken godsdienst

bekeerd waren geworden. Dezen woonden ten tyde van de aankomst der

Franschen hier te lande op den hogen berg, die op den afstand van de

stad Montreal lag. Dog de Franschen bewogen hen wegtetrekken, en hun

het land te verkopen. Zy zetteden zig toen hier neder; en de kerk die

’er nu staat is voor de Wilden gebouwd. Ook hebben zy daar vele jaren

hunnen godsdienst verrigt. Toen de Franschen op het eiland Montreal

menigvuldiger wierden, wilden zy alleen dat eiland bezitten, en

overreedden derhalven de Wilden hun ook deze plaats te verkopen, en zig

verder heen te begeven. Naderhand hebben de Franschen, de Wilden, om

hun geweldig suipen en wild en woest leven, niet gaarn by zig willende

hebben, hen nog eens bewogen te verhuizen, en zig by Lac des deux

Montagnes nedertezetten, waar zy nog tegenswoordig zyn, en ene fraye

stenenen kerk hebben. De kerk te Saut au Recollet was van hout, zag ’er

oud en vry bouwvallig uit, schoon zy van binnen nog enigermate in staat

was, en van de Franschen gebruikt werd. Men had reeds een deel steens

aangebragt, waarvan men voornemens was in ’t kort ene nieuwe kerk te

bouwen.

De kruidkundige waarnemingen die ik hier maakte spaar ik voor een ander

werk.

[Vogtigheid.]

Schoon ’er in verscheiden’ dagen geen regen gevallen was gaf egter de

grond zo grote vogtigheid op, dat enige papieren, waarin ik myne zaden

vergaderde, en die ik in de schaduw op de aarde gelegd had, binnen

weinig minuten zo nat wierden dat ik ze niet gebruiken kon. Des

niettemin had men den gantschen dag den klaarsten zonneschyn, en ene zo

onverdraaglyke hette, als was het nog in ’t midden van Juli geweest.

[Akkers.]

De helft van de koornvelden laat men by beurten braak leggen. De

braaklanden worden in den zomer noit omgeploegd, zo dat het vee ’er op

kan weiden. Al het koorn is hier zomerkoorn, gelyk ik al heb

aangemerkt. Sommigen beploegen de braaklanden laat in ’t najaar,

anderen stellen dat uit tot in de lente; dog men zegt dat het eerste

beter is. De weit, de garst, de rogge en de haver worden geëgd, dog de

erwten onder geploegd. Men zait gemeenlyk omtrent den 15. April, en

begint met de erwten. Van alle de soorten van erwten, die men hier

heeft, geeft men de voorkeur om te zayen aan de groenen. Zy vorderen

enen hogen, drogen, schralen grond, vermengd met grof zand. De oogst

begint in ’t midden of het einde van Augustus. De weit geeft gemeenlyk

vyftien en somtyds twintig voor een, de haver van vyftien tot dertig.

De oogst der erwten is somtyds veertig-, en somtyds maar tienvoud. Men

heeft hier geen akkergereedschap behalven den ploeg en de egge, en die

zyn nog niet al te wel gemaakt. De mist wordt in de lente op het land

gebragt. De grond bestaat uit ene grauwe, stenige, met klei en zand

vermengde aarde. Men zait maar weinig garst, en dat nog alleen voor het

vee. Men maakt ’er geen mout van. De haver wordt sterk gezaid, dog

alleen tot voeder voor de paarden. Men wist hier de bladeren van ’t

geboomte niet tot voeder voor het vee te gebruiken, schoon men gene

andere bomen in de bosschen vindt dan die hun blad laten vallen, en men

het vee vyf maanden op stal voeden moet.

Ik heb reeds meer dan eens gezegd dat al de weit, die in Kanada gezaid

wordt, zomerkoorn is. By Quebec gebeurt het somtyds dat, als de zomer

niet zo warm is, of de lente later begint, als naar gewoonte, een groot

deel van de weit niet ryp is voor dat de koude invalt. My wierd

verzekerd dat sommigen op Isle de Jesus in den herfst weit zayen, die

beter en harder is, en enen rykeren oogst geeft dan de zomerweit: dog

zy wordt niet meer dan ene week voor de andere ryp.

Om de akkers had men hier op verscheiden’ plaatsen stenen betuiningen

gemaakt. De menigte van steen die ’er te vinden was maakte dat dit

weinig kostte.

[Beuken.]

In de bosschen vindt men veel Beukenbomen, welker zaden nu ryp waren.

Men verzamelt die zeer sterk, droogt ze in huis, om des winters in

plaats van wal- of hazelnoten te eten. En men zeide dat zy tamelyk goed

smaakten.

[Zoutbron.]

Daar is, gelyk my de hierstaande Priester onderrigtte, ene Zoutbron,

zeven Fr. mylen van hier by de Rivière d’Assomption, van welker water

men in oorlogstyden een zout gemaakt heeft dat volkomen met het

Luneburgsche overeenkwam. Het water heeft vry veel zouts in zig.

[Vrugtbomen.]

Sommige soorten van Vrugtbomen nemen zeer wel op omstreeks Montreal. Ik

heb ’er velerlei soorten van schone appelen en peren gezien. By Quebec

willen de peren niet slagen, dewyl de winters daar te sterk zyn; ook

vriezen die bomen by Montreal somtyds dood. Pruimbomen zyn hier

overgebragt en komen zeer wel voort. In de bosschen groeyen drie

soorten van inlandsche walnoten. Dog de notenbomen die uit Frankryk

overgebragt worden vriezen alle winters dood tot aan de wortels toe, en

geven met het voorjaar nieuwe uitspruitsels. De persiken nemen hier

niet wel op, en moesten des winters uit voorzorg gedekt worden.

Kastanje-, moerbezie- en diergelyke bomen had men nog niet.

[Landeryen.]

Gantsch Kanada, zo ver als het bebouwd is, is door den Koning aan de

Geestelykheid of enige Heren van aanzien weggeschonken. Waar het land

nog onbebouwd is komt het geheel den Koning toe. Ook behoort de plaats

waarop Quebec en Trois Rivières staan den Koning; dog die waarop

Montreal gebouwd is met het gehele Eiland van dien naam, hebben de

Priesters van de order van St. Sulpicius te Montreal in eigendom. Zy

hebben het land aan boeren en anderen voor ene zekere jaarlyksche som

verhuurd; en alles is zo wel verpagt dat ’er niets meer te verpagten

over is. Die zig hier het eerst nederzetteden kregen hunne landeryen

voor enen zeer geringen prys, want voor ene hofstede van drie Arpents

in de breedte en dertig in de langte bestond de hele huur dikwyls maar

in een paar hoenders. Anderen betalen voor zulk een land dertig of

veertig Sols in ’t jaar. Die naderhand zulk een stuk gepagt hebben

moeten tot twee Ecus betalen. De huren zyn op deze wys het gehele land

door zeer ongelyk; en de ene nabuur betaalt dikwyls driemaal zo veel

als de andere. De Bisschop van Kanada heeft geen land. De kerken worden

op kosten der gemeentens gebouwd en onderhouden. Buiten den tol der

waren die hier worden ingescheept, trekt de Koning van Frankryk gene

inkomsten uit Kanada.

[Molens.]

De Priesters van Montreal hebben hier enen molen. Het vierde van dat

’er op gemalen wordt komt hun toe, dog hiervan heeft wederom de

Molenaar een derde. Op andere plaatsen heeft hy de helft. Somtyds

verpagt men ook wel den molen. Buiten hem mag niemand op het Eiland

Montreal enen molen aanleggen. Volgens ene overeenkomst tusschen de

Priesters en de Inwoonders van Montreal zyn de laatsten verpligt al hun

koorn op de molens der eersten te laten malen.

[Suiker.]

Men kookt in Kanada veel suiker uit het sap dat in ’t voorjaar uit de

insnydingen in den Suikerahorn, den roodbloemigen Ahorn, en den

Suikerberk loopt. De suikerahorn wierd daar byzonder toe genomen. De

wys van suiker te bereiden heb ik breedvoerig in de Verhandelingen der

Koninglyke Maatschappy voor ’t jaar 1751. beschreven.

[Terugreis naar Montreal.]

Den 26. September keerde ik weer terug naar Montreal. Alles begon ’er

nu herfstagtig uittezien. De bladeren waren geel of rood. De meeste

planten waren hare bloemen kwyt. Ik tekende die weinigen aan, welken

nog in bloei stonden, en dezen waren de volgende: Verscheiden’ soorten

van Asteres, witten en blauwen, de Solidagines, ’t Achillea

millefolium, de Prunella vulgaris, de Carduus crispus, de Oenothera

biennis, de Rudbeckia triloba, de Viola Canadensis, de Gentiana

Saponaria.

De wilde wyngaarden waren hier talryk, en klommen boven op het

geboomte.

[Spys der Wilden.]

Ik vernam by velen, die ver ten noorden en ten zuiden onder de Wilden

gereisd hadden, waarin de spyzen derzelver voornamelyk bestonden. Het

antwoord was, dat zy die ver naar ’t Noorden wonen noit iets planten,

dewyl ’er van wegens de felle koude gene tuin- of veldvrugten voort

willen. Zy hebben geen brood, en eten niets het geen uit het plantenryk

genomen wordt, maar leven alleen van vleesch en visch, voornamelyk van

bevers, beren, rendieren, elanden, hazen, gevogelte en allerlei visch.

Daarentegen planten die Wilden, welken meer zuidwaards wonen, mais,

verscheiden soorten van wilde bonen, kawoerden, squashes,

watermeloenen, en meloenen. Alle deze gewassen hebben zy reeds voor de

aankomst der Europers gehad. Behalven dat eten zy verscheiden soorten

van vrugten die by hen in de bosschen groeyen. Van visch en het vleesch

van wilde dieren maken zy groot gebruik. Inzonderheid gevalt hun dat

van wilde runderen, reebokken, herten, beren, bevers, en enige andere

viervoetige dieren. Onder hunne lekkernyen behoort de Zizania aquatica,

die de Franschen Folle avoine noemen, welke overvloedig in hunne meren

en zagtvlietende wateren wast. Zy verzamelen ze in September en

October, en maken ze op meer dan ene wys klaar, zo dat zy weinig in

smaak voor de ryst wykt. Ook hebben zy menigen goeden maaltyd van

velerlei soorten van walnoten, kastanjes, moerbezien, acimine [356],

chinquapins [357], hazelnoten, persiken, wilde pruimen, wilde druiven,

braam, mispelen, en andere vrugten en wortelen, die men in de bosschen

vindt. Aanmerkenswaardig is het dat de in de oude wereld gewone granen,

als weit, rogge, garst, en zo verders, voor de aankomst der Europers

hier niet bekend geweest zyn; en dat de Wilden, schoon zy de voordelen

voor hunne ogen zien, die de Europeanen van deze granen trekken, en zy

zelven gaarne het daarvan gemaakte brood eten, niet de minste moeite

willen doen om dezelven aantekweken.

[Bevers.]

Van Bevers wordt ’er ene grote menigte in Noord Amerika gevonden. Zy

maken enen van de gewigtigste takken van den handel uit. De Wilden

leven een groot deel van het jaar alleen van hun vleesch. Zeker is het,

dat deze dieren sterk vermeerderen. Maar het is niet minder zeker, dat

zy alle jaren sterk vernield worden, en dat de Wilden tegenswoordig

genoodzaakt zyn veel verder te reizen en langer uitteblyven, wanneer zy

op de beverjagt gaan, dan voorheen. En hierover behoeft men zig niet te

verwonderen. Voor de aankomst der Europeanen vingen ’er de Wilden niet

meer dan zy voor hun onderhoud en hunne kleding jaarlyks van noden

hadden. Maar tegenswoordig wordt ’er sterke handel in beverhuiden

gedreven, en vele schepen gaan ’er jaarlyks naar Europa, welker

voornaamste lading uit bevervellen bestaat. De Franschen en de

Engelschen zoeken malkander dezen handel te ontdrayen, door de Wilden

rykelyk te betalen. Dit moedigt hen aan om deze dieren op allerlei

wyzen te verdelgen. Oude menschen in Kanada zeiden dat in hunne

kindschheid alle de stromen vol van bevers en beverdammen waren, niet

alleen rondom Montreal, maar overal in de nabuurschap. Dog

tegenswoordig zyn zy daar zo uitgeroeid dat men enige mylen ver moet

reizen om ze te vinden. Ik heb reeds aangemerkt, dat hoe meer

noordwaards de bevers gevangen worden hunne vellen des te beter zyn.

Het vleesch der bevers wordt niet alleen van de Wilden, maar ook van de

Europeanen, inzonderheid de Franschen op hunne vastendagen, veel

gegeten, want de Roomschen hebben, gelyk velen uit de Ouden, den bever

onder de visschen gesteld. Het vleesch wordt voor beter gehouden als de

bever meest van gewassen geleefd, dan wanneer hy veel visch gegeten

heeft. Ik proefde den 27. September voor het eerst van deze spys. De

meesten houden het bevervleesch voor een lekker geregt, en my dagt dat

het zig wel eten liet, dog lekker kon ik het niet vinden. Gekookt zynde

zag het ’er vry zwart uit, en had enen vreemden smaak, ik weet niet

waar naar. Om het goed te krygen, moet het zo als ’t in den pot komt in

gedurig vervarscht water koken, om ’er den vreemden smaak dien het

heeft aftekrygen. Den staart dischte men eerst gekookt, en naderhand

gebraden, op enen byzonderen schotel op. Maar hy bestond genoegzaam uit

louter vet, schoon men het zo niet noemen wilde, en zeide dat dit den

staart eigen was. Het was zo wonderlyk van smaak, dat iemant die ’er

niet aan gewend was het bezwaarlyk konde binnen krygen.

Aangaande de dammen en andere werken der bevers is reeds zo veel

geschreven, dat wy het niet herhalen zullen. Somtyds, dog zelden, heeft

men bevers gevangen die wit waren.

[Wyn.]

Wyn was de enige drank, welken alle menschen die iets meer dan gemeen

willen zyn, gebruiken. ’T is waar, men brouwt hier uit een soort van

sparreboom [358] een Bier, dat des zomers gedronken wordt. Dog dit Bier

wordt niet van de aanzienlykste lieden gebruikt. De rode Fransche wyn

wierd het meeste, de witte ook wel nu en dan, gedronken. Hier uit kan

men opmaken hoe veel Frankryk jaarlyks voor zyne wynen uit Kanada

trekt, dewyl men daar genen wyn maken kan. De gemene man vergenoegt zig

met zuiver water. Bier uit mout te brouwen is hier nog niet in gebruik,

en de appelboomgaarden zyn nog niet in dien staat gebragt dat men ’er

cyder van maken kan. De een of de ander, die veel appelbomen had deed

wel enigen cyder perssen, dog alleen maar voor ene aardigheid. Zulken,

die zig van jongs af aan den wyn gewend hadden, zyn in oorlogstyden

zeer in verlegenheid, als de schepen die wyn overbrengen onder weg

genomen worden. Op het einde van den vorigen oorlog gaf men voor een

oxhoofd, of Barrique, tweehonderd en vyftig Francs, of tweehonderd

Ecus; en men had nog werk hem daar voor te krygen.

[Prys van verscheiden’ dingen.]

De prys van verscheiden dingen was thans gelyk ik ga opgeven, volgens

onderrigting die ik by de voornaamste kooplieden ontvangen heb. Een

middelmatig paard kostte 40. Francs en meer, een goed paard 100.

Francs. Een koe werd gekost voor 50. Francs; dog voorheen had men ’er

ene voor 10. Ecus kunnen kopen. Een schaap kostte nu 5. of 6. Livres.

Een jarig varken, van 150. tot 200. pond zwaar, gold 15. Francs. De

Heer Couagne zeide dat hy by de Wilden een varken van 400. pond gezien

had. Een hoen kostte 10. of 12. Sols, en een kalkoen 20. Een minot weit

wierd voorheen voor een Ecu, dog nu voor 40. Sols verkoft. De mais had

denzelven prys als de weit, vermits men ’er hier weinig van had, en zy

door hen die onder de Wilden gingen reizen opgekoft wierd. Een minot

haver kostte somtyds 15. of 20. Sols, dog sedert enige jaren 26. of 30.

De erwten golden even zo veel als de weit. Voor een pond boter gaf men

gemeenlyk 8. of 10. Sols, maar in het voorgaande jaar wel 16. Sols.

Twaalf eyeren kostten gemeenlyk 3. Sols, dog nu 5. Kaas maakt men hier

niet, en men brengt ’er gene te koop, ten zy men ze ontbiede. Ene

watermeloen kostte gemeenlyk 5. of 6. en als zy groot is van 15. tot

20. Sols.

[Handwerken.]

Handwerken waren ’er nog niet in ’t Land. Misschien wil Frankryk dat

voordeel voor zig behouden. Dog in oorlogstyden bragt dit de Franschen

hier te lande, zo wel als de Wilden hunne bondgenoten, in grote

vergelegenheid.

[Huwelyken.]

Jonge lieden die zig in ’t huwelyk begeven willen moeten de toestemming

van hunne ouders hebben. Dog als de ouders om redenen die niet

voldoende zyn zig ’er tegenstellen, kan de Regter verlof om te trouwen

geven. Een manspersoon van dertig en een meisje van zesentwintig jaar

kunnen trouwen zonder de toestemming hunner ouders. De Priester

kondigt, gelyk by ons, drie zondagen de huwelyksgeboden in de kerk af.

Als ’er gene hindernissen komen verrigt hy de trouw in de kerk, in

byzyn van meer of minder menschen, naar welgevallen. De Priesters staan

niet ligt toe dat de trouw in huis geschiede.

[Reisje over het Eiland Montreal.]

Den 29. September, na dat de regen was opgehouden, ging ik na den

middag op reis naar de zuidwestelyke zyde van het eiland Montreal, om

het land en de levenswys der menschen daar te leren kennen, en zaden te

vergaderen. Even buiten de stad lagen schone velden, die eertyds

bebouwd waren geweest, dog nu tot weiden dienden. Naar het noordwesten

zag men den hogen berg, die ten westen van Montreal legt, en die van

beneden aan de Rivier af tot op den top toe zeer vrugtbaar en geheel

bebouwd is. Aan den zuidoostelyken kant liep de St. Laurence, die hier

zeer breed was, en op welks oever zig ruime koorn- en weilanden, met

fraye stenen huizen, die op enigen afstand wit schenen, vertoonden. Ver

naar het zuidoosten kreeg men de twee hoge bergen die by Fort

Chamblais, en enigen die by het Meer Champlain leggen, in ’t gezigt. Zy

keken over alle de bosschen heen. De weiden waren hier vry vol van

grote en kleine rotsen, waaronder men nu en dan enen zwarten kalksteen

vond. Omtrent ene Fr. myl van de stad begon de grote weg ter linkerhand

langs de Rivier te lopen. Aan de regter hand was het land overal

bebouwd en bewoond. De hofsteden lagen omtrent drie, vier of vyf

Arpents van malkander. De oevers waren merendeels hoog en tamelyk

steil, bestaande uit aarde, en onder dezelven was het vol van stukken

rots en zwarten kalksteen. Twee mylen van de stad stroomt de Rivier

zeer snel en is vol van stenen. Op sommige plaatsen gingen ’er zelfs

sterke golven. Evenwel moesten zulken die met schuiten naar de

zuiderdelen van Kanada gaan zig hier door arbeiden.

Digt by de stad stonden twee windmolens. De boerenhuizen waren in deze

streek meest van steen, gedeeltelyk van zwarten kalksteen, gedeeltelyk

van andere stenen, die men hier vindt. De daken waren met berden of met

stroo gedekt. De gevel was altyd hoog en steil, en de schuren waren

byna altyd van hout.

De wilde Ganzen en Enden begonnen thans in grote troepen naar het

zuiden te trekken.

Ik besteedde den tyd tot op den 2. October om zaden te verzamelen. De

vorst van tusschen den 1. en 2. October had ene grote verandering aan

vele bomen en gewassen veroorzaakt. De walnootbomen lieten nu sterk hun

blad vallen. De bladen der netels waren allen bevroren. Dat van de

Amerikaansche linden was zeer beschadigd. De bladeren der kawoerden

waren geheel bevroren. Dog de beuken, de eiken en de berken schenen

niets geleden te hebben. Het veld was des morgens sneuwwit van den ryp;

en op sommige plaatsen had het zo sterk gevroren dat men ’er over gaan

kon. Het ys in de poelen was anderhalve lyn dik.

De Oenothera biennis wies vry menigvuldig op de boschagtige hoogtens en

braaklanden. Een oude Franschman, die my begeleide, meende dat deze

plant niet genoeg geroemd kon worden om hare wondhelende kragt. Men

moest de bladeren kneuzen en dan op de wond leggen.

[Soeurs de Congregation.]

Een soort van geestelyke dogters, onderscheiden van de Nonnen, worden

Soeurs de congregation genoemd. Dezen wonen in geen klooster, maar

hebben huizen in de stad of op het land. Zy gaan waar zy willen, en

mogen trouwen. Dog dit, zeide men, gebeurde weinig. Op verscheiden’

plaatsen op het land woonden twee of meer van deze Zusters by

malkander, gemeenlyk digt by ene kerk, en zo dat den meesten tyd aan

den enen kant de Priester en zy aan den anderen woonden. Hare

bezigheden waren jonge meisjes in haren godsdienst te onderwyzen, te

leren lezen, en somtyds ook schryven, en verder aangaande allerlei

vrouwelyk handwerk te onderrigten. Bemiddelde lieden gaven hunne

dogters by deze Zusters enigen tyd in den kost, voor enen redelyken

prys. Het huis behorende aan de Gemeenschap, uit de welke deze Zusters

naar het platte land gezonden worden, was te Montreal. Als ene Juffrouw

onder het getal dezer Zusters wilde aangenomen worden, moest ’er eerst

aan de Gemeenschap ene somme gelds betaald worden, die sommigen op vier

duizend Livres begrootten.

[La Chine.]

La Chine was een frai Kerspel, drie Fr. mylen zuidwest van Montreal, op

het Eiland van dien naam, aan de St. Laurence gelegen. De hofsteden

lagen hier gewoonlyk langs de Rivier vier of vyf Arpents van malkander.

Hier was ene fraye stenen kerk met enen toren. De plaats was zeer

aangenaam. Zy had, zeide men, haren naam daarvan gekregen, dat de Heer

Salée, die naderhand zo ongelukkig van zyn eigen volk, dieper in het

land, vermoord wierd, en die zig zeer veel moeite gaf om enen korteren

weg, dan de gewone is, door de St. Laurence naar China te vinden, van

niets anders sprak dan van den korten weg naar China. Dog toen hy hier

gekomen was geraakte de gehele aanslag door een onvoorzien toeval in

duigen, zo dat hy noit in China kwam. Deze plaats kreeg hier van daan

spotsgewyze den naam van La Chine.

[Terug reis naar Montreal.]

Des avonds van den 2. October keerde ik naar Montreal te rug.

[Regeering van Kanada.]

De Gouverneur Generaal te Quebec is de voornaamste persoon in Kanada,

die over alle de overigen het bevel voert. Naast in rang aan hem volgt

de Intendant te Quebec, en dan de Gouverneur van Montreal, en op dien

die van Trois Rivières. De Intendant heeft een groot vermogen. Hy

schiet al het geld der Kroon uit, en zit voor in den Raad der

geldmiddelen en regtszaken. Egter staat hy enigermate onder de

Gouverneur Generaal, wien hy gehoorzaamheid bewyzen moet. Des niettemin

kan hy de zaak tot nauwer onderzoek naar Frankryk overbrengen. In elke

van de twee Hoofdsteden is de Gouverneur de eerste persoon, dan een

Luitenant Generaal, daarna een Major, en na hem de Kapiteins. De

Gouverneur Generaal geeft zyne bevelen omtrent alles wat van gewigt is.

Als hy te Montreal of te Trois Rivières komt, houdt voor dien tyd het

gezag der Gouverneurs op. Hy gaat meest eens ’s jaars naar Montreal, en

merendeels des winters, en gedurende zyne afwezigheid te Quebec voert

daar de Luitenant Generaal het bevel. Als de Gouverneur Generaal komt

te sterven of uitlandig is, komt de Gouverneur van Montreal zo lang te

Quebec zyne stede vervullen. En als de Gouverneur van Montreal uit de

stad is, gebiedt daar de Major der plaats.

[Schepen uit Frankryk.]

Reis door Noord Amerika · 第 45 / 50 段