Men bereidt hier de kawoerden op velerlei wyzen. De Wilden koken ze zo

heel als zy zyn, of braden ze in de asch, en brengen ze dan te koop.

Dus toegemaakt smaken zy zeer wel. De Franschen en Engelschen snyden ze

in stukken, en braden ze. Ook snydt men ze in ’t midden door, doet ’er

het zaad uit, en braadt ze dan. Als ze gaar zyn doet men ’er nog warm

zynde van binnen boter op, die ’er dan in trekt. Dit smaakt zeer wel.

Ook eet men ze gekookt, alleen of met vleesch. Sommigen maken ’er ene

dunne pap van, door ze eerst te koken en dan fyn te maken. Deze pap

wordt dan met een weinig van het sap en zoete melk vermengd en dan wel

door een geroerd. Ook worden zy gekookt, tot moes gemaakt, met meel

vermengd en gekneed, en dus tot koeken gebakken. Daar zyn ’er ook die

’er taarten en pudding van maken. Om ze doen te duren gaan ’er de

Wilden dus mede om. Als zy ryp zyn worden zy in lange riemen gesneden,

welken men door malkander vlegt, en in de zon of by het vuur te drogen

hangt. Als zy regt droog zyn kunnen zy jaren lang goed blyven. Men

kookt ze alleen of met ander eten. De Wilden eten ze op die wys

toebereid, zo wel te huis als op reis; en dit hebben de Europeanen van

hun geleerd. Somtyds eet men ze dan maar droog by pekelvleesch of

andere spyzen; en ik moet bekennen dat zy dan ene hongerige maag niet

kwalyk bevallen. In Montreal wierden zy ook wel dus ingemaakt. Men

snydt ze in vier stukken, doet ’er het zaad uit, en goit de schillen

weg. Het weke vleesch legt men in enen pot, en laat het een minuut of

zes koken. Dan neemt men ’t met enen lepel, waarin gaten zyn, ’er uit,

en laat het op ene tafel enen dag leggen dat ’er het water uitlope.

Daarop maakt men het met anjelieren, cinnamomum, wat citroenschillen en

syroop van suiker in. De syroop moet in even zo grote hoeveelheid als

die der kawoerden genomen worden. Men kookt het dan zo lang tot dat de

kawoerden van de syroop doortrokken zyn.

[Graan.]

Het graan dat dit jaar in Kanada gewassen was wierd doorgaans voor het

beste gehouden dat men hier oit gehad had. Integendeel viel het in New

York slegt uit. Voor ’t overige was de herfst in Kanada zeer schoon.

[Handel met de Wilden.]

Kanada dryft enen sterken handel met de Wilden; en deze was voorheen de

enige handel dien dit grote Land dreef, en die den Ingezetenen

aanzienlyke voordelen toebragt. Dog tegenswoordig vallen ’er

verscheiden’ andere waren, behalven die men van de Amerikanen bekomt,

die van daar verzonden worden. De Wilden, die hier het naast rondom

wonen, en zo wel als alle de overigen den gantschen winter op de jagt

zyn, brengen gemeenlyk hunne pelteryen in de naburige steden te koop.

Dog dit bedraagt niet veel. Die genen die verder af wonen komen hier

zelden. En dewyl men vreest dat zy hunne waren den Engelschen verkopen

zullen, zo moet men hen voorkomen, ten welken einde de Franschen zelven

naar hen toe reizen. Montreal in zonderheid dryft dezen handel sterk.

Alle jaren gaan van hier velerlei lieden van allerhanden ouderdom op

reis naar de Wilden. Zy vertrekken vroeg in ’t voorjaar, en komen in

Augustus of September terug. Om dezen handel te dryven nemen zy alleen

zulke waren met zig die zy weten dat onder de Wilden gewild zyn. Geld

nemen zy weinig mede, want dit wordt by de Amerikanen niet geagt. Zy

houden verscheidene soorten van waren, die men hun brengt, voor veel

kostbaarder. Ook geloof ik dat nauwlyks een van de Franschen die op

deze reizen gaan enen penning aan geld medeneemt.

De volgende waren zyn het voornamelyk die onder de Wilden enen goeden

aftrek vinden.

Snaphanen, buskruid, lood, kogels en hagel. Alle de Wilden, die het

voordeel der vuurwapenen boven den boog van de Europers geleerd hebben,

en vuurwapenen bekomen kunnen, hebben voor dezelven het gebruik van

boog en pylen afgeschaft. Indien men nu hun vuurwapenen wilde weigeren

toetevoeren, zouden zy van honger moeten vergaan, dewyl hun voornaamste

bestaan gelegen is in het vleesch van wilde dieren; en dit zou hen zo

verwoed maken, dat zy in staat zouden zyn de Europers aantetasten. Geen

van de Wilden weet nog een musket te maken. Zelfs weten zy hun eigen

geweer, als het ontsteld is, niet weer te herstellen, maar moeten dat

van de Europeanen laten doen. In ’t begin dat de Europers eerst in

Noord Amerika kwamen droegen zy langen tyd zorg van den Amerikanen geen

schietgeweer in handen te geven. Dog in de oorlogen, die de Franschen

met de Engelschen en Hollanders voerden, deelden zy hunnen

Amerikaanschen bondgenoten het gebruik der vuurwapenen mede, om hunnen

vyanden des te sterker afbreuk te doen. De Franschen zeide dat de

Hollanders van Albany de eersten geweest waren, die in ’t jaar 1642.

den Wilden schietgeweer gegeven en hun het gebruik van het zelve

geleerd hadden. Dus hadden zig de Franschen genoodzaakt gezien den met

hen in verbond staanden Amerikanen insgelyks vuurwapenen te geven,

dewyl die zeiden anders tegens de Hollanders en de Wilden van derzelver

party niet op te kunnen, en gevolglyk tot die zyde te zullen overgaan.

Maar die van Albany beweerden daarentegen dat de Franschen de eersten

geweest waren die den Wilden schietgeweer gegeven hadden, dewyl zy zig

anders te zwak bevonden om den Engelschen en Hollanderen het hoofd te

bieden. Hoe het hier mede zy, dit is zeker dat de Wilden tegenswoordig

schietgeweer gebruiken ’t welk zy van de Europeanen krygen, en waarmede

zy thans beter dan hunne leermeesters zelven weten omtegaan. Maar te

gelyk is het waar, dat deze handel den Europeanen alle jaren grote

winsten aanbrengt.

Kleden van wit Laken, of grof ongeschoren Laken, van dat soort ’t welk

men wel voor dekens op de bedden gebruikt. De Wilden dragen zulke

kleden altyd, en winden ’er zig in; somtyds hangen zy over de

schouders, en somtyds, by warm weder, binden zy ze zig om de middel.

Maar als het koud is halen zy ze over ’t hoofd. Mans en vrouwen dragen

ze beiden. Meesten tyd zyn ’er aan de randen enige blauwe en rode

strepen.

Blauw of rood Laken. De vrouwlieden maken daar hare rokken van, die

maar tot op de knie hangen. Meest gebruiken zy blauw Laken daartoe.

Linnen Hembden, welken zo wel de mans als de vrouwen dagelyks dragen.

Als een Wilde eens zulk een hembd aan heeft, draagt hy ’t zo lang tot

dat het geheel en al versleten is.

Laken om om de benen, in plaats van koussen, te winden gelyk de Russen

doen.

Bylen, Messen, Scharen, Naalden, en stalen Vuurslagen. Deze werktuigen

vindt men thans overal by de Wilden. Zy kopen ze allen van de

Europeanen, en houden ze voor veel beter als hunne oude messen en bylen

van been, waarvan men ’er in Kanada weinig meer vindt.

Ketels van rood of geel koper, somtyds van binnen vertind. Al hun eten

wordt daarin gekookt. Dit is ene waar die gemeenlyk onder hun enen

groten aftrek heeft. Voorheen gebruikten zy potten en vaten van aarde,

of van hout, waarin zy het geen zy koken wilden goten, dan gloeyende

stenen in het water werpende om het te doen koken.

Oorringen, groten en kleinen, meest van geel koper, dog somtyds ook van

tin. Mans en vrouwen dragen ze, schoon niet allen.

Vermilioen. Hier mede verwen zy hunne aangezigten, hembden, en een deel

van het lichaam rood. Voorheen schilderden zy zig met ene rode aarde,

die hier te lande gevonden wordt. Dog na dat zy van de Europeanen

vermilioen gekregen hadden, scheen hun gene kleur schoonder te zyn. Men

vertelde, dat de Franschen in ’t eerst voor twee of driemaal zo veel

van deze verw als ’er op de punt van een mes leggen kon enen groten

hoop van allerlei pelteryen kregen.

Spaansch groen, om het aangezigt groen te verwen. Om het zwart te maken

nemen zy het roet dat onder de ketels zit.

Spiegels. De Wilden zyn daar zeer opgesteld. Zy gebruiken ze in

zonderheid om zig te beschilderen. Zy hebben gemeenlyk hunne spiegels

op reis by zig. Dog dit heeft maar plaats by de mans, en niet by de

vrouwen, die zig hier zo veel niet opschikken als de eersten.

Brandglazen. Dit is in het oog der Wilden een zeer noodzakelyk

huisraad, dewyl, daar zy sterk tabak roken, en alles wat met enige

moeite verzeld gaat haten, zy op reis met dezelven zo behendig te regt

kunnen komen.

Tabak kopen de Wilden die wat ver naar het noorden wonen, waar geen

Tabak wil voortkomen. Dog die meer zuidelyk hunne woonplaats hebben

fokken zelven zo veel tabak als zy behoeven. By de eersten is de tabak

ene waar die sterk gezogt wordt. Men heeft opgemerkt dat de Wilden, hoe

verder zy naar het noorden wonen, des te groter rokers zyn.

Wampums, of zo als zy ’t noemen Porcellein. Zy worden van een zeker

soort van mosselschelpen gemaakt, en tot kleine langwerpige kralen

gedraid. Zy dienen hun voor geld en opschik te gelyk.

Glazen Kralen, die klein, en wit, of van ene andere kleur zyn. De

vrouwlieden weten ze in hare linten, beurzen en andere klederen

intelasschen.

Koper en yzerdraad om verscheiden’ dingen van te maken.

Brandewyn. Dit is de kostelykste zaak die zy op de wereld kennen. Ook

is hun niets te lief en te kostbaar om het ’er niet voor te geven. Dog

ter oorzake der menigvuldige ongeregeldheden die daar door kunnen

veroorzaakt worden, is het onder zware straffen verboden den Wilden

brandewyn toetevoeren. Maar deze wet wordt niet altyd zo nauwkeurig

nagekomen.

Dit zyn de voornaamste waren die de Franschen den Wilden toevoeren, en

die gemeenlyk by hun wel gewild zyn.

De waren die zy van de Wilden terug brengen, zonder den voorraad dien

men op reis voor zyne koopmanschappen krygt mede te rekenen, bestaan

byna alleen in pelteryen. Men onderscheidt dezen in twee soorten.

Pelteryen die uit de noordelyke gewesten, en zulken die uit de

zuidelyken komen. De eersten worden voor de besten gehouden, en zyn het

duurst.

Uit de noordelyke Landen worden inzonderheid de vellen van de volgende

dieren aangebragt. Bevers, Elanden [350], Rendieren [351], Wolflynxen

[352] en Marters. Uit het zuiden krygt men ook wel somwylen Marters,

dog hun vel is ros en niet goed. De Pichou du Nord zal misschien dat

dier zyn ’t welk zig by de Hudsonsbai ophoudt, en door de Engelschen

Wolverene genoemd wordt. Nog behoren onder de noordsche pelteryen de

Berenhuiden, waarvan men ’er egter niet veel komen laat, en

Vossenvellen, schoon men daar van ook maar weinigen meest zwarten

trekt; behalven nog verscheiden andere soorten.

Het Bontwerk, dat uit de zuidelyke landstreken gehaald wordt, is

inzonderheid van de volgende dieren. Wilde Stieren en Koeyen, Herten,

Reën, Otters, Pichoux du sud, van de welken Vader Charlevoix [353]

gewag maakt, en die of een soort van Katlynx, of van Panther wezen

moet, voorts Vossen van verscheiden’ soorten, Rakoons, Katlynxen, en

anderen.

Het is ongelooflyk wat ongemakken de menschen op deze reizen om

pelteryen te kopen moeten uitstaan. Somtyds moeten zy hun pakkadie ver

over land dragen. Dikwyls worden zy van de Wilden mishandeld en zelfs

omgebragt. Veeltyds moeten zy dorst, honger, hette en koude verdragen,

en worden van muggen, vergiftige slangen, en ander ongedierte gebeten.

Deze ongemakken en gevaren slepen ene menigte lieden in den bloei

hunner jaren weg, en maken dat de menschen in Kanada niet oud kunnen

worden. Dog te gelyk worden zy hier door gehard en wakkere krygslieden,

die nog gevaren nog ongemakken ontzien. Ook zetten zig velen diep in

het land onder de Wilden neder, trouwen daar, en keren noit te rug.

De pryzen der pelteryen, zo als die in ’t jaar 1749. te Montreal waren,

heeft my de Heer Couagne, een Koopman, by wien ik myn verblyf hield,

medegedeeld. Zy waren als volgt.

Grote en middelbare Berenhuiden kostten 5. Livres.

Huiden van jonge Beren, 15. Sols.

——— — Lynxen, 25. Sols.

——— — Pichoux du sud, 35. Sols.

——— — Vossen uit het Zuiden, 35. Sols.

——— — Otters, 5. Livres.

——— — Rakoons, 5. Livres.

——— — Marters, 45. Sols.

——— — Wolflynxen, Loup-cerviers, 4. Livres.

——— — Wolven, 40. Sols.

——— — Carcajoux, een dier dat ik niet ken, 5. Livres.

Huiden van Visons, een soort van Marter die zig in ’t water

onthoudt, 25. Sols.

——— — ruwe, van Elanden, Orignacs verts, 10. Livres.

——— —— Herten, Cerfs verts.

——— slegte, van Elanden en Herten, Orignacs & Cerfs passés,

3 Livres.

——— Reën, van 25. tot 30. Sols.

——— Rode Vossen, 3. Livres.

——— Bevers, 3. Livres.

Zie hier ene lyst van alle de verschillende soorten van vellen die hier

in Kanada gekoft en naar Europa verzonden worden. Ik heb ze van enen

der voomaamste Kooplieden in Montreal gekregen.

Chevreuils passés, [354] bereide Reevellen.

Chevreuils verts, onbereide Reevellen.

Chevreuils tannés, getouwde Reevellen.

Ours, Beren.

Oursons, jonge Beren.

Loutres, Otters.

Pecans.

Chats, Katten.

Loups de bois, Wolven.

Loup-cerviers, Lynxen.

Pichoux du Nord.

Pichoux du sud.

Renards rouges, Rode Vossen.

Renards croisés, Kruisvossen.

Renards noirs, Zwarte Vossen.

Renards argentés, Grauwe Vossen.

Renards du sud, ou de Virginie, Virginische Vossen.

Renards blancs de Tadoussac, Witte Vossen van Tadoussak.

Martres, Marters.

Visons ou Foutreaux.

Ecureuils noirs, Zwarte Eekhoorns.

Cerfs verts, ruwe Hertenvellen.

Cerfs passés, bereide Hertevellen.

Originals verts, ruwe Elanden.

Originals passés, bereide Elanden.

Cariboux, Rendieren.

Biches vertes, ruwe Hindevellen.

Biches passées, bereide Hindevellen.

Carcajoux.

Rats musqués, Muskusratten.

Castors gras d’hiver, vette Winterbevers.

Castors gras d’été, vette Zomerbevers.

Castors secs d’hiver, droge Winterbevers.

Castors secs d’été, droge Zomerbevers.

Castors vieux d’hiver, oude Winterbevers.

Castors vieux d’été, oude Zomerbevers.

[Koper.]

Ik kreeg den 22. September een stuk louter Koper, dat van Lac Superieur

gekomen was. Men vindt het daar byna geheel zuiver, zo dat het niet

behoeft gesmolten te worden, maar terstonds bewerkt worden kan. Vader

Charlevoix [355] spreekt ’er van in zyne Beschryving van Nieuw

Frankryk. Een van de Jesuieten te Montreal, die zelf ter plaatse

geweest was daar dit erts gevonden wordt, onderrigtte my dat men het

gemeenlyk by de monden van stromen en rivieren vindt, veeltyds in zo

zware stukken dat een man werk heeft ze optetillen, en meestentyds

gantsch louter. Ook verhaalden daar ter plaatse de Wilden dat daar

eertyds een stuk van enen vadem lang en enen halven vadem of meer in

dikte, en byna geheel zuiver, gezien was. Dewyl dit erts altyd by de

monden der rivieren in de aarde legt, is het waarschynlyk dat het door

’t water en ’t ys van enen berg derwaards gedreven is. Dog hoe zeer men

gezogt heeft, heeft men nog zo ver niet kunnen komen van het in ene

zekere menigte by malkander te vinden.

[Looderts.]

De Opperste van de Priesters te Montreal gaf my ook dien dag een stuk

Looderts. Het was gekomen van ene plaats maar weinig mylen van hier; en

bestond uit tamelyk digte en blinkende teerlingen. Ik vernam dat verder

weg zuidwaards op ene plaats veel looderts in den grond was. De Wilden

daaromheen smelten het, en maken ’er kogels en hagel uit. Ik kreeg ’er

enige stukken van, bestaande uit een blinkend teerlingsch erts, met

smalle strepen ’er in, en ene witte harde klei, die met sterk water

opbruischt.

[Rode Aarde.]

Ook kreeg ik enige roodbruine Aarde, die gevonden was by Lac des deux

Montagnes, enige mylen van Montreal. Zy kan gemakkelyk tusschen de

vingers tot stof gewreven worden, dog is veel zwaarder dan enige andere

aarde, en van buiten een weinig glinsterend. Als men deze aarde

tusschen de vingers wryft, worden zy geheel glad, glimmend, en als half

verzilverd, even als of zy met een stukje loods gewreven waren. Deze

aarde moet derhalven of een soort van loodaarde, of met yzerdeeltjes

vermengd zyn.

[Vrouwen.]

Men vindt twederlei soort van Vrouwen in Kanada. Het eerste bestaat uit

zulken die in Frankryk geboren en herwaards overgekomen zyn, het twede

uit inboorlingen van het land. Die van het eerste soort bezaten al het

bevallige dat der Fransche natie eigen is. De Inboorlingen kunnen weder

in twee soorten onderscheiden worden, namelyk in die van Quebec en in

die van Montreal. Die van Quebec geven die in Frankryk geboren waren

nauwlyks iets in welgemanierdheid toe, dewyl zy alle jaren gelegenheid

hebben met vele Heren en Vrouwen van aanzien, die met de schepen

overkomen, te verkeren, en die hier enige weken verblyven, en dan weder

naar Frankryk keren. De Juffrouwen van die Stad worden beschuldigd zig

door den hoogmoed der Wilden te hebben laten besmetten, en verstoken te

zyn van de Fransche wellevendheid. Het geen ik boven van de vrouwen van

Montreal gezegd heb, dat zy namelyk veel werks maken van wel gekruld en

gekapt te zyn, is ook waar van doorgaans alle de vrouwen door het

gehele land. Het hair moet alle dagen gepoederd wezen, al komen zy niet

buiten hare kamers, en al hebben zy anders maar een kort smerig jakje

en enen slegten rok aan, die pas ter helft van de benen reikt. Des

zondags en als zy gezelschap wagten of een bezoek gaan geven, zyn zy

inzonderheid in allen haren luister. Dan schikken zy zig op als of hare

voorouders de eerste personadien van het Ryk waren geweest. Dit geeft

zulken, die de zaken wat grondig inzagen reden om te klagen, dat by het

grootste deel der vrouwen de gewoonte is ingeslopen van voor niets

anders dan voor den opschik te zorgen, en daar voor niets te ontzien.

Niet weinig zyn zy oplettend op de nieuwste Modes, om hare beste en

kostbaarste klederen naar de zelven te veranderen en te versnipperen.

Ook lacchen zy malkander niet weinig uit als ’er iets aan ontbreekt.

Maar het moiste is, dat het geen zy voor nieuwe Modes houden in

Frankryk reeds al lang is agter de bank gesmeten, dewyl de schepen maar

eens in ’t jaar aankomen, en dus de Modes al een jaar moeten oud zyn

voor dat zy ze krygen. Ook maakt men haar wel wat wys, en verkoopt haar

iets voor nieuwerwetsch dat al lang heeft uitgediend. Noit heb ik zo

zeer als te Montreal gezien dat zy enen vreemdeling uitlachten wanneer

hy zig niet volkomen wel uitdrukte. Dog zy zyn enigsins hier omtrent te

verschonen. Men lacht gemeenlyk om het geen ons als ongewoon voorkomt,

en belacchelyk schynt. In Kanada hoort men geen Fransch spreken dan van

geboren Franschen, want vreemden komen hier zelden. Zelfs de Wilden

houden zig volgens hunnen aangeborenen hoogmoed te goed om Fransch te

spreken, en dwingen de Franschen om hunne taal te gebruiken. Hier komt

het natuurlyk uit voort dat de fyne oren der Kanadasche vrouwen niet

zonder lacchen iets dat haar ongewoon is horen kunnen. Ene der eerste

vragen, die zy enen vreemdeling doen, is, of hy gehuwd is; de twede,

hoe hem de vrouwen in Kanada bevallen, en of zy schoonder dan in zyn

land zyn; en de derde, of hy ’er niet ene van mede naar zyn vaderland

zou willen nemen. Maar het kwam my voor dat ’er enig onderscheid

tusschen de vrouwen van Quebec en Montreal was; die van de laatste

plaats schenen wat aangenamer dan de anderen te zyn. Die te Quebec

kwamen my voor wat zeer vry te wezen, dog die van Montreal minder. De

ongetrouwde vrouwen byzonderlyk waren te Quebec niet zeer arbeidzaam.

Een meisje van agttien jaren wordt voor ongelukkig gerekend als zy niet

ten minsten een twintig vryers of meer kan opnoemen. De jonge

Juffrouwen, vooral de aanzienlyksten, doen zelden iets anders dan ten

zeven uur optestaan, tot negen uur bezig te zyn met poederen en kappen,

en met ondertusschen koffi te drinken. Als zy wel opgeschikt zyn gaan

zy voor een open venster aan straat zitten, nemen enig naiwerk in de

hand, en doen nu en dan een steek, maar de ogen zyn het meest op

straat. Als dan een jong heer, hy mag ene kennis of een vreemdeling

zyn, inkomt, wordt het werk schielyk uit de hand gesmeten, en zy gaan

naast hem zitten snappen, lacchen, gekken, en dubbelzinnigheden zeggen,

het welk dan heet geestig te zyn. Dus gaat dikwyls de gehele dag

voorby. De moeder is dikwyls bezig in de keuken, terwyl de dogter de

heren onderhoudt. Te Montreal zyn de meisjes zo wild niet, en

werkzamer. Zy zitten daar byna altyd te werken, en doen ook veel in ’t

huishouden. Zy zyn zeer vrolyk en vriendelyk, en het ontbreekt haar

niet aan verstand of bevalligheid. Haar enig gebrek is wat te veel met

zig zelven ingenomen te zyn. Egter schamen zy zig niet, zelfs die van

den eersten rang zyn, naar de markt te gaan, om watermeloenen,

kawoerden en andere eetwaren te kopen, en die zelven naar huis te

dragen. Zy zyn vroeg op. Dog my werd verzekerd dat zy in ’t algemeen

niet te breed bemiddeld waren. De inkomsten der menschen zyn hier

gemeenlyk gering, en het getal der kinderen is groot. Ook is het voor

de meisjes te Montreal spytig dat die van Quebec merendeels eerder aan

den man raken dan zy, dewyl verscheiden Fransche jonge heren, die met

de schepen overkomen, daar door de liefde getroffen worden en trouwen,

een geluk dat den meisjes van Montreal zelden gebeurt, dewyl die heren

daar weinig komen.

[Reis naar Saut au Recollet.]

Den 23. Sept. ging ik naar Saut au Recollet, drie Fr. mylen noordwaards

van Montreal, om planten, stenen, en diergelyken te bezigtigen, en

zaden te vergaderen. Digt by de stad hadden wy landhoeven aan beide de

zyden van den weg. Daarna wierd het land boschryk en vry oneffen.

Somtyds was het hoog, somtyds laag en moerassig. Doorgaans was het zeer

vol stenen, zo van rots als van een soort van grauwen kalksteen. De

wegen waren zo slegt dat ik werk had met ene chaise voorttekomen. Een

weinig voor dat ik te Saut au Recollet kwam eindigden de bosschen, en

het land was bebouwd of tot weiland gemaakt. Dog de gantsche weg had

niets waardoor hy in aangenaamheid met de anderen hieromheen kon

vergeleken worden.

[Kalkovens.]

Omtrent ene Fr. myl van de stad waren twee kalkovens aan den weg. Zy

waren van buiten van grauwen hard gebranden kalksteen, en van rotssteen

digt aan het vuur. De hoogte van den oven bedroeg drie vadem.

De Kalksteen, dien men hier brandt, is van twederlei soort. Het ene is

zo digt dat men de deeltjes ’er van onderscheiden kon, uitgenomen hier

en daar enige weinige witte of ligt grauwe spaathkorrels. Somtyds vond

men ene kleine spleet die met enen witten fynen spaath gevuld was. Ik

kon ’er gene versteningen in ontdekken, schoon ik ’er nauwkeurig naar

zogt. Men vond deze stenen doorgaans op het eiland Montreal, zo dat in

het graven men ter diepte van ene halve of gehele el op de zelven

stiet. Zy liggen in beddingen, waarvan elke omtrent een vierde of ene

halve el dik is. Deze steen wordt geagt den besten kalk te geven. ’T is

waar, hy is zo wit niet als die van het andere soort komt, egter heeft

hy de eigenschap van de muren zo hard als een steen zelven te maken, en

dat hoe langer hoe meer. Daar zyn voorbeelden dat als men de muren

wilde veranderen de keistenen waaruit die gebouwd waren eerder dan de

kalk zelf konden gebroken worden.

Het andere soort was een grauwe en somtyds een donker grauwe kalksteen.

Hy bestond uit kleine digte deeltjes, vermengd met grauwe

spaathkorrels, somtyds was hy ook vry grofkorrelig. Aan stukken

geslagen rook hy sterk naar stinksteen. Dikwyls was hy geheel vol van

Pectinites. Dog de meesten van deze versteningen waren slegts indrukken

van de bolle zyden der schelpen. Evenwel zag ik enige stukken van de

schelpen zelven, die in steen veranderd waren, indien ik anders geloven

zal dat deze schalen voorheen zelfs mosselschelpen geweest zyn, en niet

een byzonder soort van steen; want ik zogt op de oevers te vergeefs

naar deze schelpen. Ook schynt het onbegrypelyk te zyn hoe ’er ene zo

ongelooflyke menigte van indrukken van schalen by een zoude gekomen

zyn, want somtyds kreeg ik grote stukken van dezen kalksteen die byna

uit niets anders dan vlak by een leggende Pectinites bestonden. Dezen

steen trof men op verscheiden’ plaatsen van het eiland aan, waar hy ook

in horizontale beddingen een vierde of een halve el dik, ligt. Hy geeft

zeer veel kalk; dog die wordt voor zo goed niet als de vorige gehouden,

en men zeide dat hy by nat weder vogtig wordt, het geen de andere niet

heeft.

Het dennenhout werd het best gehouden om kalk te branden, en daarna het

hout van de Thuya. Dog dat van den suikerahorn en diergelyke bomen

agtte men ’er niet goed toe, omdat het te veel kolen geeft.

Grauwe stukken van rots vertoonden zig hier en daar in het bosch en op

de velden.

De bladeren van verscheiden bomen en gewassen, gelyk als van den roden

Ahorn, de Rhus glabra, het Polygonum sagittatum, en de Varen, begonnen

thans ’er geelagtig uit te zien.

Een groot kruis stond ’er op ene plaats nevens den weg. De jonge, die

my voor gids diende, zeide dat daar iemant begraven lag die grote

wonderwerken verrigt had. De voorby reizenden groeten het kruis. Op den

middag kwam ik te Saut au Recollet aan.

[Saut au Recollet.]

Reis door Noord Amerika · 第 44 / 50 段