De Marquis de la Galissonière is een van de drie Heren die boven alle

anderen by de Fransche Zeemagt in den laatsten oorlog groot aanzien

verworven hebben. Die drie Heren zyn de genoemde Marquis, de Marquis de

la Jonquière en de l’Etendure. De eerste was nu boven de vyftig jaar

oud, klein van gestalte, een weinig geboccheld, dog voor ’t overige een

bevallig man. Hy was hier enigen tyd als Gouverneur Generaal geweest,

en vertrok naar Frankryk nog deze maand. Ik heb alreeds iets van dezen

Heer gezegd; dog als ik aan zyne verdienste denk, kan ik hem noit zynen

verdienden lof geven. Hy was tot verwondering toe in alle

wetenschappen, dog byzonderlyk in de Natuurlyke Historie ervaren, in de

welke hy zo ver gevorderd was, dat als hy over dezelve sprak het was

als of onze grote Linnæus onder ene andere gedaante het woord voerde.

Als hy van het gebruik redeneerde dat men van de Natuurlyke Historie

ten voordele der maatschappy maken kon, stond ik verbaasd hoe hy alle

zyne redenen uit de Staat- de Wis- en de Natuurkunde wist te ontlenen.

Ik moet bekennen dat myn omgang met dien Heer my zeer veel ligt in vele

stukken heeft gegeven. Hy gaf my verscheiden manieren aan de hand op

welken men de Natuurlyke Historie ten nutte der Zamenleving, en om een

volk met opzigt op zyne afgunstige naburen magtig te maken, kan

aanwenden. Noit heeft de Natuurlyke Historie in dit land enen zo groten

bevorderaar gehad; en het is twyffelagtig of zy hier oit zyns gelyken

hebben zal. Zo dra hy Gouverneur Generaal geworden was nam hy die

maatregels, die ik boven heb opgegeven, ter bevordering der Natuurlyke

Historie. Als hy menschen ontmoette die enigen tyd op ene zekere plaats

gevestigd waren geweest, of gereisd hadden, vooral als het geweest was

in ver afgelegen’ oorden, verzuimde hy noit hen nauwkeurig aangaande

bomen, planten, dieren en andere zaken te ondervragen. Hy onderzogt dan

ook wat gebruik de Inlanders van de voortbrengsels der natuur maakten;

hoe het ging met den landbouw en de huishouding; wat meren, rivieren en

wegen ’er waren, en vele andere zaken van die natuur. Zulken die hem

duidelyker begrippen van zaken dan de overigen schenen te hebben

moesten hem breedvoerige berigten aangaande dezelven geven. Hy schreef

zelf alle de berigten op die hy kreeg. En door deze oplettendheid, zo

ongemeen onder lieden van dien rang, kreeg hy kennis zelfs van de

afgelegenste gewesten van Amerika. De Priesters en de Kommandanten der

Forten waren dikwyls versteld over de vragen die hy hun deed, wanneer

zy hem hunne opwagting kwamen maken; want dan zeide hy hun dikwyls dat

digt by zulken berg, by zulk een meer, waar zy dikwyls op de jagt

waren, deze en gene zeldzame bomen, gewassen, aardens, ertsen, en

diergelyken gevonden werden. Dit maakte dat sommigen zig verbeeldden

dat hy ene meer dan menschelyke kennis bezat, dewyl hy alle de

zeldzaamheden van plaatsen wist te melden, die somtyds twee honderd

Zweedsche mylen van Quebec lagen, en daar hy noit geweest was. Noit

werd ’er een beter staatsman gevonden dan hy was; en geen mensch kan

oit beter maatregels nemen om de welvaart van een land te vergroten dan

hy deed. Kanada kende nauwlyks den schat dien het in den persoon van

dien Heer bezat, toen het hem verloor; de Koning had te zeer zynen

dienst t’huis van noden, en konde hem zo ver van de hand niet laten. Hy

vertrok naar Frankryk met ene verzameling van natuurlyke zeldzaamheden,

en vele laden met aarde, waarin allerhande nuttige planten en boompjes

lagen.

[Zwarte Kalkleyen.]

Verscheiden’ malen heb ik gewag gemaakt van Zwarte Kalkleyen hier wil

ik ze nauwkeuriger beschryven. Niet alleen de berg waarop Quebec staat,

maar ook de heuvels langs de St. Laurence, ter lengte van vele mylen

boven en beneden Quebec, bestaan ’er uit. Omtrent ene el beneden den

grond is deze steen vry digt en zonder spleet, zo dat niemant hem voor

ene lei zou aanzien. Hy legt in beddingen, van drie en vier, tot

twintig duimen en meer dik. In den berg waarop Quebec staat leggen de

beddingen niet horizontaal maar schuinsch en zelfs byna loodregt, de

bovenste kanten naar het noordwesten en de ondersten naar het

zuidoosten gekeerd. Dit maakt dat de kanten dezer beddingen altyd boven

den grond uitsteken, en de schoenen aan stukken snyden. Ik heb ook

enige lagen gezien die noordwaards afhelden, schoon byna loodregt gelyk

de anderen. Ook heb ik horizontale beddingen ontmoet. De beddingen zyn

van malkander door kleine tusschenwydtens afgescheiden, de welken

gemeenlyk opgevuld zyn met het Gypsum amiantiforme, dat men somtyds met

een mes los kan maken, als de boven leggende bedding van lei is

weggenomen, en dan ziet het ’er uit als een dun wit blad. De groter

tusschenwydtens zyn meest opgevuld met doorschynend kwartskrystal van

onderscheiden’ grootte. Op sommige plaatsen vond men in den berg

ongelooflyk veel van dit krystal, waarom de zuidoosterpunt van den berg

Pointe de Diamant genoemd wordt. De smalle reten die door dezen steen

gaan, lopen gemeenlyk met regte hoeken; de tusschenwydtens tusschen

deze reten waren niet altyd de zelven. Die kant van de bedding die

tegens de andere bedding gekeerd is is dikwyls met een fyn, zwart,

glinsterend vlies bedekt, dat veel naar zeker soort van hoornsteen

gelykt. Men vindt ’er veeltyds gele pyrites in, dog altyd in kleine

korrels. Ik vond ’er noit versteningen, deuken, of andere stenen in,

behalven die ik reeds zo even genoemd heb. De berg waarop Quebec legt

bestaat louter van den top af tot beneden toe uit kalklei. Deze steen

gebroken of geschraapt wordende geeft enen reuk even gelyk de

stinksteen. Dat voor de lugt bloot legt valt in kleine stukken,

verliest zyne zwartheid, en wordt bleek rood. Byna alle de openbare en

andere gebouwen in Quebec zyn van dezen steen, gelyk ook de muren

rondom de stad, de kloosters, en de tuinen. Men kan hem ligt de

gedaante geven die men wil. Dog hy heeft de eigenschap van in dunne

blaadtjes te splyten, evenwydig met de bedding waaruit de steen genomen

is, indien hy een jaar of meer in de open lugt leggen blyft. Egter doet

dit geen nadeel aan de muren, want men legt met voordagt de stenen zo

dat de spleten altyd horizontaal lopen, en de bovenste stenen op de

onderste drukken, zo dat zy niet dan aan den buitenkant wat

afschilferen kunnen. Hoe ouder de huizen worden des te dunner worden de

schilfers.

[Lugtsgesteldheid te Quebec.]

Om mynen Lezer enigermate een denkbeeld van de lugtsgesteldheid te doen

krygen, ten einde hy over het verschil van warmte en koude in de

verschillende jaargetyen oordelen konne, zal ik hier kortelyk voor een

jaar een uittreksel geven uit de waarnemingen van den Heer Gaulthier.

Hy heeft my een afschrift van die waarnemingen ter hand gesteld, die hy

van het begin der maand October in het jaar 1744. tot het einde van

September 1746. gemaakt had. De waarnemingen met den Thermometer gedaan

zal ik agter laten, ter oorzake ik van de zelven niet voldaan ben. Hy

had zig van den Thermometer van De la Hire bediend, op welken men by

ene sterke vorst, wanneer het kwikzilver tot in den bol zakt, de graden

der koude niet waarnemen kan. De waarnemingen wierden het gehele jaar

niet vroeger gemaakt dan des morgens tusschen zeven en agt uur. Des

middags waren zy tusschen twee en drie uur gemaakt. Op de meeste dagen

waren die van namiddags weggelaten. Behalven dat, hing de Thermometer

in een half open staand venster, en kon dus de juiste gesteldheid der

lugt niet aanwyzen. Men volgt hier in de waarnemingen den nieuwen styl.

HET JAAR 1745.

Januari. Den 29. geraakte de St. Laurence voor Quebec toe met ys. In de

waarnemingen der vorige jaren was aangetekend dat zy dikwyls in ’t

begin van Januari en zelfs van December toegelegen heeft.

Februari. In deze maand is niets merkwaardigs voorgevallen.

Maart. Deze winter wierd gezegd een van de allerzagtsten te wezen. De

aller oudste menschen konden zig genen diergelyken herinneren. De sneuw

had maar anderhalven of twee voet dik gelegen. Het ys op de St.

Laurence voor Quebec was maar twee voet dik. Den 21. had men een

onweer, waarby een soldaat van den blixem getroffen wierd. Den 19. en

20. begon men insnydingen in den Suikerahorn te maken, om het sap ’er

aftetappen, waaruit men suiker maakt.

April. Op de eerste dagen dezer maand, en naderhand vervolgens nu en

dan gedurende de gehele maand door, was men bezig met het sap uit de

Suikerahornen te tappen. Den 7. begonnen de tuinlieden hunne

groentebedden klaar te maken. Den 20. brak het ys voor Quebec en dreef

weg. De waarnemingen van het volgende jaar wyzen aan dat dat anders

zelden gebeurt, want dikwyls legt de Rivier voor Quebec tot den 10. Mai

toe. Den 22. en 23. viel ’er veel sneuw. Den 25. maakte men by St.

Joachim een begin met zayen. Dien dag vernam men ook enige Zwaluwen.

Den 29. was men overal aan ’t zayen. Sedert den 23. was de scheepvaart

vry op de Rivier.

Mai. Den 3. was het ’s morgens zo koud dat de Thermometer van Celsius

vier graden onder het vriespunt stond. Het graan leed ’er egter geen

nadeel van. Den 16. had men overal gedaan met het voorjaarszaad in den

grond te brengen. Den 5. stonden de Sanguinaria, de Narcissus, en de

violet in bloei. Den 17. begonnen de bladen aan de kerssen-, appel- en

lindebomen uittekomen. De aardbessen bloeiden reeds. Den 29. stonden de

wilde kerssenbomen in bloei. Den 26. was de bloeisem van de Fransche

appel-, kerssen- en pruimenbomen al uit.

Juni. Den 5. waren alle de bomen groen. De appelbomen waren in vollen

bloei. Den 22. at men rype aardbessen. Men had aangetekend dat het

weder toen volmaakt goed voor de vrugten was.

Juli. Het koorn begon den 12. zyne airen te laten zien, en den 21. had

het reeds overal airen. Men moet hier zig herinneren dat ’er hier te

lande niets als zomerkoorn wast. Het koorn was kort daarop in bloei. De

hoibouw begon den 22. De gantsche maand was het weder zeer schoon.

Augustus. Den 12. had men te Montreal rype peren en meloenen. Den 20.

was het graan rondom die Stad ryp, en men maakte toestel tot den oogst.

Den 22. begon men te Quebec de weit te mayen. Den 30. en 31. was des

morgens de grond berypt.

September. Den 24. en 25. was de oogst van allerlei graan geeindigd.

Men had deze maand ene menigte van meloenen, watermeloenen, komkommers

en schone pruimen. De appelen en peren waren ook al ryp, het geen alle

jaar zo vroeg niet geschiedt. De laatste dagen der maand begon men de

landen omteploegen. Onder de waarnemingen rakende deze maand vond men

aangetekend. “De oude lieden zeggen dat men voorheen het koorn niet

voor den 15. of 16. September mayen kon, somtyds wel eens den 12. en

dat het noit vroeger ryp wierd. Ook dat het noit tot zulk ene volkomene

rypheid plegt te komen als nu. Maar sedert dat ’er veel bosschen

omgehouwen en veel landeryen bebouwd geworden zyn, hebben de

zonnestralen meer gelegenheid bekomen hare werking te doen, zo dat het

graan nu vroeger ryp wordt.” [348] Verders wierd aangemerkt dat de hete

zomers in Kanada altyd zeer vrugtbaar zyn, en dat dan nog zelfs

nauwlyks het tiende gedeelte van het koorn tot volmaakte rypheid komt.

October. Deze gehele maand beploegde men de braaklanden. Het weder was

zeer schoon. Des nagts vroor het verscheiden reizen. Het sneuwde den

28. Tegen het einde der maand begonnen de bladeren van het geboomte te

vallen.

November. Tot den 10. hield men aan met ploegen. Dien dag waren reeds

alle de bomen kaal. Tot den 18. liep het vee buiten, dog moest nu en

dan enen dag van wegen het slegt weder te huis blyven. Den 16. had men

donder en blixem. Den 24. vernam men nog geen ys op de St. Laurence.

December. Hier wierd aangetekend dat deze herfst veel zagter was

geweest dan de voorgaanden. Den 1. ging ’er nog een schip naar Frankryk

onder zeil. Den 15. begon de Rivier vol met ys te raken; dog in het

midden bleef zy nog open. Dog op de Charles was het ys zo dik dat men

’er met geladen wagens en paarden overreed. Den 26. raakte het ys op de

St. Laurence door den zwaren regen weg. Den 28. wierd wederom een

gedeelte van de Rivier met ys bedekt.

In ’t vervolg van deze Waarnemingen wierd aangetekend dat de winter ook

van de zagtsten geweest is.

[Vertrek van Quebec.]

Den 11. September ging ik van Quebec met enen goeden wind op reis. De

Gouverneur Generaal, Marquis de la Jonquière, die my ook met velerhande

gunstbewyzen overladen had, had enen van ’s Konings boten met zeven man

geschikt om my naar Montreal te brengen. In ’t midden van den boot was

een groot blauw kleed, waaronder wy vry voor den regen waren. De gehele

reis geschiedde op kosten van den Koning van Frankryk. Wy lagen dien

dag drie Fr. mylen af.

Den 12. vervolgden wy onzen togt den gehelen dag. De Mais van het

kleinder soort, dat binnen drie maanden ryp wordt, was nu ryp. Men trok

ze uit den grond en hing ze in de lugt te drogen.

Het weder was thans omtrent zo gesteld als in Zweden in ’t begin van

Augustus, zo dat de herfst in het noorden van Kanada ene maand later

dan in het midden van Zweden schynt intevallen.

By elke boerdery vond men enen moestuin, waarin zeer veel uyens

wiessen, welken de Fransche Boeren op de vastendagen veel gebruikten.

Egter kan ik niet zeggen, dat de Franschen zo buitenmate stipt waren in

het onderhouden der vasten, want verscheiden’ van myn roeyers aten

gerust dezen dag, schoon enen vrydag, vleesch. En dit heb ik in ’t

vervolg dikwyls meer gezien. Het gemene volk in Kanada eet zo veel uyen

dat zy ’er geweldig van stinken. Men vond ook veel kawoerden in die

tuinen, die op meer dan ene wys gegeten werden. Het meest sneed men ze

naar de langte midden door, en hield het binnenste voor het vuur om te

braden. Het buitenste werd weggesmeten. De ryken deden ’er wat suiker

over. Peen, salade, bonen, komkommers, en rode aalbessen waren ook in

die tuinen te vinden.

[Tabak.]

Ieder Boer had ook by zyn huis meer of min Tabak geplant, naar dat zyn

huishouden sterk was. Het gemene volk rookt zeer sterk. Zelfs liepen

jongens van tien of twaalf jaren met de pyp in den mond. Ook mogten de

aanzienlyke lieden wel een pypje. In ’t noorden van Kanada gebruikte

men de tabak meest zuiver, maar verder opwaards, en omstreeks van

Montreal, nam men den binnensten schors van den Roden Kornoeljeboom,

[349] sloeg ze in stukken, en mengde ze onder de tabak, om die wat

minder sterk te maken. Ook gebruikten ryken en anderen veel snuiftabak.

De meeste tabak, die men hier gebruikte, was in ’t land gewassen.

Sommigen agtten die boven de Virginische; dog die genen welken voor

kenders gaan wilden gaven de andere den voorrang.

[Modes.]

Schoon de meeste volken van Europa de modes der Franschen gewoon zyn

natevolgen, zag ik dog integendeel dat de Franschen in Kanada zig in

vele stukken naar de gebruiken der Wilden, met welken zy dagelyks

omgaan, schikten. Zy gebruikten de zelve tabakspypen, schoenen,

koussebanden, en gordels als de Amerikanen. Zy volgden hen na in ’t

voeren van den oorlog. Zy gebruikten hunne basten schuiten, en roeiden

die op de zelve wys. In plaats van koussen wonden zy een stuk doeks om

de benen. En zo ging het met veel andere dingen. Als men in het huis

van enen Boer intreedt, staat hy op, neemt den hoed of de muts af om te

groeten, verzoekt dat men ga zitten, en dekt zig weder. [Boeren.]

Monsieur en Madame zyn titels die men zo wel enen Boer en zyn wyf als

den eersten luiden geeft. De Boeren, en vooral de vrouwlieden, gingen

in huis met schoenen, die uit een stuk uitgehold hout bestonden,

hebbende de gedaante van muilen. De Boerenjongens, en zelfs de ouden,

hadden meest enen staart in ’t hair. Byna allen hadden zy in huis, en

somtyds ook op reis, rode wollen mutsen op het hoofd.

Het voornaamste eten der Boeren was melk. Boter zag men zelden, en die

men ’er vindt is van zuren room gemaakt. Dus was zy niet zo goed als de

Engelsche, en smaakte dikwyls naar talk. De Franschen hielden veel van

melk, die zy des vrydags en zaterdags in plaats van vleesch gebruikten.

Dog zy wisten ze niet op zo velerhande manieren als wy gereed te maken.

Op andere dan vastendagen at men hier niet minder vleesch dan by de

Engelschen, want buiten de soepen en het nageregt komt ’er byna niets

dan vleesch op tafel, dat op velerlei wyzen toebereid wordt.

Wy bragten den nagt in een boerenhuis door digt by een Riviertje,

Petite Rivière genaamd, dat zig hier in de St. Laurence werpt. Men

rekende van hier zestien Fr. mylen tot Quebec, en tien tot Trois

Rivières. De ebbe en vloed waren hier tamelyk sterk. Deze was de

laatste plaats aan dezen kant, waar ik de hoogtens naast de Rivier ten

dele uit de meermaal gemelde kalklei zag bestaan. Verder op begonnen zy

louter van aarde te zyn. De ligtgevende vliegen vlogen des avonds in de

bosschen, dog niet zeer talryk. De Franschen noemden ze Mouches à feu.

[Huizen.]

De Huizen waren hier omstreeks van hout. De vertrekken waren tamelyk

groot. Het dak van binnen rustte op twee, drie of vier dikke sparren,

naar de grootte van ’t gebouw. De reten waren met klei besmeerd. De

vensters waren van papier. De schoorsteen was in ’t midden der kamer

gemetseld. Het geen voor den schoorsteen was diende voor de keuken.

Agter den schoorsteen sliep en ontving men bezoek. Somtyds stond ’er

een yzeren kacchel agter den schoorsteen.

Den 13. reisden wy voort. By Champlain, vyf Fr. mylen van Trois

Rivières, bestonden de steile hoogtens langs de Rivier uit ene gele en

somtyds okeragtige zandige stofaarde, uit de welke ene menigte van

kleine stroompjes uitliepen. Het water in dezelven was meest vol van

geel oker, ten bewyze dat hier wel van ’t zelve soort van yzererts, als

men by Trois Rivières heeft, ligt. Het was zonderling dat men hier

zulke menigte van kleine stroompjes vond, dewyl het land geheel vlak en

de zomer een van de droogsten was. Langs de Rivier was het land ter

breedte van ene Eng. myl bebouwd; dog daar agter volgden zware bosschen

en lage landen. Het bosch, de vogtigheid vergaderende en het water

belettende uittewaassemen, dwingt het onder den grond door enen uitloop

te zoeken. Op den oever lag veel zwart yzerzand.

Tegens den avond kwamen wy te Trois Rivières, daar wy ons niet langer

ophielden dan tot dat wy de brieven, die wy van Quebec medegebragt

hadden, hadden overgegeven. Wy voeren nog ene Fr. myl verder eer wy ons

nagtverblyf namen.

[Oude lieden.]

Wy zagen dezen dag drie zeer oude lieden. De een was een Jesuiet,

genaamd Joseph Aubery, die als Zendeling by de bekeerde Wilden te St.

François was, Hy had dezen zomer het vyftigste jaar zyner bediening

vervuld. Hy ging derhalven naar Quebec om zyne gelofte als Jesuiet te

vernieuwen, en scheen nog frisch en levendig te zyn. De anderen waren

de menschen by welken wy overnagtten. De man was over de tagtig jaar en

de vrouw niet veel jonger. Zy hadden reeds eenenvyftig jaar

t’zamengeleefd. Zy waren nog geheel vergenoegd, gezond en vriendelyk.

De oude man zeide dat hy onder anderen in ’t jaar 1690. in Quebec was,

toen het door de Engelschen belegerd werd. De Bisschop had by die

gelegenheid in zyn bisschoppelyk gewaad met den sabel in de hand de

soldaten aangemoedigd.

[Hette en koude.]

Hy oordeelde dat de winters in zyne kindschheid veel gestrenger waren

dan nu, en dat ’er toen veel meer sneuw viel. Het heugde hem nog dat op

St. Jan de kawoerden en de komkommers bevroren waren. Ook waren de

zomers tegenswoordig veel warmer. Dertig jaren geleden was ’er een zo

gestrenge winter in Kanada geweest dat ’er vele vogels dood gevroren

waren; dog het jaargetal kon hy zig niet te binnen brengen. In ’t

algemeen wierd gezegd dat de zomers van 1748. en 1749. warmer waren dan

in vele jaren te voren.

[Grond.]

De grond werd hier voor tamelyk vrugtbaar gehouden. De Weit gaf negen

of tien voor een. Dog in de jeugd van dezen man, toen men de vetste

gronden kiezen kon, gaf zy dikwyls meer dan twintig voor een. Rogge

werd weinig gezaid, ook weinig Garst, en maar alleen voor het vee. Zy

klaagden evenwel dat zy by elken slegten oogst dikwyls genoodzaakt

waren garstenbrood te eten.

Den 14. gingen wy vroeg op reis. Na twee Fr. mylen gezeild te hebben

kwamen wy op Lac St. Pierre, dat wy overstaken. Verscheiden

waterplanten, die in de Zweedsche meren gemeen zyn, lagen hier in ’t

water. Dit meer zegt men vriest ’s winters zo sterk toe dat ’er honderd

geladen wagens te gelyk over ryden kunnen.

Wy vonden somtyds op de waterplanten een soort van Kreeft, gelykende

veel naar ene krabbe, en niet groter dan twee meetkundige lynen in de

langte en ene in de dikte. Hy was bleek van kleur trekkende wat naar

het groene.

De Pontederia cordata wies overvloedig aan de kanten van een lang smal

water, op de zelve plaatsen als by ons de Nymphææ of waterlelies. Een

hoop varkens waadde diep in ’t water, en dook dikwyls met het grootste

deel van ’t lyf onder, om de wortelen op te wroeten en te eten.

Zodra wy Lac St. Pierre over waren veranderde het land geheel van

aanzien. Het wierd de schoonste oord dien men zien kon. De eilanden en

het land aan weerskanten zagen ’er als nette lustplaatsen uit; en dit

duurde tot by Montreal.

Langs de Rivier hadden alle de Boeren schuiten, die uit stammen waren

uitgehold, dog evenwel zeer frai en net gemaakt, zo dat zy volkomen

naar schuiten geleken. Ik zag maar een enige bastenschuit.

Den 15. zetteden wy onze reis reeds in den vroegen morgen voort. De

stroom was ons tegen en zo sterk, dat wy op sommige plaatsen de Roeyers

moesten doen aan land gaan en ons voorttrekken.

[Montreal.]

Om vier uur na den middag kwamen wy te Montreal aan. Men rekende dat

onze reis zeer gelukkig geweest was, dewyl men dikwyls, wegens den

stroom en de veranderlykheid van den wind, twee weken tusschen Quebec

en Montreal onder weg is.

[Wyngaarden.]

Verscheiden’ menschen te Montreal hadden wyngaarden, die uit Frankryk

gekomen waren, in hunne tuinen geplant. Men vond ’er twee soorten van;

het ene met bleek groene of byna witte, het ander met donker rode

druiven. Uit de witten, zeide men, werd de witte, uit de roden de rode

wyn gemaakt. Des winters moet men hier de wyngaarden met mist

toedekken. De druiven begonnen nu ryp te worden. De witten waren het

meest gevorderd. Men maakte ’er hier genen wyn van. Zy worden zo groot

niet als in Frankryk.

[Watermeloenen.]

Men teelde hier ook veel Watermeloenen. Geen Boer was ’er byna die ’er

genen had. In de steden en daaromstreeks worden zy vooral sterk

aangekweekt. Egter waren zy zeldzaam in het noordelyk gedeelte van

Kanada. De Wilden planten ze ook veel. Dog of zy dit in oude tyden ook

gedaan hebben is onzeker. Een oude Iroquois te Oneida heeft my gezeid

dat zy ze van de Europeanen gekregen hadden. Integendeel verzekerden my

vele Franschen dat de Illinoizen reeds ’er veel van hadden toen zy in

hun land kwamen, en dat zy daar van onheuglyke tyden geplant geworden

waren. Dog ik kan my niet te binnen brengen dat de eerste Europeanen,

die in Noord Amerika kwamen, van watermeloenen gewagen wanneer zy van

de spyzen der Wilden spreken. Hoe heet de zomers in die delen van Noord

Amerika die ik doorreisd heb zyn, kan men daaruit opmaken, dat men daar

de watermeloenen in ’t voorjaar maar op het open veld zait, zonder ze

oit te dekken, en dat zy egter vroeg genoeg ryp worden. Men vindt ’er

hier twee verscheidenheden van, de ene rood en de andere wit van

binnen. De eerste is gemeender meer naar ’t zuiden by de Illinoizen en

by de Engelschen, de twede vindt men meer in Kanada. Men zait ze in het

voorjaar, als ’er gene koude meer te verwagten is, in ene goede vette

aarde, dog ver van malkander, uit hoofde dat zy haar loof ver uit

schieten, en derhalven ene grote ruimte vorderen, zullen zy wel

vrugtbaar zyn. Te Montreal waren zy nu meest ryp; maar in de Engelsche

Volkplantingen zyn zy het al in Juli en Augustus. Gemeenlyk vorderen zy

minder tyd om ryp te worden als de gemene meloenen. De Kanadaschen zyn

zelden zo zoet als die meer naar ’t zuiden vallen. Misschien komt dat

van de sterkere hette. Die van New York werden voor de lekkersten

gehouden.

De watermeloenen zyn zeer sappig, en het sap is met het vleesch

vermengd. Daarenboven is het zeer verkoelend, het welk in de hette zeer

verkwikkend is. Men wist niet dat ’er iemant in Kanada, te Albany en in

New York, zig kwalyk van bevonden had, al had men ’er wat veel van

gegeten. Zelfs bragt men voorbeelden by dat zieken ’er zonder nadeel

van gegeten hadden. Maar verder naar het zuiden agt men dat zy afgaande

koortsen veroorzaken, vooral by menschen die ’er niet aan gewend zyn.

De Franschen zeggen dat als menschen, die in Kanada geboren zyn, in ’t

Land der Illinoizen komen, en daar enige malen van de watermeloenen

eten, ten eersten de koorts van krygen; dat derhalven de Illinoizen hen

waarschuwen van niet te eten van ene zo ongezonde vrugt. De Illinoizen

zelven zyn aan koortsen onderworpen, als zy hunne magen te veel met

deze spys verkouden. In Kanada bewaart men ze op plaatsen die matig

warm gehouden worden; en op deze wys kunnen ze twee maanden na dat zy

ryp geworden zyn goed blyven, maar men moet voor de vorst zorgen. De

Engelschen bewaren ze een gedeelte van den winter over in droge

kelders. Zy bleven, zeide men, langer goed als men de plaats daar zy

van den steel afgebroken waren met een gloeyend yzer brandde. Op die

wys kan men ze nog op kersmis en later hebben. In Pensylvanie, waar de

grond droog en zandig is, maakt men een gat in den grond, en legt ze

met hunne stelen daarin, met aarde ’er over heen; en dan blyven ze zo

een tamelyk stuk van den winter over goed. Egter nemen weinig menschen

die moeite ’er mede, om dat het niet ene zeer geschikte vrugt is om in

de koude te eten. Men verbeeldt zig hier dat komkommers meer verkoelen

dan watermeloenen. De watermeloenen dryven het water sterk af. De

Iroquoizen noemen ze Onoheserakahtie.

[Kawoerden.]

Kawoerden van allerlei soorten, langwerpige, ronde, platte,

kromhalzige, zeer kleine, en andere, worden door de Engelschen en de

Franschen overal geplant. In Kanada maakten zy met de uyens by de

Boeren het voornaamste van hunne moeskruiden uit. Onder de Engelschen

was ’er niet een Boer die niet een groot stuk lands met kawoerden

bepoot had. De Zweden, Duitschers en Hollanders teelden ’er ook zeer

veel. De Wilden leefden ’er gedeeltelyk van. Dog dezen plantten meer

Squashes dan eigenlyke kawoerden. Zy zeiden zelfs dat zy ’er reeds voor

de aankomst der Europers al gehad hadden. Ook gewagen de eerste

Europische Reisbeschryvers van de kawoerden als ene gewoonlyke spys der

Wilden. De Franschen noemden ze Citrouilles en de Engelschen Pumpkins.

In ’t voorjaar, als ’er gene vorst meer te wagten is, worden zy op den

kouden grond in de open lugt gezet. Ook zet men ze wel op oude

mistbedden. In Kanada worden zy in ’t begin van September ryp; dog in

de Engelsche Volkplantingen en meer zuidwaards heb ik ’er al op ’t

einde van Juli ryp gezien. Zodra zy beginnen ryp te worden, plukt men

’er enigen af om te gebruiken. De overigen laat men op ’t veld tot dat

men voor de koude begint te vrezen. Dan brengt men ze in huis. Dit

geschiedde nu te Montreal in het midden van September N. S. Dog in

Pensylvanie heb ik ze nog den 19. October op ’t land zien staan.

Somtyds zyn zy nog niet volkomen ryp als men ze plukt, dog zy worden in

huis wel ryp als men ze maar van malkander leggen laat. In droge en

warme kelders blyven zy wel enen gehelen winter goed, en nog beter in

kamers daar gestookt wordt.

Reis door Noord Amerika · 第 43 / 50 段