De kalkleyen op de hoogtens waren hier van tweeërlei soorten. Het ene

was van de zwarte leyen, gelyk als die waarop Quebec staat. Het andere

was meest zwart, en somtyds ligt grauw, schynende maar ene

verscheidenheid van het eerste soort te wezen. Men noemde het hier

Kalksteen. Het grootste onderscheid tusschen die beiden was dat het

laatste soort ligt kon doorgesneden worden, gebrand zynde enen goeden

kalk gaf, en in de lugt niet zo ligt in schyven viel. De muren der

huizen waren geheel en al van deze leyen gebouwd, en met den kalk uit

dezelven gemetseld. Zo was het ook met de schoorstenen; waar men alleen

den haard van andere stenen gemaakt had. De bergen by Petite Rivière

bestonden geheel en al uit denzelven grauwen rots dien ik van de

loodertsen sprekende beschreven heb. Dog de voeten der bergen waren van

een dezer soorten van leyen. Ook staat ’er een groot deel van de grauwe

rotsen in Kanada op enen grond van een dezer soorten van kalkleyen,

gelyk ook de grauwe rotsen in West Gothland in Zweden doen.

[Aal en Bruinvisschen.]

Omtrent het einde van September en de gantsche maand van October worden

hier veel Alen en Bruinvisschen gevangen. De Aal komt dan uit zee de

Rivier op, en uit de binnenlandsche Zeen de Rivier af zwemmen. De wys

waarop zy gevangen worden heb ik reeds beschreven. [342] De Aal wordt

door de Bruinvisschen gevolgd, die ’er op azen. Men ving ook ene grote

menigte van de laatsten. Hoe meer Alen ’er zyn des te meer

Bruinvisschen vangt men. Dit geschiedt op deze wys. Als het ebt zwemmen

de Bruinvisschen gemeenlyk langs de kanten de Rivier af, en verslinden

de Alen die zy daar dan vinden. Om deze reden steekt men takken met de

bladen ’er aan in ’t water in de gedaante van enen boog, welks benen

zig tegens den wal keren, latende nogthans enen doorgang langs

denzelven. De takken staan omtrent twee voet van malkander. Als de

Bruinvisschen ’er tusschen komen, en het geruisch horen dat het water

tegens de bladeren maakt, worden zy bang, en willen terugkeren.

Ondertusschen is het water zo veel gevallen dat zy by het terugkeren op

een van de benen van den boog komen, waar zy op nieuws door het

geruisch van het water tegens de bladeren verschrikt worden. In deze

vergelegenheid zwemmen zy voor en agterwaards, zo lang tot dat het

water geheel is weggelopen, zo dat zy op den grond blyven leggen, daar

men ze doodt. Zy geven ene goede hoeveelheid van traan.

Nevens den oever der Rivier lag ene grauwe klei, vol van roestkleurige

spleten en wormgaten. Deze gaten waren klein, liepen regt naar beneden,

en konden ene middelmatige speld doorlaten. De kanten derzelven waren

ook van die zelve kleur en half versteend; zo dat als de klei door het

water weggespoeld was die gaten ’er uitzagen als kokeragtige pypstelen.

Des middags van den 6. September verlieten wy Petite Rivière, en gingen

op weg naar St. Joachim, tusschen welke twee plaatsen de oever uit

bergen bestaat die vooruitsteken, waar tusschen enige kleine inhammen

zyn. Men heeft opgemerkt dat, al is het te Petite Rivière nog zo stil,

het altyd op deze bergen wait. En als het te Petite Rivière enigsins

wait, zo is het niet raadzaam met ene schuit naar Quebec te gaan, omdat

dan by deze bergen de wind zo sterk en de golven zo zwaar zyn, dat men

daar niet buiten groot gevaar is. Wy hadden thans gelegenheid dit

zelven te ondervinden, want tusschen de bergen in de inhammen was het

water stil, dog zo dra wy omtrent een der uitstekken kwamen, die de

bergen maken, zo werden de baren zo geweldig, en de wind kreeg zo veel

kragt, dat twee mannen het roer vasthouden moesten, en de mast

verscheiden malen brak. Ook deed de stroom by deze uitstekken de golven

nog te sterker gaan.

Den 7. September zetteden wy onze reis van St. Joachim voort. Men

gebruikt hier in plaats van tintel zeer veel den zwam van bomen. Die

van den Suikerahorn wordt het best gehouden, dan die van den Roden

Ahorn, en op dezen volgt die van den Suikerberk. By gebrek van dezen

gebruikt men ook dien van den Populierboom.

Buiten de Thuya, den Taxus, en verscheiden’ soorten van Dennen, vindt

men hier geen geboomte dat ’s winters zyn blad behoudt. De Thuya wordt

geoordeeld het slegts tegens de verrotting te bestaan, daarop volgt de

Pynboom, dien men hier Perusse noemt.

[Kaas.]

Kaas wordt hier op verscheiden’ plaatsen gemaakt. Die van Isle

d’Orleans komt wordt voor de beste gehouden. Zy waren klein, dun en

rond. De vier wegen een pond. Twaalf ’er van kon men voor dertig Sols

kopen. Een pond gezoute boter kostte te Quebec tien Sols, en de varsche

boter vyftien Sols. Voorheen kon men hier een pond boter voor vier Sols

kopen.

De akkers gingen afhellende naar de Rivier. Zy werden by beurten bezaid

en braak gelaten. De bezaide akkers waren geel van het koorn, en de

anderen groen van het onkruid, het welk men den zomer over gerust

wassen liet, zonder het land omteploegen, en het diende tot voeder voor

het vee.

De beste hoepels om tonnen maakte men hier van den Esschenboom, en by

gebrek van dien van de Thuya, de jonge Berken, den Kerssenboom, en

anderen.

[Gesteldheid der hoogtens.]

De heuvels nevens de Rivier aan de westzyde over Isle d’Orleans waren

zeer hoog en tamelyk steil. Zy bestonden op de meeste plaatsen uit

zwarte kalklei. Hierendaar egter was ’er een die uit rots bestond, die

op ’t eerste gezigt ’er als een zandsteen uitzag, en uit enen grauwen

kwarts, enen roodagtigen kalksteen, een weinig grauwen kalksteen, en

enige weinige ligtgrauwe zandkorrels t’zamengesteld was. De deeltjes

waren in dezen steen klein en sterk vermengd. De steen was helder rood

met grauw vermengd en zeer hard. Hy legt in beddingen boven malkander,

welken omtrent een vierde el dik waren. Aanmerkelyk is het dat ’er

verheven’ en holle deuken op zyn van Pectinites; en men vindt zelfs de

versteende schalen der Pectinites op de oppervlakte van den steen, dog

binnen in is ’er geen zweemsel van verstening te bespeuren. Alle deze

deuken en versteende schalen zyn niet meer dan enen duim in de lengte

en in de breedte. De kwartsdeeltjes die in den steen zyn geven vuur

tegens het staal, en de kalksteendeeltjes bruischen zeer op in ’t sterk

water. De bovenste en de onderste oppervlakte der beddingen bestaan uit

kalksteen, en het binnenste uit kwarts. Men houwt veel van deze stenen

om ’er mede te bouwen, te bestraten, en trappen van te maken. Veel

wordt ’er van naar Quebec gezonden. Het is zonderling dat ’er in dezen

steen versteningen gevonden worden, en niet in de zwarte kalkleyen.

De vrouwen verwden hier het wollen garen geel met het zaad van de

Myrica gale, welke hier Poivrier genaamd wordt, en overvloedig op natte

plaatsen wast.

Des avonds gingen de Heer Gaulthier en ik om den hogen waterval by

Montmorenci te bezigtigen. Vlak aan de Rivier was het land hoog, gelyk,

en tot weiden gemaakt. Wat verder wordt het heuvelagtig; de grond is

daar bedekt met ene mulle aarde, en met koorn bebouwd. Dog hierendaar

op steile plaatsen, of waar een beekje liep, bestonden de heuvels

alleen uit zwarte kalklei, die op vele plaatsen zo tot gruis geraakt

was dat men ze voor aarde zou hebben aangezien. Als men enigen van de

grootste stukken doorbrak roken zy gelyk stinksteen. Op meer verheven’

plaatsen was de aarde van ene bleek rode verw, en dit was ook de kleur

der leyen.

[Waterval by Montmorenci.]

De waterval by Montmorenci is een van de hoogsten die ik oit zag. De

stroom waarin hy legt is niet zeer breed, en valt van den steilen kant

eens bergs af, die uit zwarte kalklei bestaat. De val is digt by enen

kleinen inham in de Rivier. Beide de zyden van den inham bestaan

alleenlyk uit zwarte kalklei, die egter zeer afgemolmd is, zo dat de

zyden niet steil zyn. By den val zelven is de leiberg geheel steil, en

men kan ’er nauwlyks zonder verbaasdheid het water van zien af storten.

De regen van de vorige dagen had het water op de Rivier vermeerderd,

het welk den waterval een nog te grootscher aanschyn gaf. De breedte

van den val is niet boven de vyf of zes vadem. Zyne hoogte werd van ons

by gissing op tusschen honderdentien en honderdentwintig voet geschat:

en op onze wederkomst te Quebec vonden wy onze gissing door verscheiden

Heren bekragtigd, die den val nauwkeurig gemeten, en zyne hoogte byna

juist zo gevonden hadden als wy ze gisten te zyn. Het volk

hieromstreeks woonagtig maakte zyne hoogte veel te groot, hem

driehonderd voet gevende. Vader Charlevoix is integendeel al te karig

als hy den waterval maar veertig voet geeft. Onder aan den val is altyd

een digte nevel, die zig meer dan een snaphaanschoot over het water van

den inham uitbreidt. Digt op het water was hy het sterkst. Men was hier

als in enen gestadigen regen, die sterker of minder sterk is naar dat

men den val nadert. Wy wilden met den man die ons den weg wees digt by

het afstortend water komen om alles des te nauwer te onderzoeken, en te

zien hoe de steen agter het water ’er uitzag, dog een onverwagte wind

joeg ons schielyk zulken nevel op het lyf dat wy in een ogenblik zo

doornat waren als of wy een half uur in ene stortvlaag geweest waren.

Dus zagen wy ons genoodzaakt hals over kop terug te lopen, en waren

blyde ’er uit te zyn. Het geraas van den Waterval wordt somtyds te

Quebec gehoord, dat ’er twee Fr. mylen zuidwaards van daan legt; en dit

is dan een teken van enen noordoosten wind. Op andere tyden hoort men

het in de dorpen die een goed stuk wegs meer naar het noorden leggen;

en dat wordt voor een teken gehouden van enen zuidwesten wind of van

regen. De zwarte kalklei die de zyden van den val uitmaakt legt in byna

loodregt aflopende beddingen. In deze kalklei vonden wy de volgende

soorten van steen.

Het Gypsum amiantiforme. Dit legt met dunne schyven in de spleten van

de kalklei. De kleur was sneuwwit. Ik heb het in verscheiden’ delen van

Kanada in die zelve kalkleyen gevonden.

Pierre a Calumet. Dit is de Fransche naam van enen steen, waaruit hier

te lande byna alle de tabakspypen gemaakt worden. Hy legt in beddingen

van onderscheiden dikte tusschen de kalklei. Ik heb stukken gezien

omtrent vyftien duim dik; dog de meesten zyn tusschen de vier en de vyf

duim. Als de steen lang in de lugt of in den zonneschyn blyft bloot

leggen, verkrygt hy ene gele kleur, dog van binnen is hy grauw. Het is

een zo vaste kalksteen, dat zyne deeltjes met het nakend oog niet te

onderkennen zyn. Hy is tamelyk week, en laat zig wel behouwen. Hoe

weker de stukken zyn des te beter worden zy gehouden voor tabakspypen.

Ik heb sommigen van deze stenen van buiten in dunne schyven zien

schilferen als zy in de zon lagen. Alle de tabakspypenkoppen, die in

Kanada van het gemene volk gebruikt worden, zyn van dezen steen, en op

verschillende wyzen versierd. Vele Heren gebruiken ook dit soort van

pypen, vooral als zy op reis zyn. De Amerikanen hebben reeds vele euwen

lang dezen steen tot dat einde gebruikt, en het de Europers geleerd.

Deze koppen zyn natuurlyk van ene bleke grauwe kleur, dog men maakt ze

zwart terwyl zy nog nieuw zyn. Men besmeert den gehelen kop met vet,

houdt hem dan boven ene brandende kaars of een vuur, en dus wordt hy

door den rook en het vet t’zamen zwart. De zwartheid wordt nog door het

gebruiken vermeerderd. De pypenstelen zyn altyd van hout, en worden

door middel van ene kleine koperen keten, die door een gat in den kop

heen gaat, aan den zelven vastgemaakt, om voor te komen dat hy ’er af

valle. [343]

[Steenkolen.]

Steenkolen waren hier om heen niet te vinden. In een naburig dorp wierd

my ’er een stuk van vertoond, dat men zeide op de heuvels digt by den

waterval gevonden te zyn.

[Koortsen.]

Des nagts kwamen wy te Quebec aan. De Heer Gaulthier zeide my dat

allerlei afgaande Koortsen in die plaats zeer ongemeen waren; dog

omtrent Fort St. Frederic en Fort Detroit, ene Fransche volkplanting

tusschen het Meer Erie en het Meer Hudson, op 43. gr. N. gaan zy sterk

in zwang. Het gene ik boven aangaande de Engelschen heb aangemerkt, dat

zy zo oud hier te lande niet worden als in Europa, wierd van allen

toegestemd ook omtrent de Franschen in Kanada plaats te hebben. Men

schreef dit toe aan de zware ongemakken welken men hier door het reizen

moest uitstaan. In Kanada is het iets meer dan zeldzaams een mensch van

honderd jaren te zien; dog nu en dan vond men ’er nog wel een van

tagtig jaar.

[Yskelders.]

Sommigen van de voornaamste lieden bedienen zig van yskelders om hunne

dranken des zomers koel, en het vleesch goed te houden. Deze yskelders

zyn gemeenlyk van steen onder het huis gebouwd. De muren zyn met hout

bekleed, dewyl het ys by steen zo goed niet blyft. Des winters vult men

den kelder met sneuw, die men plat trapt, en ’er vervolgens water

overheen giet. Dan zet men de deur en alles open om de koude binnen te

laten. Men heeft de gewoonte van des zomers een stuk ys in den drank te

leggen om hem te verkoelen.

[Zout.]

Al het Zout dat hier gebruikt wordt komt uit Frankryk. Men heeft hier

wel zout uit het zeewater gemaakt, dog, om dat Frankryk alleen den

handel in het zout voor zig behouden wil, heeft men hier van afgezien.

[Eskimaus.]

De Eskimaus zyn een soort van wilde Amerikanen, die in Labrador

tusschen de Hudsonbai en den uitersten mond der St. Laurence wonen, dog

alleen aan de kust en niet ver binnen ’s lands. Ik heb noit gelegenheid

gehad ’er enen van te zien; dog ik heb verscheiden Franschen gesproken,

die deze menschen dikwyls gezien, en ze met hunne vaartuigen aan boord

gehad hadden. Volgens het eenparig verhaal van dezen, wil ik kortelyk

het een en ander van dit volk aantekenen.

De Eskimaus zyn in kleur en taal geheel van de overige Amerikanen

onderscheiden. Zy zyn byna zo blank als de Europeanen, en hebben kleine

ogen. De manspersonen hebben baarden. De Amerikanen integendeel zyn

koperkleurig en baardeloos. In hunne taal kan men enige Europische

woorden ontdekken. Zy wonen in holen onder den grond, of in grotten in

de bergen, of wel in hutjes van zoden boven den grond gemaakt. Zy zayen

of planten niet het minste, en leven alleen van allerhande visschen,

walvisschen, robben [344] en walrussen. [345] Somtyds vangen zy ook

landdieren. Zy eten de meeste spyzen rauw. Hun drank is water, en men

heeft hen dikwyls zeewater zien drinken, dat zo zout was als de

sterkste pekel. [346]

Hunne schoenen, koussen, broeken en vesten zyn van robbenvellen

gemaakt, die wel toebereid, en met zenuwen van walvisschen, welken zig

als garen laten drayen, genaid worden, en dat wel zo dat zy met hunne

klederen, de welken zy de hairige zyde buiten dragen, in ’t water

kunnen gaan zonder dat hunne onderklederen nat worden. Onder deze

bovenklederen hebben zy hembden, vesten en andere klederen, die ook van

zeehondenvellen gemaakt, dog egter zo wel bereid zyn dat zy volmaakt

zagt en week zyn. Ik heb een vrouwenkleed van dit volk gezien, zynde

een muts, jak en rok alles uit een stuk, insgelyks een robbenvel, en zo

wel bereid dat het geheel zagt en buigzaam was. De hairen waren

buitenwaards gekeerd. De rok had van agteren enen langen sleep omtrent

een vierde van el breed. Van voren kwam de rok niet eens ter helfte van

het been. Daaronder dragen zy broeken en koussen aan malkander genaid.

Het hembd was van een zeer buigzaam robbenvel. De vrouwen der Eskimaus

worden gezegd ’er veel beter uittezien dan die der Amerikanen. Dog de

mans zyn ’er zeer yverzugtig omtrent.

Men heeft my ook ene van hune schuiten vertoond. Zy was van buiten

geheel van vellen gemaakt, waar men het hair afgedaan, en de zyde daar

het hair gezeten had naar buiten gekeerd had. Het vel was zo glad als

perkament. De schuit was byna agt ellen lang; dog zeer smal en spits

aan de beide stevens. Van binnen lagen dunne planken, die de schuit

hare gedaante geven moesten. Van boven was zy geheel en al met vellen

bedekt, uitgenomen dat op enigen afstand van het ene steven een gat

gesneden is, zo dat ’er een volwassen mensch in zitten en roeyen kan,

houdende de benen onder het vel in ’t schuitje. Het gat had de gedaante

van enen afgesnedenen halven cirkel, welks middellyn naar het grootste

stuk van de schuit gekeerd was. De kanten van het gat waren met hout

beslagen, en daar een buigzaam in een gerold vel aan vast, waarin boven

banden door staken. Als de Eskimau met zulk een schuitje varen zal,

steekt hy de benen en de dyen onder het vel, gaat op den grond der

schuit zitten, trekt het vel wel om zyn lyf t’zamen, en bindt de banden

zorgvuldig om zyn middel vast. Dan mogen de golven by stormig weder

over het schuitje heen slaan, geen droppel kan ’er in komen. Ook is de

man door zyne klederen van vellen voor het nat beveiligd. Hy heeft een

riem in de hand, die aan beide de einden een blad heeft, waarmede hy en

roeit en by storm het vaartuig in evenwigt houdt. De bladen van de riem

zyn vry smal. Daar kan maar een mensch in zulk een schuitje zitten. Men

heeft dikwyls gezien dat een enkelde Eskimau met zulk een vaartuigje by

den geweldigsten storm zonder het minste gevaar ver in zee ging, daar

de grote schepen werks genoeg hadden zig zelven te redden. Die

schuitjes dryven op het water als blazen. Zy weten ’er schielyk mede te

roeyen. Men zeide my dat deze schuiten niet altyd de zelve gedaante

hadden. Zy hebben ook groter schuiten van hout, met vellen bedekt,

waarin enige personen zitten kunnen, en in de welken de vrouwen

gemeenlyk op zee varen.

Hunne wapenen zyn boog en pylen, spiessen en harpoenen. Met de laatsten

doden zy walvisschen en andere grote zeedieren. De punten der pylen en

harpoenen zyn somtyds van yzer, somtyds van benen of tanden van

walrussen. De pylkokers waren van robbenvel. De naalden, daar zy hunne

klederen mede nayen, zyn ook somtyds van yzer, somtyds van allerlei

benen. Al het yzer ’t welk zy gebruiken krygen zy op de ene of de

andere wys van de Europeanen.

Somtyds komen zy op de schepen der Europers, om messen en ander

yzertuig interuilen. Dog voor de Europeanen, ten zy zy sterk zyn, is

het niet raadzaam in hun land te komen, dewyl zy een argdenkend en

verraderlyk volk zyn, dat gene vreemdelingen by zig dulden wil. Als zy

zig te zwak oordelen vlugten zy op de aannadering der Europeanen weg,

dog als zy sterker zyn slaan zy alles dood, zonder iemant te sparen. Om

deze reden laat men niet meer van dit volk aan boord komen dan men

denkt over te kunnen. Op hunne kusten schipbreuk te lyden en levendig

den wal te bereiken, is al zo goed als in ’t midden van de zee te

zinken. Dit heeft menige Europeaan ondervonden. De schepen en boten der

Europers, die hun in handen vallen, hakken zy in stukken, halen ’er de

spykers en al het yzer uit, en maken ’er messen, naalden, punten van

pylen en spiessen, en diergelyke dingen van. Zelden gebruiken zy vuur

als om te smeden en vellen te bereiden, want het meest eten zy hunne

spyzen rauw. Aan boord van een schip zullen zy het niet wagen van iets

te proeven dat hun wordt aangeboden, ten zy ze zien dat het scheepsvolk

’er van eet. Noit hadden de Franschen enen Eskimau kunnen bewegen enen

slok brandewyn te nemen, schoon de andere Wilden op niets zo zeer

gesteld zyn. Waarschynlyk komt dit van hun mistrouwen op anderen voort,

denkende zy dat het een vergift is. Ook hebben zy dat misschien zo

geheel niet mis. Zy dragen gene oorringen, nog beschilderen zig het

aangezigt, gelyk de andere Amerikanen doen. Zy hebben van overoude

tyden af honden met spitse opstaande oren gehad. Dezen gebruiken zy

niet alleen om te jagen, maar ook in plaats van paarden, om ’s winters

hun goed op sleden over het ys te trekken. Ander tam vee hebben zy

niet. Rendieren zyn ’er wel in hun land; dog men weet niet dat zy oit

van de Eskimaus of van andere Wilden getemd zyn geworden. De Franschen

in Kanada, die enigermate naburen van dit volk zyn, hebben gene moeite

gespaard om enen handel met hun te vestigen, en ze tot enen wat

vriendelykeren omgang met andere volken te brengen. Ten dien einde

ligteden de Franschen enige kinderen van hun, leerden ze lezen, en

bragten ze zorgvuldig op. Hun inzigt was ze naar de Eskimaus terug te

zenden, op dat deze kinderen hun vertellen mogten hoe vriendelyk en

gevallig men met hun had omgegaan, ten einde dus dit volk wat betere

gedagten van de Franschen te geven. Dog ongelukkiglyk stierven de

kinderen aan de kinderziekte, en de gehele aanslag liep te niet. Ook

twyffelden velen of men, zo de kinderen al in ’t leven gebleven waren,

’er veel by zoude gewonnen hebben. Voorheen had men al eens enen

Eskimau opgeligt, en hem alle mogelyke beleefdheden en vermaken

aangedaan. Hy had ook het Fransch tamelyk wel geleerd, en een groot

genoegen in de levenswys der Franschen getoond. Dog naderhand by de

zynen wedergekomen zynde, is hy zo weinig in staat geweest hun een

gunstig gevoelen voor de Franschen inteboezemen, dat kort na zyne

wederkomst zyne eigene nabestaanden hem, als enen halven Franschman en

vreemdeling, doodsloegen. Dit wreed gedrag der Eskimaus omtrent andere

volken maakt dat de andere Wilden, wanneer zy hen in handen krygen, hun

noit kwartier geven, en altyd zonder mededogen ombrengen, schoon zy

anders nog wel hunne vyanden sparen, en de gemaakte gevangenen onder de

hunnen inlyven.

[Taal der Eskimaus.]

Ten gevallen van zulken die vermaak hebben van sommige talen met

malkander te vergelyken, wil ik hier enige woorden uit de taal der

Eskimaus, die my de Jesuiet Saint Pie medegedeeld heeft, invoegen. Een

Kombuk, twee Tigal, drie Re, vier Missilagat; water Sillalokto; regen

Killaluk; de hemel Taktuk, of Nabugaksche; de zon Schikonak of

Sakaknak; de maan Takok; een ei Manneguk; een schuit Kagak; een riem

Pautik; een mes Schavie; een hond Mekke of Tunilok; een boog Petiksik;

een pyl Katso; het hoofd Niakkok; een oor Tschiu; het oog Killik of

Schik; het hair Nutschad; een tand Ukak; een voet Hikat. Enigen menen

dat de Eskimaus van den zelven oorsprong zyn als de Groenlanders of de

Skralingers, en dat ’er tusschen de talen dier volken ene grote

verwantschap is. [347]

[Pruimenbomen.]

De Pruimenbomen, die men uit Frankryk te Quebec overgebragt heeft,

slagen daar zeer wel. Dit jaar begonnen zy eerst in September te

bloeyen. Men zeide dat zy weinig van de koude leden.

[Lof van den Marquis de la Galissonière.]

Reis door Noord Amerika · 第 42 / 50 段