dewyl de gantsche westeroever der Rivier uit hoge en steile bergen
bestaat, zo dat indien ons een storm overvallen had wy nergens voet aan
land zouden hebben kunnen zetten, uitgenomen dat op twee of drie
plaatsen smalle openingen in de bergen waren daar men des noods de
schuit zou hebben kunnen bergen, dog dan moest men in den storm die
nauwtens juist weten te treffen, anders moest men onfeilbaar op de
klippen omkomen. Deze bergen waren of geheel kaal, of met zeer ondigt
staande dennen bewassen. Op sommige plaatsen egter waren kloven, in de
welken de bomen digt op een stonden en ook hoger opschoten. Dit
vertoonde zig van verre als of ’er onder op de rots hagen geplant
waren. Wat verder kwamen wy een kerkje voorby, om het welke heen enige
boerderyen lagen. De plaats werd Petite Rivière genoemd, en de
Ingezetenen hield men voor zeer arm, het welk ook niet onwaarschynlyk
was. Zy hadden niet meer lands om te bebouwen dan het geen tusschen de
Rivier en ’t gebergte lag, het welk op zyn breedst niet boven de drie
snaphaanschoten bedroeg. Omtrent zeventien Fr. mylen van Quebec werd
het water zo zout dat niemant het drinken kon. Om deze reden hadden
onze roeyers zig van enen ketel met frisch bronwater voorzien. Eindelyk
kwamen wy des avonds om vyf uur in Baïe St. Paul, waar wy ons verblyf
by de Priesters namen, die daar een groot gebouw bezaten, en ons zeer
verpligtend ontvingen.
[Baïe St. Paul.]
Baïe St. Paul is een klein Kersspel, agttien Fr. mylen van Quebec, aan
enen waterboezem, even weinig van de Rivier af, gelegen. De grond is
’er laag en vlak, van alle kanten door hoge bergen omringd, uitgenomen
alleen op ene plaats aan den kant der Rivier. De boerderyen lagen ieder
op zig zelve. De kerk is ene der eersten die hier te lande gebouwd
werden, het geen ook genoeg uit hare slegte bouworde blykt. De muren
bestonden uit balken, staande over einde omtrent ene el van malkander,
en op de balken rustte het dak. Tusschen de balken had men de muren van
zwarte kalklei opgetrokken. Het dak was plat. In de kerk was een klein
koor, en ene houten sakristy. Zy had genen toren; maar daar was ene
klok op het dak, hangende in de open lugt. Het gehele land behoort den
Geestelyken. De Ingezetenen leven merendeels van den landbouw en het
branden van Teer, die te Quebec verkoft wordt.
Dewyl het land laag en aan enen waterboezem gelegen is, zoude men
ligtelyk vermoeden dat de grond eertyds water geweest, en door de
slibben, welken kleine daar langs lopende beekjes, en by stormig weder
de Rivier zelve, aangevoerd hebben, voortgebragt was. Een groot deel
der gewassen die men hier vindt zyn ook zeeplanten, als de Salicornia,
de Glaux, het Pisum maritimum, en anderen. Dog de Inwoonders
verzekerden my allen dat zy onder ’t graven noit mossel- of andere
schelpen gevonden hadden. Het zelve antwoord had ik ook reeds van
anderen, die noordwaards van Quebec op de lage gronden woonden,
gekregen, welken betuigden noit iets anders dan verscheidene soorten
van zand en aarde gevonden te hebben.
Het is zonderling, dat ’er byna altyd een andere wind op de Bai dan op
de Rivier wait. Dit wordt van de hoge bergen, waarmede de Bai rondom,
uitgenomen aan den kant der Rivier, omgeven, is veroorzaakt. Als dan de
wind van dien kant op de Bai komt, stuit hy tegens de bergen wederom,
en moet dus ene andere streek krygen. Dus kan ’er op de Rivier of op
het vlakke veld een noorden, en hier een zuiden wind wayen.
[Zand.]
Op den oever der Rivier zag ik drie soorten van zand leggen. Het ene
was een helder grof zand, dat uit hoekige kwartskorrels bestond, en op
de stranden gemeen is. Het andere was een zeer fyn zwart zand, gelyk ik
voorheen in menigte op den oever van het Meer Champlain gevonden had,
en door geheel Kanada tamelyk gemeen is. De zeilsteen trekt byna alle
deze korrels aan. Het derde was een granaatkleurig insgelyks zeer fyn
zand, ontstaande, naar alle gedagten, uit de granaatkleurige
zandkorrels, welken men zeer overvloedig in alle de stenen en bergen
hieromstreeks vindt; het zy dan dat dit zand ontstaan is uit stenen
welken uit malkander gevallen of door het water afgeslepen zyn, of dat
dit zand zelf aan deze stenen het bestaan gegeven heeft. Ik vond in ’t
vervolg van deze Reis dikwyls op de oevers van dit zwarte en van dit
granaatagtige zand; dog het meest van het zwarte.
Den 31. Aug. zag men des morgens als enen zwaren rook van de bergen om
hoog ryzen; en de lugt was zo vol van Muggen dat men zig niet wist te
bergen. Vooral was dit gedierte lastig in het hout. Zy waren wat
kleinder als de Zweedsche Muggen. Dog by Fort St. Jean heb ik Muggen
van het zelve soort als de onzen gezien, zelfs een weinig groter, byna
gelyk onze Tipula hortorum. Dezen waren meer dan bloeddorstig. Ik
troostte my met de gedagte dat haar tyd haast voorby zyn zoude.
Na den middag voeren wy verder de St. Larence af naar de plaats daar
men zilver of looderts vinden zou. Wat beneden Baie St. Paul kwamen wy
een uitstek lands voorby, dat geheel en al uit enen grauwen, tamelyk
digten, en in beddingen leggenden kalksteen bestond. Hy scheen maar ene
verscheidenheid van de zwarte kalklei te wezen. De lagen waren niet
horizontaal, maar byna loodregt, neigende noordwaards naar beneden.
Elke laag was ene halve el of iets meer dik. De steen doorgebroken
zynde rook als stinksteen. Wy hielden ons, gelyk den voorgaanden dag,
aan de westelyken oever, die uit niet anders dan steile klippen
bestond. De Rivier was nu maar drie Fr. mylen breed. Hierendaar zag men
in de rotsen strepen van enen sneuwwitten, fynen, lossen en byna
doorschynenden Spaath. Op verscheiden’ plaatsen lagen stenen in de
Rivier, zo groot als gehele huizen, welken voor enige jaren in de lente
van de rotsen waren afgerold. Men kan de plaats nog duidelyk zien waar
zy voorheen gezeten hebben. Op vele plaatsen zag men Aalkasten in de
Rivier, diergelyken wy reeds beschreven hebben. [334]
[Algonkinsche taal.]
Om den tyd te verkorten tekende ik enige woorden van de Algonkinsche
taal op, die ik van enen Vader Jesuiet leerde, die zig lang onder de
Algonkins had opgehouden. Zy noemen het water Mukuman, het hoofd
Ustigon, het lichaam Wihas, den voet Ukhita, ene schuit Ush, een schip
Nabikoan, het vuur Skute, hoi Maskusu, het water Nypi, enen haas
Whabus, enen marter Whabistanis, enen eland Musu [335], een rendier
Attikku, ene muis Mawitulsis. Deze Jesuiet meende grond te hebben om te
geloven, dat, als enig Amerikaansch volk zynen oorsprong aan de
Tartaren schuldig is, dat byzonderlyk ten opzigte der Algonkins plaats
heeft, want hunne taal wordt overal in Noord Amerika ver ten westen van
Kanada, naar den kant van Tartaryen toe, gesproken. Deze taal wordt als
zeer woordenryk opgegeven, by voorbeeld, om te zeggen ik ga op ’t ys
gebruikt men een geheel ander woord dan om te zeggen ik ga op het land,
en ik ga op enen berg.
[Terre d’Eboulement.]
Des avonds laat kwamen wy te Terre d’Eboulement aan, dat tweeëntwintig
Fr. mylen van Quebec af legt, en de laatste plaats aan de westzyde der
St. Laurence is die bebouwd en van Franschen bewoond wordt. Verder is
het land zo vol bergen, dat het onbewoonbaar is, dewyl ’er geen enkeld
stuk lands gevonden wordt dat men zou kunnen bebouwen. Een klein kerkje
staat onder aan den oever.
Hier wassen gene Walnootbomen meer, van wat soort ook. By Baie St. Paul
vond men nog twee of drie van die Walnootbomen die de Engelschen
Butter-nut-trees noemen; dog zy waren de enigen welken men in den
gehelen omtrek ziet. Ook willen gene Eiken hier, of verder noordwaards,
wassen.
[Granen.]
Weit werd hier veel gezaid. De aarde is hier tamelyk vrugtbaar, en
geeft dikwyls vier- of zesentwintig voor een, dog gemeenlyk tien of
twaalf. Het brood was hier witter dan ik nog in Kanada gezien had.
Men zait ook veel Haver, en hy neemt beter op dan de weit. Ook worden
hier veel Erwten geteeld. Zy vermenigvuldigen zig het meest van alle
granen. Daar zyn voorbeelden dat zy honderd voor een gegeven hebben.
[Vogels.]
Vogels zyn hier niet veel; en die hier des zomers zyn trekken in den
herfst weg. Des winters ziet men hier niets dan Sneuwvogels, Patryzen,
en Ravens. Zelfs de Krayen durven hier den winter niet aftewagten.
De Bulkikker is hier op vele plaatsen te vinden, gelyk ook de
Vuurvliegen.
In plaats van kaarssen brandt men hier overal olie van Bruinvisschen in
de lampen. By gebrek van deze olie gebruikt men traan van Robben.
Hier bevond zig ene vrouw die digt by haar negenenvyftigste jaar en
egter zwanger was. Zy had sedert agttien jaar de stonden niet gehad. In
’t jaar 1748. kreeg zy de kinderziekte; en nu was zy zwanger en zeer
dik. Zy was welvarende, en zeide dat zy het kind voelde bewegen. Men
bragt haar om de vreemdheid der zaak by den Heer Gaulthier, die van ons
gezelschap was.
Den 1. September des morgens om half agt uren vertrokken wy van hier,
de Rivier nog verder afvarende. Het land by Terre d’Eboulement was
hoog, en bestond uit heuvels van loutere aarde, welken als in drie of
vier verdiepingen boven malkander lagen, en allen bebouwd waren.
[Aardbeving van 1663.]
Deze oord leed veel schade van de zware Aardbeving des jaars 1663. van
de welke Pere Charlevoix [336] spreekt. Verscheiden heuvels tuimelden
omver, en vele akkers die op de lager heuvels lagen wierden vernield.
Men vertoonde my enige kleine eilandtjes in de Rivier, welken by die
gelegenheid ontstaan waren.
Op de heuvels lagen hierendaar stukken van zwarte Kalklei. Wy hadden
ter zyde gedurende agt of meer Fr. mylen zeer hoge grauwe bergen gehad,
bestaande uit enen rotssteen, die uit enen purperen en waterkleurigen
kwarts, enen ligtgrauwen kalksteen, en enen zwarten glimsteen, door
malkander vermengd, bestonden. Zy kwamen met hunne voeten in de Rivier.
Men konde op dezelven gene kalklei gewaar worden; dog nu begon die zig
wederom te laten vinden.
Zwaluwen [337] vlogen ’er in menigte herom. De Rivier wierd hier vier
Fr. mylen breed geschat.
Ter zyde der Rivier zag men twee Fr. mylen ver diergelyke verhogingen
van heuvelen gelyk by Terre d’Eboulement. Dog wat verder kwamen ’er
hoge en verdrietige bergen in de plaats.
Verscheiden’ groter en kleinder Beken stortten zig van de steile
oevers, die somtyds enige vademen hoog, en nu uit rots, dan uit aarde
bestonden, in de Rivier, met zulk een gedruisch, af, dat men het van
verre horen konde.
[Mineraal water.]
In ene dezer beken, die over enen kalkstenigen berg liep, vond men een
mineraal water. Het rook vry sterk naar zwavel, was zeer helder, en
veranderde niet van kleur door de galappelen. Als men het in enen
zuiveren zilveren beker giet, schynt de beker verguld te wezen, en ’er
bleef ene karmozynagtige stof op den bodem. Stenen en hout in dit water
leggende werden met een soort van slym overtrokken, die van boven ligt
grauw en van onderen aan den steen of het hout gantsch zwart was. Deze
slym beet niet sterk op de tong, dog smaakte byna als olie van tabak.
De handen roken van deze slym, als men ze aantastte, den gantschen dag
zo sterk naar zwavel, als waren zy ’er mede besmeerd.
Op de hoogte van de oppervlakte van het water vond men veel kalkleyen.
Zy lagen in beddingen, niet horizontaal, maar naast malkander, een
weinig naar ’t westzuidwesten hellende. Elke laag was omtrent tien of
vyftien duim dik. Boven aan, daar de lugt ’er by kwam, waren zy in
kleine blaadtjes geschilferd, dog van binnen digt gesloten. Sommigen
helden wat naar ’t grauwe.
[Cap aux oyes.]
Om den middag kwamen wy by Cap aux Oyes aan, welke naam misschien
oorspronglyk is van de wilde Ganzen, die de Franschen daar op hunne
aankomst zullen hebben aangetroffen. Tegenswoordig zag men ’er niet
enen vogel, behalven enen Raaf. Hier zouden wy de bewuste aderen van
metaal onderzoeken. Dog het waren niet anders dan smalle strepen van
enen fynen witten Spaath, waarin enige weinige korrels van looderts
lagen. Cap aux Oyes werd van enigen twee- van anderen vyfentwintig Fr.
mylen van Quebec gerekend. Ik zag met groot genoegen dat de meeste
gewassen die men hier vond de zelven zyn die ook in Zweden voortkomen.
Tot ene proeve zal ik ’er enigen aantekenen.
Het Zandriet, of de Arundo arenaria van Linnæus, wies hier veel in ’t
zand, en deed het vast leggen.
[Zweedsche planten.]
Het Elymus arenarius was ook overvloedig op de oevers. De Franschen
noemen deze twee planten Zeerogge. [338] Deze planten wassen
menigvuldig op de kusten van Newfoundland en van Noord Amerika. De
plaatsen daar het staat zien ’er van verre uit als koornlanden. En dit
kan tot ene verklaring dienen van het geen in de oude Noordsche
Geschiedboeken van Vinland det goda gezegd wordt, dat daar namelyk de
Weit van zelve groeit. [339]
Het Zeeweegbree of de Plantago maritima kwam hier ook veel voor. De
Franschen eten op zee de bladeren van dit gewas in soep of als salade.
Het kan ook als Zeevenkel [340] ingemaakt worden.
De Arbutus uva ursi van Linnæus wast hier in overvloed. De Wilden, de
Franschen, de Engelschen, en de Hollanders noemen het Sagakhomi. Men
mengde de bladeren ’er van met de tabak.
De Myrica Gale, in Zweden Porss genaamd, was hier ook overvloedig. De
Franschen noemen het Laurier, ook wel Poivrier. Men doet de bladeren in
de soep, om ’er enen goeden smaak aan te geven.
De Bunias Cakile wierd ’er ook genoeg gevonden. By gebrek van brood
vermengt men er den gestampten wortel van met meel.
De Borbus, de Jeneverboom, de Linnæa, en vele andere Zweedsche planten
en bomen, wiessen hier in menigte.
[Baie St. Paul.]
Wy keerden nog dezen dag naar Baie St. Paul terug. Een grote Rob zwom
de schuit enigen tyd na, dog was te ver om geschoten te kunnen worden.
Den 2. September gingen wy de zilver- of loodaderen bezigtigen. Zy
leggen een weinig bezyden de molens van Baie St. Paul, die den
Priesteren toebehoren. De berg bestond, gelyk de meeste anderen
hieromstreeks, uit enen rotssteen, t’zamengesteld uit enen witten of
ligt grauwen kalksteen, enen roodagtigen kwarts, en enen zwarten
glimsteen. De kalksteen had de overhand, en was zo fyn dat men de
korrels niet zien kon. Dog hy bruischt sterk op met sterk water. Daarop
volgen in menigte de kwartsdelen, die ook uit kleine korrels bestaan,
welken verspreid leggen, en vonken geven als men ze met staal slaat.
Dan komen de zwarte glimsteendelen, en het minst in getal zyn de
doorschynende deeltjes van kwarts. Ook vindt men ’er enige kleine
spaatkorrels in. Alle deze soorten zyn wel door een vermengd,
uitgenomen dat de glimsteen enige aders maakt. De steen is zeer hard,
dog wordt in den zonneschyn en de opene lugt week, en kan dan gewreven
worden, en dan zyn zyne delen niet te onderkennen. De berg was vol van
loodregte spleten, waarin de loodaderen van ’t oostzuidoosten naar het
west noordwesten liepen. Het was als of ’er scheuren in den berg
gekomen waren, die vervolgens vol waren geraakt van een soort van
steen, waarin het looderts werd voortgebragt. De steen waarin het
looderts zit is een zagte, witte, dikwyls byna doorschynende spaath,
die ligt kan bewerkt worden. Ook zyn ’er enige strepen in van enen
sneuwwitten kalksteen, en meest altyd aderen van enen groenen steen
gelyk als kwarts. In dezen spaath waren verscheiden’ spleten, en hy
ging in zulke stukken als de kwarts van een, maar is veel weker, geeft
geen vuur met het staal, bruischt niet op met zure zouten, en is niet
glad. Hy scheen volkomen een soort te zyn van Wallerius’s Glasspaath.
Somtyds zyn ’er kleine stukjes van enen grauwen kwarts in, die door ’t
staal geslagen sterke vonken geven. In deze stenen legt het looderts,
gemeenlyk in klompjes, ter grootte van ene erwt, dog somtyds in stukken
van de grootte eens duims in ’t vierkant. Het erts is zeer helder, en
maakt kleine teerlingen uit. Het was niet ryk, uitgenomen op enige
plaatsen. De aderen van den weken spaath en andere stenen zyn zeer
smal, en gemeenlyk van tien tot vyftien duimen; op ene plaats alleen
tweeëntwintig en enen halven duim breed. Het beekje dat over den berg
naar de molens liep sneed zo diep in den berg, dat van den top des
bergs tot op den grond van ’t beekje toe het ene diepte maakte van zes
vademen. Ik onderzogt hier de aderen, en vond dat zy altyd de zelve
wydte hielden, zonder dat zy by den bodem van het beekje breder dan
boven op den berg waren. Hieruit is ligt optemaken, dat het der moeite
niet waard zyn zoude hier mynen aanteleggen. Daar zyn drie of vier van
deze aderen hieromtrent op enigen afstand van malkander, dog allen van
dezelve hoedanigheid. Zy lopen meest loodregt, somtyds alleen een
weinig schuinsch. Als men van dezen gemelden groenen steen enige
stukken in het water legt, wordt ’er een groot deel van den witten
spaath en den kalksteen van verteerd, dog de groene steen blyft
ongeschonden. Het gedeelte van de aderen dat naar de lugt toegekeerd is
was altyd ruw, dewyl de lugt, de zon, en de regen den spaath zeer
ontbonden hadden; dog de groene steen wist daar niets van. Somtyds
vindt men in deze aderen grote diepe gaten vol van bergkristal. Het
meeste zilver- of looderts is te vinden naast den rots of zelfs op de
zyden der aderen. Hierendaar zyn in den spaath kleine korrels van
Pyrites, die ene schone goudkleur hebben. Als men den groenen steen tot
poeder stampt en op ene gloeyende schup goit, brandt hy met ene blauwe
vlam. Sommigen meenden dan enen zwavelreuk te vernemen; dog dien konde
ik noit ruiken, schoon ik mynen reuk zeer wel had. Als deze steen
gloeyend wordt verliest hy zyne groene kleur, en word witagtig. Dog hy
bruischt niet op met sterk water.
[Zwavelbronnen.]
De Zwavelbronnen, indien ik ze dus noemen mag, zyn aan den voet van den
berg, waarin het lood- en zilvererts gevonden wordt. Hier voegen zig
verscheiden’ bronnen t’zamen, en maken een klein beekje. Het water in
het zelve was met een dun vlies bedekt, en liet overal ene witagtige
melige stof zitten, welke sterk naar zwavel rook. Het hout waaraan deze
stof zit geeft gedroogd, en in ’t vuur geworpen zynde, ene blauwe vlam
en enen zwavelreuk. Het water verandert niet door de galappelen van
kleur: ook verandert het de kleur niet van het blauwe papier dat men
’er in legt. Het schuimt niet sterk met de zeep. Het zilver wordt ’er
zwart in. In den tyd van drie uren was ook een mes ’er zwart in
geworden. Het rook onaangenaam, en, zo als men zeide, nog sterker by
regenagtig weder. Thans lag ’er ene menigte van krekels in. De
Ingezetenen gebruikten dit water als een middel tegens de schurft.
Des namiddags gingen wy enen anderen ader bezien, dien men als
zilvererts bevattenden had opgegeven. Deze ligt omtrent een vierde van
ene myl noordoost van Baie St. Paul, digt by een uitstek lands, genaamd
Cap au Corbeau, vlak aan den oever der St. Laurence. De berg bestaat
uit enen ligt roden spaath, enen zwarten glimmer, enen bleken
kalksteen, purpere kwartskorrels, en wat doorschynenden kwarts. Somtyds
is de rode spaath het voornaamste, en legt in lange strepen van kleine
harde korrels. Somtyds heeft de fyne glimsteen de overhand. Deze twee
steensoorten lopen in verwisselende strepen. De witte kalksteen, die
uit byna onzigtbare deeltjes bestaat, is ’er onder vermengd. De
kwartskorrels vertonen zig hierendaar, en maken somtyds gehele strepen.
Zy zyn zo groot als een speldekop, rond, glinsterend, en geven vuur met
het staal. Alle deze stenen zyn zeer hard, en de bergen by het water
bestonden ’er geheel uit. Somtyds leggen zy in byna loodregte
beddingen, van tien of vyftien duim dik. Deze bergen bevatten zeer
smalle aders van enen witten, en somtyds groenagtigen, fynen, half
doorschynenden, weken spaath, die ligt tot gruis valt. In dezen spaath
vindt men dikwyls spikkels die ’er omtrent uitzien als het Zincum
sterile. Nu en dan, dog zelden, is ’er een korreltje looderts. De
bergen langs den oever bestaan somtyds uit enen zwarten fynen
hoornsteen, en enen yzerkleurigen kalksteen. In dat geval is de
hoornsteen altyd drie of viermaal meerder in hoeveelheid dan de
kalksteen.
Hier in de nabuurschap is insgelyks ene Zwavelbron, van juist dezelve
hoedanigheden als die ik reeds beschreven heb. De Typha latifolia wast
in de bron zelve, en tiert zeer wel. Een Sorberboom stond ’er vlak by,
welks bessen van ene bleke gele kleur waren; daar die van alle de
andere bomen van dit soort donker rood zyn.
[Teer.]
Men brandt by Baie St. Paul veel Teer. Wy kwamen ene plaats voorby waar
men des zomers Teer brandt. Zy was even gelyk die wy in Oost Bothnie
hebben, uitgenomen dat deze alleen iets kleinder was. Egter zeide men
dat ’er hier somtyds zeer veel van gemaakt wordt. De Teer komt alleen
van den roden Pynboom. [341] De andere soorten deugen ’er niet toe,
want zy geven byna niets, ten minsten niet in vergelyking van de moeite
die ’er toe vereischt wordt. Men gebruikt hier toe de wortels, die men
opgraaft, en omtrent een stuk van den stam ter lengte van enen vadem.
Het overige wordt weggeworpen. Deze wortels zyn zeer vol van hars. Zy
wisten hier nog de konst niet, ten minsten gebruikten zy ze niet, om
door middel van den boom te schillen, meerder hars naar ene der zyden
van den boom te trekken. De Teertonnen waren pas half zo groot als by
ons. Een ton houdt vyfenveertig potten, en wierd nu te Quebec voor
vyfentwintig Francs verkoft.
[Zand.]
Het zand op den oever der St. Laurence bestond op sommige plaatsen uit
een soort van parelzand. De korrels waren van kwarts, klein en half
doorschynend. Sommigen waren rond, anderen langwerpig, ligtgrauw of
geheel wit. Op andere plaatsen bestond het uit zwarte deeltjes van
glimsteen. Ook waren ’er plaatsen waar streken van granaatzand lagen.
[Bergen.]
Den 4. September gaven de bergen wederom enen zwaren nevel als den rook
ener koolbrandery van zig. Deze bergen waren zeer hoog. Ik vroeg
verscheiden’ lieden die veel door Kanada gereisd hadden, of zy ergens
in dat Land zo hoge bergen hadden ontmoet dat de sneuw op derzelver
toppen nimmer smolt. Dog het antwoord was neen. Somtyds blyft wel de
sneuw op de hoogtens, by voorbeeld op die welken tusschen Kanada en
Nieuw Engeland zyn, tot diep in den zomer leggen; dog zy smelt altyd
wanneer de warmte wat sterk wordt.
[Vlas.]
Elke landman had zo veel vlas gezaid als hy voor zyn gebruik nodig had.
Men had het sedert enigen tyd te rotten gelegd, ten dele op de landen
daar het gewassen was, en ten dele op de weiden. Het vlas was dit jaar
overal tamelyk kort uitgevallen.
[Yzererts.]
Yzererts wordt in dezen oord op vele plaatsen gevonden. Omtrent ene
Zweedsche myl van Baie St. Paul landwaards in is een gehele berg louter
yzererts. Het gantsche land daaromheen, dat met zwaar hout bedekt was,
en daar vele beken van verschillende grootte doorliepen, scheen voor
het aanleggen van yzerwerken zeer bekwaam te zyn. Dog dewyl de Kroon zo
veel verlies by het yzerwerk van Trois Rivières had geleden dorst
niemant iets van dien aard te wagen.
[Terugreis.]
Den 5. September gingen wy ’s morgens vroeg weder op reis naar Quebec.
Wy zetteden onze reis des middags voort en wierden ’er van ene zware
donderbui overvallen. Wy waren toen juist over Petite Rivière, ook
begon het te ebben, zo dat wy alles tegen hadden. Dit bewoog ons aan
land te stappen om onder dak te komen.
Petite Riviere.
Petite Riviere is een klein vlek, dat aan den oever der St. Laurence
legt. Het wordt zo genoemd om dat ’er een beekje voorbystroomt. De
huizen waren van steen en stonden verstroid. ’Er was ene kleine stenen
kerk. Ten westen vlak aan het vlek lagen zeer hoge bergen, welken
maakten dat de zon hier een uur of drie vroeger dan op andere plaatsen
onderging. Een ander ongemak heeft men hier, bestaande daarin dat de
St. Laurence aan den oostkant alle jaren een stuk van het land
wegneemt, zo dat te vrezen is dat zy allengskens al het land hier, dat
niet veel meer dan enen musketschoot breed is, wegspoelen zal. Voor ’t
overige zag men hier in alle de huizen ene menigte van kinderen.