namelyk de Hurons, de Mikmaks, en de Anies, [327] by den Gouverneur
Generaal. De Anies zyn een soort van Iroquoizen, en bondgenoten der
Engelschen. Zy waren in den laatsten oorlog gevangen gemaakt.
[Hurons.]
De Hurons behoren tot die zelve Amerikanen die te Lorette wonen, en den
Christelyken Godsdienst aangenomen hebben. Zy zyn zeer lang, sterk,
grof van leden, welgemaakt, en koperkleurig. Zy hadden kort zwart hair,
dat op het voorhoofd van het ene oor tot het andere afgeschoren was.
Geen van hun droeg hoed of muts. Enigen hadden oorringen, anderen niet.
Verscheidenen hadden het gantsche aangezigt met vermilioen beschilderd;
dog anderen hadden alleen maar enige dwarsstrepen op het voorhoofd en
by de oren. Ook waren ’er die het hair met vermilioen besmeerd hadden.
De rode kleur is het voornamelyk waar zy zig mede beschilderen; egter
heb ik ’er enigen gezien die ’t aangezigt met zwart bestreken hadden.
Velen hadden in ’t aangezigt en op het lyf verscheiden’ figuren, welken
daar zo op gemaakt waren dat zy noit uitgingen. Hoe dit geschiedt zal
ik in ’t vervolg melden. Deze figuren zyn allen zwart. Sommigen hadden
op elke wang ene slang, anderen enige kruissen, wederom anderen enen
pyl, ene zon, of iets anders, zo als het hun in ’t hoofd gekomen was.
Diergelyke figuren hadden zy ook op de borst, en andere delen van het
lichaam. Dog sommigen hadden ’er geen in ’t geheel. Zy droegen een
hembd, wit of blauw gestreept, en een hairig dek, blauw of wit, met ene
rode of blauwe streep om den rand. Somtyds was het dek zelf rood. Die
dek hadden zy altyd op de schouders, of lieten het afhangen, en sloegen
het dan om de middel. Om den hals droegen sommigen ene ketting van
violette Wampums met kleine witte Wampums daar tusschen. Deze Wampums
waren klein, van gedaante als ene langwerpige parel, en van die
mosselen welken de Engelschen Clams [328] noemen gemaakt. In ’t vervolg
zal ik ’er meer van zeggen. Aan deze Wampumketting hadden velen voor op
de borst een stuk Fransch zilvergeld hangen, met het beeld des Konings
daarop. Anderen wederom droegen daaraan ene grote sneuwwitte
mosselschaal, diergelyken zy zeer hoog schatten, en die zeer duur zyn.
Daar waren ’er die niets om den hals hadden. Alleen gingen zy met de
borst bloot. Voor het lyf hebben zy ene tabaksbeurs van beestenvellen
gemaakt, met de hairige zyde buitenwaards. Hunne schoenen waren van
vellen, en geleken veel naar de schoenen zonder hakken welken de
Vrouwen in Finland dragen. Sommigen hadden hunne schoenen met
vermilioen beschilderd. In plaats van koussen hadden zy blauwe doeken
om de benen en dyen gewonden, op de zelve wys als ik het wel by de
Russische boeren gezien heb.
[Mikmaks.]
De Mikmaks waren gelyk de Hurons gekleed, uitgenomen dat zy lange,
ongekrulde, pekzwarte hairen hadden, die boven over de schouders
afhingen. Byna alle deze Volken hebben pekzwart en ongekruld hair,
enige weinigen heb ik ’er egter gezien wier hair tamelyk gekroest was.
Dog men moet aanmerken dat het hier in Kanada zeer moeilyk is van de
wezenstrekken der Amerikanen wel te oordelen, dewyl hun bloed met dat
der Europers zeer vermengd is, het zy door middel van gevangen’
kinderen die zy onder zig aangenomen hebben, het zy van wegens vele
Franschen, die op hunne reizen door het Land ook het hunne gedaan
hebben tot de vermeerdering van de huisgezinnen der Wilden, dewyl de
vrouwen van dien landaard niet ongerieflyk zyn. Deze Mikmaks waren door
de bank zo groot en kloek niet als de Hurons. Ik heb gene Wilden gezien
die zo lang hair hadden als dezen. Hunne taal was ook van die der
Hurons onderscheiden; en om die reden wordt ’er een tolk voor dezelve
onderhouden.
[Anies.]
De Anies maakten het derde volk uit dat men hier zag. Van dezen,
bondgenoten der Engelschen, waren in den laatsten oorlog vyftig man
opgetrokken om rondom Montreal te plonderen. Dog de Franschen, van hun
voornemen onderrigt, stelden ene hinderlaag toe, en schoten by ’t
eerste vuurgeven ’er vierenveertig van over hoop, zo dat ’er maar de
vier die nu hier waren, en twee anderen die thans ziek lagen, het leven
’er van afbragten. Zy spraken dezelve taal als de Hurons, en waren ook
zo kloek. Dog de Hurons schenen langwerpige en de Anies rondagtige
aangezigten te hebben. Deze Anies zagen ’er vry wreed uit; hunne
kleding egter was als die der overige Wilden, alleen hadden zy agter in
den nek een lang rondagtig stuk tin in ’t hair gebonden. Een van hun
had ene bloem midden in ’t hair op den kop. Ieder byna van deze Wilden
had zyne tabakspyp by zig, die van grauwen kalksteen gemaakt was, en
enen langen houten steel had. Hier waren niets dan manspersonen. Toen
de Gouverneur Generaal hun gehoor verleende gingen de Mikmaks op den
grond in de zaal zitten, gelyk de Laplanders gewoon zyn. Dog de anderen
zaten op stoelen.
[Boekdrukkery.]
In Kanada was thans gene Boekdrukkery, schoon ’er voor dezen ene
geweest is. Alle de boeken kwamen uit Frankryk over, en alle wetten en
diergelyke wierden geschreven, het geen zig zelfs tot het papieren geld
hier te lande toe uitstrekte. Men gaf voor dat men hier gene drukkery
hebben wilde om voor te komen dat ’er kwade boeken, tegens den
godsdienst, de regering of de goede zeden gedrukt en verspreid werden,
als of dit niet door geschreven boeken konde geschieden. Dog de ware
reden zal, denk ik, deze zyn, dat aangezien de armoede des lands een
Drukker zyn bestaan hier niet zou kunnen winnen, en ten dele ook om
Frankryk het voordeel te geven van boeken herwaards te kunnen zenden.
[Maaltyden.]
De Maaltyden waren hier in vele stukken zeer verschillende van die men
in de Engelsche Volkplantingen hield, het welk veelligt van het
onderscheid dat ’er tusschen de twee volken in smaak, zeden, en
godsdienst heerscht, afhangt. Men at hier driemaal daags, ’s morgens,
’s middags en ’s avonds. Men ontbeet gemeenlyk tusschen zeven en agt
uur. De Franschen stonden hier meest vroeg op, zo dat men zelfs om
zeven uur den Gouverneur reeds spreken kon. Ook was dat de tyd om hem
zyne opwagting te maken, en enig verzoek te doen. Men ontbyt op
velerhande wyzen. Sommige mans gebruiken een stuk broods in brandewyn
gedoopt, anderen namen een slokje brandewyn met een stuk broods toe.
Chokolade wordt ook veel gebruikt. De meeste vrouwen, en ook vele mans,
drinken koffi met een weinig melks. Sommigen ontbyten in ’t geheel
niet. Ik zag hier noit thee gebruiken, misschien om dat men koffi en
chokolade uit de Fransche zuidelyke Amerikaansche Provincien krygen
kan, dog de thee uit China halen moet, voor de welke men niet nutteloos
het geld buiten het land zenden wil. Ook zag ik nergens boterhammen by
’t ontbyt gebruiken. De middagmaaltyd wierd gemeenlyk om twaalf uur
gehouden. By de aanzienlyksten komen vele geregten op tafel, en de
overigen volgen hen na als zy gasten hebben. De broden waren gemeenlyk
van weit en langwerpig. Voor elk mensch legt men een bord, ene vork,
lepel, en servet. In de Engelsche volkplantingen heeft men zelden
servetten op tafel. Op verscheiden’ plaatsen legt men ’er ook een mes
by, dog op de meesten niet, en daar brengt ieder, vrouwen zo wel als
mans, zyn eigen mes mede. De lepels en vorken waren gemeenlyk van
zilver, en de borden meest van Delfsch porcelein. De maaltyd begint met
soep vol van brood. Dan komt ’er vleesch, op velerlei wyze toebereid,
ragouts, gevogelte, en diergelyken, te gelyk met salade. Over tafel
drinkt men meest roden Franschen wyn, gemeenlyk met water. Ook drinkt
men ’er somtyds een zeker soort van bier, van sparrebomentakken
gebrouwen. De vrouwen gebruiken meest water, ook wel een weinig wyns,
dog geen bier. Men had vryheid in ’t drinken, en kreeg de flesschen by
zig op tafel. Het nageregt bestond uit verscheiden’ konfituren, kaas,
en melk, welke men met suiker op het laatst gebruikte. Vrydags en
zaterdags at men geen vleesch, dog leed daarom geen honger. Men krygt
dan allerlei moeskruiden en visch, welken laatsten men op andere dagen
zelden eet. Men gebruikt veel konkommers in schyven gesneden in room,
het geen zeer goed is. Ook eet men ze somtyds alleen gelyk radys. De
meloenen gebruikt men altyd met suiker. In den wyn en den brandewyn
doet men hier en by de Engelschen noit suiker, waarvan men in Zweden
wel eens zoveel gebruikt dan hier. Men bidt nog dankt hier niet voor of
na den maaltyd, dog maakt een kruis, het geen ook sommigen wel
vergeten. Na het eten drinkt men ten eersten een kopje koffi zonder
melk. Des avonds eet men meest om zeven uur en iets later, en de
geregten zyn dan byna de zelven als des middags. Pudding en punch
ontmoet men hier niet, schoon zy den punch wel kennen.
[Honden die water halen.]
Men had hier op verscheiden plaatsen honden gewend water uit de Rivier
te halen. Ik zag den 23. Aug. twee grote Honden voor een wagentje agter
malkander gespannen. Zy hadden nette tuigen op het lyf, en enen toom in
den bek, gelyk de paarden. Op het wagentje stond ene ton. Zy wierden
van een jongetje geregeerd dat agter den wagen liep. Als zy aan de
Rivier kwamen sprongen zy ’er van zelven in, en dan vult men de ton.
Dit gedaan zynde trekken de honden het wagentje weer den berg op en
naar huis. In ’t vervolg zag ik byna alle dagen te Quebec honden met
wagentjes naar de Rivier lopen. Somtyds was ’er maar een hond voor. Die
honden waren zelden groot. De jongens die ’er by zyn hebben lange
zwepen in de hand. Ik zag op deze wys niet alleen water, maar ook hout
en andere dingen halen. Des winters pleegt men dikwyls in Kanada, als
men op reis is, honden voor kleine daartoe gemaakte sleden te spannen,
waarop men zyn reistuig en andere dingen legt. Gemene lieden gebruiken
ze op deze wys gemeenlyk als zy des winters reizen, en gaan zelven te
voet. Byna al het hout, dat de arme menschen ’s winters uit de bosschen
halen, wordt hun door honden toegevoerd, waarom men die honden ook de
paarden der armen noemt. Zy spannen ’er dan meest twee agter malkander
voor ieder voer. Ook vertoonde men my een paar daartoe met voordagt
gemaakte nette sleden, waarin ene vrouw zitten kon, welken door twee
honden getrokken werden, die ’er, als de baan glad was, groter spoed
mede konden maken dan men wel denken zou. Een hond van middelmatige
grootte is dan in staat een mensch te trekken. Oude lieden hebben my
verhaald dat ’er in hunne kindschheid weinig paarden in het land waren,
en de inwoonders toen des winters alle hunne vragten door honden deden
trekken. Verscheiden Franschen, die ’s winters naar Terra Labrador
gereisd waren, verhaalden, dat de Eskimaus, welken dat land bewonen,
niet alleen hunne goederen van honden op sleden trekken laten, maar dat
zy zelven op sleden door honden getrokken op het ys ryden.
[Bronnen.]
De hoogtens ten westen buiten de Stad brengen vele bronnen voort. Alle
deze heuvels bestaan uit de voorheen gemelde kalkleyen, en zyn aan den
westkant tamelyk steil, zo dat het moeilyk is ze te beklimmen. Hunne
loodregte hoogte bedraagt omtrent tien of twaalf vademen. Boven op zyn
zy zonder hout, en met ene dunne korst van aarde, die men tot
koornlanden of weiden gebruikt, bedekt. Het is onbegryplyk hoe deze
naakte heuvels aan al dit water komen dat ’er van komt af vloeyen.
Zouden deze heuvelen de eigenschap hebben van het water uit de lugt,
het zy by dag of by nagt, aan te trekken; en zouden de bergen die uit
leyen bestaan daar bekwamer toe zyn dan anderen?
[Paarden.]
De Paarden in Kanada, oorspronglyk uit Frankryk herwaards gebragt, zyn
van een goed soort, sterk, vlug, en zo groot als goede Ruiterspaarden.
Men hakt hun hier, gelyk als in Engeland, de staarten af, waardoor men
de arme dieren van hunne wapenen tegens de menigvuldige vliegen en
ander ongedierte berooft. Als de paarden trekken moeten spant men ze
agter malkander, dog zelden meer dan drie. En dit zal misschien de
reden wezen waarom men den paarden de staarten kort, op dat het voorste
het agterste daar mede niet in de ogen slaan mogte. Men ziet zelden
wagens met vier wielen, maar meest karren. De Gouverneur en enigen
weinigen der voornaamste Heren gebruiken hier koetsen; de overigen
vergenoegen zig met open chaises. Men klaagde in ’t algemeen dat de
Boeren te veel paarden begonnen aan te fokken, waardoor des winters het
voeder voor de koeyen te kort schoot.
[Koeyen.]
De Koeyen waren hier ook uit Frankryk gebragt. Zy waren zo groot als
onze Zweedschen. Men zeide dat het vee hier te lande kleinder wierd, en
schreef het aan de koude der winters toe, gedurende den welken men ze
zes maanden lang genoodzaakt is opgesloten te houden, en ze matiglyk te
voeren, uit vrees van gebrek. De meesten hadden hoornen, enigen alleen
uitgenomen. Dog in Pensylvanie was het ene ongehoorde zaak ene koe
zonder hoorns te zien. Zoude de koude hier iets toe doen? Melk geven de
koeyen hier zo veel als in Frankryk. Het ossen- en kalfsvleesch te
Quebec wordt voor beter dan dat te Montreal gehouden, het welk sommigen
aan de brakagtige weiden die hier leggen toeschryven. Dog dit kan
alleen de reden niet zyn, want het minste vee dat te Quebec verkoft
wordt heeft op biezengras [329] geweid. In Kanada trokken de ossen met
de hoorns; maar in de Engelsche volkplantingen met de schoften, gelyk
de paarden doen. De koeyen waren hier van allerlei kleuren, dog de
meesten egter zwart of ros.
[Schapen.]
Ieder Boer houdt hier gemeenlyk enige Schapen, van de welken hy zo veel
wol wint als hy tot zyne kleding van noden heeft. De beste lakens
evenwel komen uit Frankryk. De wol der schapen uit Frankryk hier
gebragt wordt, als het vee enigen tyd is hier geweest, grof en harder
dan zy geweest is. En dit is nog erger by de voorttelingen. Men schreef
dit aan ’t gebrek toe dat de schapen des winters lyden moeten.
[Geiten.]
Geiten heb ik nergens in Kanada gezien; ook zeide men dat ’er gene
waren. In de Engelsche volkplantingen zag ik ’er ook maar enigen, en
dat op maar ene plaats. Ook worden zy daar alleen maar gehouden om de
melk in sommige ziektens te hebben.
[Eggen.]
De Eggen zyn hier driehoekig, met twee der zyden van zes, en de derde
van vier voet breedte. De tanden en al het overige is van hout. De
tanden zyn omtrent vyf duimen lang, en staan ook zo veel van malkander
af.
[Schoon uitzicht.]
Het gezigt een vierde van ene myl ten noorden van Quebec is
verrukkelyk. Het land gaat afhellende naar de Rivier toe, en hoe verder
men van dezelve afkomt des te hoger wordt het. Op vele plaatsen was het
door de natuur in terrassen verdeeld, die de ene boven de andere
leggen. Van deze hoogtens ken men ver rondom heen zien. Quebec
vertoonde zig zeer duidelyk naar het zuiden. Ten oosten zag men de
schepen op de St. Laurence zeilen. Naar ’t westen lagen de hoge bergen
in de welken zig deze hoogtens verliezen. Al het land was bebouwd of
tot weiden gemaakt. Hier en daar zag men een klein boschje, dat ’er nog
van de oude zware bosschen was overgebleven. De akkers waren merendeels
met weit, dog ook tamelyk veel met witten haver, en op sommige plaatsen
met erwten bezaid. Ander graan vond men hier niet. Men zag schone
huizen en boerderyen, die egter allen van malkander afgescheiden lagen.
De woonhuizen waren gemeenlyk van zwarte kalkleyen gebouwd en van
buiten gewit. Verscheiden beken stroomden van de hoge bergen van het
ene terras op het andere naar beneden. Deze hoogtens onder de bergen
gelegen bestonden geheel en al uit zwarte kalklei, die in de opene lugt
in schyven splyt. Boven op de zelve lag de aarde ter dikte van ene
halve tot drie ellen toe, welke aarde met kleine stukken van de lei vol
was. De beken hadden zig gemeenlyk een diep bed uitgehold, en hare
kanten bestonden merendeels louter uit lei. Nu en dan vond men in de
dikker lagen enen donker grauwen kalksteen, die, aan stukken gebroken
zynde, gelyk als stinksteen rook.
[Schepen getimmerd.]
Men was thans bezig, voor ’s Konings rekening alhier verscheiden
schepen te bouwen; dog voor myn vertrek van Quebec kwam ’er bevel gene
nieuwen op stapel te brengen, en alleen die aftemaken welken men
begonnen had. De reden hiervan was dat men ondervonden had dat de
schepen van Amerikaansch eiken hout getimmerd in verre na zo lang niet
goed blyven als die van Europisch hout gebouwd zyn. By Quebec wast
weinig eiken hout, en de eikenbomen die daar vallen zyn gemeenlyk zo
klein dat zy tot weinig deugen. Men laat om die reden het timmerhout
uit die oorden van Kanada halen die aan Nieuw Engeland grenzen. Alle de
eiken in Noord Amerika hebben die eigenschap, dat hoe meer noordelyk zy
groeyen zy des te beter tegens de verrotting bestand zyn. Het hout
wordt met vlotten langs de stromen, die van de grenzen van Nieuw
Engeland komen, en die omstreeks van Lac St. Pierre in de St. Laurence
vallen, naar Quebec gebragt. Ook komt ’er enig hout uit het land
tusschen Montreal en Fort St. Frederic. Dog dit hout wierd niet voor zo
goed gehouden als het vorige; ook moest het van verder komen.
[Groene aarde.]
Den 26. Aug. vertoonde men my ene groene aarde, die den Marquis de la
Galissonière van boven uit Kanada gezonden was. Het was een soort van
klei, die sterk aan een kleefde, en door en door de kleur had van
kopergroen. [330]
[Kreeften.]
Door geheel Kanada vindt men Kreeften in de beken en stromen, van den
zelven aard als de onzen. De Franschen houden ’er veel van. Ook zeide
men dat zy door de menigte die ’er van gevangen wordt zeer verminderd
waren.
Het gemene volk hier te lande scheen zeer arm te zyn. Zy hadden maar
eventjes den kost. Weinig lieden van den lageren stand bezitten enige
rykdommen. Zy waren meesten tyd te vreden als zy droog brood en water
konden hebben. Het overige dat zy van levensmiddelen hadden, als
vleesch, visch, eyeren, hoenders, boter, kaas en diergelyken, bragten
zy in de Stad om te verkopen. Van dat geld koften zy klederen,
brandewyn, en opschik voor de vrouwen. Maar hoe mager zy het ook hadden
waren zy dog altyd wel vergenoegd en vrolyk.
[Reis naar Baïe St. Paul.]
Op verzoek van den Gouverneur Generaal en den Marquis de la
Galissonière had ik met enige Fransche Heren party gemaakt om de zo
genoemde zilver- of liever loodmyn by Baïe St. Paul te gaan bezigtigen.
Ik aanvaarde deze gelegenheid om een groot deel van ’t Land te zien met
vermaak. Wy gingen dan des morgens den 29. Aug. met ene schuit de St.
Laurence af op reis.
De oogst was nu op handen, en ik zag overal het volk wakker op het land
aan ’t werk. De Weit en den Haver had men reeds ene week geleden
begonnen te mayen.
Het gezigt voor Quebec op de Rivier was zeer schoon. De Stad lag hoog,
en men zag alle de gebouwen zeer wel. De schepen leverden ene fraye
vertoning op. Het kruidmagazyn stak boven alle de gebouwen uit.
Het land dat wy voorby voeren streelde het oog niet minder. De St.
Laurence liep hier byna geheel van ’t zuiden naar het noorden. Aan
beide zyden vertoonde zig ruime bebouwde landeryen, dog meer aan de
west- dan aan de oostzyde. De kanten der Rivier waren hoog en steil.
Ene menigte van door dalen van malkander afgescheidene heuvels,
uitgestrekte akkers, die nu van het koorn wit waren, en voortreffelyke
bosschen, maakten het gezigt aan beide zyden zeer aangenaam. Hier en
daar zag men ene kerk van steen staan. Ook smeet zig nu en dan een
beekje van de hoogte in den stroom. Waar de beken enige kragt van water
hadden waren ’er molens op gebouwd.
[Isle d’Orleans.]
Na anderhalve Fr. myl ver geroeid te zyn kwamen wy aan Isle d’Orleans,
een eiland van omtrent zeven en ene halve Fr. mylen lang, en twee
breed. Het legt midden in de St. Laurence. Het Eiland is hoog, de
oevers zyn steil, en boschryk. Op sommige plaatsen waren zy egter vry
van hout en digt aan den oever bebouwd. Het Eiland is zelf wel bebouwd,
en men zag niet anders dan fraye stenen huizen, grote akkers,
weilanden, bosschen van bomen die hun blad vallen laten, en enige
stenen kerken.
Wy volgden den westelyken tak der Rivier, dewyl dit de kortste weg is.
Dezen tak schattede men op een vierde van ene Fr. myl breedte. Dog de
schepen durven dezen weg niet nemen, ten dele van wegen de zandbanken
die hier nevens de uitstekken van het land leggen, ten dele wegens de
ondiepte, en ten dele van wegen de klippen en stenen die onder water
leggen, maar houden zig altyd aan de oostzyde des Eilands. Het land
bleef de zelve gedaante als voor dezen behouden. Op het vaste land
bestonden de hoogtens overal uit de meermalen genoemde zwarte
kalkleyen. De huizen der Boeren waren meest overal van dien steen
opgemetseld, en van buiten gewit. Hier en daar egter stonden huizen van
anderen steen. Ene ry van tien hoge bergen, die westwaards van de
Rivier lag, en zig meest van ’t zuiden naar het noorden strekt, begon
allengskens de St. Laurence te naderen, zo dat zy, die by Quebec wel
twee mylen van de Rivier af lagen, negen Fr. mylen verder byna vlak aan
den oever kwamen. Merendeels waren deze bergen met hout bewassen, dog
op sommige plaatsen waren de meeste bomen verbrand. Omtrent zeven en
ene halve Fr. myl van Quebec legt aan de westzyde der Rivier, beneden
aan den oever, ene kerk, die St. Anne genoemd wordt. Zodra de schepen,
die uit Frankryk of elders anders van daan komen, deze kerk in ’t
gezigt krygen, lossen zy hun geschut tot een teken van vreugde dat zy
nu niets meer op de St. Laurence te dugten hebben, en nu het gevaar der
menigvuldige zandbanken te boven zyn. Het water in de Rivier was overal
bleek rood en troebel, schoon men het meer dan zes vadem diep rekende.
Een weinig beneden St. Anne viel aan de westzyde der Rivier een stroom
in dezelve, die La grande Rivière [331] genoemd wordt. Deze Rivier
stroomde zo hevig dat het water byna tot in het midden van den tak der
St. Laurence tusschen ’t vaste land en het Eiland zynen loop behield.
Omtrent ten twee uur na den middag begon de vloed, ook hadden wy den
wind sterk tegen, zo dat het ons onmogelyk was verder te komen, zo lang
tot dat het weer begon te ebben. Wy namen dan onzen intrek op ene
boerdery, toebehorende aan de Priesters van Quebec, nevens ene fraye
kerk, St. Joachim toegewyd. Wy hadden dezen dag agt Fr. mylen afgelegd.
Wy werden zeer vriendelyk ontvangen. Al het omleggende land is van den
Koning aan het Seminarium te Quebec geschonken geworden, dat het den
boeren verhuurd heeft. Hier bevonden zig nu twee Priesters, en
verscheiden jongelingen, welken zy in ’t lezen en schryven en in ’t
Latyn onderwezen. Dezen worden meest tot den geestelyken stand
geschikt. Vlak over deze plaats lag de noordelykste hoek van de Isle
d’Orleans.
De tuinen te Montreal en te Quebec zyn vol van rode Aalbessen. Zy zyn
oorspronglyk uit Europa, dog tierden hier byzonder wel. De boompjes
waren vol van bessen.
Veel wilde wyngaarden [332] wiessen ’er in de bosschen. Ook had men ze
door geheel Kanada in de tuinen en by de zomerhuisjes geplant. Deze
zomerhuisjes waren alleen van latten gemaakt, en werden van alle kanten
door de zware bladeren der wyngaarden bedekt, zo dat ’er de zon niet
door kon dringen, en zy des zomers zeer koel en aangenaam waren. De
wind dwong ons den nagt over te St. Joachim te verblyven. Den 30.
zetteden wy onze reis tegens den wind op voort. By St. Joachim begint
de Rivier als de vloed hoog komt brak te worden, en hoe meer men naar
beneden komt des te zouter wordt zy. Wy zagen in ’t eerst aan de
westzyde der Rivier voortreffelyke landeryen, die egter zeer laag
lagen, dog kort daarop kwamen de hoge bergen tot aan het water. De
oever hield toen op uit kalkleyen te bestaan, en veranderde in enen uit
glinstersteen en kwarts vermengden kalkagtigen rotssteen. [333] De
glinstersteen was zwart, en de kwarts ten dele helder grauw. Deze
stoffen waren zo wel onder malkanderen vermengd dat men ze met het oog
kwalyk, dog met het werktuig in ’t geheel niet van een scheiden kon. De
breedte der Rivier was byna drie Fr. mylen. Men toonde my hier en daar
hoe bezwaarlyk de schepen de regte doorvaart vinden konden, welke nu
aan dezen dan aan genen kant der Rivier lag.