Het Land dat wy heden doorkruisten was meest overal tot koorn- of

weilanden aangelegd. By de Stad was het tamelyk vlak; hierendaar met

heldere stromende beekjes doorsneden. De wegen waren goed, breed en op

lage plaatsen hadden zy sloten aan de kanten. Wat verder van de Stad

begon het land allengskens, en zelfs tot ene aanmerkelyke hoogte toe,

te ryzen, en men vond, als ware het, de ene hoogte boven de andere.

Deze ryzende grond was egter tamelyk vlak, merendeels zonder stenen, en

met ene goede en vette aarde bedekt. Even onder deze aarde lag

gemeenlyk de hier overal voor handen zynde kalklei. Enige beddingen van

dezelven lagen horizontaal, anderen loodregt, of zo dat de ene rand

opwaards en de andere benedenwaards stond. Zulk ene loodregte legging

heb ik ook op andere plaatsen hieromstreeks opgemerkt. De grond was

geheel bebouwd. Men zag ’er fraye kerken, voortreffelyke akkers en

schone landhoeven. De weiden lagen meest in de dalen, enigen egter op

de hoogtens. Van daar had men een heerlyk uitzigt. Oostwaards zag men

Quebec, en een deel der St. Laurence. Verder weg naar de zuidoostelyke

zyde dier Rivier vertoonde zig ene ry van hoge bergen, die, schoon vele

mylen van dezelve afstaande, egter met de Rivier evenwydig liepen.

Westwaards rezen de heuvels, op enigen afstand van de plaats daar wy

waren, totdat zy ene ry van zeer hoge bergen maken. Dezen liepen ook

evenwydig met de Rivier, of omtrent van ’t zuiden naar het noorden. Dit

hoge gebergte bestaat uit grauwe rotsen, die uit verscheiden’ soorten

van stenen t’zamengesteld zyn, van de welken ik in ’t vervolg breder

spreken zal. Deze bergen schynen een bewys opteleveren dat de kalkleyen

even zo oud als de grauwe rotsstenen, en niet eerst in later tyden

geformeerd zyn, want hier lagen verschrikkelyk zware grauwe rotsen

boven op de bergen, die uit zwarte kalkleyen bestaan.

[Weilanden.]

De hoge weilanden in Kanada zyn voortreffelyk goed, en hebben veel

vooruit boven die genen welken ik in de Engelsche Volkplantingen gezien

heb. Hoe verder ik hier noordwaards in het Land kwam, des te schoonder

weilanden en des te digter gras ontmoette ik. Op deze hoge weilanden

vond men byna niets dan een soort van gras, namelyk de Poa

angustifolia, het welk drie of vier bloemen op een steeltje

voortbrengt. [319] Dog de bloemen waren zo klein dat men het gras ligt

voor ene Agrostis konde aanzien. Voor ’t overige had het zaad van

onderen enige zagte hairen. Behalven dit vond men op de weiden nog

witte klaver. Deze twee gewassen maakten hier al het gras uit. Zy stond

digt en dik, en de Poa was tamelyk lang, dog zeer fyn. Onder aan den

wortel der Poa was de grond geheel van klaver bedekt. Digter en fynder

gras dan hier wies kon men noit verlangen. Men kon uit de overgebleven’

voren zien dat alle deze weiden voorheen koornlanden geweest waren. Zy

konden niet meer dan eens elken zomer gemaid worden, vermits de lente

te laat begint.

[Hoi.]

Het volk was nu sedert ene week sterk aan ’t hoyen. Mans en vrouwen

waren ’er bezig aan. Het hoi werd met karren weggebragt, die door ossen

of paarden getrokken werden. By verscheiden’ weiden stonden schuren. Op

vogtige plaatsen maakten zy kegelagtige hoistapels. Merendeels waren de

weiden niet omheind, dewyl het vee meest aan den anderen kant van de

bosschen liep, wordende door Herders, waar het nodig was, opgepast.

De koornlanden waren tamelyk groot. Men zag nergens afleidingen voor

het water, die evenwel op vele plaatsen wel nodig waren geweest. Zy

liepen allen met smalle ruggen van omtrent vier of vyf ellen tusschen

de voren, zynde in ’t midden byna ene halve el hoger dan de grond der

voren. Al het koorn was zomerkoorn. Men zait in den herfst niet, dewyl

het gewas des winters dood vriezen zoude. Het meest stond hier witte

Weit. Dog men zag ’er ook ruime velden met Erwten, Haver, en hier en

daar Rogge en Garst. By alle de boerderyen byna vond men kool,

kawoerden en meloenen. De braaklanden wierden des zomers niet

omgeploegd, zo dat ’er het onkruid vry mogt groeyen, dog het vee liep

’er den gehelen zomer op. [320]

[Huizen.]

De Huizen ten platten lande waren van steen of van hout. De stenen

huizen zyn niet van tichels, waarvan men hier niet veel heeft, dog van

zulken steen als men in de natuurschap vinden kan, vooral van zwarte

kalkleyen. Dezen zyn hard als men ze uit den berg houwt, dog vallen in

schilfers als zy aan de lugt blootgesteld worden, dog dit kan weinig

schaden, dewyl de stenen in den wand vastzitten en dus ’er niet uit

vallen kunnen. By gebrek van leyen bouwen zy dikwyls met kalksteen,

zandsteen, en somtyds met grauwen rotssteen. Zulke muren zyn gemeenlyk

twee voet dik, zelden dunner. Men vindt hier overal kalk. De meeste

huizen op het land zyn egter van hout, en somtyds van buiten wit

gepleisterd. De reten in de muren worden met klei aangevuld. Zelden zyn

die huizen meer dan ene verdieping hoog. In elk vertrek is of een

kacchel, of een schoorsteen, en somtyds wel beiden. De kacchels hebben

de gedaante van een langwerpig vierkant. Sommigen zyn geheel van yzer,

omtrent twee en enen halven voet lang, twee voet hoog, en anderhalven

voet breed. Deze yzeren kacchels worden allen in het yzerwerk by Trois

Rivières gegoten. Sommigen zyn van tichels of van steen, niet groter

dan de yzeren kacchels, maar boven opgedekt met yzeren platen. De rook

wordt uit den kacchel in den schoorsteen door ene yzeren pyp geleid.

Des zomers neemt men de kacchels weg.

[Lorette.]

Des avonds kwamen wy te Lorette aan, en namen ons verblyf by de

Jesuieten. Den volgenden morgen vervolgden wy onze reis door de

bosschen heen naar het gebergte, om te zien wat zeldzaamheden men daar

vinden konde. De grond was in ’t eerst meest vlak, overal met zwaar

hout bewassen, uitgenomen op plaatsen daar poelen waren. Wel de helft

van de gewassen die men hier ontmoet worden ook in Zweden gevonden.

[Kerssenbomen.]

Men zag hier twee soorten van wilde Kerssenbomen, die egter maar

verscheidenheden van malkander schynen te zyn, schoon zy in ’t een en

ander merkelyk verschilden. Zy waren beiden in Kanada zeer gemeen, en

de vrugten waren thans rood. Die van het ene soort dezer zogenaamde

Kerssenbomen waren wrang en trokken den mond en de keel t’zamen; dog

die van het andere hadden enen aangenamen zuren smaak. [321]

[Nieswortel.]

De Driebladerige Nieswortel [322] wies in grote menigte in de bosschen.

Op vele plaatsen bedekte hy den grond geheel. Deze plant zogt

voornamelyk zulke plaatsen die vol van mos, dog niet al te nat waren,

en had gemeenlyk de Oxalis Acetocella en de Circæa Alpina tot

gezellinnen. Het zaad was nog niet ryp, en de meeste stelen hadden geen

zaad. Dit gewas werd van de Franschen Tissavoyanne jaune geheten. De

Wilden gebruiken de bladeren en de stelen om verscheiden dingen die zy

uit beestenvellen hebben gemaakt schoon geel te verwen. De Franschen,

in navolging hiervan, verwen ’er wol en andere stoffen geel mede.

[Bomen.]

Wy klouterden met grote moeite enen van de hoogste bergen op. Dog tot

myn groot verdriet zag ik ’er gene andere planten dan ik reeds in de

vlaktens van Kanada gezien had. Ook belette ons het hout waarmede de

berg bewassen was het genoegen te nemen van een wyd uitgestrekt gezigt

te genieten. Dus hadden wy zo goed als niets voor de moeite van ons

klouteren. De bomen die hier wiessen waren de Haagbeuk, of de Carpinus

Ostrya, de Amerikaansche Olm, de Roodbloemige Ahorn, die soort van boom

die goed is om gebrande wonden te helen, welken ik nog niet beschreven

heb, de Beuk, de Betula nigra, de Sorberboom, de Kanadasche Pynboom,

Perusse genaamd, de Viburnum dentatum, de Esch, de zo even beschreven

Kerssenboom, en de Besdragende Taxus.

[Muggen.]

Muggen vonden wy in groter getal dan wy gewenscht hadden; zy deden de

huid met ene menigte van builen opzwellen. De Jesuieten te Lorette

zeiden dat het beste middel tegen de steken van die ongedierte was het

aangezigt en de handen met vet te besmeren. Tegens de beet hielden zy

koud water voor het best, mits men ’er de wond ten eersten mede

wiessche.

Des avonds kwamen wy weder te Lorette terug, na dat wy de planten, die

aanmerking verdienden, en die wy dezen dag gezien hadden, nauwkeurig

aangetekend en beschreven hadden.

[Lorette.]

Lorette is een dorp, drie Fr. mylen ten westen van Quebec. Het wierd

byna alleen van Wilden, tot de Hurons behorende, bewoond, welken den

Roomschen Godsdienst aangenomen hebben. Het dorp ligt nevens een

riviertje, het welk daar met een groot geraas over ene klip heen

stroomt, en enen zaag- en enen koornmolen aan ’t gaan helpt. Voor de

aankomst van den Vader Jesuiet alhier woonden de Amerikanen in hutten,

gelyk die der Laplanders; dog sedert hebben zy de Franschen in ’t

bouwen nagevolgd. De meeste huizen zyn van hout, weinigen van steen. In

elk huis waren twee vertrekken, de keuken en ene kamer. In de kamer

stond een kleine stenen kacchel van boven met ene yzeren plaat, volgens

’t gebruik van Kanada. Nevens den wand stonden de bedden, waar in zy

met geen ander deksel leggen dan hunne dagelyksche klederen. Ook zag

hun overig huisraad ’er vry slegt uit. Men heeft hier een frai kerkje

met toren en klok. De toren is puntig, enigsins hoog, en met wit of

vertind blek gedekt. Deze kerk wil men hier dat enige gelykenis heeft

naar die van Santa Casa te Lorette in Italie, naar welke plaats het

dorp zynen naam heeft. Naast de kerk staat een stenen huis voor de

Priesters, zynde twee Vaders Jesuieten, die hier altyd wonen. Men is

hier even vlytig in den godsdienst als op andere Roomschgezinde

plaatsen, en het was vermakelyk te horen hoe wel de Wilden, en vooral

derzelver vrouwen allerlei geestelyke liederen in hunne taal zongen. De

meesten dezer Hurons gaan op de wys van hunne Landslieden gekleed; dog

de mans hebben gaarn een vest aan gelyk de Franschen. De vrouwen egter

houden zig getrouw aan de wys van haar land. Het is bekend dat de

voorouders dezer Wilden, by hunne bekering tot het Christendom, ene

gelofte gedaan hebben van noit sterken drank te gebruiken. Deze gelofte

hebben zy tot nog toe vry heilig onderhouden, zo dat men ’er zelden

enen beschonken ziet, schoon anders de Wilden hun leven voor den

brandewyn laten zouden.

Behalven in het bouwen volgen deze Amerikanen de Franschen in vele

dingen naar. Zy planten allen Mais. Sommigen hadden ook een weinig Weit

of Rogge. Verscheiden’ hielden koeyen. Zy zetten van onze gemene

Zonnebloemen [323] op de Maislanden, en doen ’er het zaad van in hunne

Sagamite of Maissoep. Hunne Mais was van een klein soort dat vry tydig

ryp wordt, en een zeer aangenaam meel uitlevert. In Augustus wordt zy

ryp. De molens komen den Jesuieten toe, die voor alles wat ’er gemaald

wordt geld ontvangen.

Men heeft tot ene proeve in Kanada enige van de Zweedsche winterweit en

winterrogge gezaid, want hier heeft men anders niet dan zomerkoorn,

dewyl men bevonden had dat het koorn ’t welk men in Frankryk tegens den

winter zait hier doodvriest. Om die reden had Dr. Sarracin, gelyk my de

oudste der Jesuieten vertelde, een weinig Zweedsch winterkoorn doen

komen. Dit slaagde zeer wel, en wederstond de koude. De airen, ’t is

waar, schenen wel zo zwaar niet als het Kanadasch graan; dog in gewigt

wonnen zy ’t wel tweemaal, en gaven een veel witter meel. Men wist niet

waarom men de proeven niet vervolgd heeft. Men kan hier uit het

zomerkoorn op ver na een zo wit brood niet bakken als in Frankryk uit

het winterkoorn. My wierd verzekerd dat het voorjaarskoorn, Weit, zo

wel als Rogge, oorspronglyk hier te lande uit Zweden of Noorwegen

gekomen was. De Franschen hadden ondervonden dat het wintergraan uit

Frankryk hier gebragt ’s winters doodvroor, en dat het zomerzaad uit

hun vaderland overgevoerd hier genen genoegzamen tyd had om ryp te

worden. En dit deed hen in ’t begin Kanada voor een slegt en

onbewoonbaar land aanzien. Maar eindelyk bedagten zy zomerkoorn uit de

noordelykste delen van Europa te doen komen, en dit slaagde wel. Ik

keerde den 14. terug naar Quebec, makende langs den weg enige

kruidkundige aanmerkingen.

[Nieuwe Gouverneur.]

Dien avond kwam de nieuwe Gouverneur Generaal over geheel Kanada, de

Marquis de la Jonquière, voor de Stad, dog verschoof zyne intrede tot

den 15. zynde het daar toe dien avond te laat. Hy was den 2. Juni N. S.

uit Frankryk uitgezeild, en had Quebec niet eerder dan nu konnen

bereiken, ter oorzaak van de hindernissen die de grote schepen op de

St. Laurence van wegens de zandbanken ontmoeten. Dezen maken dat men

niet dan met enen zeer gunstigen wind de Rivier kan opvaren, moetende

de schepen zeer dikwyls wenden, en somtyds zeer nauwe kanalen

doorvaren. Behalven dat was het den 15. het feest van Maria’s

Hemelvaart, dat in alle Roomsche Landen zeer stiptelyk gevierd wordt.

Dus was die dag dubbeld merkwaardig, zo wel om het feest als om de

aankomst van den Gouverneur, die hier met grote plegtigheden ontvangen

wordt, dewyl hy zo veel is als Onderkoning.

Des morgens om agt uur verzamelden zig de voornaamste lieden ten huize

van den Heer De Vaudreuil, die onlangs tot Gouverneur van Trois

Rivières benoemd was geworden, en in de benedenstad woonde. Zyn Vader

was Gouverneur Generaal geweest. De Marquis de la Galissonière kwam

hier ook, die tot nog Gouverneur Generaal geweest was, en thans op zyn

vertrek naar Frankryk stond. Hy wierd begeleid door de voornaamste

Amptenaars. Ik was hier ook genodigd. Om half negen stapte de nieuwe

Gouverneur in een sloep, die met rood doek bekleed was. Daarop wierd

het geschut van de wallen gelost, en alle de klokken begonnen te luyen.

Alle de voornaamste Heren begaven zig naar den oever om den Gouverneur

te verwelkomen. By het uitstappen van de sloep werd hy door den Marquis

de la Galissonière ontvangen. Na dat deze twee malkanderen begroet

hadden, trad de Major der Stad toe, en hield ene redenvoering tot den

nieuwen Gouverneur, die door denzelven kortelyk werd beantwoord; waarop

het geschut wederom gelost werd. De straat tot aan de Hoofdkerk toe was

met gewapende manschap bezet, die grotendeels uit de borgery gekozen

was. De Gouverneur ging te voet, gekleed in enen roden gegalonneerden

rok, begeleid door alle de voornaamsten en ene schaar van aanschouwers.

Zyne bedienden, in ’t groen gekleed, gingen met het geweer op schouder

vooruit. Aan de deur der Hoofdkerk werd hy door den Bisschop aan ’t

hoofd der Geestelykheid ontvangen. De Bisschop was in zyn plegtgewaad,

hebbende den myter op het hoofd, en den Bisschoppelyken staf in de

hand. Sommige Priesters waren in witte mishembden, anderen in lange

misrokken gedost. Na dat de Bisschop ene korte redenvoering gehouden

had, gaf hy den Gouverneur een zilveren Christusbeeld te kussen, het

welk door eenen Priester op enen langen stok gedragen werd, wordende

die Priester door twee anderen begeleid, welken ieder ene brandende

waschkaars in de hand hadden. Daarop ging de Bisschop met de

Geestelyken vooruit naar het Koor; de bedienden van den Gouverneur

volgden, den hoed op ’t hoofd, en ’t geweer op schouder. Het laatst

kwam de Gouverneur zelf met allen die hem verzelden. Toen het Koor

begon bleven de nieuwe en de oude Gouverneur voor enen met rood

bekleden stoel staan, waar zy gedurende de gehele Mis, die door den

Bisschop zelven verrigt werd, bleven. Uit de Kerk begaven zy zig naar

het Slot, waar de voornaamste Heren byeenkwamen om hunne pligtplegingen

afteleggen. Het zelve kwamen alle de geestelyke ordres doen. Ik had de

eer mede ter middagmaaltyd met enige anderen genodigd te worden. Het

onthaal was geschikt naar de plegtigheid, en men bleef tamelyk lang aan

tafel.

De Marquis de la Jonquière was lang van persoon, en iets boven de

zestig jaren oud. Hy had in den laatst geeindigden oorlog enen hevigen

zeeslag aan de Engelschen geleverd, dog was door de overmagt gedwongen

geweest zig over te geven. By die gelegenheid werd hy door de schouder

geschoten. In ’t gaan liet hy het hoofd een weinig voorover hangen. Hy

was voor ’t overige een zeer bevallig man, en die zyne waardigheid wel

wist te handhaven onder het uitdelen zyner gunstbewyzen.

[Middel om de dranken koel te houden.]

Verscheiden der Heren die den maaltyd bywoonden zeiden het volgende

dikwyls beproefd, en om den drank in den zomer koel te houden, goed

gevonden te hebben. Men tapt den drank in flesschen af, welken men

toegekurkt in de lugt hangt na ze met natte doeken omwonden te hebben.

Dit maakt den wyn koud, al was hy reeds warm geweest. Na enigen tyd

maakt men de doeken op nieuws met water nat, dat zo koud is als men het

krygen kan. De drank wordt op deze wys zelfs koelder dan het water waar

men de doeken mede begoten heeft. De uitwerking is dezelve al hangen de

flesschen in de zon. [324]

[Omgang.]

De Omgang ter ere der Heilige Maagd was ook zeer pragtig, wordende door

de Geestelykheid, de beide Gouverneurs, en ene grote menigte van de

voomaamste lieden, bygewoond. Het geschut wierd gelost, de klokken

geluid, de trom geroerd, en ’t krygsvolk stond in ’t geweer. De

aanschouwers vielen allen op de knien voor het beeld der Lieve Vrouw,

dog niet voor dat van den Zaligmaker. De Geestelykheid ging den

gantschen tyd al zingende.

[Thuya.]

De Thuya occidentalis wies zeer overvloedig in Kanada, dog niet

zuidelyker. Het meest zuidwaards dat ik dezen boom gezien heb was in

New York, een weinig van Saratoga, en by Casses, omtrent op de breedte

van 42. gr. 10. min. De Heer Bartram had ’er egter enen boom van in

Virginie gezien, digt by de plaats op de Rivier James die The Falls

genoemd wordt. Ook verzekerde Dr. Colden dat hy hem op verscheiden

plaatsen rondom zyn Landgoed Coldingham, tusschen New York en Albany,

omtrent op de breedte van 41. gr. 30. min. gezien had. De Franschen

door gantsch Kanada, zo wel als de Engelschen en Hollanders te Albany

noemen hem den Witten Ceder. De Engelschen in Virginie hebben enen daar

groeyenden Thuya den naam van Jeneverboom gegeven.

Deze boom groeit op verschillende gronden. De wortels schynen altyd

enig vogt te moeten hebben. Vooral scheen hy in poelen en natte gronden

wel te tieren, en wierd daar vry hoog. Na dezen schenen hem steenagtige

heuvels en andere plaatsen waar tamelyk grote stenen by malkander

lagen, welken met mos begroeid waren, wel te behagen. Vond men zulke

met mos bewassen stenen in menigte aan het strand, zo stonden ’er

gemeenlyk ook enige Thuyas. Behalven dat, zag men den boom hier en daar

op de hoogtens nevens de rivieren, en andere hoge gronden die met ene

stofagtige aarde bedekt waren, waarby men aanmerken moet dat die

plaatsen gemeenlyk enig mineraal water omtrent zig hadden, of dat zy

van de hoger landen enig vogt kregen. Ik zag hem ook wel in ene droge

aarde wassen, dog daar kwam hy noit tot ene aanmerkelyke zwaarte. In de

kloven der bergen vond men hem dikwyls genoeg; dog hy wierd daar ook

niet zeer zwaar. De grootsten van deze bomen, die ik gezien heb, waren

ongevaar vyf of zes vadem hoog. Een boom van tien duim in ’t kruis had

twee en negentig kringen; een andere van enen voet en twee duim dikte

had ’er honderd twee en veertig. [325]

De Inwoonders van Kanada gebruiken dezen boom om heiningen te maken,

dewyl het hout langer dan eens menschen leven onder den bloten hemel

duren kan. De meeste heiningen waren hier te lande van dit hout

gemaakt, gelyk ook de meeste palen, die men in den grond slaat. De

palissades voor de vestingwerken waren byna allen van Thuyahout.

Somtyds bezigt men het ook voor balken. De ribben in den bodem van de

bastenschuiten zyn ook van dezen boom, dewyl het buigzaam, en varsch

zynde zeer ligt is. Geen hout wordt beter geagt om kalk te branden. De

dunne takjes met de bladen gebruikt men om ’er bezems van te maken.

Zulke bezems komen de Wilden te koop veilen. Ook heb ik niet gemerkt

dat men andere soorten van bezems in Kanada gebruikte. De varsche

takken hebben enen byzonderen en niet onaangenamen reuk, dien somtyds

de bezems van zig geven.

In de Geneeskonst gebruikt men dezen boom tot meer dan een einde. De

Kommandant van Fort St. Frederic, de Heer de Lusignan, wist zyne

werking tegens de pynen van het Rhumatismus niet genoeg te pryzen. Men

stampt de varsche bladeren in een mortier, en mengt ze dan met smeer

van varkens of andere beesten. Dit kookt men zo lang tot dat het ene

zalf wordt, die men op linnen gesmeerd op de pynelyke plaats legt. Deze

zalf verzagt de pyn in korten tyd. Tegens door het lichaam vliegende

pynen neemt men vier vyfden van de bladeren van een soort van

Polypodium, [326] een vyfde van de zaadhuisjes der Thuya, en maakt ’er

een poeder van. Dit begiet men met lauw water, smeert het tot een bry

geworden zynde op een stuk linnen, en windt het om het lichaam, met

deze voorzorg egter dat men enen doek tusschen het lichaam en de bry in

legt, dewyl de bry brand als vuur. Dit middel hadden velen

voortreffelyk goed gevonden. Een Iroquois vertelde ons dat het

afkooksel der bladeren tegens den hoest gebruikt werd. Omstreeks

Saratoga drinkt men dat afkooksel tegens de afgaande koortsen.

De boom blyft den winter over groen. Zyn zaad wordt in ’t laatst van

September O. S. ryp. Den 4. October hadden dit jaar enigen reeds

begonnen hun zaad te laten vallen, vooral zulken die aan enen sterken

zonneschyn bloot stonden, en de anderen hadden reeds hunne zaadhuisjes

begonnen te openen. Deze boom heeft de zelve eigenschap als verscheiden

andere bomen van Noord Amerika, namelyk dat zy in grote menigte in

moerassen en zware bosschen, en zelfs daar meer dan op andere plaatsen,

wassen, zo dat men zeggen kan dat daar zyn regte plaats is. Egter staat

op die plaatsen nauwelyks een enige boom die zaad geve. In tegendeel

als zy aan den buitenkant van een bosch, of op ene andere plaats staan

waar zy vrye lugt hebben, zo zyn zy vol zaads. Dit heb ik ontelbare

reizen opgemerkt. En het zelve had plaats omtrent den Ahorn, den

Sassafras, den witten Dennenboom, de zogenaamde Perusse, den

Moerbezieboom, en anderen.

Den 7. Aug. ging ik. het Urseliner Nonnenklooster bezigtigen. De

inrigting daarvan is genoegzaam de zelve met de andere Nonnenkloosters.

Dit Klooster staat binnen de Stad, en heeft ene fraye Kerk. De Nonnen

stonden voor zeer godsdienstig te boek. Ook zyn het deze Nonnen die zig

het minst laten zien, en zig het meest in huis houden. Buiten den

Geneesheer en den Wondheler, mogen gene mans in ’t Klooster komen, ten

zy door een byzonder verlof van den Bisschop, dat zelden verleend

wordt; dog ik had ’er een, op voorspraak van den Marquis de la

Galissonière, verworven. Ik ging ’er met den Heer Gaulthier naar toe.

De Abdis, vergezeld van enen stoet Nonnen, meest allen ouden, ontving

ons. Het was een Zondag, en in de Kerk vonden wy verscheiden’ Nonnen op

hare knien leggen en bidden. By ’t intreden van de kerk vielen de Abdis

en alle de Nonnen op hare knien. Het zelve deed de Heer Gaulthier, en

ik ook. Wy kwamen daarop in een kapelletje, der Heilige Maagd toegewyd,

waar wederom geknield moest worden. Vervolgens bezagen wy de kerken, de

eetzaal, en het vertrek waarin de Nonnen zitten te werken, het welk

zeer groot is. De eetzaal is even eens geschikt als in de twee andere

Kloosters. Onder de tafels zyn kleine laden waarin elke Non haar vork,

servet, en andere dingen bergen kan. De Celletjes zyn klein, en elke

Non heeft ’er een. De muren zyn niet geschilderd. Een klein bed, ene

tafel met laden, een Christusbeeld, enige Heiligen, en een stoel, zie

daar al het huisraad. Men bragt ons in een vertrek vol van jonge

Juffrouwen van omtrent twaalf jaar en daaronder, welken herwaards

gezonden waren om onderwezen te worden. Zy mogen eens op enen dag hare

nabestaanden gaan bezoeken, dog niet lang uitblyven. Als zy hare

opvoeding genoten hebben gaan zy weer naar huis. By het Klooster is een

fraye tuin, leggende binnen enen hogen muur, en vol van allerlei

moeskruiden en vrugtbomen. Onder het werken of het eten wordt een diep

stilzwygen gehouden, uitgenomen dat ene der Nonnen iets overluid leest;

maar na het eten mogen zy een uur of twee in den tuin gaan wandelen, en

zig binnen ’t Klooster vermaken. Na alles wat hier merkwaardig was

gezien te hebben namen wy afscheid en vertrokken.

Omtrent een vierde van ene Zweedsche myl westwaards van Quebec is ene

minerale bron. Het water was vol van yzerdelen, en smaakte ’er sterk

naar. De Heer Gaulthier had het met enen goeden uitslag in

verstoptheden, miltziektens, en diergelyke ongemakken voorgeschreven.

[Slangen.]

Men verzekerde in ’t algemeen dat ’er rondom Quebec gene giftige

slangen te vinden waren, welker beet nadeel van belang kon doen, zo dat

men daar gerust door ’t gras kon wandelen. Ik vond alle de slangen zeer

schuw. Dog in het zuidelyker gedeelte van Kanada moet men omzigtiger

zyn.

[Mieren.]

Hier en daar op de hoogtens in de bosschen vond men kleine Mierhopen,

gemaakt door een soort van pekzwarte Mieren, die den Zweedschen

volkomen gelyk dog wat kleinder waren.

[Wilde Volken.]

Reis door Noord Amerika · 第 39 / 50 段