Quebec bezigtigen. Het is genen man geoorloofd ’er intekomen,
uitgezonderd in zekere vertrekken die door tralies van het overige
afgescheiden zyn, door welke tralies men van buiten met de Nonnen van
binnen spreken kan. Dog om my des te groter gunst te bewyzen maakte de
Gouverneur Generaal dat de Bisschop my verlof gaf het Klooster van
binnen te bezien. De Bisschop alleen kan deze vryheid geven, dog het
geschiedt zelden. Alleen mogen de Geneesheer en de Wondheler ’er
inkomen. De Heer Gaulthier, een man van grote inzigten zowel in de
Artsenykonst als in de Kruidkunde, was thans Koninglyke Arts, en
verzelde my in ’t Klooster. Wy bezagen eerst het Hospitaal, dat zo
aanstonds beschreven zal worden, en daarop gingen wy in ’t Klooster,
dat een deel van ’t Hospitaal uitmaakt. Het was een groot stenen
gebouw, van drie verdiepingen, van binnen in lange gangen, met kameren,
zalen en andere vertrekken aan beide zyden afgedeeld. De kamers der
Nonnen waren op de bovenste verdieping aan beide zyden van den gang. Zy
waren klein, en van binnen niet geschilderd, alleen hingen ’er papieren
printjes van Heiligen en diergelyken, gelyk ook het beeld van den
Zaligmaker aan het kruis. Een bed met gordynen en ene goede legging,
een kleine lessenaar, en een paar stoelen, was alles wat men ’er vond.
Noit wordt ’er vuur gemaakt, en de Nonnen moeten ’s winters in de koude
leggen. In den gang stond een yzeren kacchel, die ’s winters gestookt
wordt, en als men dan de deuren der kamertjes open laat zo komt ’er nog
al enige warme lugt in. Op de middelste verdieping waren de vertrekken
daar zig de Nonnen door den dag ophielden als zy by malkander kwamen,
onder anderen het vertrek waar zy werken. Dit was ruim, geschilderd en
net. Ook stond ’er een kacchel. Hier waren zy met allerlei handwerk
bezig, als nayen, borduren, vergulden, ’t maken van zyden bloemen, die
de natuurlyken vry wel geleken. In een ander vertrek hielden zy hare
raadsvergaderingen. Een ander was voor de zulken die een weinig
onpasselyk waren, dog zodanigen die gevaarlyk ziek waren lagen in een
ander vertrek. In een ander wederom wierden de Nieuwelingen onderrigt.
Ook was ’er ene eetzaal. Hier stonden rondom tafels. Aan ene zyde was
een kleine predikstoel, waarop een Fransch boek over de levens der
Heiligen lag. Onder ’t eten spreekt niemant een woord, en ene van de
oudste Nonnen treedt op den predikstoel en leest den overigen een stuk
uit dat boek voor. Wanneer dat boek uit is nemen zy een ander. Zy
zitten aan die zyde der tafel dat naar den muur gekeerd is. Byna in
alle de kamers en zalen stond ene vergulde tafel, waarop kaarssen
stonden te branden voor het beeld van den Zaligmaker en de beelden van
enige Heiligen. By deze tafels doen zy hare gebeden. Aan de ene zyde
was de Kerk, en nevens dezelve ene grote zaal, die door tralies van de
kerk was afgescheiden, zo dat de Nonnen wel in de kerk kyken, dog ’er
niet in komen konden. In deze zaal zyn de Nonnen gedurende den dienst,
en de Priester is in de kerk. Als hy zyn plegtgewaad aandoet, reiken
hem de Nonnen dat door de tralies toe, staande het haar noit vry met
den Priester in de Sakristy te gaan, of met hem in een vertrek te zyn.
Behalven dezen waren hier nog verscheiden andere vertrekken, welker
gebruik ik my niet te binnen brengen kan. Beneden was de keuken, het
bakhuis, verscheiden spyskamers en andere gemakken. Op de zolders wordt
het koorn bewaard en het linnen gedroogd. Gelyk met de twede verdieping
was van buiten een balkon rondom het gantsche gebouw, waar de Nonnen
zig wat verlugtigen mogten. Het uitzigt uit het Klooster was aan alle
kanten zeer schoon en ruim. Aan de ene zyde van ’t gebouw was een grote
tuin, waar de Nonnen ook mogten wandelen. De tuin lag in enen hogen
muur, en was vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. In dit
klooster waren omtrent vyftig Nonnen, die meest allen boven de veertig
jaren hadden. Twee jonge Juffrouwen alleen wierden voorbereid tot den
geestelyken staat. Zulke Nieuwelingen moeten eerst twee of drie
proefjaren uitstaan, gedurende welken tyd het haar vrystaat weder uit
het klooster te gaan, als haar dat leven niet behaagt. Dog als zy eens
als Nonnen aangenomen zyn, moeten zy ’er haar gantsche leven blyven. En
merkt men dat zy naar verandering haken, zo steekt men ze in een
vertrek waar zy noit kunnen uit komen. Deze Nonnen gaan noit verder uit
het Klooster als in ’t Hospitaal, dat daar vlak nevens legt, en een
deel van ’t Klooster uitmaakt. Daar gaan zy om de zieken optepassen.
Toen ik afscheid nam vroeg my de Abdis of my hare inrigtingen wel
bevielen. En toen ik van ja geantwoord had, schoon ik zeide de
levenswys zeer gedwongen te vinden, zeide zy my, dat zy met hare
Zusters God hartelyk bidden zou om myne bekering. Van verscheiden’
menschen heb ik gehoord, dat ’er zig weinig Juffrouwen in dit Klooster
begeven voor dat zy tot zulke jaren gekomen zyn waarop haar weinig hoop
over is van te zullen trouwen. In alle de drie Kloosters van Quebec
zagen ’er de Nonnen meest zeer oud uit, zo dat het zo evengemelde
zeggen niet ongegrond schynt. Men was het overal hierin eens dat in
Kanada, zo wel op het land als in de steden, ver na zo veel mans als
vrouwen niet waren, dewyl ’er vele mans op reis, ’t zy naar de West
Indien, waar ook velen zig neerzetten, ’t zy door het land, omkomen, en
de oorlog ’er velen wegsleept. En dit dwingt verscheiden’ vrouwen zig
in het Klooster te begeven.
[Het Hospitaal.]
Het Hospitaal bestond uit twee grote zalen en enige vertrekken nevens
de Apotheek. In deze zalen stonden twee ryen met bedden. De bedden naar
den wand toe hadden gordynen, de anderen niet. In elk bed waren twee
lakens en ander beddengoed. Zo dra de Zieke uit het bed was wierd het
gemaakt, ten einde alles in het Hospitaal zuiver en rein te houden. De
bedden stonden drie of vier ellen van malkander, en tusschen dezelven
stond ene kleine tafel. In deze zalen waren goede yzeren kacchels, en
fraye vensters. De Nonnen passen de Zieken op, en brengen hun eten en
alles wat zy nodig hebben. Behalven de Nonnen waren hier nog enige
manspersonen insgelyks om optepassen, en een Wondheler. Ook moest de
Koninglyke Geneesheer hier alle dagen komen en het oog over alles laten
gaan. In dit Hospitaal ontvangt men gemeenlyk de kranke Soldaten, waar
van men ’er in den tyd dat ’s Koningsschepen aankomen, het geen
gemeenlyk in Juli en Augustus is, en in oorlogstyden, ene goede menigte
vindt. Als ’er bedden open zyn worden ’er ook andere zieke menschen
ingenomen. Daar waren byzondere vertrekken voor de zulken die zeer ziek
zyn, opdat het geraas dat ’er in de zaal somtyds is hen niet vervelen
mogt.
Het was hier de gewoonte van als iemant niesde ene buiging te maken,
waarvan men in de Engelsche Volkplantingen niets weet. Op de straat
neemt men den hoed maar voor bekenden en aanzienlyke lieden af. Jonge
lieden houden dien dikwyls in de kamers waar vrouwen zyn op, dog de
ouderen zyn dan meest blootshoofds. De vrouwen hadden hier veel op met
het krullen en poederen van ’t hair, daar zig de Engelsche vrouwen in
de Volkplantingen niet zo veel mede bemoeyen. De Mans dragen meest hun
eigen hair met een zakje daarin gebonden. Sommigen hadden zakjespruiken
op. Dog de meeste lieden van jaren droegen grote pruiken. By de
voornaamste mans was het zeer in ’t gebruik gegalonneerde klederen te
dragen. Allen die in dienst van de Kroon waren gingen met degens. Als
het weder regenagtig was droegen alle de Heren, zelfs van den eersten
rang, alleen de Gouverneur uitgenomen, enen mantel op den linker arm.
By ’t intreden in een huis van kennis, daar men in langen tyd niet
geweest is, groet men de menschen van beide geslagten met twee zoenen.
Ik ga met voordagt de beschryving van de planten die ik dagelyks
verzamelde en aantekende voorby, om deze Reisbeschryving niet al te
zeer te doen uitdyen, en te maken dat geen Boekdrukker in Zweden zulk
een werk zou willen ondernemen. Ik spare dan alles wat uit droge
beschryvingen van stukken rakende de Natuurlyke Historie bestaat voor
ene Flora Canadensis en diergelyke werken. Het zelve zeg ik van de
aanmerkingen die ik nopens de Geneeskonst gemaakt heb. Ik heb
zorgvuldig aangetekend welk gebruik men van vele Amerikaansche planten
maakt, waarvan ’er sommigen hulpmiddelen opleveren die onfeilbaar geagt
worden. Maar dewyl de Geneeskonst myne hoofdzaak niet is, schoon ik ’er
my in myne jeugd vlytig op heb toegelegd, vreesde ik enige
omstandigheden van belang overgeslagen, en daardoor myne beschryvingen
nutteloos voor de Geneeskundigen gemaakt te hebben. Dit moet my
ontschuldigen van in ’t vervolg zaken aangaande de Geneeskonst te
gewagen die boven myne kennis zyn. Wat de planten van Kanada
aanbelangt, kan men ’er dit omtrent aanmerken, dat hoe verder men naar
’t noorden komt men des te meer van die planten ontmoet die ook in
Zweden in ’t wild wassen, zo dat ten noorden Quebec meer dan het vierde
deel der daar vallende planten Zweedschen zyn. Den enen of anderen boom
evenwel, die van groot nut is, zal ik in ’t vervolg gewagen.
[Rendiermos.]
Het Rendiermos [317] wies vry overvloedig in de bosschen rondom Quebec.
De Heer Gaulthier en anderen zeiden dat de Franschen, wanneer zy op
lange reizen, die zy dikwyls doen om handel onder de Wilden te dryven,
hun eten opgemaakt hebben, dit mos koken en het afkooksel drinken, het
welk enigsins voedzaam zyn zoude. Verscheiden Franschen, die in Terra
Labrador geweest waren, waar zig vele Rendieren ophouden, welken de
Franschen en de Wilden hier te lande Cariboux heten, verhaalden dat de
gantsche grond op vele plaatsen met dit mos bedekt is, en ’er sneuwwit
van uitziet.
[Jesuieten.]
Den 10. Augustus at ik by de Jesuieten. Ik had twee dagen te voren hun
een bezoek gegeven, waar op de Opperste met nog enige vaders my het
tegenbezoek kwam afleggen, tegelyk my ter maaltyd nodigende. Eerst
woonde ik den Godsdienst in hunne kerk by, welke een deel uitmaakt van
hun Klooster. Zy is frai van binnen, dog zonder zitplaatsen, zo dat men
daar altyd op de knien leggen moet. Op de Kerk is een kleine toren met
klokken en een uurwerk. Het gebouw van ’t huis is pragtig en gelykt wel
naar een Paleis. Het is van steen, drie verdiepingen hoog, zonder de
zolders te rekenen, met leyen gedekt. Het bestaat uit een vierkant met
ene plaats in ’t midden. Het is zo groot dat ’er wel driehonderd
huisgezinnen in zouden kunnen wonen, en egter zyn ’er maar twintig
Vaders in. Dog somtyds is hun getal veel groter, wanneer namelyk zulken
t’huis komen die in zendelingschap door het Land reizen. In de lengte
aan elke zyde van het vierkant lopen lange gangen, op welker beide
zyden de kamers, de zalen, de boekery, en andere gemakken zyn. Alles is
hier zeer wel ingerigt, en de Vaders wonen hier zeer gemakkelyk. Aan
den buitenkant is hun Kollegie, het welk aan twee zyden van enen
schonen tuin omringd is. Een deel der bomen die ’er in staan zyn een
overblyfsel van het bosch dat hier ter plaatse was toen men begon de
Stad te bouwen. Dog men heeft ’er vele vrugtbomen en allerlei
moeskruiden bygevoegd. De Vaders aten te zamen in ene grote zaal. De
tafels stonden rondom, en aan enen kant een preekstoel, waarop een der
Vaders gedurende den maaltyd klimt en den overigen iets uit een
geestelyk boek voorleest. Dog dit geschiedde deze reis niet, en al de
tyd wierd om te praten besteed. Men at hier zeer wel, en gaf zo veel
schotels als by ons op de grootste gastmalen. In dit grote gebouw zag
men geen vrouwmensch, maar alleen Vaders of Broeders, dat is jonge
lieden die tot aanstaande Jesuieten geschikt zyn, en daar opgebragt
worden. Dezen maakten het eten klaar, en droegen het op, want gemene
bedienden worden hier niet toegelaten.
[Geestelyken.]
Buiten den Bisschop zyn hier te lande drieërlei Geestelyken, Jesuieten,
Priesters, Barrevoeters, anders Recollects. De Jesuieten zyn voor zeker
de aanzienlyksten. Ook zegt men hier voor een spreekwoord, dat om het
beeld van enen Barrevoeter te maken men genoeg heeft aan ene byl, om
enen Priester aftebeelden gebruikt men ene schaar, maar om enen Jesuiet
te schilderen moet men een pinceel hebben. [318] De Jesuieten zyn
gemeenlyk geleerde lieden, beleefd en aangenaam in gezelschap. In alles
wat zy doen heeft iets bevalligs plaats, zo dat het geen wonder is dat
zy de gemoederen der menschen innemen. Zelden spreken zy van
godsdienstzaken, en zo zy het doen vermyden zy altyd de geschilpunten.
Daarentegen zyn zy altyd zeer gereed om anderen ten dienst te staan, en
zelfs voortekomen. Deze eigenschappen heb ik by alle de Jesuieten
gevonden met de welken ik hier te Lande omgang heb gehad. Zy bezitten
grote goederen in eigendom, die zy van den Koning gekregen hebben. Te
Montreal hebben zy ene fraye Kerk met een net Klooster. Zy staan ’er
niet naar om ene standplaats by de ene of andere gemeente te krygen,
dog laten dat gaarne aan de Priesters over. Hun enige arbeid hier te
Lande is de Heidenen te bekeren, en met dat inzigt hebben zy hunne
zendelingen overal. Genoegzaam by elk dorp, dat bekeerden Wilden
toekomt, woont een Jesuiet of twee, die op dezelven agt geven. Dus
vindt men Jesuieten by de bekeerde Heidenen te Tadoussac, te Lorette,
te Besancourt, te St. François, te Saut St. Louis, en overal waar zig
bekeerlingen ophouden. Ook hebben zy hunne zendelingen onder de
onbekeerden, zo dat men gemeenlyk in elk groot dorp van Wilden enen
Jesuiet vinden zal, die alle pogingen aanwendt om ze te winnen. Des
winters gaat hy met hun op de jagt, in weerwil van allerhande
ongemakken, als van alle dagen in sneuw, vorst, en slegt weder in de
lugt te moeten wezen, en in de hutten der Wilden, waar het van vloyen
en ander ongedierte krielt, te moeten slapen. Dit alles ondergaan de
Jesuieten, ten dele om de Wilden te bekeren, en ten dele met inzigten
van staat en anderen. De Koning trekt grote voordelen van de Jesuieten,
dewyl zy de Wilden tot alles brengen kunnen, gelyk als om de Engelschen
te beoorlogen, alle hunne pelteryen aan de Franschen te leveren, of de
Engelschen te beletten in hun Land te komen, en diergelyken. Dog dit
alles is niet geheel zonder gevaar; want als de Wilden dronken zyn
gebeurt het wel dat zy de Zendelingen ombrengen, als waren die maar
verspieders, en geven dan ter hunner ontschuldiging voor dat niet zy
maar de drank den Jesuiet heeft gedood. Dit zyn genoegzaam de enige
bezigheden der Jesuieten hier te Lande. Zy gaan in de Steden gene
kranken bezoeken, zy horen gene biegt, nog wonen begraafnissen by. Ook
heb ik ze byna gene Omgangen zien doen. Zelden gaan zy in de huizen om
’er onthaald te worden, zelfs al zyn zy genodigd. Ligt is het te zien
dat zy meest allen om hun verstand uitgekozen zyn. Men houdt ze hier te
Lande voor doordringende koppen, die overal kans toe weten. Dit maakt
dat zy ook hier hunne vyanden hebben. Ook nemen zy niemant onder zig
aan dan die verstand heeft, alle domkoppen zyn by hun uitgesloten. Dog
tot Priesters neemt men allerlei geesten, en nog minder bedenking valt
’er by het maken van enen Monnik. De Jesuieten in Kanada zyn allen uit
Frankryk overgekomen. Velen van hun blyven hier maar enige jaren en
keren dan terug. Sommigen, waarvan ’er nog vyf of zes in ’t leven zyn,
die in Kanada geboren waren, zyn naar Frankryk gegaan en daar onder de
Jesuieten aangenomen. Dog geen van hun is hier oit terug gekomen; wat
geheim daaronder leggen mag weet ik niet. Gedurende myn verblyf te
Quebec lag een der Priesters, met bewilliging des Bisschops, zyn ampt
neder, en ging tot de Jesuieten over; het welk den overigen Priesters
niet breed aanstond, als had deze hunnen stand te gering geagt. Evenwel
zyn ’er Priesters om dienst te doen by alle de gemeentens die den
Jesuieten schattingen betalen. De Bisschop stelt die Priesters aan.
Geen der Geestelyken dryft hier enigen handel in bontwerk.
Na den middag bezogt ik het zogenaamde Seminarium, of het huis waar
alle de Priesters by malkander wonen. Dit gebouw is enige verdiepingen
hoog, en heeft gangen en kamers. Daar by legt een schone tuin. De Heren
van het Seminarium gaven in beleefdheid den Jesuieten niet veel toe, en
ik bragt den tyd in hun gezelschap met veel genoegen door.
De Priesters maken den tweden rang der Geestelyken, en het grootste
getal uit. De meeste Kerken in de steden en op de dorpen, alleen die
der nieuw bekeerde Wilden uitgenomen, worden van Priesters bediend. Ook
hebben zy enige zendelingschappen. In Kanada zyn twee Seminaria, een te
Quebec en een te Montreal, die elk hunnen Opzigter hebben, en niet van
malkander afhangen. De Priesters van ’t Seminarium te Montreal zyn
allen van de order van St. Sulpicius, en bedienen alleen maar de
gemeentens in die Stad en op het Eiland van den zelven naam. Alle de
andere Kerken behoren tot het Seminarium van Quebec. De Priesters van
St. Sulpicius komen allen uit Frankryk, en men verzekerde dat ’er noit
een uit Kanada geboortig was onder geweest. Dog in het Seminarium van
Quebec zyn ’er verscheidenen die hier te lande geboren zyn. Om bekwame
voorwerpen voor het zelve te vinden heeft men, zo wel te Quebec als te
St. Joachim scholen opgeregt, waarin de jeugd in het Latyn en andere
wetenschappen tot den Priesterstand betrekkelyk wordt onderwezen. Dog
men is hier zo keurig niet of men neemt ook wel middelmatige geesten
aan. In ’t Latyn schynen velen het niet ver gebragt te hebben, want,
schoon hun gehele Godsdienst in die taal geschiedt, en zy dagelyks het
Breviarium in ’t Latyn lezen, wisten egter de minsten het te spreken.
Alle de Priesters uit het Seminarium van Quebec worden door den
Bisschop ingezegend. De Koning heeft beiden den Seminaria grote
inkomsten geschonken. Dat van Quebec heeft jaarlyks meer dan
dertigduizend guldens aan inkomen. Het gehele land op de west zyde der
St. Laurence van Quebec af tot Baïe St. Paul toe behoort dat
Seminarium, behalven het geen ’t op andere plaatsen bezit. Zy verhuren
de landen voor zekere sommen. Gemeenlyk geldt een land van drie Arpents
in de langte een Ecu ’s jaars, behalven enige toepagt. Op vele plaatsen
daar ’er gelegenheid toe is hebben de Priesters koorn- en zaagmolens
doen bouwen, waarvan zy goede inkomsten trekken. Het Seminarium van
Montreal is eigenaar van al den grond waarop die stad staat en van het
Eiland, van den welken het jaarlyks meer dan zeventigduizend Livres aan
renten trekt, zonder te rekenen wat de Priesters van hun ampt weten te
maken. Alle de inkomsten der landeryen en vaste goederen komen aan het
Seminarium, zonder dat de Priesters ten platten lande daar iets van
krygen. En daar dat Seminarium maar uit zestien Priesters bestaat, en
meer inkomsten geniet dan het jaarlyks van noden heeft, zo worden ’er
alle jaren grote sommen naar Frankryk aan het Hoofd-seminarium
overgemaakt. De inkomsten van het Seminarium te Quebec worden tot het
onderhoud der Priesters in het Seminarium en tot dat van sommige
jongelingen, die tot Priesters opgebragt worden, besteed. De Priesters
ten platten lande bestaan van de Tiendens, die zy van hunne gemeente
trekken, en van het geen zy door hun ampt verdienen. Op plaatsen waar
de gemeentens en de inkomsten gering zyn, hebben zy een zeker onderhoud
van den Koning. Als een Priester ten platten lande oud geworden is,
wordt het hem somtyds vergund in het Seminarium te komen, en daar zyne
dagen te eindigen. Elk Seminarium stelt de Priesters op zyne
landgoederen aan. Op de overige plaatsen stelt de Bisschop de
Priesters.
[Barrevoeters.]
De Barrevoeters of Recollects maken het derde soort van Geestelyken
uit. Zy worden ook Franciskaner Monnikken genoemd, dewyl zy volgens den
regel van St. Franciscus leven. Zy bezitten te Quebec een tamelyk groot
en nog al enigermate net huis met ene kerk. Daarnevens legt een grote
schone tuin, dien zy zelven onderhouden. Te Montreal en te Trois
Rivières is hunne levenswys even dezelve als hier. Zy nemen alles aan
wat zy bekomen kunnen, zonder op het verstand te zien. Ook breken zy
zig het hoofd niet met de wetenschappen, en my wierd verzekerd dat
zodra zy het Monnikskleed aan hebben zy niet alleen om geen studeren
denken, maar nog zelfs alles vergeten wat zy geweten hebben. Zy slapen
meest op matten of iets anders dat hard is, schoon ik in de cellen van
sommigen goede bedden zag leggen. Zy hebben gene vaste goederen, dewyl
zy gelofte doen van armoede, en leven alleen van de almoessen die zy
krygen. Ten dien einde hebben zy enige Fratres, of jonge Monnikken, die
met enen zak aan de huizen rond gaan, om hout, brood, vleesch, en wat
zy anders van doen hebben, te verzamelen. Op het land hebben zy gene
gemeentens. Dog somtyds gaan zy wel in zendelingschap by de Wilden. In
elke vesting waar boven de veertig man in bezetting legt onderhoudt de
Koning enen van deze Monniken in plaats van enen Priester, om den
dienst waartenemen. Hiervoor geniet hy vry kost, woning, oppassing, en
tweehonderd Livres ’s jaars. De helft van dit geld zendt hy aan de
Gemeenschap, het overige is voor hem. Op de schepen worden ook meest
deze Monnikken gebruikt, welken deswegens als tot ’s Koning dienaars
behorende worden aangezien. Als een Pasteur ten platten lande sterft en
de plaats niet schielyk kan vervuld worden, zendt men enen dezer
Monnikken derwaards tot dat ’er een andere Priester is. Een deel dezer
Monnikken komt uit Frankryk over, dog een deel van hun zyn
inboorlingen. Buiten deze Monnikken zyn ’er hier gene anderen,
uitgenomen een enkelde Augustyner, die met de schepen overkomt, dog ook
weer henen gaat.
Den 11. Augustus des morgens deed ik ene wandeling met den Heer
Gaulthier buiten de Stad, ten dele om naar planten te zoeken, en ten
dele om het Nonnenklooster te bezigtigen dat op enigen afstand van de
stad legt. Dat klooster, ’t welk pragtig van steen gebouwd is, legt in
enen aangenamen oord, en is met akkers, weilanden, en bosschen omringd.
Men kan hier de Stad en de Rivier duidelyk zien. Een Hospitaal voor
arme oude lieden, voor gebrekkelyken en diergelyken, maakt een deel van
’t klooster uit, en is in twee zalen verdeeld, ene voor de mans en de
andere voor de vrouwen. De Nonnen passen beiden de geslagten op, egter
met dit onderscheid dat zy voor de mans het eten alleen maar bereiden,
het aanbrengen, hun geneesmiddelen ingeven, het eten weer van de tafel
nemen, dog het overige aan manspersonen te verrigten overlaten; maar in
het vrouwenvertrek doen zy alles. Voor ’t overige was dit Hospitaal
even zo ingerigt als dat van Quebec. Op verzoek van den Gouverneur
Generaal, had my de Bisschop de byzondere gunst toegestaan van in het
Klooster te mogen gaan. In gezelschap van den Heer Gaulthier bragt my
de Abdis in alle de kamers, begeleid van enen troep van Nonnen. De
meesten derzelven zyn van adelyke afkomst; dog velen waren oud, schoon
’er verscheiden jongen onder waren, die ’er niet onaardig uitzagen. Zy
schenen allen veel bevalliger te zyn dan in het andere Nonnenklooster.
De kamers waren even als in dat afgedeeld; dog men vond ’er een weinig
meer huisraad in. De bedden hadden blauwe gordynen; daar stonden een
paar kleine bureaux, een tafeltje, twee stoelen, en enige printen
hingen ’er aan den wand. Dog ’er was nog schoorsteen, nog kacchel,
dewyl zy, gelyk zy ’t noemden, op allerlei wyzen het vleesch doden
moesten. De eetzalen evenwel en de vertrekken der zieken wierden door
kacchels verwarmd. Het getal der Nonnen is hier niet bepaald, en ik zag
’er ene goede menigte van. Ook wierden hier verscheiden’ Nieuwelingen
onderwezen, eer zy hare proef deden. Men zendt hier ook jonge
Juffrouwen naartoe om in den godsdienst en handwerken onderwezen te
worden, en dezen gaan daarna weder uit het Klooster. Dit gebouw ziet
’er als een Paleis uit, en is, gelyk men zegt, van enen Bisschop, die
ook in ’t koor der kerk begraven legt, gestigt. Wy zamelden den
voormiddag enige kruiden op de weiden, die daar naby lagen, en gingen
omtrent den middag by enen ouden eerwaardigen Barrevoeter spyzen, die
het klooster als Priester bediende. Het eten was van de Nonnen klaar
gemaakt, en bestond in zo veel schotels als of het voor de tafel was
van een groot Heer. Ook schonk men ’er verscheiden’ soorten van wyn.
Dit klooster heeft ook aanzienlyk inkomsten. Boven op het gebouw staat
een kleine toren met ene klok. Als men bedenkt wat uitgestrekte
goederen de Koning in Kanada aan alle die Geestelyken weggeschonken
heeft, zoude men zeggen, dat hy zeer weinig voor zig zelven moest
hebben overgehouden.
[Brambozen.]
Brambozen, van het soort dat by ons gemeen is, wiessen overvloedig op
de heuvels, by de koornlanden, en aan beken en stromen, zodat de takken
dikwyls geheel rood van de bessen waren. Zy waren nu gedeeltelyk ryp,
en wierden op het nagerigt gegeten, en ook wel voor den winter in
suiker ingemaakt. De Sorbus aucuparia is tamelyk gemeen in de bosschen.
[Winden.]
De noordoosten wind wordt hier voor den scherpsten gehouden; en men
verzekerde my, dat hy des winters door vry dikke muren zelfs heen
dringt, zo dat de gehele muur van binnen met ryp als beslaat. Zelfs zou
ene kaars digt aan den muur geplaatst byna uitwayen van den wind die
door den muur doordringt. Deze wind beschadigt de stenen huizen
dikwyls, en doet den kalk en de klei schilferen en afvallen. De noorden
en noordoosten wind houdt men hier ook voor de koudsten. Des zomers
voert de noordoosten wind gemeenlyk regen aan.
[Lugtsgesteldheid.]
Het onderscheid van lugtsgesteldheid tusschen Quebec en Montreal wordt
als zeer groot beschreven. Te Montreal is het met de winden en het weer
gantsch anders als te Quebec gesteld. Ook is daar de winter ver na zo
koud niet. By Montreal wassen schone Peren, dog te Quebec komen die
niet voort, en de bomen vriezen dikwyls des winters dood. Te Quebec
valt meer regen; de lente begint ’er later en de winter vroeger. Ook
worden te Montreal de vrugten vroeger ryp.
Den 12. Aug. ging ik na den middag met Jungstrom naar buiten, om daar
enen dag of twee te blyven, ten einde des te beter het land en de
gewassen te leren kennen. De Gouverneur Generaal had enen Amerikaan van
Lorette laten halen om ons den weg te wyzen, en ons het gebruik te
leren dat de Wilden van de planten maken. Deze man was een geboren
Engelschman, die dertig jaren geleden van de Wilden van Lorette nog een
kind zynde gevangen, en door hun in de plaats van enen uit hun, die
door den vyand was omgebragt, opgevoed geworden was. Hy was sedert
altyd onder hun gebleven, had den Roomschen Godsdienst aangenomen, en
was met ene Amerikaansche vrouw getrouwd. Hy ging gelyk de andere
Wilden gekleed, en sprak Engelsch, Fransch, nevens verscheiden onder de
Wilden gebruikelyke talen. Het is onder deze volken de gewoonte van in
de plaats der gesneuvelden uit hun enige gevangenen aantenemen, en dien
de zelve voorregten te doen genieten die de gesneuvelden plegen te
hebben, en ze dan als bloedvrienden aantezien. In de oorlogen tusschen
de Franschen en de Engelschen hebben de Wilden die bondgenoten der
Franschen waren vele gevangenen van beiderlei geslagt in de Engelsche
Volkplantingen gemaakt, en ze als de hunnen aangenomen. Dit heeft
gemaakt dat het bloed der Wilden in Kanada zeer met dat der Europers
vermengd is. Ook is het merkwaardig dat her grootste deel der
Europische gevangenen, die de Wilden dus onder hun ingelyfd hebben,
vooral als dit in hunne jeugd geschied is, noit verlangd hebben naar
hunne geboorteplaats terug te keren, schoon hunne Ouders en anderen van
hunne nabestaanden hen bezogt en gepoogd hebben van hen daartoe te
overreden, aangezien zy ’er de magt thans toe hadden. Dog zy verkiezen
liever de losse levenswys der Wilden te blyven leiden dan weder by
hunne Landslieden te komen wonen. Zy kleden zig gelyk de Wilden, zodat
men ze ’er bezwaarlyk van onderscheiden kan, uitgenomen alleen, dat zy
meest blanker van huid zyn. Ook zyn ’er enige voorbeelden van Franschen
die tot de Wilden overgegaan zyn, en hunne levenswys aangenomen hebben.
Integendeel weet men niet dat het oit gebeurd is dat een der Wilden zig
onder de Europers begeven en hunne levenswys aangenomen heeft. Wanneer
zy in den oorlog in de handen der Europers geraakt zyn hebben zy altyd
gelegenheid gezogt om weder by hunne Landsgenoten te komen, al waren zy
enige jaren onder de Europeanen geweest, en al hadden zy alle de
vryheden genoten welken de Europeanen zelven bezitten.
[Landsgesteldheid.]