Quebec wierd door den Gouverneur Samuel de Champlain in het jaar 1608.

aangelegd. De Stad nam langzaam toe. In ’t jaar 1629. maakten ’er zig

de Engelschen, onder Lewis en Thomas Kerk, met verdrag meester van. De

Engelschen vonden Quebec en gantsch Kanada in zulk enen staat van

gebrek aan noodwendigheden, dat zy daar veeleer als vrienden dan als

vyanden ontvangen wierden. De genoemde Kerks waren broeders van den

Admiraal David Kerk, die met zyne vloot een weinig lager lag. In ’t

jaar 1632. werd Quebec te gelyk met Kanada by den vrede aan de

Franschen teruggegeven. Aanmerking verdient het, dat men in dien tyd in

Frankryk in overweging nam of het der moeite wel waard wezen zoude

Kanada van de Engelschen terug te vorderen. De meesten oordeelden dat

men het niet terug moest eischen, dewyl het een koud gewest was, de

uitgaven de inkomsten ver te boven gingen, en dat Frankryk een zo

uitgestrekt land niet van inwoonders voorzien kon zonder zig zelf

uitteputten, gelyk aan Spanje gebeurd was. Beter was ’t het volk in

Frankryk te houden, en het aantemoedigen tot het beoeffenen van

allerlei handwerken, waardoor de Europers, die in Amerika

volkplantingen hadden, genoodzaakt zouden worden om met hunne waren in

de Fransche havens te komen ten einde daar de Fransche handwerken te

halen. Dog zulken die wat verder dagten waren van oordeel, dat de

lugtstreek zo ruw niet was, en dat ’er grote misslagen door de

Maatschappy begaan wierden, waardoor de uitgaven zo hoog liepen. Men

moest, zeiden zy, niet ene grote menigte volks op eenmaal, dog

allengskens enige weinigen te gelyk, zo dat Frankryk het niet voelen

kon, overvoeren. Daar was grond om te hopen dat dit Land met den tyd

Frankryk magtig zou maken, dewyl ’t het volk gelegenheid geven zou van

zig op de zeevaart, de haring-, dorsch-, walvisch- en robbenvangst toe

te leggen. Dus zou dit land in een zeker opzigt ene school voor zeevolk

worden. Voorts vertoonden zy wat voordelen ’er gelegen waren in ’t

bezit van zo velerhande soorten van pelteryen, in de bekering der

Heidenen, en in zo grote bosschen, waaruit men scheepstimmerhout halen

kon. En al trok men ’er geen ander voordeel van, zo vorderde nogthans

het belang van Frankryk door ’t bezit van dit Land den aanwasch van de

magt der Engelschen in Amerika te hinderen, en dus hun toenemend

vermogen, dat voor Frankryk anders onverdraaglyk stond te worden, palen

te zetten. De tyd heeft geleerd dat deze lieden een goed inzigt in de

zaak gehad, en den grond gelegd hebben voor den aanwas van de magt der

Franschen. O! hadden wy Zweden de zaak ook dus ingezien, toen wy in ’t

bezit van Nieuw Zweden, het beste van alle de gewesten van Noord

Amerika, waren! Een wys en voorzigtig man ziet niet alleen op het

tegenwoordige maar ook op het toekomende.

In ’t begin van Februari 1663. gevoelde men te Quebec, en in een groot

deel van Kanada, die zware aardbeving waarvan men nog de tekens zien

kan. Dog geen mensch verloor ’er het leven by.

In October 1690. wierd Quebec door den Engelschen Generaal William

Phibs belegerd; dog hy moest na enige dagen met groot verlies

aftrekken. De Engelschen poogden wel enige reizen de geledene schade te

boeten; dog de St. Laurence heeft altyd getoond enen goeden voormuur

voor Kanada te zyn, en dat een onervarene en een vyand dezelve niet

ligt opvaart zonder schade te lyden. Op enigen afstand van Quebec is zy

vol van verborgen’ klippen; de stroom is ’er geweldig; en de schepen

zyn op vele plaatsen genoodzaakt dikwyls te wenden.

[Naam.]

De Stad wordt gezegd haren naam van een Normansch woord, wegens hare

legging op een uitstek lands, te ontlenen. Als men op de Rivier by Isle

d’Orleans is kan men de St. Laurence boven de stad niet zien, en de

Rivier St. Charles, die beneden de stad loopt, schynt het vervolg van

de St. Laurence te zyn. Dog wat hoger opkomende ziet men den regten

loop der St. Laurence, die op ’t eerste gezigt naar enen groten

zeeboezem of den mond ener rivier gelykt. Dit had enen der Matrozen die

dit gezigt onverwagt in ’t oog viel aanleiding gegeven van in zyne

spraak uitteroepen, Que bec! dat is wat een uitstek lands! En hiervan

meent men dat de stad haren naam gekregen heeft. Anderen leiden dien

naam van ’t Algonkinsche woord Quebego of Quebek af, het welk het

vernauwen ener zaak beduidt, dewyl de Rivier voor de stad nauwer wordt.

De St. Laurence is voor de stad een vierde van ene Fransche myl breed.

Het zoute zeewater komt noit tot voor de plaats, en het meeste water

dat men hier gebruikt wordt uit de Rivier gehaald. Allen stemden hierin

overeen, dat, hoe breed ook de Rivier is, en hoe sterk ze ook vooral by

de ebbe stroomt, zy nogthans den gehelen winter met ys bedekt is, zo

dat men ’er byna al dien tyd over gaan of ryden kan. Men wil zelfs,

dat, als de Rivier in Mai open is, het somtyds gebeurt dat ’er in die

maand zo koude nagten invallen, dat zy op nieuws toevriest, zo dat men

’er over gaan kan. Dit is een duidelyk bewys dat de koude hier zeer

gestreng is, vooral als men let op het geen zo aanstonds aangaande het

ty in deze Rivier zal gezegd worden. De grootste breedte der Rivier by

haren uitloop in zee zal omtrent zesentwintig Fr. mylen bedragen,

schoon men de juiste palen tusschen de Rivier en de zee by hare

vereniging met dezelve niet kan aanwyzen, dewyl zy allengskens wyder en

wyder wordt en ongemerkt in zee stort. Het meeste water, dat in vele

grote Meren in Kanada is, waaronder ’er vier of vyf gevonden worden die

zeer groot zyn, moet zig door deze Rivier in zee lozen. De vaart uit

zee langs de St. Laurence is uit hoofde van den sterken stroom en de

menigvuldige zandbanken, die zig nu en dan verzetten, zeer gevaarlyk.

De Engelschen hebben dit tweemalen ondervonden als zy Kanada wilden

aantasten. Derhalven beschouwen de Franschen deze Rivier als den

voormuur van Kanada. [303]

De vloed gaat, gelyk ik reeds gemeld heb, ver boven Quebec. Het

onderscheid tusschen den hoogsten vloed en de laagste ebbe is daar

gemeenlyk vyftien of zestien Fr. voeten. Dog by nieuwe of volle maan

wil men dat het verschil wel zeventien of agttien voeten bedraagt, het

welk inderdaad een aanmerkelyk verschil is.

[Ginseng.]

Ginseng is de naam dien de Franschen hier te lande aan ene plant geven,

op welker wortel de Chinezen groten prys stellen. [304] Van onheuglyke

tyden af is zy in Chineesch Tartarye en in Korea gewassen, waar zy

jaarlyks verzameld en naar China gevoerd wordt. Vader Du Halde [305]

zegt dat zy de kostelykste en nuttigste plant van allen is die in Oost

Tartarye vallen, en alle jaren ene grote menigte kruidzoekers naar de

woestenyen van dat land lokt. De Mantchou Tartaren noemen ze Orhota,

dat is de Koningin der planten. [306] Zy wordt zo van de Tartaren als

Chinezen zeer geroemd, zo wel om hare uitmuntende kragt ter genezing

van vele zware ziektens, als wegens het vermogen dat zy hebben zou ter

versterking van de kragten des lichaams en ter opwekking van verzwakte

zinnen. Zy is in zulk ene agting dat het once goeden Ginseng te Peking

zeven of agt oncen zilvers geldt. Toen de liefhebbers der kruidkunde in

Kanada deze plant het eerst afgebeeld zagen, herinnerden zy zig ene

diergelyke daar te lande gezien te hebben. Zy wierden in hunne mening

bevestigd doordien verscheiden’ streken van Kanada op juist de zelve

Poolshoogte leggen als die plaatsen van Tartarye waar de Ginseng in ’t

wild wast. Ook bedrogen zy zig niet. Zy vonden die plant op vele

plaatsen van Noord Amerika in de bosschen, zo wel in de Fransche als in

de Engelsche Volkplantingen, in menigte van zelfwassende. Zy zoekt de

schaduw en ene diepe tuinaarde, dog gene natte of verhevene plaatsen.

Men kan egter niet zeggen dat zy zeer gemeen is, want somtyds kan men

enige mylen door de bosschen reizen zonder ene enkelde plant te vinden.

Dog waar zy wast; wast zy in menigte. Zy bloeit in Mai en Juni, en de

bessen zyn ryp op het einde van Augustus. Men kan ze met den wortel ’er

aan verplanten, en zy gaat dan weer ten eersten aan ’t groeyen. Enige

menschen, die de bessen in hunne tuinen gezaid hadden, zeiden dat zy

een of twee jaren in den grond blyven leggen voor dat zy opkomen. De

Iroquoizen noemen deze wortels Garangtoging, het welk een kind

betekent, dewyl zy enige gelykenis op een kind hebben. Dog volgens de

mening van anderen beduidt dit woord ene dye, waarnaar de wortel meer

gelykt. De kragt, welke de Franschen dezen wortel toeschryven, bestaat

daarin dat zy de benauwdheid der borst wegneemt, de maag versterkt, en

de vrouwen vrugtbaar maakt. Men dreef ’er thans enen sterken handel

mede. De wortelen worden hier in menigte verzamelt, en naar Frankryk

gezonden, van waar men ze met groot voordeel naar China verzendt. [307]

In ’t eerst toen men ze naar Europa begon te zenden wierden zy duur

betaald. Men verhaalde dat enige Fransche ongelooflyke schatten met

dezen handel op China gewonnen hadden. Dog de menigte die ’er van

overkwam heeft den prys in China, en gevolglyk in Frankryk en Kanada

zelfs zeer doen dalen. Egter vinden de Kooplieden hunne rekening zeer

wel by dezen handel. In den zomer van het jaar 1748. betaalde men te

Quebec zes Fransche Guldens voor het pond. Gemeenlyk geldt het daar

honderd Sols. Toen ik in Kanada was kregen alle de Kooplieden te Quebec

en te Montreal last van hunne Korrespondenten in Frankryk om ene grote

menigte Ginseng overtezenden. Dus werd zy thans meer dan oit getrokken.

Men zogt ze dan ook met alle vlyt. De Wilden vooral zwierven alomme om

ze te vinden, en ze den kooplieden te Montreal te brengen. Den ganschen

zomer konden de Boeren in den omtrek van die stad niet enen Amerikaan

krygen, om, volgens gewoonte, hen in den oogst te helpen, zo bezig was

dat volk met het zoeken naar Ginsengs. Velen vreesden dat als men enige

jaren voortvoer met deze wortels zo yverig te zoeken, zonder hier en

daar enige planten te laten staan ten einde het geslagt voorttezetten,

’er weinig binnen korten tyd van overblyven zou; en dit is zeer

waarschynlyk. Ook berigtte men in ’t algemeen dat dit gewas voorheen

overvloedig rondom Montreal plegt gevonden te worden, dog tegenwoordig

was ’er niet ene enkelde plant te zien. Dit dwong de Wilden dezen zomer

om ze ver binnen de grenzen der Engelschen te gaan zoeken. Men heeft

met deze wortelen, na dat zy door de Wilden zyn aangebragt, nog veel

moeite; want men legt ze uit malkander op den grond om te drogen,

waartoe twee maanden of meer tyds vereischt wordt, naardat het weder

is. Ondertusschen moeten zy daags eens of tweemaal omgekeerd worden, op

dat zy niet beschimmelen, of verrotten. Wat ten noorden van Montreal

heeft men ze nergens in ’t wild gevonden. De Opzigter der Geestelykheid

hier te lande en anderen verhaalden my dat de Chinezen den Kanadaschen

Ginseng voor even zo goed als den Tartaarschen houden; [308] en dat nog

niemant wel wist hoe de Chinezen ze toebereiden. Dog men denkt dat als

de wortel begonnen heeft te drogen zy een afkooksel van de bladeren

maken, en hem daarin laten weken. De wortel in China toebereid is

doorschynend en ziet ’er uit als hoorn. Om goed te zyn moet de wortel

zwaar en van binnen gesloten zyn.

[Herba capillaris.]

Het doorgaans in Kanada zo genoemde Herba capillaris [309] is ook een

van de gewassen waarmede dit gewest enen sterken handel dryft. De

Engelschen noemen het Maagdenhair. [310] Het groeit overvloedig in alle

hunne Amerikaansche Volkplantingen, die ik doorreisd heb. Ook is het

zeer gemeen in de zuidelyke delen van Kanada, dog omstreeks Quebec heb

ik het niet vernomen. Deze plant slaagt niet dan in de schaduw en op

goede gronden. Verscheiden menschen te Albany en in Kanada berigteden,

dat de bladen derzelven zeer veel als thee in teringen, verkoudheden en

andere borstkwalen gebruikt werden. Dit had men van de Wilden geleerd,

die van overoude tyden her van dit middel zig bediend hadden. De

Amerikaansche Herba capillaris zou in de Geneeskonst beter zyn dan het

Europisch Vrouwenhair. [311] Ook wordt ’er jaarlyks veel van naar

Frankryk gezonden. De prys is niet altyd de zelve, en schikt zig naar

de deugd der waar, hare toebereiding, en de menigte die ’er van is.

Gemeenlyk kost het pond te Quebec van vyf tot vyftien sols. Om dezen

tyd van het jaar begaven zig de Wilden in groten getale naar de

bosschen ver boven Montreal om dit gewas optezoeken en te vergaderen.

[Moeskruiden.]

De Moeskruiden komen hier zeer wel voort. De witte Kool stond zeer wel,

schoon de rupsen ze zeer beschadigd hadden. De Uyens waren, zo wel als

de andere soorten van Look, zeer in gebruik. Niet minder at men hier

kawoerden, meloenen, salade, endyvie, erwten, bonen, peen, en

komkommers. Men had ook tamelyk veel rode Beten, Radys, Tym, en

Marjolyn. Ook zaide men veel Rapen, die inzonderheid des winters veel

gegeten werden. Witte peen gebruikte men ook tamelyk veel. Weinig hield

men van Artisjokken. Nog de gemene [312] nog de Bermudische Potatoes

[313] worden hier geplant, om dat zy voor smakeloos gehouden worden, en

men lachte de Engelschen uit om dat zy ’er zo veel werks van maakten.

De Brassica gongylodes van Linnæus [314] was onbekend in geheel Noord

Amerika by de Zweden, de Engelschen, de Hollanders, Ieren, Duitschers

en Franschen. De genen die hier zig op het aanfokken der Moeskruiden

toeleiden hebben my verzekerd, dat zy genoodzaakt waren jaarlyks nieuwe

zaden uit Frankryk te doen komen, dewyl zy in Kanada met het derde jaar

hunne kragt verloren, en niet meer zo goede en smakelyke planten

voortbragten.

[Onkunde der Wilden.]

By de Wilden, die van overoude tyden af in Noord Amerika gewoond

hebben, en die van enerlei afkomst zyn en dezelve taal spreken, heeft

men nimmer enige letters, veel minder geschriften of boeken ontdekt. Zy

hebben gevolgelyk vele euwen lang in de grofste onkunde geleefd. Dit is

oorzaak dat zy niet het minste weten aangaande de oude gesteldheid des

Lands, en al wat zy ’er van weten steunt op losse vertellingen en horen

zeggens. Niemant is ’er die wete of voor deze Wilden, die nu hier

wonen, een ander volk in bezit van ’t Land geweest is, nog of iemant

voor Columbus’ tyden dit Werelddeel bezogt hebbe. Even zo onbekend is

het of voorheen hier oit het Christendom gepredikt zy. Ik vroeg

verscheidene Jesuieten, die door dit grote Land omreisden, of zy oit by

de Wilden enige sporen hadden kunnen ontdekken van Christenen, die voor

heen hier geweest mogten zyn; dog zy wisten ’er niets van. Zo onkundig

als deze Wilden in het schryven en de wetenschappen zyn, en altyd

geweest zyn, zo onkundig zyn zy ook in de bouwkunst en de handwerken.

Vergeefs zoekt men by hen welgebouwde steden en huizen, vestingwerken,

torens, pilaren, en diergelyke dingen, welken men in de oude wereld van

vroege tyden af kan aanwyzen. De gebouwen dezer menschen zyn slegts

elendige hutten van boomschorssen, aan alle zyden voor regen en wind

open. Al hun muurwerk bestaat daarin dat zy enige stenen rondom de

plaats daar zy vuur in hunne hutten maken leggen, om te verhinderen dat

het vuur te ver voortkruipe, of liever om dus de plaats te

onderscheiden voor het vuur. Een Reiziger vindt hier niet het tiende

deel van het vermaak dat men in andere van ouds bewoonde landen in ’t

reizen geniet, waar men byna iederen dag een overblyfsel der Aloudheid

ontmoet, nu ene beroemde stad, dan puinhopen van een oud kasteel; nu

een slagveld, waar enige euwen geleden een bloedig treffen tusschen

magtige en beroemde Vorsten of Veldoverstens voorgevallen is; dan de

geboorteplaats van den enen of den anderen geleerden en door de

gantsche wereld beroemden man. Op zulke plaatsen kan men zyne gedagten

op velerhande wyzen strelen, en zo vele gebeurde zaken levendig

voorstellen. Dog hier vindt men niets van dezen aard. De geschiedenis

gaat hier niet hoger dan de aankomst der Europers. Wat men van vroegere

tyden verhaalt heeft groter gelykenis naar enen droom of een verdigtsel

dan naar ene gebeurtenis. Evenwel heeft men enige merktekens van

Oudheid in Noord Amerika gevonden, waaruit men opmaken kan, of dat dit

gewest in de voorgaande euwen van het een of ander in de wetenschappen

meer ervaren volk, dan het welk de Europers daar gevonden hebben, is

bewoond geweest, of dat ’er uit de Oude Wereld herwaards een zware

krygstogt moet ondernomen zyn.

[Reis over land naar de Zuid Zee en gedane ontdekkingen.]

Dit wordt door een verhaal bevestigd, dat ik den Heer Verandrier, die

zelfde onderneming naar de Zuid Zee, van de welke ik zo aanstonds

gewagen zal, geleidde, aan de tafel van den Gouverneur Generaal hoorde

doen, en het welk my naderhand verscheiden ooggetuigen bevestigd

hebben. Zie hier kortelyk waar in dit verhaal bestond. Weinige jaren

voor myn aankomst hier te lande kreeg gemelde Heer Verandrier van den

toenmaligen Gouverneur Generaal, den Ridder De Beauharnois, bevel om

met enen hoop krygsvolks enen togt dwars door Noord Amerika, van Kanada

af tot aan de Zuid Zee, te doen, om te onderzoeken hoe groot de afstand

dier zee van dat geweest ware, en welke voordelen Kanada of Louisiana

van de gemeenschap mee dezelve trekken konde. De reis wierd van

Montreal af te paard, en, zo veel het stromen, meren, bergen, en zo

voorts, toelieten, regt toe westwaards aan voortgezet. Toen zy diep in

het Land gekomen, en velerlei volken voorby gereisd waren, vonden zy

somwylen grote velden, geheel van hout ontbloot en met zeer hoog

gewassen gras bedekt, die enige dagreizen aanhielden. Op velen van deze

velden was de grond doorgaans met voren doorsneden, als waren zy

voorheen beploegd geweest. En hier moet men aanmerken dat geen van de

thans in Amerika woonagtige wilde volken deze voren heeft konnen

trekken, dewyl dezen nog paarden, nog ossen, nog ploegen, nog enig

ander bouwgereedschap bezitten, en voor de aankomst der Europers noit

enen ploeg gezien hebben. Op twee of drie plaatsen, dog ver van

malkander, waren in de rotsen indrukken van voeten, zo wel van kinderen

als van volwassen menschen te zien. Dog dit is ontwyffelbaar voor een

spel der natuur te houden. Toen zy zo ver naar ’t westen gekomen waren,

waar, zo veel men weet, noit een Europer geweest is, vonden zy hier en

daar, zo wel in bosschen als op uitgestrekte vlaktens, grote pylaren

van steen, rustende tegen malkander. De pylaren bestonden elk uit een

stuk, en de Franschen konden niet anders zien of zy waren door

menschenhanden opgerigt. Somtyds vonden zy zulke stenen op malkander,

en als tot een muur gemetseld. Op enige plaatsen waar zy zulke stenen

aantroffen zagen zy gene andere stenen in de nabuurschap. Op genen van

deze stenen konden zy enig schrift of letters ontdekken, hoe zeer zy

’er ook naar zogten. Eindelyk egter vonden zy enen groten steen

gelykenden wel naar enen pylaar, en op dien enen kleinderen, die aan

beide zyden van onbekende letters vol was. Dezen steen, die omtrent de

lengte van enen Franschen voet en de breedte ener hand had, braken zy

los, en voerden hem naderhand naar Kanada, van waar hy naar Frankryk

aan den Graaf van Maurepas gezonden wierd. Wat ’er vervolgens van

geworden was, wisten zy niet, dog zy geloofden dat hy nog in ’t Kabinet

van dien Heer was. Verscheiden’ Jesuieten, die zelfs hier in Kanada

dien steen in handen gehad hadden, berigteden eenparig, dat zy de

daarop gegraveerde letters met die vergeleken hadden welken men als

Tartarische letters opgegeven vindt, en dat zy van het zelve soort met

dezelven schenen te zyn. [315] Maar schoon de op deze onderneming

afgezonden’ Franschen zig alle bedenkelyke moeite gaven, om van

daaromstreeks wonende Amerikanen te vernemen, wanneer en van wien die

steenpylaren opgerigt waren, wat overleveringen zy daarvan hadden, wat

die letters te kennen gaven, wie ze ’er op gezet hadden, wat soort van

letters het waren, en tot welke taal zy behoorden, en diergelyken,

konden zy ’er niet de minste onderrigting aangaande krygen, en de

Wilden waren ’er ruim zo onkundig omtrent als de Franschen. Het enige

dat zy wisten te zeggen was dat die stenen daar van overoude tyden her

gestaan hadden. De plaatsen waar men deze overblyfsels vond waren wel

negenhonderd Fr. mylen westwaards van Montreal. Het ware oogmerk dier

Reis, namelyk om tot de Zuid Zee doortedringen, en den afstand

derzelver van Kanada te bepalen, wierd door deze afgezondene manschap

niet bereikt, dewyl zy zig bewegen lieten om deel in enen oorlog te

nemen tusschen twee ver van Kanada af wonende wilde volken, in den

welken enigen van de Franschen gevangen genomen, en de overigen

gedwongen werden van ’t voortzetten hunner Reis aftezien en

terugtekeren. Van de allerverst wonende Wilden ten westen, by wie zy

kwamen, verstonden zy egter, dat zy maar enige dagreizen van de Zuid

Zee afwaren; dat zy zelven dikwyls met de Spanjaarden aan die Zee

wonende handel dreven, en somtyds naar de Hudsonsbai reisden en met de

Engelschen handelden. Enigen van deze Wilden hadden huizen van aarde

gemaakt. Velen van die Volken hadden nimmer van te voren enen

Franschman gezien. Zy waren gedeeltelyk met vellen gekleed, dog velen

gingen geheel naakt.

[Vlaktens met voren doortrokken.]

Allen die in Kanada waren en ver landwaards in, ’t zy naar ’t zuiden,

dog voornamelyk naar ’t westen, gereisd hadden, kwamen hierin overeen,

dat men daar op vele plaatsen grote vlaktens aantrof, geheel van hout

ontbloot, en waar de grond met voren doorsneden was, als waren daar

voorheen beploegde akkers geweest. Waar dit van daan kwam kon niemant

zeggen; want de koornlanden van het grootste dorp der Wilden kunnen

niet wel meer plaats beslaan dan vier of vyf van onze mergens, en de

gemelde gevoorde vlaktens beslaan dikwyls ene ruimte van verscheidene

dagen reizens, uitgenomen dat men hier en daar ene enkelde plaats

aantreft waar gene voren zyn, en enige kleine heuvels.

Meerder overblyfsels van de Oudheid konde ik in Kanada niet te weten

komen, hoe sterk ik my ’er ook op toeleide. In ’t vervolg myner

Reisbeschryving gedurende het jaar 1750. [316] zal ik gelegenheid

vinden nog twee merkwaardige zaken aantetekenen. Dog dat onze

Skandinaviers lang voor Columbus reistogten naar Noord Amerika

ondernomen hebben, heeft onder anderen de Heer George Westman in zyne

te Aobo in ’t jaar 1747. ter verkryging van den graad van Meester

verdedigde Verhandeling bewezen, werwaards ik den Lezer verzende.

[Nonnenklooster.]

Reis door Noord Amerika · 第 37 / 50 段