aangelegd. De Stad nam langzaam toe. In ’t jaar 1629. maakten ’er zig
de Engelschen, onder Lewis en Thomas Kerk, met verdrag meester van. De
Engelschen vonden Quebec en gantsch Kanada in zulk enen staat van
gebrek aan noodwendigheden, dat zy daar veeleer als vrienden dan als
vyanden ontvangen wierden. De genoemde Kerks waren broeders van den
Admiraal David Kerk, die met zyne vloot een weinig lager lag. In ’t
jaar 1632. werd Quebec te gelyk met Kanada by den vrede aan de
Franschen teruggegeven. Aanmerking verdient het, dat men in dien tyd in
Frankryk in overweging nam of het der moeite wel waard wezen zoude
Kanada van de Engelschen terug te vorderen. De meesten oordeelden dat
men het niet terug moest eischen, dewyl het een koud gewest was, de
uitgaven de inkomsten ver te boven gingen, en dat Frankryk een zo
uitgestrekt land niet van inwoonders voorzien kon zonder zig zelf
uitteputten, gelyk aan Spanje gebeurd was. Beter was ’t het volk in
Frankryk te houden, en het aantemoedigen tot het beoeffenen van
allerlei handwerken, waardoor de Europers, die in Amerika
volkplantingen hadden, genoodzaakt zouden worden om met hunne waren in
de Fransche havens te komen ten einde daar de Fransche handwerken te
halen. Dog zulken die wat verder dagten waren van oordeel, dat de
lugtstreek zo ruw niet was, en dat ’er grote misslagen door de
Maatschappy begaan wierden, waardoor de uitgaven zo hoog liepen. Men
moest, zeiden zy, niet ene grote menigte volks op eenmaal, dog
allengskens enige weinigen te gelyk, zo dat Frankryk het niet voelen
kon, overvoeren. Daar was grond om te hopen dat dit Land met den tyd
Frankryk magtig zou maken, dewyl ’t het volk gelegenheid geven zou van
zig op de zeevaart, de haring-, dorsch-, walvisch- en robbenvangst toe
te leggen. Dus zou dit land in een zeker opzigt ene school voor zeevolk
worden. Voorts vertoonden zy wat voordelen ’er gelegen waren in ’t
bezit van zo velerhande soorten van pelteryen, in de bekering der
Heidenen, en in zo grote bosschen, waaruit men scheepstimmerhout halen
kon. En al trok men ’er geen ander voordeel van, zo vorderde nogthans
het belang van Frankryk door ’t bezit van dit Land den aanwasch van de
magt der Engelschen in Amerika te hinderen, en dus hun toenemend
vermogen, dat voor Frankryk anders onverdraaglyk stond te worden, palen
te zetten. De tyd heeft geleerd dat deze lieden een goed inzigt in de
zaak gehad, en den grond gelegd hebben voor den aanwas van de magt der
Franschen. O! hadden wy Zweden de zaak ook dus ingezien, toen wy in ’t
bezit van Nieuw Zweden, het beste van alle de gewesten van Noord
Amerika, waren! Een wys en voorzigtig man ziet niet alleen op het
tegenwoordige maar ook op het toekomende.
In ’t begin van Februari 1663. gevoelde men te Quebec, en in een groot
deel van Kanada, die zware aardbeving waarvan men nog de tekens zien
kan. Dog geen mensch verloor ’er het leven by.
In October 1690. wierd Quebec door den Engelschen Generaal William
Phibs belegerd; dog hy moest na enige dagen met groot verlies
aftrekken. De Engelschen poogden wel enige reizen de geledene schade te
boeten; dog de St. Laurence heeft altyd getoond enen goeden voormuur
voor Kanada te zyn, en dat een onervarene en een vyand dezelve niet
ligt opvaart zonder schade te lyden. Op enigen afstand van Quebec is zy
vol van verborgen’ klippen; de stroom is ’er geweldig; en de schepen
zyn op vele plaatsen genoodzaakt dikwyls te wenden.
[Naam.]
De Stad wordt gezegd haren naam van een Normansch woord, wegens hare
legging op een uitstek lands, te ontlenen. Als men op de Rivier by Isle
d’Orleans is kan men de St. Laurence boven de stad niet zien, en de
Rivier St. Charles, die beneden de stad loopt, schynt het vervolg van
de St. Laurence te zyn. Dog wat hoger opkomende ziet men den regten
loop der St. Laurence, die op ’t eerste gezigt naar enen groten
zeeboezem of den mond ener rivier gelykt. Dit had enen der Matrozen die
dit gezigt onverwagt in ’t oog viel aanleiding gegeven van in zyne
spraak uitteroepen, Que bec! dat is wat een uitstek lands! En hiervan
meent men dat de stad haren naam gekregen heeft. Anderen leiden dien
naam van ’t Algonkinsche woord Quebego of Quebek af, het welk het
vernauwen ener zaak beduidt, dewyl de Rivier voor de stad nauwer wordt.
De St. Laurence is voor de stad een vierde van ene Fransche myl breed.
Het zoute zeewater komt noit tot voor de plaats, en het meeste water
dat men hier gebruikt wordt uit de Rivier gehaald. Allen stemden hierin
overeen, dat, hoe breed ook de Rivier is, en hoe sterk ze ook vooral by
de ebbe stroomt, zy nogthans den gehelen winter met ys bedekt is, zo
dat men ’er byna al dien tyd over gaan of ryden kan. Men wil zelfs,
dat, als de Rivier in Mai open is, het somtyds gebeurt dat ’er in die
maand zo koude nagten invallen, dat zy op nieuws toevriest, zo dat men
’er over gaan kan. Dit is een duidelyk bewys dat de koude hier zeer
gestreng is, vooral als men let op het geen zo aanstonds aangaande het
ty in deze Rivier zal gezegd worden. De grootste breedte der Rivier by
haren uitloop in zee zal omtrent zesentwintig Fr. mylen bedragen,
schoon men de juiste palen tusschen de Rivier en de zee by hare
vereniging met dezelve niet kan aanwyzen, dewyl zy allengskens wyder en
wyder wordt en ongemerkt in zee stort. Het meeste water, dat in vele
grote Meren in Kanada is, waaronder ’er vier of vyf gevonden worden die
zeer groot zyn, moet zig door deze Rivier in zee lozen. De vaart uit
zee langs de St. Laurence is uit hoofde van den sterken stroom en de
menigvuldige zandbanken, die zig nu en dan verzetten, zeer gevaarlyk.
De Engelschen hebben dit tweemalen ondervonden als zy Kanada wilden
aantasten. Derhalven beschouwen de Franschen deze Rivier als den
voormuur van Kanada. [303]
De vloed gaat, gelyk ik reeds gemeld heb, ver boven Quebec. Het
onderscheid tusschen den hoogsten vloed en de laagste ebbe is daar
gemeenlyk vyftien of zestien Fr. voeten. Dog by nieuwe of volle maan
wil men dat het verschil wel zeventien of agttien voeten bedraagt, het
welk inderdaad een aanmerkelyk verschil is.
[Ginseng.]
Ginseng is de naam dien de Franschen hier te lande aan ene plant geven,
op welker wortel de Chinezen groten prys stellen. [304] Van onheuglyke
tyden af is zy in Chineesch Tartarye en in Korea gewassen, waar zy
jaarlyks verzameld en naar China gevoerd wordt. Vader Du Halde [305]
zegt dat zy de kostelykste en nuttigste plant van allen is die in Oost
Tartarye vallen, en alle jaren ene grote menigte kruidzoekers naar de
woestenyen van dat land lokt. De Mantchou Tartaren noemen ze Orhota,
dat is de Koningin der planten. [306] Zy wordt zo van de Tartaren als
Chinezen zeer geroemd, zo wel om hare uitmuntende kragt ter genezing
van vele zware ziektens, als wegens het vermogen dat zy hebben zou ter
versterking van de kragten des lichaams en ter opwekking van verzwakte
zinnen. Zy is in zulk ene agting dat het once goeden Ginseng te Peking
zeven of agt oncen zilvers geldt. Toen de liefhebbers der kruidkunde in
Kanada deze plant het eerst afgebeeld zagen, herinnerden zy zig ene
diergelyke daar te lande gezien te hebben. Zy wierden in hunne mening
bevestigd doordien verscheiden’ streken van Kanada op juist de zelve
Poolshoogte leggen als die plaatsen van Tartarye waar de Ginseng in ’t
wild wast. Ook bedrogen zy zig niet. Zy vonden die plant op vele
plaatsen van Noord Amerika in de bosschen, zo wel in de Fransche als in
de Engelsche Volkplantingen, in menigte van zelfwassende. Zy zoekt de
schaduw en ene diepe tuinaarde, dog gene natte of verhevene plaatsen.
Men kan egter niet zeggen dat zy zeer gemeen is, want somtyds kan men
enige mylen door de bosschen reizen zonder ene enkelde plant te vinden.
Dog waar zy wast; wast zy in menigte. Zy bloeit in Mai en Juni, en de
bessen zyn ryp op het einde van Augustus. Men kan ze met den wortel ’er
aan verplanten, en zy gaat dan weer ten eersten aan ’t groeyen. Enige
menschen, die de bessen in hunne tuinen gezaid hadden, zeiden dat zy
een of twee jaren in den grond blyven leggen voor dat zy opkomen. De
Iroquoizen noemen deze wortels Garangtoging, het welk een kind
betekent, dewyl zy enige gelykenis op een kind hebben. Dog volgens de
mening van anderen beduidt dit woord ene dye, waarnaar de wortel meer
gelykt. De kragt, welke de Franschen dezen wortel toeschryven, bestaat
daarin dat zy de benauwdheid der borst wegneemt, de maag versterkt, en
de vrouwen vrugtbaar maakt. Men dreef ’er thans enen sterken handel
mede. De wortelen worden hier in menigte verzamelt, en naar Frankryk
gezonden, van waar men ze met groot voordeel naar China verzendt. [307]
In ’t eerst toen men ze naar Europa begon te zenden wierden zy duur
betaald. Men verhaalde dat enige Fransche ongelooflyke schatten met
dezen handel op China gewonnen hadden. Dog de menigte die ’er van
overkwam heeft den prys in China, en gevolglyk in Frankryk en Kanada
zelfs zeer doen dalen. Egter vinden de Kooplieden hunne rekening zeer
wel by dezen handel. In den zomer van het jaar 1748. betaalde men te
Quebec zes Fransche Guldens voor het pond. Gemeenlyk geldt het daar
honderd Sols. Toen ik in Kanada was kregen alle de Kooplieden te Quebec
en te Montreal last van hunne Korrespondenten in Frankryk om ene grote
menigte Ginseng overtezenden. Dus werd zy thans meer dan oit getrokken.
Men zogt ze dan ook met alle vlyt. De Wilden vooral zwierven alomme om
ze te vinden, en ze den kooplieden te Montreal te brengen. Den ganschen
zomer konden de Boeren in den omtrek van die stad niet enen Amerikaan
krygen, om, volgens gewoonte, hen in den oogst te helpen, zo bezig was
dat volk met het zoeken naar Ginsengs. Velen vreesden dat als men enige
jaren voortvoer met deze wortels zo yverig te zoeken, zonder hier en
daar enige planten te laten staan ten einde het geslagt voorttezetten,
’er weinig binnen korten tyd van overblyven zou; en dit is zeer
waarschynlyk. Ook berigtte men in ’t algemeen dat dit gewas voorheen
overvloedig rondom Montreal plegt gevonden te worden, dog tegenwoordig
was ’er niet ene enkelde plant te zien. Dit dwong de Wilden dezen zomer
om ze ver binnen de grenzen der Engelschen te gaan zoeken. Men heeft
met deze wortelen, na dat zy door de Wilden zyn aangebragt, nog veel
moeite; want men legt ze uit malkander op den grond om te drogen,
waartoe twee maanden of meer tyds vereischt wordt, naardat het weder
is. Ondertusschen moeten zy daags eens of tweemaal omgekeerd worden, op
dat zy niet beschimmelen, of verrotten. Wat ten noorden van Montreal
heeft men ze nergens in ’t wild gevonden. De Opzigter der Geestelykheid
hier te lande en anderen verhaalden my dat de Chinezen den Kanadaschen
Ginseng voor even zo goed als den Tartaarschen houden; [308] en dat nog
niemant wel wist hoe de Chinezen ze toebereiden. Dog men denkt dat als
de wortel begonnen heeft te drogen zy een afkooksel van de bladeren
maken, en hem daarin laten weken. De wortel in China toebereid is
doorschynend en ziet ’er uit als hoorn. Om goed te zyn moet de wortel
zwaar en van binnen gesloten zyn.
[Herba capillaris.]
Het doorgaans in Kanada zo genoemde Herba capillaris [309] is ook een
van de gewassen waarmede dit gewest enen sterken handel dryft. De
Engelschen noemen het Maagdenhair. [310] Het groeit overvloedig in alle
hunne Amerikaansche Volkplantingen, die ik doorreisd heb. Ook is het
zeer gemeen in de zuidelyke delen van Kanada, dog omstreeks Quebec heb
ik het niet vernomen. Deze plant slaagt niet dan in de schaduw en op
goede gronden. Verscheiden menschen te Albany en in Kanada berigteden,
dat de bladen derzelven zeer veel als thee in teringen, verkoudheden en
andere borstkwalen gebruikt werden. Dit had men van de Wilden geleerd,
die van overoude tyden her van dit middel zig bediend hadden. De
Amerikaansche Herba capillaris zou in de Geneeskonst beter zyn dan het
Europisch Vrouwenhair. [311] Ook wordt ’er jaarlyks veel van naar
Frankryk gezonden. De prys is niet altyd de zelve, en schikt zig naar
de deugd der waar, hare toebereiding, en de menigte die ’er van is.
Gemeenlyk kost het pond te Quebec van vyf tot vyftien sols. Om dezen
tyd van het jaar begaven zig de Wilden in groten getale naar de
bosschen ver boven Montreal om dit gewas optezoeken en te vergaderen.
[Moeskruiden.]
De Moeskruiden komen hier zeer wel voort. De witte Kool stond zeer wel,
schoon de rupsen ze zeer beschadigd hadden. De Uyens waren, zo wel als
de andere soorten van Look, zeer in gebruik. Niet minder at men hier
kawoerden, meloenen, salade, endyvie, erwten, bonen, peen, en
komkommers. Men had ook tamelyk veel rode Beten, Radys, Tym, en
Marjolyn. Ook zaide men veel Rapen, die inzonderheid des winters veel
gegeten werden. Witte peen gebruikte men ook tamelyk veel. Weinig hield
men van Artisjokken. Nog de gemene [312] nog de Bermudische Potatoes
[313] worden hier geplant, om dat zy voor smakeloos gehouden worden, en
men lachte de Engelschen uit om dat zy ’er zo veel werks van maakten.
De Brassica gongylodes van Linnæus [314] was onbekend in geheel Noord
Amerika by de Zweden, de Engelschen, de Hollanders, Ieren, Duitschers
en Franschen. De genen die hier zig op het aanfokken der Moeskruiden
toeleiden hebben my verzekerd, dat zy genoodzaakt waren jaarlyks nieuwe
zaden uit Frankryk te doen komen, dewyl zy in Kanada met het derde jaar
hunne kragt verloren, en niet meer zo goede en smakelyke planten
voortbragten.
[Onkunde der Wilden.]
By de Wilden, die van overoude tyden af in Noord Amerika gewoond
hebben, en die van enerlei afkomst zyn en dezelve taal spreken, heeft
men nimmer enige letters, veel minder geschriften of boeken ontdekt. Zy
hebben gevolgelyk vele euwen lang in de grofste onkunde geleefd. Dit is
oorzaak dat zy niet het minste weten aangaande de oude gesteldheid des
Lands, en al wat zy ’er van weten steunt op losse vertellingen en horen
zeggens. Niemant is ’er die wete of voor deze Wilden, die nu hier
wonen, een ander volk in bezit van ’t Land geweest is, nog of iemant
voor Columbus’ tyden dit Werelddeel bezogt hebbe. Even zo onbekend is
het of voorheen hier oit het Christendom gepredikt zy. Ik vroeg
verscheidene Jesuieten, die door dit grote Land omreisden, of zy oit by
de Wilden enige sporen hadden kunnen ontdekken van Christenen, die voor
heen hier geweest mogten zyn; dog zy wisten ’er niets van. Zo onkundig
als deze Wilden in het schryven en de wetenschappen zyn, en altyd
geweest zyn, zo onkundig zyn zy ook in de bouwkunst en de handwerken.
Vergeefs zoekt men by hen welgebouwde steden en huizen, vestingwerken,
torens, pilaren, en diergelyke dingen, welken men in de oude wereld van
vroege tyden af kan aanwyzen. De gebouwen dezer menschen zyn slegts
elendige hutten van boomschorssen, aan alle zyden voor regen en wind
open. Al hun muurwerk bestaat daarin dat zy enige stenen rondom de
plaats daar zy vuur in hunne hutten maken leggen, om te verhinderen dat
het vuur te ver voortkruipe, of liever om dus de plaats te
onderscheiden voor het vuur. Een Reiziger vindt hier niet het tiende
deel van het vermaak dat men in andere van ouds bewoonde landen in ’t
reizen geniet, waar men byna iederen dag een overblyfsel der Aloudheid
ontmoet, nu ene beroemde stad, dan puinhopen van een oud kasteel; nu
een slagveld, waar enige euwen geleden een bloedig treffen tusschen
magtige en beroemde Vorsten of Veldoverstens voorgevallen is; dan de
geboorteplaats van den enen of den anderen geleerden en door de
gantsche wereld beroemden man. Op zulke plaatsen kan men zyne gedagten
op velerhande wyzen strelen, en zo vele gebeurde zaken levendig
voorstellen. Dog hier vindt men niets van dezen aard. De geschiedenis
gaat hier niet hoger dan de aankomst der Europers. Wat men van vroegere
tyden verhaalt heeft groter gelykenis naar enen droom of een verdigtsel
dan naar ene gebeurtenis. Evenwel heeft men enige merktekens van
Oudheid in Noord Amerika gevonden, waaruit men opmaken kan, of dat dit
gewest in de voorgaande euwen van het een of ander in de wetenschappen
meer ervaren volk, dan het welk de Europers daar gevonden hebben, is
bewoond geweest, of dat ’er uit de Oude Wereld herwaards een zware
krygstogt moet ondernomen zyn.
[Reis over land naar de Zuid Zee en gedane ontdekkingen.]
Dit wordt door een verhaal bevestigd, dat ik den Heer Verandrier, die
zelfde onderneming naar de Zuid Zee, van de welke ik zo aanstonds
gewagen zal, geleidde, aan de tafel van den Gouverneur Generaal hoorde
doen, en het welk my naderhand verscheiden ooggetuigen bevestigd
hebben. Zie hier kortelyk waar in dit verhaal bestond. Weinige jaren
voor myn aankomst hier te lande kreeg gemelde Heer Verandrier van den
toenmaligen Gouverneur Generaal, den Ridder De Beauharnois, bevel om
met enen hoop krygsvolks enen togt dwars door Noord Amerika, van Kanada
af tot aan de Zuid Zee, te doen, om te onderzoeken hoe groot de afstand
dier zee van dat geweest ware, en welke voordelen Kanada of Louisiana
van de gemeenschap mee dezelve trekken konde. De reis wierd van
Montreal af te paard, en, zo veel het stromen, meren, bergen, en zo
voorts, toelieten, regt toe westwaards aan voortgezet. Toen zy diep in
het Land gekomen, en velerlei volken voorby gereisd waren, vonden zy
somwylen grote velden, geheel van hout ontbloot en met zeer hoog
gewassen gras bedekt, die enige dagreizen aanhielden. Op velen van deze
velden was de grond doorgaans met voren doorsneden, als waren zy
voorheen beploegd geweest. En hier moet men aanmerken dat geen van de
thans in Amerika woonagtige wilde volken deze voren heeft konnen
trekken, dewyl dezen nog paarden, nog ossen, nog ploegen, nog enig
ander bouwgereedschap bezitten, en voor de aankomst der Europers noit
enen ploeg gezien hebben. Op twee of drie plaatsen, dog ver van
malkander, waren in de rotsen indrukken van voeten, zo wel van kinderen
als van volwassen menschen te zien. Dog dit is ontwyffelbaar voor een
spel der natuur te houden. Toen zy zo ver naar ’t westen gekomen waren,
waar, zo veel men weet, noit een Europer geweest is, vonden zy hier en
daar, zo wel in bosschen als op uitgestrekte vlaktens, grote pylaren
van steen, rustende tegen malkander. De pylaren bestonden elk uit een
stuk, en de Franschen konden niet anders zien of zy waren door
menschenhanden opgerigt. Somtyds vonden zy zulke stenen op malkander,
en als tot een muur gemetseld. Op enige plaatsen waar zy zulke stenen
aantroffen zagen zy gene andere stenen in de nabuurschap. Op genen van
deze stenen konden zy enig schrift of letters ontdekken, hoe zeer zy
’er ook naar zogten. Eindelyk egter vonden zy enen groten steen
gelykenden wel naar enen pylaar, en op dien enen kleinderen, die aan
beide zyden van onbekende letters vol was. Dezen steen, die omtrent de
lengte van enen Franschen voet en de breedte ener hand had, braken zy
los, en voerden hem naderhand naar Kanada, van waar hy naar Frankryk
aan den Graaf van Maurepas gezonden wierd. Wat ’er vervolgens van
geworden was, wisten zy niet, dog zy geloofden dat hy nog in ’t Kabinet
van dien Heer was. Verscheiden’ Jesuieten, die zelfs hier in Kanada
dien steen in handen gehad hadden, berigteden eenparig, dat zy de
daarop gegraveerde letters met die vergeleken hadden welken men als
Tartarische letters opgegeven vindt, en dat zy van het zelve soort met
dezelven schenen te zyn. [315] Maar schoon de op deze onderneming
afgezonden’ Franschen zig alle bedenkelyke moeite gaven, om van
daaromstreeks wonende Amerikanen te vernemen, wanneer en van wien die
steenpylaren opgerigt waren, wat overleveringen zy daarvan hadden, wat
die letters te kennen gaven, wie ze ’er op gezet hadden, wat soort van
letters het waren, en tot welke taal zy behoorden, en diergelyken,
konden zy ’er niet de minste onderrigting aangaande krygen, en de
Wilden waren ’er ruim zo onkundig omtrent als de Franschen. Het enige
dat zy wisten te zeggen was dat die stenen daar van overoude tyden her
gestaan hadden. De plaatsen waar men deze overblyfsels vond waren wel
negenhonderd Fr. mylen westwaards van Montreal. Het ware oogmerk dier
Reis, namelyk om tot de Zuid Zee doortedringen, en den afstand
derzelver van Kanada te bepalen, wierd door deze afgezondene manschap
niet bereikt, dewyl zy zig bewegen lieten om deel in enen oorlog te
nemen tusschen twee ver van Kanada af wonende wilde volken, in den
welken enigen van de Franschen gevangen genomen, en de overigen
gedwongen werden van ’t voortzetten hunner Reis aftezien en
terugtekeren. Van de allerverst wonende Wilden ten westen, by wie zy
kwamen, verstonden zy egter, dat zy maar enige dagreizen van de Zuid
Zee afwaren; dat zy zelven dikwyls met de Spanjaarden aan die Zee
wonende handel dreven, en somtyds naar de Hudsonsbai reisden en met de
Engelschen handelden. Enigen van deze Wilden hadden huizen van aarde
gemaakt. Velen van die Volken hadden nimmer van te voren enen
Franschman gezien. Zy waren gedeeltelyk met vellen gekleed, dog velen
gingen geheel naakt.
[Vlaktens met voren doortrokken.]
Allen die in Kanada waren en ver landwaards in, ’t zy naar ’t zuiden,
dog voornamelyk naar ’t westen, gereisd hadden, kwamen hierin overeen,
dat men daar op vele plaatsen grote vlaktens aantrof, geheel van hout
ontbloot, en waar de grond met voren doorsneden was, als waren daar
voorheen beploegde akkers geweest. Waar dit van daan kwam kon niemant
zeggen; want de koornlanden van het grootste dorp der Wilden kunnen
niet wel meer plaats beslaan dan vier of vyf van onze mergens, en de
gemelde gevoorde vlaktens beslaan dikwyls ene ruimte van verscheidene
dagen reizens, uitgenomen dat men hier en daar ene enkelde plaats
aantreft waar gene voren zyn, en enige kleine heuvels.
Meerder overblyfsels van de Oudheid konde ik in Kanada niet te weten
komen, hoe sterk ik my ’er ook op toeleide. In ’t vervolg myner
Reisbeschryving gedurende het jaar 1750. [316] zal ik gelegenheid
vinden nog twee merkwaardige zaken aantetekenen. Dog dat onze
Skandinaviers lang voor Columbus reistogten naar Noord Amerika
ondernomen hebben, heeft onder anderen de Heer George Westman in zyne
te Aobo in ’t jaar 1747. ter verkryging van den graad van Meester
verdedigde Verhandeling bewezen, werwaards ik den Lezer verzende.
[Nonnenklooster.]