Dit Yzerwerk, het enige dat men hier te lande vindt, legt drie Fr.

mylen ten westen van Trois Rivières. Men had hier twee grote hamers, en

by elk van dezen enen kleinen, allen onder het zelve dak. De

blaasbalgen waren van hout; en voor het overige was alles even als in

Zweden. De smeltoven stond nevens de hamers, en was even als by ons.

Het erts haalt men derdehalve Fr. myl van het Yzerwerk af, en wordt des

winters met sleden derwaards gebragt. Het is een zeker soort van erts

het welk in aderen in den grond legt, [296] welk omtrent enen voet

onder de bovenste korst der aarde al slingerende lopen. Elke ader is

van zes tot agttien duim diep, en onder dezelven is een wit zand, het

welk dezelven omvangt; boven op legt ene tuinaarde. Dit erts is tamelyk

overvloedig. Men vindt het in losse klompen in de aderen ter grootte

van ene of twee vuisten. Dog enigen zyn veel groter. Het erts kan

tusschen de vingers fyn gewreven worden. Men gebruikt om het smelten te

bevorderen enen grauwen kalksteen, die hier in de nabuurschap valt,

gelyk ook een zeker mergel. Kolen kan men hier in overvloed hebben

dewyl ’er rondom veel hout wast, het welk van onheuglyke tyden

herwaards ongestoord gestaan heeft. De kolen die men uit bomen brandt

welken altyd groen blyven houdt men voor de besten om te smeden, dog

die van bomen die hun loof vallen laten zyn beter voor de smeltovens.

Het yzer dat men hier smeedt wordt van allen als week en buigzaam

beschreven, zo dat het niet ligt valt het te breken; ook wil men dat

het niet ligt roest. In deze opzigten is ’er by den scheepsbouw een

groot verschil tusschen dit en het Spaansche yzer. Dit yzerwerk werd in

het jaar 1737. van byzondere personen opgerigt, die het naderhand den

Koning hebben afgestaan. Men giet hier kanonnen en mortieren van

verschillende grootte, kacchels, die in gantsch Kanada in gebruik zyn,

ketels, en andere dingen. Ook smeedt men hier yzeren staven. Men heeft

ook beproefd staal te maken, dog dit heeft nog niet willen gelukken,

dewyl men de konst niet regt verstond. Men vindt hier verscheiden’

Opzigters, die in fraye huizen wonen. Dog in ’t algemeen wierd gezegd

dat de winst de kosten in lange niet konde opwegen. Dit schreef men

daaraan toe dat het land nog niet genoeg bewoond was, zo dat het kleine

getal inwoonders genoeg met den landbouw te doen heeft, en men

gevolgelyk werk heeft van menschen te vinden om in het yzer te

arbeiden. Dog met dit alles kan ik kwalyk begrypen dat de Koning hierby

kan verliezen, aangezien den overvloed, en de smeedbaarheid van het

yzer, en de nabyheid van de plaats waar het erts gevonden wordt. Het

yzer is goed, en kan gemakkelyk door het land verspreid worden; en het

gehele land moet zig hier van yzer voorzien. De Bedienden schenen hier

niet kwalyk te varen. Het yzerwerk heeft door enen stroom gemeenschap

met de St. Laurence, langs dewelke men al het werk gemakkelyk met

vaartuigen kan vervoeren. Des avonds keerde ik weder naar Trois

Rivières terug.

[Vertrek.]

Den 4. Augustus des morgens by ’t aanbreken van den dag gingen wy weder

op reis. Het land aan de noordzyde der Rivier was enigsins verheven,

zandig en overal digt aan de Rivier sterk bewoond. Men zeide dat het

ook aan de zuidoostelyke zyde even zo wel bebouwd was, schoon men van

de Rivier niets dan bosch zag. Men woont daar wat meer landwaards in,

om dat het land digt by de Rivier laag is en somtyds onderloopt. By

Trois Rivières was de St. Laurence wat smalder geworden, dog zy wierd

wat lager weer breder, zelfs tot meer dan twee Eng. mylen.

Wy zagen dien dag verscheiden’ stenen kerken, waarvan sommigen zeer wel

gebouwd waren. Het land was aan weerskanten der Rivier sterk bewoond,

tot op drie vierden van ene Eng. myl, dog verder beginnen de bosschen

en de wildernissen. Maar alle de rivieren en beken, die in de St.

Laurence vallen, zyn ook wel bewoond. Ik merkte op dat de bebouwde

landen in Kanada vlak nevens de rivieren lagen, uitgenomen by de

steden, om welken heen enige mylen ver de landen bebouwd waren. Op de

meeste eilanden in de Rivier woonden ook menschen. De oevers begonnen

nu zeer hoog, en steil te worden, hoewel zy meest uit aarde bestonden.

Hierendaar viel een beekje in de Rivier, onder welken ’er een was dat

was dat de Franschen Rivière puante [297] noemen, ’t welk omtrent twee

Fr. mylen beneden Trois Rivières in de St. Laurence, aan derzelver

oostelyke zyde, valt. Op dit water legt een weinig hoger een steedje

Becancourt genaamd. [De Abenaki.] Deze plaats wordt alleen van een

Amerikaansch volk, Abenaki geheten, bewoond, welken tot den Roomschen

Godsdienst overgegaan zyn, en Jesuietsche Priesters hebben. Van verre

noordwestwaards zag men ene ry van hoge bergen, lopende van ’t zuiden

naar ’t noorden, en boven al het land, dat doorgaans vlak was, heen

kykende.

[Kalkovens.]

Men had op de Rivier hier enige kalkovens aangelegd. Den kalksteen

groef men hieromstreeks in enigsins hoger gronden. Hy was digt en

grauw, en gaf enen witten kalk.

[Granen.]

De landen zyn hier voornamelyk bezaid met weit, haver, mais en erwten.

Kawoerden en watermeloenen waren ’er in menigte by de hoeven. Men at

hier te lande niets dan weitenbrood.

Een Hummingbird of Bloemzuigertje vloog door het kreupelhout op ene

plaats daar wy heden aan land gegaan waren. De Franschen noemden hem

Oiseau mouche, [298] en zeiden dat hy in Kanada vry gemeen is. Ik zag

’er naderhand nog enigen van by Quebec.

Om vyf uur na den middag wierden wy door enen sterken tegenwind en

regen gedwongen ons nagtverblyf te nemen. Ik merkte dat hoe meer men

Quebec naderde het land des te vryer werd. Wy waren nu twaalf Fr. mylen

van die plaats af.

[Visschery.]

Hier was ene zeer byzondere wys om visch te vangen in gebruik. Men

plaatst kleine heggen van zamengevlogten rys, zo digt dat ’er geen

visch door kan, en van enige voeten hoog, naar dat het water diep is,

digt by den oever. Tot dit einde kiest men zulke plaatsen daar by de eb

al het water wegloopt, zo dat de heggen dan droog staan. Binnen

dezelven legt men verscheiden’ fuiken, van onderen wyd, staande

overeind, en derdehalve el hoog en iets minder wyd. Onder in dezelven

is de ingang voor de visschen, gemaakt van rys, en somtyds van garen.

Aan het andere einde, gekeerd naar den kant waar de stroom van daan

komt, is een andere ingang, gelyk de eerste, die naar een soort van

planken hok geleidt, omtrent vier voet lang, twee diep, en twee breed.

By elke fuik is ene heg, lopende schuinsch naar de grote heg, welke den

visch naar de fuik moet leiden. Als het water nu hoog is zwemt de

visch, byzonderlyk de aal, de rivier op, dog by de eb wordt hy naar

beneden gedreven, en stuit dan tegens deze heggen, welke hy zo lang

volgt tot dat hy in het hok komt. Het hok heeft boven ene opening met

een deksel ’er op, waar door men den visch uitneemt. Deze visschery was

voornamelyk voor de alen gemaakt. Op vele plaatsen had men netten in

plaats van heggen.

De oevers der Rivier bestonden hier niet meer uit aarde, maar uit een

soort van lei. Zy waren buitengemeen hoog en steil. De lei was zwart,

trekkende wat naar het bruine. Zy was zeer brosch, zo dat men ze met

den vinger aan stukken breken kon, en lag in lagen, dewelken zig egter

zo verdelen lieten dat zy niet breder waren dan de rug van een mes. Aan

de lugt blootgesteld viel zy in kleine stukken. De gantsche oever lag

vol van een fyn zand, ontstaan uit deze vermolmde leyen. Enige

beddingen liepen horizontaal, anderen een weinig schuinsch, zo dat zy

aan ’t noorden een weinig hoger waren dan aan ’t zuiden, en dikwyls net

in ’t tegendeel. Hierendaar maakten zy bogten gelyk als halve cirkels.

Somtyds wierden de beddingen ter diepte van enige ellen door ene

loodregte lyn doorsneden, zo dat de leyen op de zyden dier lyn ’er als

een gladde muur uitzagen. Op sommige plaatsen vond men tusschen de

leyen ene laag ter dikte van omtrent vier duim, van enen grauwen,

digten, tamelyk weken kalksteen, uit den welken de Wilden van overoude

tyden her hunne tabakspypen maakten, gelyk de Franschen nog

tegenswoordig doen. [299]

Den 5. zetteden wy onze reis des morgens voort, al roeyende, dewyl wy

enen harden wind tegen hadden. Het land behield de gedaante die wy

beschreven hebben. De oevers waren hoog en steil, en bestonden uit de

gemelde zwarte lei. Het land was vlak, en aan de Rivier tot op enigen

afstand toe landwaards in digt bewoond. Wy ontmoetten gene eilanden;

dog op sommige plaatsen lagen grote stenen in de Rivier, die men by

laag water zien kon. Op deze stenen zyn verscheiden’ vaartuigen

verongelukt. De breedte der Rivier bedraagt somtyds meer dan

drievierden van ene Eng. myl, somtyds ene halve, en somtyds meer dan

twee mylen. Op verscheiden’ plaatsen vindt men zulke aalvisscheryen als

wy beschreven hebben; en men bediende zig ten dien einde op vele

plaatsen van netten in plaats van gevlogten rys.

[Wandluizen.]

Wandluizen zyn ’er overvloedig in Kanada, en ik ontmoette ze overal

waar ik huisvestede, zo wel in de steden als op het land. Men wist ’er

geen ander middel tegen dan geduld te nemen.

[Krekels.]

De Krekels zyn hier overal menigvuldig, vooral op het land, daar zy in

de schoorstenen zitten. Ook vindt men ze in de steden. Zy blyven hier

zomer en winter, en byten de klederen dikwyls voor tydverdryf aan

stukken.

Nader by Quebec worden de oevers meer gloyend. Noordwaards vertoonde

zig ene ry hoge bergen. Omtrent derde halve Fr. myl van die Stad wordt

de Rivier zo smal, dat zy niet boven enen musketschoot [Quebec.] breed

is. Het land aan beide zyden liep schuinsch op, was bergagtig,

boschryk, en vol klippen. Des avonds om vier uur kwamen wy te Quebec.

Wy konden de stad niet zien voor dat wy ’er vlak by waren, nadien een

hoge berg ons het gezigt ’er van benam. Egter ontdekt men van verre een

stuk van de vestingwerken die op den berg leggen. Zodra de Soldaten

Quebec in ’t oog kregen, riepen zy dat allen die hier noit geweest

waren gedoopt moesten worden, ten zy zy een drinkgeld gaven. Dit was

een gebruik hier te lande, aan het welk zelfs de Gouverneur Generaal

zig onderwerpen moest. Wy hadden gene reden ons hier tegen te

verzetten, en de roeyers by hunne aankomst voor hunnen zwaren arbeid

niet enen vrolyken avond te gunnen.

Terstonds by myne aankomst in de stad bragt my de Officier, die my van

Montreal begeleid had, naar het slot, by den toenmaligen Vice

Gouverneur Generaal, den Marquis La Galissonière. Dit was een Heer van

ongemene verdiensten, die my gedurende myn gehele verblyf alhier met

uitmuntende goedheid bejegende. Hy had reeds kamers voor my doen

bestellen, en droeg zorg voor alles wat wy van doen mogten hebben. Ook

had ik dagelyks de eer by hem ter tafel verzogt te worden.

Quebec, de Hoofdstad van Kanada, legt op den westelyken oever der St.

Laurence, op een uitstek lands, gemaakt van die Rivier aan het oosten,

en de Rivier St. Charles aan het noorden. Zuidwaards wordt de berg

waarop de stad legt nog hoger, en agter denzelven beginnen grote

weiden; westwaards strekt zig de berg nog een stuk wegs uit. Men

verdeelt de stad in ene hoge en ene lage stad. [300] Het gemelde

uitstek lands is uit de modder, door de Rivier van tyd tot tyd

aangespoeld, en ene rots ontstaan, welke daar legt, en niet uit ene

langzame afneming van ’t water. De hoge stad legt boven de andere op

den berg, en is vyf of zes maal groter dan de lage, dog niet zo sterk

bewoond. De berg waarop de bovenstad legt is hoger dan de huizen der

benedenstad, schoon die van drie of vier verdiepingen zyn: als men uit

het Slot naar de benedenstad, die ’er vlak onder legt, afziet, is het

om duizelig te worden. En van daar naar het Slot om hoog ziende, schynt

dat in de lugt te staan. Daar is maar een toegang van de benedenstad

naar boven, zynde een deel van den berg in de lugt gesprongen. Deze

toegang is zeer steil, schoon hy krom loopt. Egter rydt men hem met

wagens op en af. In de lage stad wonen byna alle de kooplieden. De

huizen staan daar digt by een. De straten zyn nauw, ongelyk en haast

altyd vogtig. Men vindt ’er ene kerk en ene marktplaats. In de hoge

Stad wonen de aanzienlykste lieden, behalven verscheiden amptenaars en

ambagtsgezellen. Ook staan hier de voomaamste gebouwen, waaronder de

volgenden de aanmerkenswaardigste zyn.

I. Het Slot. Dit is aan den zuidkant van den berg gelegen, waar hy zeer

steil is, vlak boven de benedenstad. Eigenlyk is het geen kasteel, maar

een langwerpig gebouw van steen, twee verdiepingen hoog, en strekt zig

van ’t zuiden naar ’t noorden. Aan de westzyde is een hof, met enen

muur en huizen omringd. Oostwaards tegens de Rivier aan is ene gallery

even zo lang als het gebouw zelf, omtrent enen vadem breed. Zy is met

gladde stenen bestraat, en aan den buitenkant met yzeren tralien

omgeven, zo dat men van daar in de stad en langs de Rivier zien kan.

Hier gaat men gemeenlyk na den maaltyd zig een weinig vertreden. Ook

wagten hier die genen welken den Gouverneur spreken moeten tot dat het

hem gelegen komt. In dit Slot woont de Gouverneur Generaal van geheel

Kanada, voor het welk dagelyks ene sterke wagt optrekt, en als de

Gouverneur of Bisschop voorbygaat komt de wagt in ’t geweer, en wordt

de trom geroerd. De Gouverneur heeft op het Slot zyne kapel waarin hy

zyne gebeden doet, schoon hy dikwyls ook in de stad in de kerk der

Barrevoeters de Misse bywoont.

II. Zyn hier zeven of agt kerken, allen van steen gebouwd, namelyk.

1. De Hoofdkerk, leggende aan de regterhand als men uit de benedenstad

in de bovenstad komt, een weinig voorby het Hof van den Bisschop. Men

was thans bezig om ze schoonder dan voorheen te maken. Zy heeft aan de

westzyde enen ronden toren met twee verdiepingen, in de onderste van

welken de klokken hangen; aan de oostzyde is ook een klein rond

torentje. De preekstoel is verguld. De banken zyn frai.

2. De Jesuieten Kerk, zynde ene kruiskerk, en hebbende enen ronden

toren. Deze was de enige kerk in de stad die een uurwyzer en slag had.

3. De kerk der Barrevoeters of der Recollecten, leggende vlak over de

poort van ’t slot. Zy ziet ’er vry wel uit, en heeft enen enigsins

hogen spitsen toren en een klokkenhuis.

4. De kerk der Urselinen, hebbende enen ronden spitsen toren.

5. De Hospitaalkerk.

6. De Kapel des Bisschops.

7. De Kerk in de benedenstad, gebouwd in ’t jaar 1690. na dat de Stad

van de Engelschen vry geraakt was. Zy wordt Nôtre Dame de la Victoire

genoemd. Zy heeft eenen kleinen vierkanten toren, van boven rond,

midden op het dak.

8. De kleine Kapel van den Gouverneur op het Slot, welke ook voor ene

Kerk kan gerekend worden.

III. Het Huis van den Bisschop, welk het eerste is dat men aan de

regterhand ontmoet, als men van de benedenstad naar de hoge Stad gaat.

Het is een frai groot gebouw, met enen moestuin, die in zyne muren

legt.

IV. Het Kollegie der Jesuieten, dat ik op ene andere plaats

breedvoeriger beschryven zal. Het ziet ’er pragtiger uit dan het Slot

zelfs, dog legt zo aangenaam niet. Het is byna viermaal zo groot als

het Slot, en het schoonste gebouw van de Stad. Het legt aan de

noordzyde van ene marktplaats, aan welker zuidzyde de Hoofdkerk staat.

V. Het Klooster der Barrevoeters, leggende westwaards nevens het Slot,

vlak daar over. Het is een groot gebouw met enen frayen tuin. Het huis

is twee verdiepingen hoog, op elke van welken een lange gang is met

cellen.

VI. Het Hôtel Dieu zal ik nader beschryven. De Nonnen die de zieken

oppassen zyn van de Augustyner order.

VII. Het Huis der Geestelykheid [301] is een groot gebouw aan de

noordoostzyde der Hoofdkerk. Aan den enen kant heeft het enen ruimen

hof, en aan den anderen, tegens de Rivier aan, enen groten boomgaard en

moestuin. Geen van alle de gebouwen in de Stad heeft een zo bekoorlyk

uitzigt als ’er in dien tuin is, waarvan men benedenwaards in de Rivier

en alomme heen over ’t land ver weg ziet. De Jesuieten in tegendeel

hebben geen uitzigt ter wereld. Ook kunnen zig de Barrevoeters over het

hunne niet zeer beroemen. In dit gebouw wonen alle de Geestelyken der

Stad met hunnen Opzigter by malkander. Zy bezitten hier in Kanada op

vele plaatsen grote landeryen, die hun door de Regering geschonken zyn,

van de welken zy de inkomsten genieten, waaruit zy rykelyk bestaan

kunnen.

VIII. Het Nonnenklooster der Urselinen, zal ik beneden nader

beschryven.

Meer openbare huizen van enig aanzien vindt men hier in de Stad niet,

dog noordwest even buiten dezelve legt het huis van den Intendant, een

openbaar gebouw, zo groot en aanzienlyk dat het wel voor een Slot zou

kunnen doorgaan. Het is met blik gedekt, en staat in ene twede

benedenstad, welke zuidwaards op de Rivier St. Charles legt, en heeft

aan de noordzyde enen schonen en groten tuin. Hier worden alle de

beraadslagingen die het land in ’t algemeen raken gehouden, en de Heren

die ’t bestier van regts- en burgerlyke zaken hebben vergaderen hier.

De Intendant zit als dan voor. Dog als het zaken van groot gewigt zyn

komt ’er de Gouverneur zelf. Aan de ene zyde van dit gebouw is het

Magazyn der Kroon, en aan de andere het Gevangenhuis.

De Huizen zyn hier doorgaans van steen. In de bovenstad hebben zy

gemeenlyk maar ene verdieping, alleen de openbare gebouwen uitgenomen.

Hier en daar stonden nog enige houten huizen; dog als die bouwvallig

worden mag men ze niet vernieuwen. De stenen huizen en de kerken zyn

niet van tichelstenen, maar van de zwarte kalkleyen, waaruit de berg

daar Quebec op legt bestaat, gebouwd. Als men deze leyen uit den berg

haalt zyn zy in ’t eerst zo vast dat zy niet afschilferen. Maar als zy

enigen tyd in de lugt geweest zyn beginnen zy zig in dunne schyven te

verdelen. Deze steen is week, en ligt te bearbeiden. De muren rondom de

Stad en om de tuinen in dezelve bestaan ook grotendeels uit dezen

steen. De daken der openbare gebouwen zyn met gemene leyen gedekt,

welken men uit Frankryk herwaards brengt, dewyl ’er hier te lande genen

van dat soort gevonden worden. Deze leyendaken hebben het enige jaren

tegens de lugt en ’t weder goed gemaakt, en zyn nog in staat. De andere

huizen zyn meest met planken gedekt, leggende of met de sparren

evenwydig dwars over dezelven heen. De hoeken der huizen en de posten

der vensters waren dikwyls van enen grauwen fynen kalksteen, die sterk

ruikt. [302] Deze steen was op sommige plaatsen beter dan de zwarte

kalkleyen, die in de lugt altyd in schyven vallen. De meeste huizen

waren van buiten gewit. De vensters sloegen meest allen naar binnen

open, dat veel plaats in de kamers wegnam. Des winters bediende men zig

op sommige plaatsen van dubbelde vensters. Men verwarmde de vertrekken

met kleine yzeren kacchels. De vloeren waren zeer morssig, en wierden

niet meer dan eens in ’t jaar gezuiverd.

Het Buskruidmagazyn staat op het hoogste van den berg waarop de Stad

legt, een weinig ten zuiden van het Slot.

De straten in de bovenstad zyn breed genoeg, dog zeer oneffen door dien

de Stad op enen berg legt, zo dat het hier lastig is te gaan en te

ryden. De zwarte kalklei steekt hare scherpe hoeken dikwyls omhoog, het

welk de schoenen schrikkelyk slyt. Voor ’t overige heeft men gene

regelmatigheid by ’t aanleggen der straten gebruikt, zo dat zy krom en

dwars lopen.

[Grootte.]

De menigte van tuinen, die zo wel by de byzondere huizen als by de

kloosters zyn, maken dat de Stad vry groot schynt, dog dat zy geen zeer

groot getal van huizen bevat. Van ’t zuiden naar het noorden is zy

zeshonderd, en van den oever aan de benedenstad tot aan den westelyken

muur driehonderd vyftig of vierhonderd Toises lang. Dog deze gehele

ruimte is niet bewoond; aan de zuid en aan de westzyde zyn digt aan de

muren grote opene plaatsen, waar tegenswoordig gene huizen staan, en

die men betimmeren kan indien de Stad in ’t vervolg meer inwoonders

krygt.

[De Bisschop.]

De Bisschop, die hier zynen zetel houdt, is de enige in gantsch Kanada.

Zyn gebied strekt zig uit tot Louisiana, de Bai van Mexiko en de Zuid

Zee. Geen Bisschop, uitgenomen de Paus, had oit een uitgestrekter

Bisdom. Dog de geestelyke schapen, die zyne stemme horen, zyn op

zekeren afstand van Quebec zeer weinig in getal, en houden zig dikwyls

enige honderd mylen ver van malkander op.

[Handel.]

Quebec is de enige zee- en handelplaats van Kanada, van waar alle de

waren die naar buiten gaan worden afgezonden. De haven is op de Rivier

onder de Stad. De St. Laurence is daar omtrent een vierde van ene Fr.

myl breed en vyfentwintig vadem diep. De grond is goed om te ankeren.

Men legt ’er voor alle stormen in zekerheid. De noordoosten wind is

hier de gevaarlykste. Toen ik aankwam telde ik dertien vaartuigen,

groten en kleinen t’zamen genomen, en men verwagtte ’er nog meer. Dog

men moet aanmerken dat gene andere dan Fransche Schepen hier komen

mogen. Egter konnen ’er velen zyn, die uit verscheiden havens zo in

Frankryk als in de Fransche Amerikaansche Eilanden komen. Vele Fransche

Kooplieden uit Montreal, na meer dan een half jaar onder de Wilden te

hebben gereisd, om pelteryen op te kopen, van waar zy gemeenlyk op het

einde van Augustus terugkomen, begeven zig van daar in September en

October naar Quebec, om daar hunne waren aftezenden. Dus zoude men

denken dat de Stad Quebec uit hoofde van dit voorregt van alles te

verzenden, zeer ryk moest zyn, dog velen zeiden dat dit zo niet was.

Enigen, stond men toe, waren wel gegoed; maar de meesten bezaten niet

boven het geen zy noodwendig tot hun onderhoud van noden hadden, en

zeer velen waren diep in schulden. Dit schreef men aan de pragt toe,

willende de een voor den ander niet onder doen. De Kooplieden hielden

veel van zig kostbaar te kleden, lekker te eten en te drinken, vele

schotels op tafel te hebben, en grootsch te leven. De Vrouwen gingen

alle dagen zo opgeschikt als moesten zy aan ’t Hof wezen.

[Sterkte.]

De Stad is rondom, en byzonderlyk aan de landzyde, door enen hogen muur

omringd, die nog niet geheel voltoid was, dog men arbeidde sterk ’er

aan. De muur werd ten dele van de voorheen gemelde zwarte kalkleyen, en

ten dele van enen grauwen zandsteen gemetseld. By de poorten gebruikte

men enen grauwen kalksteen. Aan den waterkant had men nog gene muren

aangelegd, dog de natuur heeft daar de plaats vry sterk gemaakt, dewyl

de berg daar niet wel te beklimmen is. Buiten dat heeft men hier

geschut geplant, zo dat het genoegzaam ondoenlyk is met vaartuigen voor

de Stad te komen, zonder in den grond geschoten te worden. Aan de

landzyde leggen ook hoge bergen. Dus schynt de plaats, en door de

natuur en door de konst, vry wel versterkt.

[Lotgevallen.]

Reis door Noord Amerika · 第 36 / 50 段