De Rode Moerbezien had men hier ook geplant. Ik zag ’er enigen van die

derdenhalven vadem hoog waren. Dezen hadden ’er omtrent twintig jaren

gestaan, en men had ze uit zuidelyker plaatsen hier gebragt. Om

Montreal wassen zy niet in ’t wild. Meer als twintig Eng. mylen ten

noorden van Albany vindt men ze niet, waar de Boeren zeiden dat ’er nog

enige weinigen in de bosschen groeiden. Ik vernam by Saratoga of men

’er daar nog vond, dog het antwoord was van neen. Die bomen welken op

het Eiland stonden kwamen zeer wel voort, schoon zy enen slegten grond

hadden. Zy droegen een zwaar blad, dog dit jaar gene vrugten. Ik vernam

egter dat zy ene vry sterke koude konden doorstaan.

De Waterbeuken waren hier ook geplant en hoog geworden. De Franschen

noemen dezen boom Katoenboom. [294] Men vond hem nergens in ’t wild aan

de St. Laurence, nog noordelyker dan Fort St. Frederic.

De Rode Ceder stond ook in den tuin des Gouverneurs. Hy was hier ook

van elders gebragt, en wast in deze streek niet in ’t wild.

Om half zeven vertrokken wy van dit aangename Eiland naar huis, en

kregen daar de tyding van de aankomst van den Zoon des Gouverneurs, die

zig een jaar in Frankryk had opgehouden, en die de aanstelling des

Konings voor zynen Vader als Gouverneur medebragt.

Men gebruikt hier wayers gemaakt van wilde Kalkoenenstaarten, welken

men zodra de vogel geschoten is uitspreidt en zo droogt, zo dat zy

altyd de gedaante van wayers behouden. Zo wel de aanzienlykste Heren

als de Vrouwen hadden by zonneschyn zulke wayers in de hand als zy uit

wandelen gingen.

[Gras.]

Het gras omstreeks van Montreal bestond byna geheel uit een soort van

Poa. [295] Het is fyn, staat digt, en tiert wel op droge hoogtens. Dog

het heeft weinig bladeren, zodat de fyne steel het meeste voedsel

uitmaken moet. Wy hebben vele soorten van gras die voordeliger zyn.

[Pruimen.]

De wilde Pruimenbomen wiessen in menigte op de hoogtens langs de beken

buiten de Stad. Zy zaten zo vol pruimen dat ’er de takken van bogen. De

pruimen waren egter nog niet ryp. Zy zyn rood en vry goed. Enigen maken

ze in.

[Aalbessen.]

Men zag vele zwarte Aalbessen in ’t wild wassen. De bessen waren

[Peen.] ryp, dog klein, en niet zeer smakelyk. Peen groeiden ’er overal

in menigte. Dit deed my denken dat dit gewas oorspronglyk aan Amerika

eigen was, dog naderhand ben ik van gedagte veranderd, dewyl ik ’er

genen in het Land der Iroquoizen gevonden heb. Ook zoude men ze hier te

lande te vergeefs zoeken dan op plaatsen waar Europische planteryen

geweest zyn.

[De Gouverneur.]

De Gouverneur Generaal van Kanada houdt zyn verblyf te Quebec, dog hy

komt dikwyls te Montreal, en brengt ’er niet zelden den winter door.

Maar des zomers is hy meest te Quebec, vermits daar dan de schepen

aankomen die brieven medebrengen. Ook heeft hy ’er andere bezigheden.

Als hy te Montreal is woont hy op het zo genaamde Slot, het welk een

groot stenen huis is. Het is ten behoeven van den Gouverneur Generaal

Vaudreuil gebouwd, en hoort nog zyner familie toe, die het den Koning

voor eene zekere som verhuurt. De Generaal De la Galissonière houdt

meer van Montreal als van Quebec; ook legt de eerste plaats veel

aangenamer.

[Geld.]

Men heeft in Kanada byna geen ander geld dan papier. Ik zag byna geen

andere munt dan enige kleine Fransche Sols, uit koper met een weinig

zilver vermengd gemaakt. Zulk een stuk geldt hier anderhalve Sol. De

Briefjes waren niet gedrukt maar geschreven. Zie hier hunnen oorsprong.

De Koning had gevonden, dat het, wegens kapers, schipbreuken en andere

ongelukken op zee, gevaarlyk was geld ter betaling der troepen en

andersins overtezenden, en had derhalven last gegeven dat de Gouverneur

van Quebec of de Kommissaris te Montreal, wanneer ’er betalingen

moesten geschieden, een zeker getal van Briefjes schryven zou naar dat

de som groot was. Deze Briefjes behelsden dat zy voor zo en zo veel tot

de maand van October aanstaande gelden zouden. De Intendant of de

Kommissaris ondertekent deze Briefjes. Zy gaan dan voor geld. In

October staat het den houderen vry dezelven den Intendant te Quebec of

den Kommissaris te Montreal te brengen, en ’er wisselbrieven op

Frankryk voor te nemen. De Koninglyke schatkist in Frankryk voldoet dan

deze wisselbrieven. Heeft men geen geld dit jaar in Frankryk van doen

zo kan men zyn Briefje tot den volgenden October bewaren. In October

alleen kan men ze voor wisselbrieven verruilen. Zy zyn van verscheiden’

sommen, gelyk onze Bankbriefjes in Zweden. Sommigen zyn van nog minder

dan ene Livre. Tegen den herfst, als de koopvaardyschepen uit Frankryk

aankomen, zoeken de Kooplieden zo veel van deze Briefjes byeentekrygen

als ze kunnen, om ze voor wisselbrieven op Frankryk te verruilen. Deze

Wissels zyn ten dele gedrukt, met openlating van den naam, de som, en

diergelyken. Daar deze Briefjes allen geschreven zyn kunnen zy ligt

door schelmen worden nagemaakt, het welk ook somtyds geschiedt. Dog de

straffen, die hierop staan, en niet zelden des misdadigers leven in

gevaar stellen, maken dit zeldzaam. By gebrek van lopend geld verliezen

de kopers of verkopers dikwyls een weinig, dewyl men tusschen een en

twee livres niet betalen kan, en dus moet de een of de ander iets laten

vallen. Een Sol is de laagste munt in Kanada, en omtrent zo veel als

een Penny in de Engelsche Volkplantingen. Ene Livre, of een Franc houdt

twintig Sols, en drie Livres maken een Ecu.

[Dienstboden.]

De loon der Dienstboden is gemeenlyk voor enen braven Knegt

honderdvyftig Livres in ’t jaar, en voor ene Meid honderd. Een

Ambagtsman won daags drie of vier Livres, en een gemeen Daghuurder

dertig of veertig Sols. Op het land waren de lonen gemeenlyk iets

lager. De reden van de duurte der daghuren zeide men de schaarschheid

te zyn der werklieden. Want ieder vindt hier ligt een land daar hy zig

nederzetten kan, en dus behoeven weinigen anderen te dienen.

[Montreal.]

Montreal is ten opzigt der grootte en der rykdommen de twede stad van

Kanada, dog ten opzigte der legging is zy de eerste. Een weinig boven

de stad verdeelt zig de St. Laurence in enige takken, en maakt dus

enige Eilanden, op het grootste van de welken de Stad legt. Het is tien

Fr. mylen lang, en omtrent op zyn meest vier breed. Op de oostzyde van

dit Eiland aan enen der grootste armen der St. Laurence legt de stad.

Deze legging is zeer aangenaam en voordelig. De Stad is een regthoekig

langwerpig vierkant, welks ene lange zyde met de Rivier evenwydig

loopt. Aan de andere zyde leggen voortreflyke koornlanden, weiden, en

bosschen. Zy heet Montreal naar enen zwaren berg, die omtrent ene halve

myl van de stad af legt naar het westen toe, en dien men over de

bosschen heen zien kan. De Heer Cartier, een der eerste Franschen die

Kanada wat nauwkeuriger leerden kennen, noemde ze aldus by zyne

aankomst op het Eiland in het jaar 1535., terwyl hy dezen hogen berg en

tegelyk de stad der Wilden Hoshelaga bezogt. De Franschen spreken het

woord Montreal hier gemeenlyk Moreal uit. De Geestelyken, die alle

plaatsen hier te lande wel naar den enen of anderen Heilig zouden

willen noemen, hebben het ook met deze stad beproefd, en ze Ville Marie

genaamd. Dog die naam heeft niet willen opnemen. De stad is tamelyk

sterk, en heeft enen hogen dikken muur rondom, en aan de landzyde ene

diepe grast met water, zodat zy van stropende partyen niets te vrezen

heeft. Dog ene belegering zoude zy niet lang uithouden, dewyl hare

grootte alteveel manschap zou vereischen om ze te verdedigen, en daarby

de meeste huizen van hout zyn. Hier zyn verscheiden’ kerken, van de

welken ik alleen die noemen zal die den Monnikken van St. Sulpitius

toebehoort, de Kerk der Jesuiten, die der Franciskanen, die van ’t

Nonnenklooster, en die van ’t Hospitaal. De eerste is de fraiste, zo

wel van buiten als van binnen, niet alleen van de Kerken hier in de

Stad als van gantsch Kanada. De Priesters van de Kweekschool van St.

Sulpitius hebben een groot schoon huis, waar zy by malkander wonen. Het

Kollegie der Franciskanen of Bedelmonnikken is ook een goed huis dog

niet zo pragtig. Dat der Jesuiten is niet groot, maar wel gebouwd. By

deze geestelyke gebouwen zyn schone grote tuinen, ten dele tot vermaak

en gezondheid, en ten dele ten nutte der huishouding. De meeste huizen

zyn van hout, dog evenwel zeer frai. Enigen zyn van steen. Meest alle

de huizen der voornaamste lieden hebben ene deur aan de straat, met

banken op de stoep, waar de menschen komen zitten om lugt te scheppen.

De straten die in de langte lopen zyn breed en lynregt. Zy worden door

de dwarsstraten in regte hoeken doorsneden. Enigen zyn geplaveid, dog

de meesten zeer ongelyk. Aan den waterkant heeft de Stad twee grote en

drie kleine poorten, en aan de landzyde heeft zy ’er ook verscheiden.

De Gouverneur van de Stad moet zyn eigen huis betalen, hoewel enigen

zeggen dat de Kroon iets tot de huur geeft. De Gouverneur Generaal

woont vry op het slot, gelyk gezegd is.

[Nonnenklooster.]

In de Stad is een Nonnenklooster, en buiten dezelve legt ’er een dat

het maar half is, want de Paus heeft ’er nog zyne bevestiging niet aan

gegeven. In het eerste wierd geen meisje aangenomen ten zy ’er

vyfhonderd ecus voor betaald werden. Enigen ontving men wel voor

driehonderd ecus, dog die moesten de anderen als meiden oppassen.

[Hospitaal.]

De Koning heeft een Hospitaal voor zieke Soldaten doen bouwen. De

kranke kreeg daar wat hy nodig had, en de Kroon betaalde daags twaalf

sols voor zyn onderhoud. De Heelmeesters worden van den Koning

bezoldigd. Een Officier by gelegenheid van den dienst des Konings krank

geworden geniet hier vryen kost en oppassing, dog zo hy buiten den

dienst des Konings ziek wordt moet hy alles uit zyn zak betalen. Als in

’t Hospitaal enige plaatsen open zyn neemt men ook wel arme menschen in

die niet in dienst zyn; en dezen hebben artzenyen en den Wondheelder

voor niet; dog voor hun eten en andersins moeten zy daags twaalf sols

betalen.

[Markten.]

Alle vrydagen wordt hier markt gehouden, waar men zig van allerlei

voortbrengselen des lands voorzien kan, als men zelf gene Landgoederen

of tuinen heeft. Gantsche zwermen der Amerikanen komen dan ook in de

Stad, om te kopen ofte verkopen.

[Afwyking der Naald.]

De Afwyking der Naald was hier 10. gr. 38. min. W. De Heer Gillion, een

Geestelyke van veel liefhebbery voor de Wis- en Starrekunde, had in den

tuin der Kweekschool ene middagslyn getrokken, die hy zeide dikwyls

volgens de Zon en de Starren onderzogt en juist bevonden te hebben. Ik

vergeleek zorgvuldig myn kompas met deze middaglyn, en vond de afwyking

volkomen zo als ik ze opgegeven heb. Volgens de waarnemingen van dien

zelven Heer is de Breedte van Montreal 45. gr. 27. min. N.

[Waarnemingen.]

Een ander Geestelyke, namelyk de Heer Pontarion, had in ’t begin van

dit jaar enige waarnemingen met den Thermometer gedaan. Hy had zig van

dien van Reaumur bediend, die in een venster gehangen had dat somtyds

geheel en somtyds half open stond, en gevolglyk heeft hy zelden de

grootste koude van de lugt aangewezen. Ik wil echter een kort

uittreksel uit zyne waarnemingen voor de wintermaanden geven. De

grootste koude in Januari was den 18. staande toen de Thermometer op

23. gr. onder ’t vriespunt. De minste koude was den 31. staande hy toen

op het vriespunt. De meeste dagen tekende hy 12. of 15. gr. onder dat

punt. In Februari had men de grootste koude den 19. en 25. De

Thermometer stond toen 14. gr. onder het punt van vorst, en de minste

koude had men den 3. wanneer hy 8. gr. boven het vriespunt rees. De

meeste dagen stond hy op 11. gr. onder dat punt. In Maart was het den

3. het koudst, tekenende de Thermometer toen 10. gr. onder vorst, en

den 22. 23. en 24. het warmst, stygende toen de Thermometer tot 15. gr.

boven vorst. De meeste dagen stond hy 4. gr. onder dat punt. In April

gevoelde men de grootste koude den 7. zakkende de Thermometer 5. gr.

onder ’t vriespunt; den 25. was het weder het zagtst, en de Thermometer

was 20. gr. boven dat punt. De meeste dagen hield hy zig op 12. gr.

boven het zelve. Dog ik merkte uit de wys waarop deze waarnemingen

gedaan waren, dat de koude dagelyks wel een graad of zes sterker moet

geweest zyn dan hy ze aangetekend had. Ook had hy in zyn dagboek

aangetekend dat het ys in de St. Laurence by Montreal den 3. April, en

by Quebec eerst den 20. los geraakt was. Den 3. Mai begonnen zig by

Montreal enige bloeisems te vertonen, en den 12. was de vorst zo sterk

dat de bomen van den ryp zo wit waren als of het gesneuwd had. Voor ’t

overige wierd my in ’t algemeen berigt dat het ys in de Rivier alle

winters gemeenlyk een en somtyds wel twee Fr. voeten dik was.

Verscheiden’ van de Geestelyken zeiden my, dat sedert het land in

Kanada meer bebouwd werd de zomer veel’ langer was dan voorheen. Hy

komt vroeger en duurt later. Dog de koude, schoon zy zo lang niet

aanhield, dagten zy even sterk te zyn. De zomers hielden zy ook voor

niet heter als voor dezen. De noord en noordwesten winden zyn de

koudsten te Montreal.

[Vertrek.]

Den 2. Augustus des morgens vroeg vertrokken wy van Montreal naar

Quebec in ene schuit, of Bateau, in gezelschap van den Onder Major van

Montreal, den Heer De Sermonville. De schuit werd van twaalf Soldaten

geroeid. Wy voeren de St. Laurence af, die hier tamelyk breed was. Aan

de linkerhand lag het Eiland van Montreal, en aan de regterhand zag men

nu kleine eilanden, dan het vaste land. Het Eiland van Montreal was aan

den oever zeer digt bewoond. Het land was vlak. De oevers bestonden uit

tuinaarde, en waren omtrent een of twee vademen hoog. Het hout was

langs den oever ene Eng. myl ver geheel weg gehakt. De huizen waren van

hout of van steen, dog allen van buiten gewit. De stallen en schuren

waren allen van hout. De grond was tot koorn- of tot weilanden

aangewend. Aan beide zyden der Rivier ontdekten wy stenen kerken met

torens, welken allen aan dien kant der kerken stonden die naar de

Rivier gekeerd was. Men hield zig hier niet aan de gewoonte van den

toren aan de westzyde der kerk te bouwen. Tot op zes Fr. mylen van

Montreal lagen in de Rivier verscheiden’ eilanden, groten en kleinen,

waarvan het grootste gedeelte bewoond werd. Zulken waarop gene huizen

stonden had men egter tot akkers of weilanden gemaakt. Wy zagen den

gehelen dag berg, heuvel, nog steen; het land was doorgaans vlak, en

bestond uit tuinaarde.

[Landhoeven.]

Alle de Landhoeven staan in Kanada afgezonderd. By elke kerk was wel

een klein dorp, dog dat bestond grotendeels uit den tuin en het huis

van den Priester, de school, het kosterhuis, en zelden uit

boerenhuizen. En als ’er al enige Boeren om de kerk heen by malkander

woonden, lagen dog hunne landeryen afgezonderd. De Boerderyen aan de

St. Laurence strekken zig meest in de lengte langs de Rivier, of ten

minsten lagen zy niet veel van dezelve af. Tusschen de Boerderyen was

gemeenlyk ene ruimte van drie of vier Arpents. Enigen dezer Boerderyen

hadden kleine boomgaarden, dog de meesten niet; egter had meest elke

Boer enen moestuin.

Menschen, die in ’t zuiden van Kanada en naar den kant van de

Missisippi gereisd hadden, berigtten eenstemmig, dat daar ene menigte

van schone Persiken in ’t wild wast, welken de Wilden beweerden dat

daar van oude tyden af altyd gevonden geweest zyn.

De Boerenhuizen zyn dikwyls van steen, dog somtyds ook van hout, en

bestaan uit drie of vier kamers. Zelden vond men glas in de vensters,

dog meest papier. Zy hebben enen yzeren kacchel in ene der kamers, en

de voegen der wanden zyn met klei digt gemaakt. De schuren en stallen

zyn meest met stro gedekt. De heiningen waren een weinig anders dan by

ons.

[Kruissen.]

Hierendaar zagen wy kruissen staan langs den weg die nevens den oever

loopt. Zulke kruissen vindt men veel op de wegen in Kanada, en zy

dienen om de godsdienstigheid der reizigers op te wekken. Zy zyn van

hout en twee of drie vademen hoog. Op de zyde die naar den weg gekeerd

is ziet men ’er een vierkant gat in uitgehouwen, waarin een beeldtje

staat of van den Verlosser, of van de Heilige Maagd, hebbende den

Zaligmaker als een klein kind op den arm. Dit was met een glas bedekt

om het voor de lugt, regen en stof te beschutten. De voorbygangers

maken ’er een kruis voor, nemen den hoed af, of knielen. Sommigen van

deze kruissen, vooral die digt by ene kerk staan, zyn opgeschikt. Alle

de werktuigen, die men maar bedenken kan dat de Joden by ’t lyden van

den Heiland gebruikt hebben, vindt men ’er by. De Haan van Petrus staat

dikwyls ten oosten van het kruis.

[De Landsdouw.]

Het land, dat wy dezen dag zagen, gaf een vermakelyk uitzigt. Het was

genoeglyk te zien hoe wel en sterk het bewoond was. Het scheen een

gedurig dorp te zyn, dat by Montreal begint en tot Quebec, ene langte

van dertig Zweedsche mylen, zo niet verder, duurt. Weinige plaatsen

waren ’er maar waar de Boerderyen meer dan drie of vier Arpents van

malkander verwyderd lagen. Op zulke plaatsen, daar de Rivier ene myl of

twee lynregt loopt, was het gezigt vooral verrukkelyk; en dan schenen

de huizen in de verte vlak naast malkander te staan.

[Kleding der Boerinnen.]

De Boerinnen in Kanada dragen altyd een soort van kappen, die meest

agter over geslagen zyn, en dikwyls in den nek hangen. Hare jakken zyn

kort; de rokken zyn nauw en komen pas halfwege de benen. Om den hals

hebben zy gemeenlyk een zilveren kruis afhangen. Sommigen zyn zeer

naarstig; dog ik heb ’er ook gezien die niet veel meer uitvoerden dan

de Engelsche Vrouwen in dit werelddeel gewoon zyn, en den gantschen dag

zaten te gapen en te snappen. By het beuzelen door het huis, en ’t

drentelen van de eene kamer in de andere, zyn zy, en vooral de

ongetrouwden, zeer gewoon een liedtje tusschen de tanden te neurien,

daar vry wat van amour en coeur in komt. By de Boeren was het de

gewoonte dat als de Man gasten had en aan tafel zat de vrouw agter

zynen stoel stond om hem te dienen. Maar in de steden zyn de Vrouwen

meer in aanzien, en zy staan daar naar geen minder gezag dan dat van de

Mans. Als zy uitgaan of op reis zyn dragen zy enen groten mantel, dien

zy over hare klederen heen slaan. Deze mantels waren of grauw, of

bruin, of blauw. Zy gaven in grootte onzen mansmantels niet toe.

Somtyds bedienden zig de Heren wel van deze vrouwenmantels, als zy uit

waren en van den regen overvallen wierden. Onder deze mantels konden de

vrouwen zeer verwaarloosd gekleed uitgaan.

[Molens.]

Wy zagen hierendaar windmolens staan, die meest van onderen van steen

en van boven met planken gedekt waren, kunnende het dak met de wieken

naar den wind gedraid worden.

De Rivier was niet overal even breed. Hier en daar was zy byna twee

Eng. mylen en op anderen pas een vierde van zulk ene myl breed. De

oever was somtyds hoog en steil, somtyds laag en gloijend.

Om drie uur na den middag voeren wy de plaats voorby waar de Rivier die

uit het Meer Champlain komt zig in de St. Laurence stort, in ’t midden

van de welke hier een groot Eiland lag, het welk de Jagten aan de

zuidzyde omvaren, dewyl daar de Rivier het diepst is, dog de schuiten

kiezen de noordelykste doorvaart, om dat die weg korter, en ’er voor

haar waters genoeg is. Behalven dat Eiland lagen ’er nog verscheiden’

anderen, die allen bewoond waren. Verder weg, en voor dat wy aan Lac

St. Pierre kwamen, was het land aan beide zyden der Rivier onbewoond,

vermits het zo laag was dat het gedurig overstroomd zou zyn. Dog lager,

daar het hoger is, is het even zo bebouwd als het geen wy voorby

gevaren waren.

[Lac St. Pierre.]

Lac St. Pierre is een wyde boezem, dien de St. Laurence maakt. Wy

konden hier nauwlyks iets als hemel en water zien. Men zegt dat dit

Meer zeven Fr. mylen lang en drie breed is. Als men ’er midden op is

vertoond zig van verre naar het westen een land, dat over de bosschen

heen kykt. Hierendaar zag men grote plaatsen vol van een soort van

biezen, by Linnæus Scirpus palustris. Omtrent dit Meer ziet men nergens

huizen of bebouwde landen, vermits het land overal te laag is en het in

’t voorjaar onderloopt, zo dat men met schuiten tusschen de bomen kan

doorvaren. Maar op enigen afstand van het Meer, waar het land wat hoger

is, leggen de Boerderyen, de ene naast de andere. Wy zagen dezen dag

gene eilanden, dog den volgenden werden wy ’er enigen gewaar.

Des avonds laat verlieten wy het Lac St. Pierre, en roeiden enen

kleinen stroom op, La Rivière des loups geheten, om een huis te vinden

waar wy den nagt konden overbrengen. Na dat wy ene Eng. myl geroeid

hadden begon het land aan beide zyden van den stroom bewoond te worden.

De oever was enigsins hoog, en het land vlak. Wy overnagtten in een

Boerenhuis. Tot hiertoe waren wy binnen ’t Regtsgebied van Montreal

geweest, en hier begon dat van den Gouverneur van Trois Rivières, van

welke plaats wy nu agt Fr. mylen af waren.

Den 3. Aug. om vyf uur des morgens gingen wy weer op reis, eerst het

kleine Riviertje af, en daarna langs het Lac St. Pierre. Na enigen tyd

zagen wy van verre in ’t noordwesten ene lange ry van hoge bergen, die

boven het lage land zeer hoog uitsteken. Op den noordwestelyken oever

was het Meer op de meeste plaatsen tamelyk digt bewoond. Dog aan de

zuidoosterzyde zag men gene Boerdery, en maar alleen een laag met hout

bedekt land, dat somwylen onderloopt, maar agter het welk verscheiden’

Landhoeven gezegd worden te leggen. Daar het Meer ten einde loopt wordt

de Rivier weder smal, zo dat zy niet boven anderhalve Eng. myl breed

is, en verder weg wordt zy nog smalder. Van het einde des Meers tot

Trois Rivières rekent men drie Fr. mylen. Om elf uur voor den middag

kwamen wy daaraan, en woonden ’er den godsdienst by.

[Trois Rivières.]

Trois Rivières is een klein vlek, gelykende wel naar een groot dorp.

Men rekent het onder de drie steden van Kanada, te weten Quebec,

Montreal, en Trois Rivières. Het legt in ’t midden tusschen de twee

eerst genoemden, dertig Fr. mylen van elke. De plaats legt aan de

noordzyde der St. Laurence, op ene vlakke dog wat verhevene zandbank.

De legging is zeer aangenaam. Aan de eene zyde loopt de Rivier, die

hier anderhalve Eng. myl breed is, en aan de andere wordt de plaats

door schone landeryen omgeven, schoon de aarde merendeels zandig is.

Men vindt hier twee stenen kerken, een Nonnenklooster en een huis voor

Franciskaner Monnikken. Hier is ook de verblyfplaats van den derden

Gouverneur, die in Kanada is. Zyn huis is ook van steen. De meeste

andere huizen zyn van hout, ene verdieping hoog, middelmatig gebouwd,

en staan verstroid. De oever is louter zand, en tamelyk verheven. By

sterken wind wordt dit zand zo opgejaagd dat men werk heeft uit de ogen

te zien. De Nonnen, waarvan men ’er omtrent tweeëntwintig telde, werden

voor zeer handig in allerlei vrouwelyke handwerken gehouden, als nayen,

borduren, en diergelyken. Voorheen bloeide deze plaats boven de

anderen, dewyl de Wilden van alle kanten hier met hunne waren t’zamen

vloeiden. Maar sedert dat dezen, zo wel van wege den oorlog met de

Iroquoizen, als om andere oorzaken, begonnen hebben ten dele naar

Quebec en Montreal, ten dele naar de Engelsche Volkplantingen te gaan,

is haar welstand afgenomen. Thans bestaan de Ingezetenen voornamelyk

van den landbouw. Ook trekken zy enig voordeel van de naby gelegen

yzerwerken. Omtrent ene Eng. myl beneden de plaats valt een andere

grote Rivier, die zig daar aan haren mond in drie takken verdeelt, in

de St. Laurence, zodat het in ’t voorbyvaren schynt als of zig hier

drie Rivieren ontlastten. Dit heeft aanleiding gegeven om die Rivier,

en de een weinig van daar gelegene Stad, Trois Rivières te noemen.

[Eb en vloed.]

De eb en vloed doen zig in de St. Laurence ene Fr. myl boven Trois

Rivières bemerken, schoon zo weinig dat men het nauwlyks bespeurt. Dog

in den tyd als dag en nagt even lang zyn, in de lente en in den herfst,

gelyk ook by nieuwe en by volle maan, is het verschil tusschen eb en

vloed twee voet. Gevolgelyk gaat de vloed en eb vry hoog de Rivier op,

want men is hier langs de St. Laurence omtrent honderdvyftig Fr. mylen

van zee.

[Yzerwerken.]

Terwyl myne reisgezellen hier uitrustten, steeg ik te paard om het

Yzerwerk alhier te bezigtigen. Het land, dat ik doorreed, was tamelyk

hoog, zandig, en meest vlak. Ik vernam gene stenen, en veel minder

enige bergen.

Reis door Noord Amerika · 第 35 / 50 段