beide de zyden van het Meer lagen hoge bergen, die als ene schakel
uitmaakten, dog met dit onderscheid, gelyk ik al aangemerkt heb, dat
aan de oostzyde tusschen het Meer en ’t gebergte een laag van met hout
bewassen land gelegen is, ter langte van tusschen de twaalf of agttien
Eng. mylen. Agter dit gebergte behoort het land tot Nieuw Engeland. Dus
maakten deze bergen ene grensscheiding uit. Aan de westzyde stieten de
bergen vlak tegens het Meer. Het was in ’t eerst maar een uur breed,
dog wierd daarna hoe langer hoe breder. Tot op een uur gaans van het
Fort St. Frederic was het land aan de oostzyde bewoond, dog verder
louter bosch. Omtrent tien Fransche mylen van de Vesting werd het Meer
vier mylen breed. Hier en daar zag men Eilanden, en de Kapitein van ’t
Jagt zeide dat ’er in dit Meer zestig Eilanden lagen, waaronder ’er
enigen zeer groot waren. Ook verzekerde hy dat het zo diep was, dat men
op de meeste plaatsen met ene lyn van honderd vademen genen grond
peilen kon; en digt aan land, voornamelyk waar dwarslopende bergen
leggen, vindt men dikwyls ruim tagtig vadem waters, zo dat ’er geen
middel is om te ankeren. Veertien Fransche mylen van het Fort lagen
vier grote Eilanden in het Meer, dat daar zes mylen breed is. Den
gantschen dag was het droevig weer, en de wolken, die zeer laag hingen,
schenen tegens ’t gebergte aantestoten, en het als met enen nevel te
hullen. Van verscheiden bergen steeg de nevel als een rook in de
hoogte. Hier en daar wierp zig ene kleine Rivier in ’t Meer. Agter het
gebergte aan de westzyde was het land, gelyk men my berigtte, enige
mylen ver gantsch vlak en met hout bedekt, van vele stromen, beken,
moerassen en kleine meren doorsneden, en zeer bekwaam om bewoond te
worden. De oever was somtyds klipagtig, en bestond somtyds uit zand.
Tegens den avond begonnen de bergen allengskens aftenemen. Het water
was zeer helder, en wy bemerkten gene klippen of ondieptens. Des avonds
laat ging de wind leggen, en wy wierpen het anker onder ’t land. Den
20. voeren wy des morgens met enen gunstigen wind voort. De plaats daar
wy overnagtten was ten halvenwege Fort St. Jean, van waar tot Fort St.
Frederic men eenenveertig Fr. mylen te water rekent. Het gebergte was
ons nu uit het gezigt, en het land was laag en boschryk. De oever
bestond uit zand. Byna overal scheen het Meer een Zweedsche myl breed,
dog het was inderdaad breder, en de Eilanden deden het smaller schynen.
Hier en daar zag men aan den oever Wilden in schuiten van bast. Dog
geen van hun woonde aan het Meer, en zy waren hier alleen om Steuren te
vangen, waarvan ’er hier veel zyn. Wy zagen ze somwylen hoog uit het
water springen. Deze Amerikanen leiden ene byzondere levenswys. Een
gedeelte van het jaar leven zy voomamelyk van hunnen kleinen voorraad
van Mais, bonen en kawoerden; om dezen tyd bestaan zy van visch zonder
brood of iets anders; op enen anderen tyd wederom eten zy niets als
wild. Desniettemin worden zy oud, zyn gezond, en kunnen meerder
ongemakken uitstaan dan anderen. Zy zyn altyd vrolyk en vergenoegd;
zingen en dansen geduriglyk: zo dat zy hunne levenswys voor die welke
in Europa als de beste geagt wordt niet zouden willen ruilen.
Omtrent tien Fr. mylen eer wy aan Fort St. Jean kwamen, ontdekten wy
huizen op den westelyken oever van het Meer, die kort voor den laatsten
oorlog door de Franschen bewoond geweest waren. Thans waren zy sterk
bezig met dezelven weder te gaan betrekken. Dit waren de eerste huizen
die wy zagen sedert wy die by Fort St. Frederic verlaten hadden.
[Houten Fort.]
Voor dezen was ’er ene houten Vesting op den oostelyken oever van het
Meer geweest, waarvan men ons de legplaats aanwees. Zy was nu met hout
bewassen. Zy had den Franschen tegens de invallen der Wilden gediend.
Men verzekerde ons dat vele Franschen in dezen oord door dezelven waren
omgebragt. Ook verhaalde men ons dat men hier vier vrouwen tegens enen
man onder de Franschen rekent, nadien alle jaren vele mans op hunne
reizen, die zy ondernemen om met de Wilden handel te dryven, van
dezelven vermoord worden.
Wy zagen enen stenen windmolen op een uitstek lands aan den oostelyken
oever staan. De oord was voor den kryg van Franschen bewoond geweest,
die nog niet teruggekomen waren. Wy waren nog agt Fr. mylen van Fort
St. Jean. De Engelschen en hunne Amerikanen hadden hier de meeste
huizen verbrand.
Het Jagt dat ons voerde was het eerste dat men hier gebouwd had. Voor
dezen bediende men zig maar van grote zogenaamde Bateaux om voorraad te
vervoeren. De Kapitein, die hier in ’t land geboren was, had het zelf
gebouwd, de eerste den weg voor het Meer gevonden, en de dieptens
gemeten om met het zelve tusschen Fort St. Frederic en Fort St. Jean te
varen. Hier, over den molen, heeft men drie vadem waters. Dog
naderhand, tot Fort St. Jean, wordt het wat ondieper. Hier en daar
zagen wy huizen op den oever. De Kapitein had Ottervellen in de kajuit
hangen, die volkomen naar de Europischen geleken. Van deze Otters zoude
men ’er velen in Kanada vinden.
De vellen van Zeehonden worden hier veel gebruikt om koffers te
overtrekken. De mantelpakken waren ’er ook veel van gemaakt. Ook had
’er de gemene man tabaksbeurzen van. Van gedaante waren zy even gelyk
aan die men in Noorwegen en Zweden vindt. Het gemene volk was hier
gewoon op reis te roken, dog ik merkte niet dat hier iemant de gewoonte
had van tabak te kauwen. Men vindt veel van deze Zeehonden in den
Zeeboezem beneden Quebec, die, even als de Zweedschen, met grauwe en
zwarte vlakken gespikkeld zyn. Zy gaan de Rivier St. Laurence zo hoog
op als het water zout is. Men heeft ze op geen der grote Meren hier in
Kanada bespeurd. De Franschen noemen ze Zeewolven. [287]
[Ongodsdienstigheid der Engelschen en Hollanders.]
De Franschen zyn in hunne Volkplanteryen veel gezetter op den
uiterlyken Godsdienst dan de Engelschen en Hollanders. Op de Jagten der
twee laatst genoemde volken had men de gewoonte niet van ’s morgens of
’s avonds bedestonden te houden. Zelden of noit bad men over tafel. Dog
op dit Fransche Jagt wierd ’s morgens en ’s avonds gebeden, en des
zondags meer dan naar gewoonte. Voor en na den maaltyd maakten zy het
kruis en deden een kort gebed. De Kapitein deed alle ogtenden zyn gebed
op de knien leggende. In Fort St. Frederic kwam ook de gantsche
Bezetting ’s morgens en ’s avonds tot het gebed. Dog het was jammer dat
de gebeden in ’t Latyn gedaan werden, het geen weinigen verstonden.
Zodra wy den molen voorby waren wierd het Meer zo smal dat het niet
veel boven een musketschoot breed was. Dus geleek het veel eer naar ene
rivier. Het land was aan weerskanten laag en met bomen bewassen die hun
blad ’s winters laten vallen. Hier en daar zagen wy ene hut op den
oever, anders was het land onbewoond. Men had hier niet boven de zes of
tien voet diepte; en hier en daar vertoonde zig een Eilandtje.
Gedurende onze gehele reis lag het Meer altyd zuidzuidwest en
noordnoordoost.
Op sommige plaatsen van Kanada zyn grote streken lands die byzondere
personen toekomen. Wanneer dan iemant de vryheid krygt van een stuk van
het zelve te bebouwen, dat gemeenlyk veertig arpents lang, en drie
breed is, is hy verpligt, wanneer hy enigsins in staat is, den eigenaar
ene zekere som [288] jaarlyks te betalen.
Het Meer wierd nu zo ondiep dat men genoodzaakt was van met takken den
weg voor ’t Jagt te peilen. Op sommige plaatsen egter had men twee
vadem waters.
Des avonds by het ondergaan der zonne kwamen wy by Fort St. Jean aan.
[Fort St. Jean.]
Fort St. Jean is ene sterkte van hout, door de Franschen in het jaar
1743. aan de west zyde van den mond van het Meer Champlain digt aan ’t
water gebouwd, met inzigt om het omleggende land, dat men bevolken
wilde, te dekken, en om tot een magazyn te dienen voor den voorraad en
de krygsgereedschappen, die jaarlyks van Montreal naar Fort St.
Frederic gezonden worden, welken men van hier gemakkelyk naar de laatst
genoemde plaats zenden kan, het welk men meer naar om laag niet doen
kan, dewyl een paar snaphaanschoten lager als dit Fort ene ondiepte is
vol met stenen, waar men niet dan met zo genaamde Bateaux over komen
kan. Voorheen was het Fort Chamblan, dat vier Fr. mylen lager legt, een
magazyn. Dog men moest van daar het goed met schuiten naar de Jagten op
de plaats daar nu dit Fort staat voeren, behalven dat de weg van
Montreal naar Fort Chamblan over land, en langer was. Fort St. Jean
legt laag, op enen zandigen en rondom vlakken grond, meest met hout
bewassen. De Vesting is een vierkant en beslaat een arpent gronds.
Beneden tegens het Meer staat een hoog houten gebouw op elken hoek, van
vier verdiepingen, hebbende enen grondslag van steen ter hoogte van
anderhalven vadem. In deze gebouwen, die veelhoekig zyn, ziet men
schietgaten. Op de twee andere hoeken aan de landzyde staan twee kleine
houten huizen van twee verdiepingen hoog. Zy dienen tot woningen voor
de Soldaten en tot versterking der plaats. Tusschen deze gebouwen staan
palissades, gemaakt van ’t hout der Thuya, het welk hier gehouden wordt
der verrotting in de aarde langer te wederstaan dan het dennenhout. Wat
meer beneden staan dubbelde palissades. Agter de palissades heeft men
voor de Soldaten ene borstwering gemaakt, waarvan zy dezelven
verdedigen konnen. Op het einde van den oorlog in het voorleden jaar
lagen hier tweehonderd mannen in bezetting. Dog nu zyn ’er maar een
Kommandant, een Kommies, een Bakker en zes Soldaten. De Kommandant was
de Ridder De Gannes, een aangenaam man, en zwager van den Heer
Lusignan. Het land rondom de Vesting was vet en vrugtbaar, dog niet
bebouwd. Men zogt menschen om zig hier neder te zetten.
[Marengoins.]
De Franschen in Kanada geven den naam van Marengoins aan de Muggen,
enen naam die men wil dat van de Wilden ontleend is. Van dit ongedierte
waren de bosschen rondom het Fort zo vol, dat men het met regt het Fort
der Marengoins zou hebben mogen noemen. De moerassen en lage boschryke
landen zyn haar vaderland. Als het hout gekapt en het water afgeleid
werd, zouden zy hier zo wel als op andere plaatsen verminderen.
[Ratelslangen.]
De Ratelslang is, volgens het eenparig berigt der Franschen, hier, nog
verder noordwaards, by Quebec of Montreal, niet te vinden, en het
gebergte om Fort St. Frederic is hare uiterste grenspaal aan dezen
kant. Ook zegt men, dat ’er meer noordwaards aan gene Slangen zyn wier
vergift den menschen schadelyk zyn konne; ook vlugten zy op het gezigt
van een mensch. Myne overige aanmerkingen over de Ratelslangen kan men
vinden in de Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy der
Wetenschappen voor het jaar 1752.
Den 22. Juli kwamen hier paarden aan van Prairie om ons aftehalen,
welken de Kommandant op myn verzoek had doen komen, dewyl ’er hier geen
te vinden waren, want de plaats was nog maar een jaar aangelegd
geweest. De menschen die de paarden bragten hadden brieven aan den
Kommandant by zig, zo wel van den Gouverneur Generaal van Kanada, den
Marquis La Galissonière, geschreven te Quebec den 15. Juli, als van den
Vice Gouverneur te Montreal, den Baron De Longueuil, van den 21. van
die maand; waarin gemeld wierd, dat ik hun byzonderlyk van het Fransche
Hof was aanbevolen, en dat men my van alle noodwendigheden voorzien en
ten spoedigsten myne reis bevorderen moest. Twee ankers wyns en enige
andere dingen, welke men dagt dat ik van doen hebben zoude, wierden den
Kommandant toegeschikt. Des avonds dronken wy onder ’t lossen van het
geschut de gezondheden der Koningen van Frankryk en van Zweden, zo wel
als van den Gouverneur en anderen.
[Vertrek.]
Den 23 des morgens gingen wy op reis naar Prairie, om verders naar
Montreal te komen. Men rekende van hier tot aan Prairie zes Fr. mylen
te land, en van daar tot Montreal langs de Rivier St. Laurence derde
half uur. Wy hielden ons in ’t begin aan den oever, hebbende ter
regterhand de Rivier St. Jean. Dus noemt men den mond van het Meer
Champlain, dat in de Rivier St. Laurence valt, schoon die van sommigen
ook de Champlain Rivier geheten wordt. Na ene Fr. myl ver gereden te
hebben verlieten wy de Rivier, en sloegen links af. Het land was hier
overal laag, met hout bewassen, en vry nat, zo dat wy langzaam voort
kwamen. Men moet aanmerken dat Fort St. Jean in den verleden’ zomer
eerst gebouwd en toen deze weg gebaand is. Tweehonderdenzestig man, die
elk daags dertig Sols kregen, werkten ’er toen op ’s Konings kosten
aan; en men zeide dat de arbeid dezen herfst verder voortgezet zou
worden. De laagheid van het land bragt vele Muggen en Vliegen voort. Na
dat wy drie Fr. mylen gereden hadden wierd het land vry van hout. Het
scheen voorheen een moeras geweest te zyn, dat nu opgedroogd was. Het
gezigt was hier aan alle kanten vry ruim. Aan de regterhand zagen wy
van verre twee hoge bergen, die zig de een voor den ander vertoonden,
en niet ver van Fort Champlain af lagen. Ook kon men den hogen berg,
die vlak by Montreal legt ontdekken. De weg liep byna lynregt. Wy
kwamen weder op een laag drassig land, daarna in een bosch, bestaande
voomamelyk uit Pynbomen met van onder verzilverde bladen. [289] Het
land daar wy door trokken was vet, en kan met den tyd zeer vrugtbaar
worden. Rotsen zag men niet, en zelfs byna gene stenen langs den weg.
Verder, ongevaar vier Fr. mylen van Fort St. Jean, bekwam het land een
ander aanzien. Het was hier overal bewoond. Wy zagen byna niets dan
fraye wyd uitgestrekte akkers, staande met de schoonste weit; hier en
daar stonden ook erwten en haver. Ander graan vernamen wy niet. De
Landhoeven stonden op zig zelven. De huizen waren klein en van hout. In
plaats van mos, die men hier niet vond, maakte men de reten digt met
klei. De daken waren spits en met stro gedekt. De oord tot aan de
Rivier St. Laurence toe was in myn oog een van de schoonste die ik in
Noord Amerika gezien heb.
[Prairie.]
Omtrent den middag kwamen wy te Prairie aan, leggende op ene hoogte aan
de Rivier St. Laurence. Wy bleven hier dezen dag, vermits ik begerig
was het land rondom te bezigtigen.
Prairie de la Magdelene is een klein vlek, gelegen aan den oostelyken
oever der Rivier St. Laurence, derdehalve Fr. myl van Montreal, dat men
hier duidelyk noordwestwaards aan de overzyde der Rivier zien kon. Het
land rondom Prairie is vlak. Van alle kanten ziet men grote akkers en
weilanden. De St. Laurence is hier ruim anderhalve Fr. myl breed. De
huizen zyn hier meest van hout, met spitse houten daken, en de voegen
in de wanden zyn met klei aangevuld. In ’t midden van het vlek staat
een frai stenen kerkje, met enen toren en ene klok. Voor de kerkdeur is
een houten kruis, met alle de werktuigen die men denkt dat tot het
lyden van den Zaligmaker gediend hebben. Het vlek was met palissades
omringd, voorheen tegens de stroperyen der Wilden daar gesteld. Buiten
de palissades zyn verscheiden moes- en andere tuinen, dog weinig
vrugtbomen daar in. De oevers waren hier niet zeer hoog. Hier onthield
zig een Priester en een Kapitein, dien men Kommandant noemde. De
koornlanden waren groot, dog men zag ’er gene rog, gerst of mais. In de
St. Laurence is zuidwestwaards van hier een zware waterval, welken men
hier gemakkelyk kan horen. Als in ’t voorjaar het ys los gaat lopen
dikwyls verscheiden’ landeryen onder. En, in plaats dat de Nyl door
zyne overstromingen het land vrugtbaar maakt, doen hier deze
overstromingen niets dan schade; want zy brengen allerhande gewassen op
het land, welker zaden het vol van onkruid maken. Op dien tyd moet het
vee ver weg gedreven worden. Dog het water blyft maar twee of drie
dagen staan. Deze overstromingen ontstaan voornamelyk door het
verstoppen der Rivier door ’t ys.
De Zizania aquatica wast veel in een beekje, dat een weinig beneden
Prairie loopt.
[Voortreis.]
Den 24. Juli stapten wy in een bateau om langs de St. Laurence naar
Montreal te varen. Wy lieten ons met den stroom dwars over naar beneden
dryven. Het water stroomde sterk, dog het is hier niet diep, zo dat de
Jagten niet hoger dan tot Montreal komen kunnen, uitgenomen in ’t
voorjaar, wanneer zy dikwyls tot boven Prairie kunnen opvaren. Van
Prairie af ziet men de Stad Montreal zeer duidelyk leggen. By onze
aankomst aldaar zagen wy veel volks aan de poort staan, welk
nieuwsgierig was Zweden te zien, een volk daar zy van te voren niets
van gehoord, dog die zy nu verstaan hadden dat verwagt wierden. Ook
waren wy de eerste Zweden die men wist dat oit te Montreal zig vertoond
hadden. Zodra wy aan land traden kwam my een Officier verzoeken aan het
huis van den Gouverneur te komen. De Baron De Longueuil was nog
Vice-Gouverneur, dog hy wagtte dagelyks zyne verdere aanstelling uit
Frankryk. Hy ontving my met de grootste beleefdheid, en toonde my
brieven van den Gouverneur Generaal, waarin hy berigtte last te hebben
my in alles vry te houden, en op kosten des Konings van Frankryk hier
te lande te doen reizen. In een woord, ik ontving hier nu, en na myne
terugkomst van Quebec, grotere gunstbewyzen dan ik zou hebben kunnen
verwagten.
[Levenswys.]
De levenswys der Franschen in Amerika is van die der Engelschen in dat
werelddeel even zo zeer verschillend als zy in Europa is. De vrouwen
waren hier zeer wel gemaakt. Zy waren wel opgebragt, en betoonden ene
grote onschuldige vryheid. Des zondags waren zy zeer opgeschikt, byna
gelyk onze Zweedsche vrouwen, dog in de week niet zo zeer. Maar zy
waren ’er altyd zeer opgezet van wel gekapt te zyn. In de week dragen
zy een aardig net jakje, en enen korten rok, die halfwegen de benen
komt, als wilden zy daarin de Amerikaansche vrouwlieden navolgen. De
hakken der schoenen waren zo hoog en smal, dat men zig verwonderen moet
dat zy ’er mede gaan kunnen. In de huishouding overtroffen zy verre de
Engelsche vrouwen, die, om de waarheid te zeggen, het zo ver gebragt
hadden van al den last van ’t huishouden op de mans te werpen, en den
gantschen dag met de handen over malkander ledig doorbrengen. [290] Dog
de Kanadasche vrouwen steken de handen beter uit de mouw, vooral de
gemenen, die zig overal op de akkers, in de stallen, en elders laten
zien daar te werken valt. Dog zy schynen niet al te zindelyk op het
huisraad en de vertrekken. De vloer werd hier dikwyls niet eens in een
geheel jaar schoon gemaakt. Dus kwam het zulken die onlangs onder de
Engelschen en Hollanders verkeerd hadden, by de welken het schrobben en
wasschen een stuk is van geen minder gewigt dan de Godsdienst zelf,
hier vry morssig voor. Om egter het stuiven te beletten begoot men den
vloer met water zo dikwyls als de stof begon te vliegen. Ik zag hier
met genoegen dat de dogters zelfs van de eerste lieden, die van den
Gouverneur niet uitgenomen, zig eenvouwdig kleedden, en overal ter
bezorging van het huishouden door het huis, byna als meiden, liepen.
Het gedurig groeten op de straten, en het wedergeven van bezoeken, was
ene lastige gewoonte, die hier aangenomen was.
Enigen, die met de Wilden, welken omtrent vyftig Fr. mylen van de
Hudsonsbay afwonen, op de Beverjagt geweest waren, verhaalden my, dat
de dieren, om wier huid het inzonderheid te doen is, en die men daar
menigvuldig vindt, zyn, Bevers, wilde Katten of Lynxen, en Marters. Men
houdt de vellen der dieren voor des te beter hoe noordelyker zy
gevangen worden, dewyl die digter hair hebben dan zulken die men meer
naar ’t zuiden vindt.
[Witte Patryzen.]
Een soort vogels, die men ’s winters in grote menigte digt by de
Hudsonsbay vindt, worden van de Franschen Witte Patryzen genoemd.
Zonder twyffel is dit de zelve Vogel dien men in Zweden Sneuwhoenders
[291] heet. Hoe kouder het is en ’er meer sneuw valt des te
overvloediger zyn ze. Men beschreef ze als hebbende ruige witte poten,
zynde geheel wit, behalven drie of vier zwarte staartvederen. Het
vleesch zou wel smakend zyn. Uit Edward’s Natuurlyke Historie der
Vogels [292] blykt het dat de Sneuwhoenders aan de Hudsonsbay zeer
gemeen zyn.
[Hazen.]
Aan de Hudsonsbay zyn ook vele Hazen. Men vindt ’er ook veel in Kanada,
waar ik ze dikwyls zelf gezien heb. Zy zyn volkomen als de onzen. Des
zomers zyn zy grauwbruin, en ’s winters sneuwwit gelyk als in Zweden.
[Konsten.]
Met de konsten, als Bouwkonst, Ticchelbakkeryen, Schrynwerkers- en
Drayerskonst, en diergelyken, is men hier nog zo ver niet gekomen als
wel behoorde. De Engelschen zyn hierin den Franschen veel voor.
Waarschynlyk komt dit daarvan daan dat in Kanada de meeste Werklieden
maar afgedankte Soldaten zyn, die niet veel gelegenheid gehad hebben te
leren, dog door de noodzakelykheid of by toeval alleen tot hun ambagt
gebragt zyn. Enigen waren ’er egter aantetreffen die tamelyk kundig
waren. Ik zag ’er enen die vry goede uurwyzers maakte, en die konst zig
zelven geleerd had.
[Vliegen.]
Men heeft my verhaald dat de gemene Huisvliegen voor honderdvyftig
jaren hier niet bekend geweest zyn. De Wilden bevestigden het zelve, en
zyn van gedagte dat de Huisvliegen met de schepen die gestrand zyn hier
zyn gekomen. Ik wil dit niet ontkennen; dog dit weet ik dat wy tusschen
Saratoga en Crownpoint in de wildernissen altyd ene menigte van die
vliegen om ons hadden, als wy gingen zitten om uitterusten of te eten;
en dit maakt het wat twyffelagtig of zy hier niet al veel vroeger
geweest en of zy wel uit Europa hier eerst gebragt zyn. ’T is waar, men
zou kunnen zeggen dat die Vliegen sedert den tyd dat het Fort Anne hier
stond in die woestenyen zyn overgebleven, toen de Engelschen zig daar
ophielden, en dat verscheiden Reizigers door den reuk van hunnen
medegevoerden voorraad de vliegen hebben kunnen met zig naar de
wildernissen lokken.
[Wilde Koeyen.]
Wild Rundvee treft men overvloedig in de zuiderdelen van Kanada aan, en
het heeft zig daar reeds van aloude tyden opgehouden. In het Land der
Illinoizen, leggende omtrent op de zelve breedte als Philadelphia, is
’er zeer veel van. Verder noordwaards vindt men ’er weinig. Ik zag ene
huid van dit vee. Zy was zo groot als die van enen onzer zwaarste
Ossen, dog hairiger. De hairen waren donkerbruin, omtrent als die van
enen bruinen Beer. Dog die welken het digst aan ’t vel zaten waren zo
fyn als wol. Dit vel was niet zeer dik, en zou in Frankryk niet zo hoog
als een Berenvel geschat worden. Onder anderen gebruikt men deze vellen
om des winters de voeten in te warmen. Velen van deze wilde Koeyen
hebben ene fyne wol, welke voor de Schapenwol niet wykt, zo zy die niet
overtreft. Men heeft ’er koussen, klederen, handschoenen en andere
dingen van gemaakt, zo goed als of zy van de beste wol waren. De Wilden
maken ’er voor zig allerhande dingen van. Het vleesch wykt niet voor
dat der beste Ossen. De huid kan dienen tot alles waar men in Europa de
ossenhuiden toe gebruikt. Men wil dat deze wilde beesten zwaarder zyn
dan de Europischen. Hunne hoornen zyn wel kort, dog dik aan den wortel.
Enigen hebben al getragt om deze beesten mak te maken, uit hoofde van
verscheiden overeenkomsten die ze mee het tamme vee hebben, vooral om
dat zy zo veel sterker zyn, en dus zeer nuttig voor den landbouw zouden
kunnen wezen. Zy hadden ten dien einde van deze wilde kalveren onder
het tamme vee laten lopen en groot worden. Dezen hebben een jaar of
drie geleefd, dog zyn eindelyk gestorven. Ook zyn zy altyd enigsins
wild gebleven. Zodat men de konst van ze regt tam te maken niet
gevonden heeft. Ook schenen zy niet wel tegens de koude te kunnen. En
inderdaad, hoe heet ook de zomers daar mogen zyn, vindt men ze zelden
meer noordwaards aan dan ik gezegd heb. Men dagt dat het met den tyd,
als het Land der Illinoizen wat meer bevolkt wezen zal, het ligter zal
vallen ze te temmen. [293] Ik heb reeds kortelyk hier boven van dit
soort van Rundvee gesproken.
[De Vrede afgekondigd.]
Den 27. Juli werd hier de Vrede tusschen Frankryk en Engeland
afgekondigd. De Soldaten waren onder de wapenen; men loste het geschut
en ’t klein geweer. Enige vuurwerken wierden ’er afgestoken, en des
avonds was de gehele Stad verligt. Tot diep in den nagt krielden de
straten van menschen. Ik spysde des avonds met vele Officiers en andere
lieden van aanzien by den Gouverneur.
[Eiland Magdalene.]
Den 28. begeleidde ik den Gouverneur en zyn Huisgezin naar een klein
Eiland, Magdalene genoemd, en hem alleen toebehorende. Het lag vlak
over de Stad in de St. Laurence aan den oostelyken oever. De Gouverneur
had hier een net dog klein huis, en enen schonen tuin. De Rivier loopt
tusschen de Stad en het Eiland door, en stroomt daar vry sterk. Digt
aan de Stad is zy zo diep dat ’er Jagten door konnen dog by het Eiland
wordt zy ondieper, zo dat men daar bomen moet. Op het Eiland stond een
molen, die door den stroom der Rivier werd omgedreven, zonder dat men
’er enen molendam had behoeven te maken.
[Geboomte.]
De Rhus glabra wast hier overvloedig. Nergens heb ik ze zo zwaar
gezien. Sommigen waren tot vier vadem hoog, en dik naar evenredigheid.
De Sassafras is hier geplant, dog worde hier niet in ’t wild gevonden,
maar wel meer Zuidwaards. Fort Anne was de noordlykste plaats daar deze
boom in ’t wild voortkomt. Die genen welken hier stonden waren al
verscheiden jaren oud, dog nog maar heesters, pas anderhalve el hoog.
Dit komt daarvandaan dat by elken winter de boom tot aan den wortel toe
bevriest, en ieder voorjaar nieuwe scheuten maken moet. Even zo was het
ook by Fort Anne, Fort Nicholson, en Oswego. Het zal dan vergeefsche
moeite gedaan zyn dezen boom onder ene koude lugtstreek te planten.