Die hier in bezetting waren kregen een rykelyk onderhoud. Elk ontving
daags anderhalf pond weitenbrood. Ook kregen zy erwten, spek, gerookt
of gezouten vleesch, en zelfs meer dan zy op konden. Nu en dan wierd
’er een os of ander beest geslagt, waarvan het varsche vleesch onder de
Soldaten werd uitgedeeld. De Officieren onderhielden op ’s Konings
kosten melkkoeyen. Ieder Soldaat had zyn tuintje buiten het Fort,
waarin sommigen speelhuisjes gezet hadden, en zy allerhande moeskruiden
teelden. De Kommandant zeide dat dit gebruik in dit Land algemeen was
by zulke Vestingen in wier nabuurschap gene grote stad lag, van waar
men groentens krygen kon. In vredenstyden behoefden de Soldaten gene
wagten waartenemen. En daar het Meer hier digt by vol van visch is, en
de bosschen van wild, zo kan ieder die maar wat naarstig is hier ene
tafel houden als een Heer. Ieder krygt alle twee jaren enen nieuwen
rok, maar alle jaar ene vest, ene muts, enen hoed, een paar koussen,
een das, een paar schoenen, en in den winter vry brandhout. Aan soldy
heeft ieder vyf sols daags. Dog als zy voor den Koning werken moeten
krygt ieder dertig sols. Dus was het geen wonder dat het krygsvolk ’er
hier frisch, vet, sterk en wakker uitzag. Die ziek wordt komt in ’t
Hospitaal, waar hy alles vry heeft. Zy konden, ook ligt verlof krygen,
en hielden egter hunne soldy en hun gewoon onderhoud, mits zy de
wagtlonen betaalden, als ’er wagten te doen waren. Den Kommandant en
den Officieren bewees men alle de verschuldigde eer; egter gingen de
Officiers met de Soldaten als hunne spitsbroeders gemeenzaam om.
Dikwyls zaten zy met malkander te praten. De Soldaten, die hier uit
Frankryk naartoe gezonden worden, moeten tot enen zekeren ouderdom toe
dienen; waarna zy hun afscheid, en vryheid krygen een stuk lands te
bebouwen. Maar als zy alleen voor zekere jaren hebben dienst genomen,
krygen zy na ’t eindigen van die hun ontslag, indien zy het begeren.
Dit doen de meesten die in Kanada geboren zyn. Als een Soldaat zyn
omslag gekregen heeft wordt hem van ’s Konings wegen een stuk lands
geschonken, van veertig arpents in de lengte, en drie in de breedte,
als de grond overal goed is, dog wat meer als die niet veel deugt. Ook
krygt hy onderstand om een woest land te ontginnen. De eerste drie of
vier jaren krygt hy eten voor hem, zyne vrouw en kinderen. Nog schenkt
hem de Koning ene koe, en de noodzakelykste werktuigen. Andere
Soldaten, die ’er door den Koning voor betaald worden, helpen hem zyn
huis bouwen. Dit zyn aanmerkelyke ondersteuningen voor eerst
beginnenden; en in een land daar de Soldaten zo wel behandeld worden,
zoude men zeggen, kan de Koning niet verlegen zyn om troepen. Om het
land des te beter te bevolken heeft men voorgeslagen jaarlyks uit
Frankryk driehonderd man overtevoeren, en den ouden Soldaten hun
afscheid te geven, waardoor zy gelegenheid mogten hebben te trouwen, en
zig aan den landbouw overtegeven. Het land dat men hier den afgedankten
Soldaten had geschonken was zeer goed, bestaande doorgaans uit ene met
klei vermengde dikke tuinaarde.
[Eggen.]
De Eggen, waarvan men zig hier bedient, zyn geheel van hout, en
driehoekig. De Ploegen waren ook niet veel beter. De raderen waren
plomp en dik, en al het hout was zo zwaar dat een paard werks genoeg
had om enen ploeg op den gelyken grond voorttetrekken.
[Rotsen.]
Hier en daar op de rotsen lagen stenen van verscheidenerlei soort.
Sommigen waren tamelyk groot van twee tot drie ellen dikte en
anderhalve el breedte; anderen wat kleinder. Zy kwamen egter allen in
den aard van den steen overeen, alleen bemerkte ik deze
verscheidenheden.
Enigen bestonden uit enen Kwarts van kleur gelykende naar bruine
kandysuiker, en uit enen zwarten fynen glimmer, die met zwarten
hoornsteen en enige weinige korrels van blauwen spaath vermengd was. De
kwarts was het voornaamste; ook was ’er vry veel glimmer, dog weinig
spaath in. Deze verschillende steenstoffen waren zeer wel door
malkander vermengd, zo dat men ze op ’t gezigt wel van malkanderen
onderscheiden, dog niet met werktuigen afzonderen kon. De steen was
hard en vast, en de kwartskorrels zagen ’er fyn uit.
Anderen bestonden uit grauwen kwarts, zwarten glimmer en hoornsteen,
met enige weinige spaathkorrels. Weinig spaath was ’er in, vry veel
glimmer, dog meest kwarts. De steen was hard en vast, en verschilde
alleen in kleur van den voorgaanden.
Enigen bestonden uit een mengsel van helderen kwarts en zwarten
glimmer, waarby ettelyke rode kwartskorrels kwamen. De spaath had hier
de overhand; de glimmer lag in dikke schyven. Deze steen was zo
vermengd niet als de voorgaanden, ook niet zo hard en vast.
De bergen waarop het Fort St. Frederic staat, en die welken hier
omstreeks leggen, waarop de beschreven’ stenen gevonden worden, bestaan
doorgaans uit enen koolzwarten kalksteen, die gelyk leyen op lagen
legt. Men zou hem ene lei noemen kunnen die door het vuur tot kalk
wordt. [276] Deze steen is van binnen pekzwart, en doorgebroken zynde
zeer fyn. Hier en daar vertonen zig in denzelven kleine spaathkorrels
en andere ongelykheden, die ’er aderen in formeren. De beddingen die
boven op de bergen leggen zyn van enen grauwen digten kalksteen, die
maar ene verscheidenheid is van den voorgaanden. In den zwarten
kalksteen treft men byna overal ene menigte van allerhande versteningen
van mosselschelpen, hoorns, en andere dingen aan. De versteningen die
men hier meest vindt zyn de volgenden:
[Petrefacta.]
Pectinites of Ostreæ pectines zyn het die ’t grootste getal uitmaken.
Somtyds komt men op grote beddingen, die niet anders dan aan een
gewassen schelpen van dit soort zyn. Zy zyn grotendeels maar klein, en
zelden meer dan anderhalven duim. Men vindt ze op twederlei wyzen
versteend. Het eerste soort toont overal in den steen indrukken van de
verhevene zyde der schelp, dog niet het geringste teken der schaal, en
alleen maar de indrukken. In het andere bespeurt men de schaal zelve
nog in den steen zittende, zo dat zy, als ze helder van kleur is, ligt
van den zwarten steen zelven kan onderscheiden worden. Van beide de
soorten vindt men ’er velen, dog van het eerste de meesten. Enigen zyn
verheven, vooral in het midden, anderen daarentegen zyn in het midden
ingedrukt; dog in de meesten is de buitenste oppervlakte merkelyk
verheven. De strepen lopen altyd in de langte, namelyk van het
middelpunt naar den rand.
Versteende Ammonshoornen zyn ’er ook veel, dog egter veel minder dan de
voorgaanden. Men vond ze ook zo wel met als zonder schalen. Dog ’er
waren ook vele versteende slakkenhuizen onder. Verscheidenen dezer
Ammonshoornen waren zeer groot, zo dat ik niet weet ’er oit groter
gezien te hebben. Zy bedroegen in de doorsnede meer dan een Zweedsche
el.
Men kon velerlei soorten van Koralen bespeuren in de stenen
vastgewassen, van de welken zy egter wel aftezonderen waren. Sommigen
waren steenplanten of witte takagtige koralen, [277] anderen, dog
minder in getal, waren starkoralen. [278]
[Steenballen.]
Ik moet den naam van Steenballen geven aan een soort van vreemden
steen, waarvan de rotsen op vele plaatsen vol waren. Zy hadden de
gedaante van een halven kloot, waarvan de verhevene zyde buiten de rots
uitstak, en de onderste daar vast was ingedrukt. Zy bestaan. louter uit
evenwydig lopende vezelen, die van den bodem en als uit een middelpunt
beginnen, en zig over de oppervlakte des kloots uitbreiden. De kleur is
grauw. Van buiten zyn deze ballen glad, dog hebben veel kleine gaatjes,
zo dat zy ’er uitzien als waren ze met ene helder grauwe korst
overtogen. In de middellyn zyn zy een of anderhalven duim.
[Zand.]
Onder andere soorten van Zand, die men hier op de Oevers van het Meer
Champlain vindt, zyn ’er byzonderlyk twee zeer zeldzaam, die men meest
op dezelve plaats by malkander aantreft, namelyk een zwart en een
roodbruin of granaatkleurig zand.
Met zwarte zand legt altyd het bovenste en bestaat uit zeer fyne
korrels. Met een vergrootglas beschouwd zynde vindt men ze donkerblauw
of yzerkleurig. Enigen zyn rond, dog de meesten hoekig en glanzig. In
de zon glinsteren zy sterk. Zy worden allen door den Zeilsteen
aangetrokken. Onder dezen vindt men enige granaatkleurige korrels, van
den zelven aard als het daar onder leggend rode zand. Dit rode zand is
ook zeer fyn, dog zo niet als het zwarte. De korrels hebben niet alleen
de kleur van granaten, maar zyn inderdaad niets anders dan gebroken
granaten. Enigen zyn rond, anderen wat hoekig, dog zy blinken allen en
zyn half doorschynend. De Zeilsteen heeft ’er niet het minste vermogen
op. Ook glinsteren zy niet sterk in de zon. Dit granaatzand krygt men
zelden zuiver, dog het is gemeenlyk met het daaronder leggende witte
kwartszand vermengd. Deze twee soorten van zand, te weten het zwarte en
het rode, vindt men niet overal, maar alleen op zekere plaatsen aan den
oever, en dan altyd in de zelve order. Boven op legt het zwarte zand
ongevaar het vierde van een duim dik. Als men dit voorzigtig wegdoet,
wordt het ondergelegene hoe langer hoe roder, tot dat het eindelyk
volkomen de kleur van granaat heeft. Dit zand legt gemeenlyk een weinig
dikker dan het zwarte. Wanneer men dit voorzigtig weggestreken heeft
komt het witte kwartszand te voorschyn, het welk boven op zeer met het
rode vermengd is, dog wat lager geheel wit wordt. Dit legt ruim vier
duim diep, en heeft ronde korrels, zodat het volmaakt naar parelzand
gelykt. Onder het zelve is nog een ligtgrauw hoekig kwartszand
verborgen. Op sommige plaatsen legt het granaatzand boven op, en vlak
daaronder het ligtgrauwe hoekige, zonder dat men ’er ene enkelde korrel
van het zwarte of van het parelzand onder vinden kan.
Wat de oorsprong van dit zwarte of donkerblauwe zand zy kan ik niet
zeggen, want men weet niet dat hier in de nabuurschap yzererts te
vinden is. Egter dunkt het my waarschynlyk te zyn dat ’er yzererts is,
dewyl het op vele plaatsen van Kanada vry gemeen is, en dit zwarte zand
op meest alle de oevers der Meren en Rivieren in Kanada, schoon niet
overvloedig, gevonden wordt. Het granaatzand heeft zynen oorsprong
hieromstreeks; want, hoewel de rotsen by Fort St. Frederic geen
granaatkorrels bevatten, vindt men egter op de oevers groter of
kleinder stenen verschillende van dat soort ’t geen op de bergen en
klippen gevonden wordt, de welken aan stukken gestoten en by het
granaatzand gelegd zynde daar niet van te onderscheiden zyn. En verder
noordwaards in Kanada, beneden Quebec, bevatten de bergen veel granaat.
Ook is dit rode zand zeer gemeen aan de Rivier St. Laurence. Dit werk
is niet geschikt om hier de overige aanmerkingen intevoegen die ik
gemaakt heb over verscheiden delfstoffen, dewyl weinig lezers ’er smaak
in vinden zouden.
[Apocynum androsæmifolium.]
Het Apocynum androsæmifolium [279] wast overvloedig op de hoogtens in
de bosschen, en had thans bloeisems. De Franschen noemen het Herbe à la
puce. [280] Als men in den steel snydt of ’er een stuk afplukt, zo
loopt ’er een wit melkagtig sap uit. De Franschen schreven dezer plant
alle de eigenschappen toe welken ik van den Vergiftboom boven [281]
gemeld heb, namelyk dat dit sap voor sommigen vergiftig, voor anderen
schadeloos is. Sommigen kunnen niet omtrent den boom komen of zy raken
vol van blazen. Ik zag enen Soldaat de hand vol blazen worden, alleen
omdat hy de plant uittrok om ze my te tonen. Ook zwellen by vele
menschen het aangezigt en de handen alleen van de uitwaassemingen dezer
plant. Allen stemden hierin overeen dat als men het sap op de hand
krygt, de hand niet alleen dik wordt, maar dat ook de huid ’er als van
weg gevreten wordt, ten minsten oordeelde men dat ’er maar weinige
menschen waren waaraan men die uitwerkingen niet bespeurde. Dog ik heb
’er nimmer ongemak van gehad, schoon ik meer dan eens, en in
tegenwoordig van vele lieden, die ’er verwonderd over waren, en my ’er
allerhande ongemakken uit voorspelden, niet alleen de gehele plant
aangetast, maar zelfs de beide handen met het sap bestreken heb, zo dat
zy geheel wit waren. Zelfs heb ik de plant zo lang in de hand gewreven
tot dat zy geheel aan stukken ware. Nogthans heb ik ’er geen het minste
leed van gekregen. Het vee eet van deze plant niet. [282]
[Klissen.]
Het Klissenkruid [283] wies op verscheiden’ plaatsen rondom de Vesting.
De Kommandant zeide dat men in ’t voorjaar de tedere scheutjes van dit
gewas als radys eet, na ’er de schil te hebben afgetrokken.
[Sison.]
Het Sison Canadense wast tamelyk veel in de bosschen door geheel Noord
Amerika. De Franschen noemden het Wilde Kervel, en eten het in ’t
voorjaar als kervel. Men prees het zeer, en hield het voor een der
beste moeskruiden die men hier in de lente had.
[Katoenplant.]
De van de Franschen zogenaamde Katoenplant, [284] groeide hier veel op
de kanten der heuvels, en zo wel in slegte als in goede aarde. Als men
den steel kwetst komt ’er een melkagtig sap uit te voorschyn, waarom
men de plant voor vergiftig houdt. Des niettemin vergaderen de
Franschen in ’t voorjaar de tedere stelen, als zy eerst uitkomen, en
maken die als aspersjes klaar, zonder dat hun dit voedsel kwaad doet,
dewyl de stelen zo vroeg nog niet vergiftig zyn. De bloemen geven enen
aangenamen geur, zo dat zy in dien tyd, vooral des avonds, het reizen
in de bosschen zeer aangenaam maken. De Franschen maken suiker uit de
bloemen. Ten dien einde plukt men ze des morgens vroeg, als zy nog met
dauw bedekt zyn; den dauw drukt men uit, en kookt ’er suiker uit, die
bruin dog zeer goed is. Als de scheuten volkomen ryp zyn zit ’er om het
zaad een soort van wol, die de katoen zeer gelyk is, van de welke de
plant haren Franschen naam gekregen heeft. De arme lieden vergaderden
ze, en vulden ’er hunne bedden mede in plaats van veeren. Vooral
gebruikt men ze voor kinderbedden. In Kanada bloeit de plant in ’t
einde van Juni en ’t begin van Juli, en het zaad wordt in ’t midden van
September N. S. ryp. De paarden eten ’er noit van.
[Reis over het Meer Champlain.]
Den 16. Juli des morgens begaf ik my op reis over het Meer Champlain
naar het hoge gebergte, dat op den westelyken oever van het zelve legt,
om te zien wat zeldzame gewassen en andere merkwaardigheden daar te
vinden waren. Als men op enigen afstand van het Fort op de rotsen staat
ziet men ene ry hoge bergen ten westen het Meer, die van het zuiden
naar het noorden lopen. En als men zig naar het oosten keert, zo komt
’er ene andere schakel van bergen in ’t gezigt, die zig ook van ’t
zuiden naar het noorden strekken. Dog die laatsten zyn wel tien of
twaalf Eng. mylen van het Meer af. Het land tusschen beiden is laag en
geheel met hout bewassen. De bergen zyn ook meest overal vol van zwaar
hout, uitgenomen op sommige plaatsen daar het door ’t vuur verteerd is.
Zy zyn op sommige plaatsen steil, op anderen niet. Wy voeren het Meer
over in ene kleine Kano, die maar drie personen dragen konde, en aan
land gekomen zynde wandelden wy naar ’t gebergte. De kanten waren
tamelyk steil, en met aarde bedekt; dog hier en daar lagen zware
stenen. Alles was met hout bewassen. Maar op sommige plekken was het
verbrand. Na veel moeite geraakten wy eindelyk op den top van enen
berg, die boven op met ene lugtige aarde bedekt was. Dog deze berg was
niet een van de hoogsten; wat verder lagen ’er die veel hoger waren,
dog wy hadden genen tyd om ’er naar toe te gaan, dewyl de wind begon
optesteken, en wy maar een zo klein vaartuig hadden. Wy troffen hier
niets zeldzaams aan.
Op den oever teruggekeerd vonden wy den wind zo sterk dat wy met onze
Kano niet verder op het water durfden komen. Ik liet dan enen man terug
om de Kano naar huis te brengen wanneer de wind wat zou gaan leggen, en
wandelde met Jungström het water om naar ’t Fort, dat een weg was van
omtrent zeven Eng. mylen. Wy volgden den oever, waar noit een weg
geweest was, en kwamen dan over steile bergen, dan over scherpe rotsen,
dan door dikke bosschen, dan door diepe moerassen. De oord had den naam
van een verblyf te zyn voor duizenden van Ratelslangen. Dog gelukkig
wierden wy ’er gene gewaar. De oever was somtyds vol stenen, waaronder
verscheiden’ vry zware hoekige rotsen. Somwylen waren zy rond en glad
geslepen. Ook vonden wy op enige plaatsen zand, ten dele van het boven
beschrevene granaatzand, ten dele grauw zand. Hierendaar vond men ook
zwart yzerzand. Op de bergen vond men stenen van enen fynen roden
glimsteen. Op sommige plaatsen stonden er bomen tusschen den oever en
de bergen; dog op andere was de oever moerassig.
Versteende Ammonshoorns lagen ’er veel op enige plaatsen tusschen de
stenen en rotsen. De rotsen bestonden uit enen grauwen kalksteen,
zynden slegts ene verscheidenheid van den zwarten. Zy leggen in
beddingen. Sommigen waren vol van versteningen, met of zonder schalen.
Op ene plaats zagen wy verbazend grote Ammonshoornen, die meer dan ene
Zweedsche el breed waren. Het water had hierendaar den steen van boven
afgeslepen, dog had die uitwerking op de versteningen niet kunnen
maken. Zy lagen boven op de rots, als of zy ’er op gelymd waren.
De bergen op den oever waren ontzaglyk hoog en groot. Zy bestonden
alleen uit enen harden grauwen rotssteen, die niet in beddingen, gelyk
de kalksteen, lag. Een grauwe kwarts en een donkere glimsteen maakten
’er eigenlyk het voornaamste van uit. Daar zy aan den oever lagen kwam
de rots tot aan het water, dog daar zy een weinig van denzelven
verwyderd lagen kwamen de grauwe of zwarte kalksteensbeddingen het
digst aan ’t Meer. Maar ik vond nergens dat grote grauwe rotsen deze
bergen van kalksteen bedekten.
De Zizania aquatica wies in de modder der beken, en stond in vollen
bloei.
[Ziektens der Wilden.]
De ziektens, die het meest onder de Wilden heerschen, zyn
rhumatismische pynen en borstontstekingen. Dezen worden vooral
veroorzaakt door dien zy dikwyls gedwongen zyn des nagts in de bosschen
en op vogtige plaatsen op den grond te slapen, en ook door de schielyke
overgangen van het weder van hette in koude, waaraan de lugt hier zeer
onderworpen is; ten dele daardoor dat zy zig dikwyls aan brandewyn
bezuipen en zig dan nakend in de open lugt, zelfs in den winter in
slegt weer te slapen leggen. De Franschen zyn ook zeer aan deze
ongemakken onderhevig, byzonder aan borstontstekingen. De Kommandant
verhaalde dat hy eens aan dit ongemak zeer slegt geweest, dog door den
Heer Sarrasin op de volgende wys ’er van genezen was. Hy begon met hem
zweetdryvende middelen te geven, en liet hem een uur agt of tien
zweten. Daarop opende hy hem enen ader, en liet hem op nieuws zweten.
Daarna schreef hy hem ene nieuwe aderlating voor. Doctor Sarrasin was
Koninglyke Geneesheer te Quebec en Korrespondent der Kon. Maatschappy
der Wetenschappen te Parys. Hy had grote inzigten zo wel in de
oeffening der Geneeskunde, als in de Ontleedkunde en andere
Wetenschappen. Ook was hy zeer aangenaam in den omgang. Hy stierf te
Quebec aan ene kwaadaardige koorts, die daar door een schip was
overgebragt, en van de welke hy besmet wierd by ’t bezoeken der Kranken
in ’t Hospitaal. Hy liet enen zoon na, die ook de Geneeskonst
beoeffende, en naar Frankryk gegaan was om ’er verder in te vorderen;
dog hy overleed daar.
[Venuskwalen.]
Afgaande koortsen regeren hier ook somtyds. Ook heeft zig de
Venusziekte hier te lande gevestigd. De Wilden zelven zyn ’er van
besmet geraakt, zo dat ’er velen zyn die ze hebben. Zy weten ze egter
ook in den grond te genezen. Men heeft verscheiden’ voorbeelden dat
lieden, zo wel Franschen als Amerikanen, welken deze ziekte tot in ’t
gebeente was doorgedrongen, door de Wilden, binnen den tyd van vyf of
zes weken, volkomen ’er van zyn genezen geworden. Dog de Franschen
hebben niet kunnen uitvinden wat een middel zy gebruiken. Dit wist men
dat zy geen kwikzilver, op enigerhande wys toebereid, gebruikten, en
dat het voornaamste middel in wortelen bestond. Dog welke wortelen het
waren konde men niet zeggen. Naderhand heb ik het ontdekt, en ’er
breedvoerig aan de Kon. Zweedsche Maatschappy, in hare Verhandelingen
van het jaar 1750. verslag van gedaan. [285]
[Lintwormen.]
De ongemakken die de Lintworm [286] veroorzaakt zyn in Europa wel
bekend. In de Engelsche Volkplantingen in Noord Amerika was hy niet
gemeen; dog hier in Kanada wierden ’er enige menschen van gekweld. Men
wist dezen worm hier zo wel te beschryven als of men de Verhandelingen
der Kon. Zweedsche Maatschappy gelezen had. Somtyds raken de menschen
’er kwyt die enige vademen lang zyn. Men kende gene byzondere middelen
tegen dit ongemak, nog wist ’er de oorzaak van aantewyzen, dog men
giste dat het van het gebruik van sommige vrugten kwam.
[Fort St. Frederic.]
Fort St. Frederic is ene Vesting aan het zuider eind van ’t Meer
Champlain gelegen. Het staat op ene uitstekende landtong, geformeerd
door het Meer en de Rivier, welke ontstaat uit de vereniging der
Woodcreek en het Meer St. Sacrement. Deze Rivier is hier enen goeden
musketschoot wyd. De Engelschen noemen deze Vesting Crownpoint. Den
Franschen naam draagt zy naar den Franschen Sekretaris van staat
Frederic Maurepas, die toen zy werd aangelegd het voornaamste opzigt
over de zeezaken in Frankryk had; en daar de meeste plaatsen in Kanada
naar Heiligen genoemd worden, zo heeft de gewoonte een Saint voor den
naam Frederic gevoegd. De Vesting legt op ene klip, bestaande, gelyk
gezegd is, uit zwarten kalksteen of lei. Zy is een vierkant, heeft hoge
en dikke muren, gemaakt van den gemelden steen, twee of drie
snaphaanschoten van de plaats af gehouwen. Aan de oosterzyde in de
Vesting is een hoge toren, die veilig is voor de bomben, hebbende zware
muren, en zynde rondom van boven tot onder met geschut voorzien. Op
dezen toren woont de Kommandant. In het Fort is een klein kerkje, en
aan de andere zyde vindt men de woningen der Officieren en Soldaten.
Naar den landkant leggen scherpe klippen, meer dan enen kanonschoot ver
van ’t Fort. Dog enigen, die weinig wyken voor de hoogte der muren,
leggen digt by de plaats. Het land hieromstreeks is goed; en voor den
laatsten oorlog hadden zig hier vele Fransche huisgezinnen, vooral van
ontslagene Soldaten, nedergezet. Dog de kryg dwong hen of dieper in
Kanada te wyken, of zig digt onder de Vesting neertezetten, en daar des
nagts te gaan slapen. Thans kwamen ’er velen van terug, en men meende
dat ’er hier zig met den herfst nog veertig of vyftig huisgezinnen
zouden komen nederslaan, welken men landeryen zoude aanwyzen. Wat van
de Vesting af, oostwaards, staat een windmolen, die van steen gebouwd
en van dikke muren voorzien is, waar men het meeste meel dat in de
plaats gebruikt wordt maalt. Deze molen is zo gemaakt dat hy
enigermaten tot een buitenwerk dienen kan, want boven in den zelven
leggen vier of vyf stukken kanon. In den laatsten oorlog lag hier een
goed deel Soldaten, om het oog op de Rivier te houden, en te zien of
’er ook Engelsche vaartuigen op dezelve in de verte verschenen, het
geen men uit het Fort niet doen kan. En als men hier niet op zyne hoede
was, kon de vyand met schuiten digt onder de westzyde der Vesting
komen, uit de welke men ze niet zou kunnen ontdekken van wegen de
hoogte des oevers. Dog men heeft enen groven misslag begaan met het
Fort niet op de plaats te leggen daar nu de molen staat; behalven dat
men daar het Fort, door middel ener vereniging der Rivier die van het
Meer St. Sacrement komt en het Meer Champlain, in den lossen kalksteen
uitgehouwen, met een lopend water had kunnen omringen, zodat het op het
uiterste der landtong zou hebben komen te staan. Dus zoude men ’er
altyd varsch water gehad, en het Fort zou niet zo digt by de hoge
rotsen gelegen hebben.
[Vertrek.]
Den 19. Juli waren wy, na enige dagen naar het Jagt, dat den gehelen
zomer over tusschen Fort St. Jean en Fort St. Frederic heen en weder
vaart, en na deszelfs aankomst op goeden wind gewagt te hebben, tot ons
vertrek van hier gereed. Gedurende ons verblyf had ons de Heer Lusignan
met allerhande beleefdheden als overladen. Ik had de eer al dien tyd
aan zyne tafel te spyzen. Myn Bediende at met den zynen. Wy hadden
buiten dat onze kamer en bed, en werden bediend. By ons vertrek voorzag
ons die Heer met rykelyken voorraad tot aan het Fort St. Jean. In een
woord, onze eigene Landslieden hadden ons gene grotere beleefdheden
kunnen bewyzen dan die Heer en de overige Officieren gedaan hebben.
[Het Meer Champlain.]