zynden van den Kommandant van Fort St. Frederic afgezonden, om drie
Engelschen naar Saratoga te geleiden, en ze des noods tegens zes
Fransche Amerikanen te beschermen, die op de Engelschen te loeren
lagen, om zig over den dood van den Broeder van enen dezer Wilden te
wreken, die in den laatsten kryg door de Engelschen was doodgeschoten,
op die zelve plaats daar nu de Wilden de Engelschen wilden waarnemen.
De vrede was wel alreeds gesloten; dog alzo die in Kanada nog niet
uitgeroepen was, zo meenden de Wilden regt te hebben dus te werk te
gaan. Zy gingen in stilte, tegens het verbod van den Gouverneur van
Montreal aan, weg, en begaven zig naar de Engelsche planteryen. Wy
erkenden de voorzorg des Hemels voor ons in opzigt dezer bloeddorstige
Barbaren. Den gantschen dag zagen wy dat het gras langs den stroom was
plat getreden, zo dat ’er binnen kort menschen moesten langs gegaan
zyn. Dog wy vermoedden geen gevaar, denkende dat alles in rust en vrede
was. Wy hoorden naderhand dat het deze wraakzugtige Wilden waren
geweest die het gras hadden neergetrapt en het vuur aangelegd, dat wy
nog brandende gevonden hadden. De gewone weg dien zy hadden moeten
nemen was juist dezelve dien wy langs gekomen waren; dog zy waren
gemakshalven langs enen ongebaanden weg oostwaards gegaan. Zonder dat
hadden zy ons onfeilbaar aangetroffen, en, daar zy ons voor Engelschen
zouden hebben aangezien, zouden zy ons ligt hebben kunnen overvallen en
doodschieten. Wy waren niet weinig aangedaan toen wy van de Franschen
hoorden in welk een gevaar wy geweest waren. Hier bleven wy den nagt
over. En schoon de Franschen ons sterk raadden van niet voort te
reizen, maar liever met hun naar de naaste Engelsche Bezitting terug,
en van daar verder naar Fort St. Frederic te gaan, besloot ik egter om
onder de bescherming van God onze reis den volgenden dag te vervolgen.
[Duiven.]
Wy zagen dezen dag zeer vele wilde Duiven, welken somtyds des winters
in zo verbazende menigte naar de Engelsche volkplantingen zuidwaards
afkomen. Zy vlogen met grote hopen in de wildernissen. Zy nestelden in
de bomen, en maakten daar den gehelen nagt over een groot geraas en
gekir. De Franschen schoten ’er velen van, en deelden ons mede van de
vangst. Toen wy ze openden vonden wy zeer veel Olmzaden in de kroppen.
Wy zagen hier weder de voorzorg in van den alwyzen Schepper. De zaden
van den Roodbloemigen Ahorn, die hier veel wast, worden in Mai ryp, en
vallen dan in grote menigte af. Zy dienen in dien tyd tot onderhoud
dezer duiven. Daar op komen de zaden van den Olm tot rypheid, die haar
dan tot voedsel dienen, tot den tyd toe dat ’er weer andere zaden ryp
zyn. Het vleesch dezer Duiven is het lekkerste van alle gevogelte.
[Omvallende bomen.]
Alle avonden en nagten hoorden wy bomen kraken en vallen, schoon het
dood stil was. Waar dit van daan kome weet ik niet. Zou wel de dauw of
iets anders de aarde aan den voet der bomen des nagts losmaken? Of
zoude het komen van het overwigt van takken aan de ene zyde? Zoude ’er
wel misschien des nagts zo vele wilde Duiven aan enen kant van enen
boom komen zitten, dat hy daarvan omvalt? Misschien begint de boom
eerst allengskens naar ene zyde overtehellen, tot dat hy eindelyk
omstort. Als het wait houdt men het gevaarlyk in de bosschen te zyn,
van wegen de menigte van omvallende bomen. En al is het stil zo loopt
men dog gevaar. Wy zagen in deze wouden gantsche streken waar de bomen
door de stormen waren omver gesmeten, leggende allen in ene rigting.
[Thee.]
De Thee, die wy uit China krygen, wordt van sommigen hoog geschat, van
anderen veragt. Ik denk dat wy ’er niet by verliezen zouden al hadden
wy nog Thee nog Koffi; ook zou ons dit veel gelds besparen. Egter moet
ik tot lof der Thee zeggen, dat zy des zomers by het reizen door grote
wildernissen, daar men nog wyn nog enigen anderen drank kan mede
voeren, zeer wel te pas komt, vooral daar het water meest vol van
Insekten of bedorven is. Dan is het goed het op te koken, en ’er thee
in te doen. Ik kan niet beschryven hoe verkwikkelyk zy dan is voor den
verhitten Reiziger. Zy is op zulke reizen byna al zo noodzakelyk als
eten. [270]
Den 30. des morgens gaven wy onze schuit den Franschen over, om ’er
hunnen voorraad in te vervoeren, want wy konden ze niet langer
gebruiken ter oorzake der menigte bomen, die de Franschen met voordagt
in den laatsten oorlog in de Woodcreek gesmeten hadden, om den
Engelschen het invallen in Kanada te beletten. Zy integendeel stonden
ons toe ene van hunne basten schuiten te nemen, die zy omtrent zes Eng.
mylen verder terug gelaten hadden. Wy zetteden dan in ’t eerst onze
reis te voet langs den oever voort. Het land was gelyk, hier en daar
had het maar enige dalen. Overal was het met zwaar hout bewassen, de
meeste bomen waren Beuken, Olmen, Amerikaansche Linden, en
Suikerahornen. Het geboomte stond niet digt, en de grond was vet.
[De Landsdouw.]
Eindelyk kwamen wy op de plaats daar de schuiten der Franschen lagen,
wy namen ’er ene van, en voeren ’er den stroom, die nu ongevaar agt of
negen vadem breed wordt, mede af. Het land was aan weerskanten gelyk en
niet zeer hoog. Hier en daar zagen wy enen berg, welks stenen uit enen
grauwen kwarts, met fyne korrelen van enen grauwen spaath vermengd,
bestonden. Ook waren ’er zwarte strepen in, dog zo fyn dat ik niet zien
konde waaruit zy zamengesteld waren. De bergen bestonden uit beddingen,
elke omtrent een vierde van ene el dik. De beddingen lagen noord en
zuid, dog niet horizontaal, maar wat lager naar het noorden. Verder weg
zag men ter zyde der Rivier hoge en steile bergen, ten dele vol houts.
Op andere plaatsen waren de oevers veenagtig, en dreunden onder de
voeten, gelykende veel naar de kanten van moerassen die men wil droog
maken. Waar het land leeg was vond men niet eenen steen. Het was, waar
gene bergen waren, met hoge Olmen, Amerikaansche Linden, Suikerahornen,
Beuken, Hikory, enige Waterbeuken en Witte Walnootbomen bewassen.
Ter linkerhand zagen wy ene oude vervallen’ Vesting, bestaande uit op
malkander gestapelde stenen. Dog niemant wist te zeggen of zy van de
Wilden dan van Europers aangelegd was.
[De Schryver verdwaalt.]
Wy hadden den gantschen namiddag groten spoed gemaakt, niet twyffelende
of wy waren op den regten weg; dog wy bedrogen ons. Tegens den avond
vonden wy dat het gras in ’t water met de toppen tegens ons stond, ten
teken dat wy tegens stroom voeren, daar, zo wy op den regten weg waren,
wy den stroom mede hadden moeten hebben. Ook merkten wy, uit de dwars
over het water leggende bomen, dat ’er niemant binnen korten kon door
gevaren zyn, en zagen de voetstappen niet der Franschen die, als zy ’er
waren heen gekomen, de schuiten over het land zouden hebben moeten
voortbrengen. Eindelyk zagen wy ook stukken houts ons te gemoet dryven,
zo dat het zeker was dat wy den stroom tegen hadden. Wy wierden dan
duidelyk gewaar dat wy ten minsten twaalf Eng. mylen ver verkeerd
geroeid waren. Dus waren wy tot ons leedwezen genoodzaakt tot diep in
den nagt terug te roeyen. Wy verbeeldden ons dikwyls uit angst, dat het
niet missen kon of de Wilden, die uit waren gegaan om Engelschen te
vermoorden, moesten ons vinden. Met al ons roeyen evenwel waren wy niet
in staat dien dag weder op de plaats te komen daar wy het regt Kanaal
gemist hadden.
De oevers gaven tegens den avond enen zeer lieflyken geur. Wy hadden
egter den tyd niet te onderzoeken welke bloemen dien reuk
veroorzaakten, dog het zullen waarschynlyk die van de Asclepias Syriaca
en het Apocynum Androsæmifolium geweest zyn.
Ook rook men de Muskusratten sterk tegens den avond. Zy hadden hunne
holen in de kanten van het water.
[Vrees voor de Wilden.]
Den nagt bragten wy op een Eiland door, daar ons de heiren van voor de
Muggen gene rust lieten. Wy dorsten geen vuur maken om ze te verdryven,
uit vreze van de Wilden daar door tot ons te trekken. Het geen onze
bekommering nog zeer vergrootte was, dat wy des nagts de honden der
Amerikanen, schoon ver van ons af, in de bosschen hoorden blaffen.
[Landsdouwe.]
Den 1. Juli gingen wy met het aanbreken van den dag op reis, en moesten
ene goede wyl roeyen eer wy op de plaats kwamen daar wy ons den vorigen
dag bedrogen hadden. Het land daar wy langs voeren was het magerste ’t
welk men zou kunnen zien. Men zag niets anders dan den enen hemelhogen
berg na den anderen. Zy waren met hout overwassen, steil en glibberig
op de kanten, zo dat wy grote moeite hadden om ene plaats te vinden
daar wy aan land komen konden, om ons eten klaar te maken. Aan beide de
zyden der Rivier stond het land, dat vlak was, onder water. Om die
reden wordt deze gehele oord enige mylen ver, door de Hollanders te
Albany, de verdronkene landen genoemd. Enigen der bergen leggen
zuid-zuid-west en noord-noordoost. De oever, waar de Rivier tegens de
bergen stiet, was ene loodregte steilte, vol van grote en kleine
stenen. Enige mylen lang liep de Rivier van ’t zuiden naar ’t noorden.
Den gantschen dag woei het uit het noorden, en ons tegen, zo dat wy
moeite hadden voorttekomen. Ieder van ons roeide uit alle magt, want by
ons ontbyt was ons eten geheel opgeraakt. De Rivier was hier wel ene
Eng. myl breed, dog wierd somtyds weer smalder; meest was zy egter wyd,
en had op de kanten hoge bergen.
Des avonds om zes uur kwamen wy aan ene landengte omtrent twaalf Eng.
mylen van Fort St. Frederic. Agter deze landengte wordt de Rivier tot
ene ruime bai. Dewyl wy vermoeid waren en den wind steeds sterk tegen
hadden, konden wy dien dag niet verder komen. Dus moesten wy hier ons
nagtverblyf kiezen, ongeagt den honger die ons moest voortdryven.
Het was ene byzonder gunstige schikking van God dat wy op onze reis de
Fransche Soldaten ontmoetten, en van hun ene basten schuit kregen om
voorttekomen. Het gebeurt nauwlyks eens in drie jaren dat de Franschen
dezen weg nemen als zy naar Albany willen. Zy gaan meest over het Meer
St. Sacrement, [271] welke weg nader en veel beter is. Dus verwonderden
zig alle menschen dat zy dezen weg gekozen hadden. Indien wy hunne
grote basten schuit niet gekregen, en ons met de onze hadden moeten
behelpen, zoude het ’er met ons misselyk hebben uitgezien. Want ons met
zo slegt een vaartuig op zo groot een water, als deze bai is, te wagen,
zoude de uiterste roekeloosheid geweest zyn. En zo wy op stilte hadden
gewagt, waren wy van honger gestorven. Want daar wy geen schietgeweer
by ons hadden, en ’er ook in deze woestenyen weinig wild is, zo zouden
wy van kikkers en slangen hebben moeten leven, van de welken, en
inzonderheid van de laatsten, ’er hier ene bystere menigte is. Ik kan
noit aan deze reis denken zonder met den grootsten eerbied de gunstiger
schikking van den genadigen Schepper te erkennen.
Den 2. gingen wy weder in de vroegte op reis, zelfs nog by maneschyn,
uit vrees van weder den wind tegen te krygen als wy sammelden. Wy
roeiden allen zo sterk als wy konden, en kwamen om agt uur [Fort St.
Frederic.] des morgens gelukkig te Fort St. Frederic aan, het welk van
de Engelschen Crownpoint genoemd wordt. Wy werden zeer gunstiglyk van
den Kommandant, den Heer Lusignan, ontvangen. Hy was een man van
omtrent vyftig jaren oud, zeer aangenaam, en in de wetenschappen wel
ervaren. Hy had deze Landen nauwkeurig doorreisd, en bezat dus vele
kundigheden aangaande den toestand derzelven.
[Droogte.]
Ik hoorde dat gedurende dezen gehelen zomer ene grote droogte
geheerscht had, en dat ’er sedert de lente geen regen gevallen was.
Deze droogte had den wasdom der planten zeer vertraagd. Op de hoogtens
was alles verdord. Kleine bomen, die nevens rotsen stonden waarop de
zon sterk brandde, hadden droge bladeren. Op de akkers stond het koorn
bedroefd slegt. De weit was nog niet gezet, en de erwten bloeiden nog
niet. De grond was op vele plaatsen zo gereten, dat kleine slangen zig
in de spleten gemakkelyk verstoppen konden.
[Dennebosschen.]
In dezen oord vindt men zware bosschen zo wel van Rode en Witte, als
van Zwarte Dennen. Dog voorheen waren zy nog uitgestrekter. Het dikwyls
ontstaan van brand in de bosschen, het welk de Wilden veeltyds
veroorzaaken, heeft de bosschen zeer verminderd. Op de jagt zynde
leggen de Amerikanen dikwyls grote vuren aan, welken by droogte door
den wind zig niet zelden uitbreiden.
Men heeft hier te lande grote pogingen gedaan ter bevordering der
Natuurlyke Historie, en nauwlyks heeft men zig ergens meer dan hier
daartoe bevlytigd. Dit heeft men den yver van een enig Man te danken.
Men ziet hieruit wat enen luister en wat enen opgang de wetenschappen
in een Land daarvan ontvangen als de eerste lieden smaak en liefhebbery
voor dezelven hebben. De Kommandant vertoonde my een papier dat hy van
den Gouverneur Generaal van Kanada, den Marquis de la Galissonière,
ontvangen had. Het was die zelve Heer, die enige jaren daarna, als
Admiraal der Fransche vloot, den Admiraal Byng deed wyken, en dus de
verovering van Minorka bevorderde. In dat papier wierden vele bomen en
planten, die in Noord Amerika wassen, en wegens hun nut verdienen
aangekweekt te worden, opgenoemd. Van sommigen, als by voorbeeld de
Polygala Senega, of de Ratelslangwortel, gelyk zy by de Engelschen
genoemd wordt, vond men ’er beschryvingen in. By verscheidenen werd de
plaats aangewezen waar zy wassen. Wyders wordt ’er in gevorderd, dat
men allerlei zaden en wortelen verzamelen zoude. Om dit te bevorderen
vindt men ’er in hoe dit het best werkstellig gemaakt, hoe de zaden en
wortels het best bewaard en naar Parys gezonden konnen worden, om daar
voorttekomen. Men vordert ’er stalen in van allerlei delfstoffen, en
noemt verscheiden’ plaatsen op in de Fransche volkplantingen, waar men
nuttige of merkwaardige soorten van stenen, van aarde of van
delfstoffen gevonden heeft. Ook wordt aangewezen hoe verscheiden’
aanmerkingen en verzamelingen aangaande het Dierenryk te maken zyn. Te
gelyk word geëischt, dat men op allerlei mogelyke wyzen onderzoeken
zoude waartoe en hoe zig de Wilden van zekere kruiden en andere
natuurlyke voortbrengsels, ’t zy in de geneeskonst of anders, bedienen.
Dit nuttige geschrift was op bevel van den Marquis de la Galissonière
door den koninglyken Geneesheer te Quebec, den Heer Gaultier opgesteld,
en naderhand door den Markgraaf zelven met eigen’ hand verbeterd en
vermeerderd. Hy deed ’er vervolgens vele afschriften van maken, en die
ter hand stellen aan alle de Officieren in de Bezettingen, en alle
Geleerden, vooral die hier te lande meenden te reizen. Den Officieren
wordt bevolen die Soldaten en anderen by den Gouverneur bekend te
maken, die ene byzondere vlyt in het ontdekken en verzamelen van
kruiden en andere zaken tonen zouden, op dat hy ze by openvallende
plaatsen en andere gelegenheden, tot de diensten waartoe zy geschikt
waren bevorderen, of op ene andere wys belonen mogte. Ik merkte ook dat
hier by de voornaamste lieden ene veel grotere liefhebbery voor de
Natuurlyke Historie plaats had dan in de Engelsche Volkplantingen, waar
men met de wetenschappen in ’t algemeen den spot dreef, en maar dagt om
zig te verryken. [272] Men klaagde hier dat velen, die zig op de
Natuurlyke Historie toeleiden, verzuimden by de Wilden te vernemen welk
gebruik men in de Geneeskonst van vele gewassen maken konde.
[Verbastering der menschen in Kanada.]
Men was van gedagte dat de Franschen, die in Europa geboren en naar
Kanada waren overgekomen, daar gemeenlyk gezonder waren dan in hun
vaderland, en ouder wierden dan die in Amerika geboren waren. Ook hield
men het daar voor, dat de Europische Franschen sterker waren in het
werken en ’t verdragen van ongemakken als de hier geborenen. De
afgaande koortsen, welken de Europers in Pensylvanie aankomende
gemeenlyk krygen, wil men dat hier onbekend zyn, en men zou hier
terstonds zo gezond zyn als naderhand, wanneer men aan de lugtstreek
gewend is. De Engelschen hebben dikwyls opgemerkt dat de in Amerika
geborene Europeanen niet zo wel de ongemakken der zeevaart uithouden,
of de lugt van Zuid Amerika verdragen kunnen, als zy die in Europa
geboren zyn. Dit zou ook by de Franschen in Kanada even eens wezen. Als
de Kanadiers naar Martinique, Domingo en andere Eilanden van Amerika,
gaan, worden zy na een kort verblyf altyd ziek en sterven. Die genen
die in die gewesten ziek worden komen ’er zelden door, ten zy zy weder
naar Kanada gaan. Integendeel kunnen zy die regelregt uit Frankryk naar
de West Indien overkomen de lugt daar veel beter verdragen, en worden
’er oud. Dit bekragtigden my vele lieden in Kanada.
[Een man door de Wilden vermoord.]
Den 3. Juli, terwyl wy het middagmaal namen, hoorden wy enige malen
agtereen een geweldig en naar geschreuw op de Rivier op enigen afstand
van het Fort. De Kommandant zeide terstond dat dit geschreuw hem kwalyk
behaagde, dewyl hy uit het zelve opmaakte dat de Wilden, die uit
geweest waren om zig op de Engelschen te wreken, in hun oogmerk
geslaagd waren, en dat hun geschreuw te kennen gaf dat zy enen
Engelschman vermoord hadden. Zodra ik aan het venster kwam zag ik ene
schuit met enen langen stok op den voorsteven, waaraan het bovenste van
een bebloed hoofd hing. By hunne aankomst aan land hoorden wy dat de
Wilden, die zes in getal waren, hunnen togt van de plaats daar wy
gezien hadden dat zy hadden overnagt tot binnen de grenzen der
Engelschen voortgezet, daar enen man, met zyn jongetje op een akker met
mayen bezig gevonden, hem stilletjes bekropen, en onverwagt op de
plaats met enen kogel dood geschoten hadden. Dit was geschied niet ver
van het dorp daar twee jaar geleden de Broeder van enen dezer
moordenaren, ten oorlog tegens de Engelschen uitgetogen, gedood was. Zy
sneden, volgens hunne gewoonte, den doden den hoofdschedel af, dien zy
nevens de klederen en het kind van den verslagenen, een jongetje van
negen jaren, medenamen, en zo naar Kanada terug keerden. Zodra zy
omtrent het Fort gekomen waren hingen zy het hoofd aan enen stok voor
op den steven, en schreuwden den gantschen weg langs, tot een [Hunne
kleding.] teken dat zy den zegen behaald en hun oogmerk bereikt hadden.
Zy waren, volgens hun gebruik, alleen met een hembd gekleed; dog van
den vermoorden Engelschman had de een den rok, de ander zyne koussen
aan, de derde zynen hoed op, en zo verders. Het aangezigt hadden zy zig
byna geheel met vermilioen beschilderd, waarmede ook hunne hembden op
de schouders bestreken waren. In de oren droegen de meesten zeer grote
ringen, die hun zeer hinderlyk schenen te moeten zyn, dewyl zy
gedwongen waren die vast te houden als zy springen of enige andere
sterke beweging maken wilden. Enigen hadden gordels van de vellen van
Ratelslangen met de ratels ’er aan om ’t lyf. Het jongetje van den
verslagenen had niets anders dan een hembd en koussen aan, en ene muts
op ’t hoofd. Zy hadden zyn hembd ook op de schouders rood gemaakt. By
’t uittreden uit de schuit hadden zy den stok daar ’t hoofd op stak in
de hand, en gingen ’er al dansende en zingende mede langs den oever.
Hun inzigt met het jongetje was hem naar hun verblyfplaats te brengen,
daar optevoeden, in de plaats des verslagenen Broeders aantenemen, en
aan ene van hunne nabestaanden uittehuwelyken, en zig dus met hem te
vermaagschappen. Schoon zy nu deze vyandelykheid in vredenstyd begaan
hadden, regelregt tegens het verbod van den Gouverneur van Montreal
aan, en in weerwil van den raad van den Kommandant alhier, konde hy
egter niet af van hun eten en andere noodwendigheden voor de reis te
geven, dewyl hy hen niet dorst te verbitteren. Maar toen zy te Montreal
gekomen waren deed de Gouverneur ze niet alleen kastyden, maar nam hun
ook het kind af, en zond het zyner Moeder weder t’huis. De Heer
Lusignan vroeg hun wat zy my en mynen Reisgezellen zouden gedaan hebben
indien wy in hunne handen gevallen waren, en zy antwoordden dat hun
inzigt voornamelyk geweest was zig op die van het dorp te wreken daar
hun Broeder omgekomen was, en dat zy derhalven ons misschien wel
onbeledigd zouden gelaten hebben, egter zou dit veel hebben afgehangen
van de gemoedsgesteldheid in de welke zy op dien tyd waren als zy ons
aantroffen.
[Een Geraamte gevonden.]
Enige jaren geleden had men in het Land der Illinoizen een geraamte
gevonden van een verbazend groot dier. Een van de Officieren der
Bezetting verzekerde my dat hy het gezien had. De Amerikanen hadden het
in een moeras ontdekt. Zy stonden op het eerste gezigt zeer verbysterd,
en, gevraagd zynde waar voor zy het hielden, zeiden zy, voor het
geraamte van den Voorvader of het Opperhoofd van alle de Bevers. Het
was buitenmate groot, en had dikke en ene halve el lange sneuwwitte
tanden. Men hield het voor het geraamte van enen Elefant. De Officier,
die het gezien had, verzekerde dat men nog het beloop van den snuit
duidelyk had kunnen onderkennen, schoon die reeds tot stof vergaan was.
Hy wist niet dat men ’er enige beenderen van weggenomen had, maar hy
dagt dat alles was blyven leggen. Ik hoorde sedert op sommige plaatsen
van Kanada van dit geraamte spreken. [273]
[Beren.]
De Beren zyn hieromstreeks menigvuldig. By de Vesting hield men er enen
die drie maanden oud was. Hy was van de zelve gedaante en den zelven
aard als onze Europische gemene Beren, uitgenomen alleen dat zyn’ oren
langer en zyn’ hairen styver schenen te zyn. Zyn’ kleur was zwartbruin.
Hy speelde met enen hond. Van de vellen dezer Beren gaat jaarlyks ene
menigte naar Frankryk. De Wilden maken ene olie van het Berenvet,
waarmede zy des zomers het gezigt, de handen, en alle de ongedekte
plaatsen des lichaams tegens het byten der Muggen besmeren. Behalven
dit, bestryken zy zig zeer dikwyls met deze olie, wanneer zy of koude
gevat, of zig zeer vermoeid of gekneusd hebben, en in andere gevallen
meer. Zy denken dat dit smeren het vel zagt en buigzaam maakt, en veel
tot het bereiken van enen hogen ouderdom toebrengt.
[Paardenbloemen.]
De gemene Paardenbloem [274] wies hier veel op de weiden en langs de
wegen, en stond nu in bloei. In ’t voorjaar als de bladen beginnen
uittekomen, en zo groot worden dat men de plant kennen kan, graven de
Franschen de wortelen op, wasschen ze af, snyden ze door, en eten ze
als salade. Zy smaken wat bitter. Men heeft hier de gewoonte niet van
de bladen te eten.
[Afgedankte Soldaten.]
De Soldaten, die met den vrede afgedankt waren, hadden reeds op de hun
aangewezene landen, die rondom het Fort lagen, huizen gezet. Dog de
meesten dezer huizen waren niet meer dan hutten, en gelyk aan de
armelykste woningen by ons; maar het volk had het tamelyk wel, en at
goed weitenbrood. De huizen waren van planken, stonden loodregt en vlak
by malkander. Men had de reten met klei toegesmeerd. De vloer was van
klei of van zwarten kalksteen. Van dien steen waren ook de haarden,
uitgenomen dat de plaats voor het vuur geschikt van uitgezogte grauwe
zandstenen, grotelyks uit kwarts bestaande, gemaakt was. Op sommige
plaatsen had men evenwel hier den zwarten kalksteen toe genomen. Men
verzekerde dat deze steen wel tegens het vuur konde, mits de stenen wat
groot waren. Glazen vond men niet in de vensters.
[Galium tinctorium.]
Het Galium tinctorium wierd in Kanada door de Franschen Tisavo-jaune
rouge genaamd. Het wies hier overvloedig, vooral in ene goede vogtige
tuinaarde. Met de wortelen verwen de Wilden de pinnen der stekelvarkens
rood welken zy in verscheiden’ van hunne stofjes invlegten; en deze
kleur verschiet niet ligt. De Fransche Vrouwen in Kanada verwen ook met
deze wortelen, die klein zyn gelyk die van ’t Gallium luteum.
De Paarden lopen hier den gehelen winter over in ’t veld, en zoeken den
kost. Egter wil men dat ze in ’t voorjaar vet zyn.
[Walvisch Geraamte.]
Men had het geraamte van enen Walvisch enige mylen van Quebec, en ene
Fransche myl van de Rivier St. Laurence gevonden, op ene plaats waar
tegenswoordig geen lopend water komt. Dit geraamte was zeer groot. De
Kommandant had verscheiden lieden gesproken die het gezien hadden.
[Schuiten.]
De Schuiten die men hier gebruikt waren van drieerlei soort. I.
Bastenschuiten, uit bast gemaakt dog met houten ribben; II. Kanoos, die
men hier van wit Dennenhout maakt. Men roeyt ze niet, maar doet ze
voortgaan door middel van een soort van riem, die men in de hand houdt
en heen en weer beweegt; [275] dog men kan daar de helft van de kragt
niet mede doen als met roeyen. Het derde soort van vaartuigen noemt men
Bateaux. Zy zyn hier altyd groot, en worden gebruikt om zware vragten
te vervoeren. De bodem, die altyd plat is, bestaat uit rood, dog meest
uit wit eikenhout, om des te beter tegens het stoten op de stenen te
kunnen. Het boord is van vurenhout, en dit geschiedt om de ligtheid.
Men maakt hier teer en pek in overvloed.
[Soldaten.]