Saratoga is een soort van Vesting geweest, door de Engelschen van hout

gebouwd tegens de aanvallen der Fransche Wilden, en om als een voormuur

voor Albany te dienen. Het lag op ene hoogte op de oostzyde der Hudson.

Het bestond uit dikke palen van tusschen de twee en drie vadem langte

die in den grond geslagen waren, als palissades, digt by malkander,

makende een vierkant, elke van welks zyden omtrent een musketschoot

lang waren. Op de hoeken waren blokhuizen, en binnen de palissades de

barakken, alles van hout. Het is tot in den laatsten kryg in wezen en

bezet gebleven, tot dat in ’t jaar 1747. de Engelschen zelfs het in

brand staken, kunnende het daar niet langer tegens de Franschen en de

Wilden houden. Want zodra zy maar even by de Vesting kwamen, lagen de

laatsten in hinderlagen, en namen ze gevangen of schoten ze dood. Onder

andere krygslisten, die men hier gebruikte, wil ik ’er maar ene

aanhalen, die my zo wel van Engelschen als Franschen, die ’er by

tegenswoordig geweest zyn, verhaald wierd. Ene party Franschen en

Amerikanen slopen des nagts in een kreupelbosch, dat niet ver van de

Vesting aflag, en verstaken ’er zig in. Des morgens gingen, volgens

afspraak, enige Wilden naar dezelve toe, en bespiedden ze. De

Engelschen vuurde uit de verte op hun, en de Wilden hielden zig als of

zy geraakt waren, vielen ter aarde, sprongen weder op, gingen een

weinig, en vielen weder neer. Ruim de helft der bezetting viel daarop

uit, om ze gevangen te nemen; dog zodra dezen ver genoeg waren,

sprongen de Franschen op, kwamen uit het kreupelhout tusschen de

Vesting en de Engelschen te voorschyn, sneden hun den aftogt af, en

namen ze gevangen. Nauwlyks hadden die van binnen het Fort den tyd om

de poorten toetekrygen. En egter dorsten zy op hunne vyanden niet

schieten, uit vrees van hunne eigene spitsbroeders te treffen; dog

moesten het hartzeer verduren van te zien hoe die door den vyand voor

hunne ogen en onder hun geschut werden weggesleept. Door diergelyke

konstgrepen maakten de Franschen het den Engelschen binnen de Vesting

zeer moede. De afgebrande palissades stonden nog. Vlak by de Vesting

lag een Eiland in de Rivier, het welk bekwamer zyn zoude om ’er een

Fort op te bouwen, dan de vorige plaats.

Het land beneden Saratoga was aan beide de zyden der Rivier vlak, en de

grond goed. De oevers waren hoog en steil, en zyn van aarde.

Noordwaards aan zagen wy boschagtige bergen. De Inwoonders van dezen

oord waren allen van Hollandsche afkomst, en haatten de Engelschen

geweldig. Den nagt bragten wy door in ene planken hut, door de

landlieden opgeslagen.

[Zaagmolens.]

Voor den oorlog waren hier verscheiden’ zaagmolens geweest, die grote

voordelen hadden aangebragt, dewyl hier veel hout valt. De planken

wierden in ’t voorjaar als ’er veel water op de Rivier was in vlotten

naar Albany en New York gevoerd. Thans zyn zy allen verbrand.

[Waterval.]

Den 25. ’s morgens gingen wy weder op reis de Rivier op. Na ruim ene

Eng. myl afgedaan te hebben, kwamen wy by enen vry sterken Waterval,

die ons een goed deel van den dag werk verschafte eer wy ’er de Kano

konden over krygen. Onder den Val was de Rivier zeer diep, hebbende het

vallende water den bodem uitgehold. Overal bevond men by de klippen in

de Rivier ene grote diepte, somtyds tot boven de vier vadem, doordien

het water tegens de klippen aanstotende en terug gekaatst den grond

uitholde. Boven den Val wierd de Rivier weer zeer diep, ’er ging weinig

stroom, en by de oevers wierd het water eensklaps zeer diep. Tot aan

het Fort Nicholson toe waren de beide zyden der Rivier met zware

bosschen bewassen. Na enige mylen geroeid te hebben kwamen wy op enen

anderen nog hoger en moeilyker Waterval.

[Reuzenpotten.]

Men zag hier vele Reuzenpotten [264] by den Val in de rots die dwars in

de Rivier lag, en over dewelke het water viel. Nu was de rots meest

bloot en droog, hebbende de Rivier in dit jaargetyde maar weinig

waters. Sommigen van deze Reuzenpotten waren rond, anderen langwerpig.

Op den bodem derzelver lagen steentjes of grof zand in menigte. Enigen

waren over ’t kruis anderhalve el, anderen kleinder. De diepte was

ongelyk, by sommigen vond ik die wel derdehalve el te belopen. Ik konde

hier duidelyk zien dat zy door het omdrayen van stenen of zand in het

water ontstaan waren.

[De Kano verlaten.]

Ons voornemen was geheel tot Fort Nicholson met de Kano te varen, het

welk ons zeer gemakkelyk geweest zou zyn; dog wy konden den bovensten

Waterval niet over komen, want de Kano was te zwaar en ’er was zeer

weinig water; het liep maar op ene enige plaats over de rots, en op die

plaats was de stroom te sterk om daar tegen op te arbeiden. Wy waren

dan gedwongen de Kano daar te laten, en ons goed door ongebaande

bosschen tot Fort Anne op de Rivier de Woodcreek te dragen, het welk

omtrent een weg is van zeven of agt Zweedsche mylen, zo dat wy in de

sterke hitte niet weinig afgemat werden. Op sommige plaatsen was ’er

geen ander middel om over de rivieren te geraken, dan grote bomen

omtehouwen en ’er die over heen te leggen. Het land dat wy dezen

namiddag doorwandelden was gelyk, zonder bergen en stenen, en doorgaans

met zwaar geboomte bewassen. Overal zag men ene menigte omgevallen

bomen, dewyl zig hier niemant van het hout bediende. Den nagt bragten

wy in ’t bosch door, zeer gekweld wordende van muggen en woudluizen, en

zonder te kunnen slapen uit vrees voor de Slangen.

Den 26. trokken wy in de vroegte verder door het woud langs de Hudson.

Hier was wel een oude weg die naar Fort Nicholson ging, dog hy was zo

bewassen dat wy werk hadden hem te ontdekken.

[Fort Nicholson.]

Het Fort Nicholson was ene plaats op de oostzyde der Hudson, daar

voorheen ene houte Vesting gestaan had. Wy kwamen ’er een weinig voor

den middag aan, en rustten ’er een wyl uit. Tot het begin van den

laatsten oorlog hield zig hier de Overste Lydius op, voornamelyk om

enen sterken handel te dryven met de Fransche Wilden. Dog in den oorlog

leiden zy zyn huis aan kolen, en ontnamen hem zynen Zoon. De Vesting

lag op ene vlakte; dog de plaats was nu met hout bewassen. Het Fort

werd in ’t jaar 1709. by gelegenheid van den oorlog met de Franschen

aangelegd, en was zo genoemd naar den toenmaligen dapperen Generaal

Nicholson. Het was veeleer een magazyn voor het Fort Anne dan ene

vesting. Toen in ’t jaar 1711. de aanslag ter zee der Engelschen tegens

Kanada mislukte, staken zy het zelven in brand. De grond scheen hier

vry goed. De Hudson stroomde hier digt voorby.

[Vertrek van daar.]

Wat na den middag gingen wy weder op reis. Tot nog toe waren wy den

oosteroever der Hudson gevolgd, en hadden het regt op het noorden

aangehouden, dog nu veranderden wy van weg, nemende dien oostnoordoost

of noordoostwaards aan, dwars door de bosschen en de woestenyen heen,

om de Rivier Woodcreek te bereiken, en dus te water naar Fort Frederic

te kunnen komen. Het land dat wy nu doorwandelden was meest vlak en

laag. Hierendaar zag men een beekje, die egter meest droog waren. Ook

zag men enige kleine hoogtens, dog gene bergen of stenen. Overal was

het land met hout bedekt. De bomen stonden digt by malkander, en gaven

dus ene treffelyke schaduw. Dog dit genoegen wierd door de ontelbare

menigtens van muggen gestoord, waarvan de bosschen vol waren. Men vond

hier vele planten, die egter ver van malkanderen stonden, byna als in

onze bosschen daar het vee ze vernield heeft, schoon hier noit vee

geweest was. De grond lag overal dik met bladeren. Op andere plaatsen

wies ’er veel mos. Het aardryk was doorgaans zeer goed, en bestond uit

ene dikke tuinaarde, dewelke den planten enen goeden wasdom verschafte.

Dus scheen het een zeer vrugtbaar land te moeten worden als het wel

bebouwd werd. Dog men vond hier weinig lopend water.

Wy namen ons nagtverblyf in de woesteny by een beekje, op dat wy geen

gebrek aan water zouden hebben, het welk men in dit jaargetyde in de

bosschen niet overal vond. Dog de muggen, de Punchins en woudluizen

plaagden ons zeer. Behalven dat dreef ons de vrees voor de Slangen en

nog meer voor de Wilden den slaap uit de ogen.

[Punchins.]

Punchins, gelyk ze de Hollanders noemen, zyn een klein soort van

muggen, [265] die men hier zeer veel aantreft. Zy zyn zeer klein, en

hebben grauwe vleugels met zwarte spikkeltjes. Dezen waren tienmaal

erger dan de grote muggen, want men konde ze wegens hare kleinte kwalyk

zien, men vond ze overal, en zy waren niet bang. Zy veroorzaakten ene

pyn ter plaatse waar zy gestoken hadden als of men zig gebrand had.

Des nagts hoorden wy grote bomen van zelven omvallen, schoon het zo

stil was dat ’er zig geen blad bewoog. Dit vallen maakte een

schrikkelyk gekraak in de stilte.

[Voortreis.]

Den 27. zetteden wy onzen togt in de vroegte voort. Het land bleef al

even als gisteren gesteld, alleen zagen wy enige heuvels. ’s Morgens

hoorden wy zeer duidelyk het geluid van enen Waterval in de Hudson.

[Hindernissen.]

Overal lagen vele bomen, die door den wind omgesmeten of van ouderdom

omgevallen waren. Dog daar waren ’er genen omgehouwen dewyl het land

niet bewoond is. Deze omgevallene bomen belemden onzen togt

schrikkelyk, dewyl zy de doorgangen toestopten, en de Ratelslangen

gedurende de hette van den dag zig daar het meest onthielden.

[Fort Anne.]

Om twee uur na den middag kwamen wy by ’t Fort Anne aan. Het legt aan

de Rivier Woodcreek, die hier by haren oorsprong niet meer als een

beekje is. Wy bleven hier den gehelen dag en den volgenden, om ene

schuit van bast te laten maken, dewyl wy anders onmogelyk de Rivier af

te Fort St. Frederic komen konden. Gelukkig was het ook dat wy hier

waren, aangezien een van onze Wegwyzers ziek wierd, en niet in staat

geweest zou zyn te voet verder te reizen, en zyn pakkadie te dragen.

Was hy nog zieker geworden zo zouden wy hier hebben moeten blyven, dog

die zouden ons zeer kwalyk gekomen zyn, nadien wy ons in ene woesteny

bevonden, daar wy genen nieuwen voorraad zouden hebben kunnen krygen,

en in den tyd van drie of vier dagen by gene menschen konden komen. Nu

kon de zieke uitrusten en herstellen.

By ’t Fort Anne vonden wy ene menigte van Muizen van het gemene soort.

Misschien zyn dezen wel afkomelingen van die welken met den voorraad

voor de Bezetting, toen de Vesting nog in wezen was, herwaards gebragt

zyn.

Hier stonden enige Appel- en Pruimbomen. Zonder twyffel zyn zy hier

geplant geworden, toen de Vesting nog in staat was.

[Olmen.]

De Amerikaansche Olmen wiessen hier in menigte. Daar zyn twee soorten

van. Het ene wordt de Witte Olm genoemd, om dat de boom van binnen wit

is. Dit soort was talryker dan het andere, dat men den Roden Olm noemt,

om dat het hout roodagtig is. Van den bast des [Schuiten van bast.]

Witten Olms maakte men de hier gebruikelyke bastschuiten, om dat die

bast zagter is als die van andere bomen. Met den schors van den Hikory

nait men den bast der Olmen t’zamen, en met die van den Roden Olm maakt

men de einden van de schuit digt. Men klopt den bast tusschen twee

stenen, of by gebrek van die tusschen twee stukken houts.

Het maken der schuit nam anderhalven dag weg. Om zulk ene schuit te

maken zoekt men enen dikken, hogen, en zo veel als men kan, met weinig

takken beladen Olm uit, die enen gladden bast heeft. Men houwt hem

voorzigtig om, om den bast niet in ’t vallen te beschadigen. Sommigen

klimmen op den boom, en scheiden den bast van den boom af, om hem des

te minder te kwetsen. Zo deed onze schuitemaker dit maal. Men snydt met

een mes den bast aan de ene zyde des booms regt door, zo lang als men

de schuit maken wil. Aan beide de einden van de gemaakte snede, snydt

men den bast van den stam af, ten einde hy dus te gemakkelyker zig

afzonderen late. Dan schilt men den bast van den boom af, zorgdragende

dat ’er geen gat in kome. Dit schillen gaat gemakkelyk in zyn werk in

den tyd dat de boom vol saps is, en in andere jaargetyden legt men den

boom voor ’t vuur om het afschillen te bevorderen. Den afgescheidenen

bast spreidt men op den grond uit, zo dat de binnenzyde naar om laag

legt. Om denzelven des te gelyker uittespreiden legt men ’er blokken en

stenen op, die hem plat drukken. Dan buigt men de delen die de kanten

der schuit maken moeten voorzigtig opwaards om het boord te krygen.

Omtrent twee ellen van een slaat men stokken in den grond, volgens de

kromme lyn, welke de zyden der schuit beschryven moeten, om daar mede

den bast die ’t boord maken moet te ondersteunen. Men buigt dan de

zyden in de gedaante welke de schuit moet hebben, en dan worden de

stokken digter by malkander of verder van een gezet. Om de ribben van

de schuit te maken neemt men dikke takken van den Hikory, dewyl dit

hout zagt en buigzaam is. Men snydt die in platte stukken, enen duim

dik, en buigt ze dan zo als ribben wezen moeten. Vervolgens worden zy

dwars op den bodem der schuit gelegd, omtrent een span van malkander.

De bovenranden van het boord worden van twee dunne latten gemaakt, die

men tegens malkander legt, zynde zy plat op de plaats daar zy tegens

malkander moeten komen. Tusschen deze latten steekt men den bovensten

rand van den bast, en nait dien tusschen dezelven met draden van zagten

bast of wortelen vast. Dog eer dit geschiedt steekt men de einden der

ribben ook tusschen de latten. Dit gedaan zynde wordt alles wel t’zamen

genaid. De latten worden naar de kromte die het boord hebben moet

gebogen, en komen aan het voor en agtereinde van de schuit by

malkander, waar zy zelfs met touwen t’zamen wel vast gebonden worden.

Op dat de schuit van boven niet te wyd worde, spant men ’er drie of

vier banden over heen van het ene boord tot het andere, omtrent dertig

of veertig duim van malkander. Deze banden zyn meest van Hikory. Men

steekt ze met de einden digt onder de boordlatten door den bast heen,

buigt ze over de latten in de hoogte, en dan worden zy over het

middelste van de schuit heen t’zamen met touwen wel vast gemaakt. Aan

de voor en agterstevenen maakt men den bast met den aan stukken

gestotenen bast van den Roden Olm, die ’er dan als werk uitziet, digt,

dat ’er geen water door kome. Over de ribben in de schuit legt men

andere stukken bast, om over te gaan, want anders zoude men ligt met

den voet of andersins een gat in den dunnen bast van den bodem stoten

kunnen. Om des te zekerder te zyn, heeft men gaarn ene dunne plank of

twee om ze op den bodem te leggen. De binnenzyde van den bast komt nu

aan de buitenzyde der schuit, als zynde glad, zo dat het vaartuig des

te ligter door het water loopt. Het gaat niet altyd zo spoedig met

dezen scheepsbouw, want somtyds gebeurt het dat als men den bast van

enen boom af geschild heeft, men ’er of kwade steken en gaten in

ontdekt, of dien zo dun en gebrekkelyk bevindt, dat men ’er zyn leven

niet op wagen durft. Dan moet men enen anderen boom zoeken. En het

gebeurt wel dat men verscheiden Olmen schillen moet voor dat men enen

goeden bast bekomt. Dit is ene korte beschryving van dit soort van

vaartuigen. Het gene voor ons vervaardigd wierd was zo groot dat ’er

vier menschen met ons goed in konden, het welk nog iets meer bedroeg

dan de zwaarte van een mensch.

Onder het roeyen met zulke schuiten moet men alle mogelyke

voorzigtigheid gebruiken, om niet op enen scherpen tak van enen onder

water leggenden boom of enen paal te stoten, waardoor, als men wat

sterk roeide, de halve schuit zou kunnen scheuren, het welk in diep

water zeer gevaarlyk zyn zoude, vooral als de schuit nog daarenboven op

den tak of den paal bleef vastzitten. Ook moet men zeer voorzigtig zyn

in het instappen van deze gevaarlyke vaartuigen. Men trekt uit voorzorg

gemeenlyk de schoenen uit, want anders, en vooral als men ’er met enen

lugtigen sprong wilde in komen, zoude men ligt met de hakken door den

bodem heen trappen, het welk ook zeer gevaarlyk zyn zoude, vooral

indien het kwam te gebeuren digt by ene rots, nevens welke het water

zeer diep was; en zulke plaatsen zyn ’er veel op de Rivieren en Meren

dezes Lands.

[Muggen.]

Nergens hadden wy in Amerika zo veel Muggen [266] gezien als hier. Zy

waren zo vinnig op bloed dat wy des nagts geen oog konden toedoen,

schoon wy vuur rondom ons heen hadden gemaakt. Ook vond [Woudluizen.]

men hier zeer veel Woudluizen, [267] zelfs meer dan wy nog hadden

ontmoet. Men was nauwlyks op den grond gaan zitten, of een gantsch heir

van dezelven zat op de klederen. Wy leden van dit ongedierte niet

minder dan van de Muggen. Zy waren zelfs gevaarlyk, omdat zy in de oren

kruipende, zig daar invreten, en ’er bezwaarlyk uittekrygen zyn. Daar

zyn voorbeelden dat zy de oren ter dikte ener vuist hebben doen

zwellen. Meer hier van kan men vinden in de Verhandelingen der Kon.

Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen voor het jaar 1754. [268]

De Wipperiwill liet zig byna den gehelen nagt aan alle kanten horen.

Ook vlogen ’er vele Vuurvliegen door het hout.

[Fort Anne.]

Fort Anne, waar wy ons thans nedergeslagen hadden, is zo naar Koningin

Anna genoemd, want in haren tyd diende het tot ene Vesting tegens de

Franschen. Het legt aan de westzyde der Woodcreek, die hier maar een

beekje van enen vadem breedte is, en nu zo ondiep was dat men ze

doorwaden kon. Het was even als Saratoga en Fort Nicholson gebouwd.

Alles was van hout. Het diende alleenlyk maar tegens stropende partyen.

Het lag op ene hoogte, die schuinsch tegens de Woodcreek afliep. Het

land hieromstreeks is ten dele vlak, ten dele bergagtig, en ten dele

moerassig. De grond is louter aarde; en men vindt niet enen steen. Het

Fort werd door den Generaal Nicholson in ’t jaar 1709. aangelegd, maar

in ’t jaar 1711. wierd het, even als Saratoga en Fort Nicholson, door

de Engelschen zelven verbrand. Dit gebeurde met de volgende

omstandigheden. In ’t jaar 1711. besloten de Engelschen Kanada te water

en te land gelykelyk aantetasten. Ene sterke vloot zeilde de Rivier van

St. Laurence op om Quebec te belegeren, en de Generaal Nicholson, die

zeer voor de onderneming geyverd had, toog met een sterk heir naar

Montreal, om die plaats op den zelven tyd aantetasten. Dog een groot

deel der vloot had het ongeluk op de Rivier schipbreuk te lyden, en was

dus gedwongen terug te keren. De Generaal Nicholson kreeg hier van

tyding, en men raadde hem insgelyks terugtetrekken. De Kapitein Butter,

die Kommandant was van het Fort Mohawk gedurende myn verblyf in

Amerika, verhaalde my, dat hy in ’t jaar 1711. zig ook by ’t Fort Anne

bevonden had, en dat de Generaal Nicholson ook van gedagte geweest was

de schuiten de Woodcreek af te laten zakken, toen hy narigt kreeg van

het ongeluk der vlote overgekomen. De Generaal wierd over deze tyding

zo moeilyk, dat hy zyne zwarte pruik in stukken zogt te scheuren, dog,

die te sterk zynde, had hy ze op den grond gesmeten, en ze met voeten

getrapt, uitroepende, schelmery, schelmery, verradery, verradery!

Daarop deed hy het Fort in brand steken, en trok af. Men zag de stukken

der verbrande palissades nog in den grond steken. Ik vroeg myne

wegwyzers hoe het kwam dat de Engelschen, zo veel kosten gedaan

hebbende om het Fort aanteleggen, het zo zonder bedenking vernield

hadden, en zy antwoordden in hunne eenvouwdigheid dat het alleen daarom

geschied was om nog eens gelegenheid te hebben van de Kroon geld

aftetroggelen, ten einde op nieuws het te herbouwen; want als men dit

wilde doen moest de Regering ene grote somme schieten, welke die genen,

wien het werk zou worden aanvertrouwd, ten groten dele in hunne zakken

zouden kunnen steken, en het overige besteden tot het maken van een

armhartig Fort. Daar waren, zeiden zy, by den laatsten oorlog vele

voorname lieden te Albany geweest welken hunnen armen nabestaanden

hadden geweten het leveren van brood en krygsbehoeftens te doen

opdragen, waardoor dezelven tot zulken staat gekomen waren, dat zy nu

onder de rykste lieden van Albany geteld werden.

De hette was dien dag ongemeen sterk, vooral na den middag, wanneer het

geheel stil wierd. Wy hielden ons op ter plaatse waar het Fort gestaan

had. De plaats was klein, en niet beschaduwd, dog rondom van bomen

omgeven, zo dat de zon de lugt als kon doen branden. Het was des

namiddags zo warm als op de zweetbank in een warm bad. [269] Noit heb

ik zulk ene hette gevoeld. Ik kon nauwlyks adem halen. Als ik naar de

vally ging, en op den kant van de Woodcreek was, kwam het my voor een

weinig draaglyker te zyn. Maar op de hoogte was het in de schaduw al zo

benauwd als in de zon. Ik beproefde my wat te verkwikken door met den

hoed te wayen, dog dit maakte my het adem halen byna nog bezwaarlyker.

De grootste baat vond ik als ik in ene beschaduwde plaats wat water uit

de beek voor my in de lugt smeet. Myne Reisgezellen werden ook geheel

afgemat, dog vonden die benauwdheid by het ademen niet als ik. Tegens

den avond wierd het wat koelder.

[Voortreis.]

Den 29. zetteden wy des morgens onzen togt voort, zynde nu onze schuit

eindelyk gereed. Onze voorraad, die begon te minderen, deed ons zeer

denken om voort te trekken, want dewyl wy door deze wildernissen alles

op den rug dragen moesten, konden wy niet veel medenemen; en egter aten

wy allen smakelyk. Dewyl ’er weinig water op de Woodcreek was, en

daarenboven verscheiden’ omgevallen bomen over haar heen lagen, liet ik

onze Wegwyzers de schuit de Rivier af arbeiden, en wandelde met

Jungström langs den oever. Het land was aan beide zyden zo laag dat het

in ’t voor- en najaar zekerlyk moet onder water staan. De bomen, die

van meer dan een soort waren, stonden ondigt, en tusschen dezelven was

veel gras. De schaduw van het geboomte zoude ons zeer aangenaam geweest

zyn hadden de Muggen ons genoegen niet zeer verminderd. De grond was

zeer vet.

[Beverdammen.]

Wat lager verhinderden de dammen door de Bevers in het water gemaakt

onze reis niet weinig. Zy hadden allerlei takken t’zamen gesleept, en

daarvan dammen dwars in den stroom gemaakt, waar zy slyk en klei

tusschen gestopt hadden, zo dat ’er het water niet doorkonde. Zy hadden

de takken zo net afgebeten dat men gedagt zoude hebben dat ze met een

byl waren afgehouwen. Het gras daar omstreeks hadden zy plat getrapt.

Wy vonden den enen Beverdam voor en den anderen na; het welk ons zeer

ophield, want wy moesten eerst ene opening in de dammen maken, eer wy

’er met de schuit door konden. Wy zagen door het gras grote wegen

lopen, die zonder twyffel van de Bevers gemaakt waren, welken daar de

bomen zullen hebben langs gesleept.

[De Woodcreek.]

Toen de stroom wat ruimer wierd gingen wy in de schuit zitten, en

voeren hem af. Hy was niet boven de drie vadem breed. Op sommige

plaatsen had hy niet boven enen vadem wydte, en hy was dikwyls zo

ondiep dat de schuit grond raakte. Dog op anderen had hy meer dan enen

vadem waters. Somtyds was ’er veel, somtyds weinig strooms. In ’t eerst

waren de kanten laag, naderhand verheven. Hier en daar zag men ene

rots. Wy merkten op dat het water diep was overal daar men rotsen

vernam. De rotsen bestonden uit enen grauwen kwarts vermengd met enen

grauwen kalksteen, leggenden in beddingen. Het water was zeer helder.

Hier en daar liepen paden van den stroom landwaards, zynde van de

Bevers, of van andere dieren, die hier kwamen drinken, gemaakt. Na

omtrent drie Eng. mylen gevaren te hebben kwamen wy op ene plaats daar

nog een vuur te branden lag, en dagten toen weinig dat wy den vorigen

nagt nauwlyks den dood ontsnapt waren, gelyk wy dezen avond vernamen.

Verscheidene bomen, dwars over den stroom, en vele Beverdammen,

verhinderden ons spoed te maken.

[Gevaar waar in de Schryver was.]

Reis door Noord Amerika · 第 31 / 50 段