by den vorigen oorlog met de Franschen [253] gehouden. In ’t begin van
den kryg staken de Franschen de Wilden op om de inwoonders van Nieuw
Engeland aantetasten, het welk zy getrouw uitvoerden, alles
vermoordende en plunderende; en ondertusschen hielden zig de Albanezen
onzydig, en bleven enen sterken handel met de Wilden dryven. Het zilver
en ander goed dat de Wilden in Nieuw Engeland geroofd hadden bragten zy
te Albany te koop, het welk niet alleen de Ingezetenen daar opkoften,
al zagen zy de namen der eigenaars op het zilver gegraveerd, maar zy
moedigden ook de Wilden aan om wakker in ’t roven voorttegaan,
belovende hen wel te betalen voor het geen zy zouden geroofd hebben.
Dit namen de Engelschen naderhand zo op als hadden zy de Wilden opgezet
om hunne broeders en landslieden in Nieuw Engeland om hals te brengen.
Men kwam dit zelfs in Nieuw Engeland van de Wilden te horen, en het
verwekte enen geweldigen haat tegens de Albanezen, en die van Nieuw
Engeland driegden van, als ’er weder een nieuwe oorlog ontdaan mogt, te
beginnen met het verwoesten van Albany en het omgelegen land. En zo
Albany in dezen kryg wordt aangetast, [254] zal men zien hoe weinig
bereid de Ingezetenen der andere Provincien zyn zullen om die plaats
bytespringen. Egter haten de Albanezen de Engelschen nog meer dan zy
zelven van hun gehaat worden. Deze haat heeft van den tyd der
verovering van het Land door de Engelschen af plaats gehad, als hadden
zy onder de Hollandsche regering groter voordelen dan nu kunnen
genieten, want in een zeker opzigt genieten zy nog groter voorregten
dan de Engelschen zelven.
[Huishouding.]
In hunne huizen en maaltyden zyn zy veel spaarzamer dan de Engelschen.
Zelden komt ’er meer op tafel dan ’er opgaat, en dikwyls niet genoeg.
Ook krygt men hier niet zo veel punch. De vrouwen zyn gemeenlyk goede
huishoudsters; zy staan vroeg op en gaan laat naar bed, en zyn
buitensporig zindelyk op de vloeren. Dezen worden verscheiden’ malen in
de week geschrobd, en zaterdag ’s avonds geschiedt dit vast. In huis
waren zy zindelyk gekleed dog niet opgeschikt. De kinderen leerde men
Hollandsch en Engelsch spreken. De dienstboden bestonden hier meest uit
Zwarten. Vele manspersonen droegen hun eigen hair, dog kort om ’t hoofd
afgesneden, zonder hairbeurs of staart, want dit wierd voor een teken
gehouden dat men een Franschman was. Toen ik uit Kanada hier weder
terug kwam en ene hairbeurs droeg, riepen my de kinderen op straat na,
Franschman! Franschman! zelfs trokken enigen my by de beurs.
In eten, drinken, en kleding ging men hier zeer van de Engelsche
gebruiken af. Op ’t ontbyt nam men hier gemeenlyk thee, meest zonder
melk. Voor dertig of veertig jaren kende men hier dien drank niet, en
toen ontbeet men met enen boterham en wat melks. By de thee eet men
boterhammen met gerookt vleesch. De huisvader bidt gemeenlyk hard op
voor den maaltyd. Koffi wordt hier niet gebruikt. Om zeven of agt uur
is de gewone tyd om te ontbyten. Het middagmaal bestaat meest uit zoete
melk met brood, en somtyds wat suiker, ook wel uit gekookt of gebraden
vleesch. Ook eet men veeltyds bry, die vry zuur smaakt, dog egter niet
kwaad is. Alle middagen komt ’er een grote schotel met salade op tafel,
die met veel azyn, en weinig, of geen olie, wordt toegemaakt. Het
avondmaal is gemeenlyk boter en brood, met zoete melk met brokken van
brood. De boter is zeer sterk gezouten. Somtyds drinkt men dan ook wel
chokolade. Kaas wierd op vele plaatsen zo wel by het ontbyt als op het
middagmaal gegeten, maar niet als in Engeland gesneden of in stukken,
dog geschraapt. De drank is gemeenlyk dun bier of water.
Te Albany houden de Gouverneurs van New York dikwyls mondgesprekken met
de Wilden der Vyf volken der Iroquoizen, [255] vooral als het op enen
kryg met de Franschen aankomt. Somtyds handelt men wel ook over de
bekering der Wilden tot het Christendom. Dog dat de Engelschen omtrent
dit stuk zo zorgvuldig niet zyn als de Franschen, en zo bekwame
zendelingen niet gebruiken, kan men onder anderen zien uit het antwoord
dat een der Sachems den Gouverneur Hunter by zulk een mondeling gesprek
gaf. Na dat de Gouverneur uit naam der Koningin Anna den Amerikanen een
deel klederen en andere dingen geschonken had, die hun wel gevielen,
wilde hy ze nog verder van de genegenheid der Koningin overtuigen, en
zeide, dat “hunne goede Moeder de Koningin hun niet alleen zo
edelmoedig met zo kostbare klederen voor hunne lichamen beschonken had,
maar zy wilde ook hunne zielen met de prediking van ’t Euangelium
voeden, ten welken einde men enige Predikers gezonden had om hen te
onderrigten.” Dog kwalyk had de Gouverneur dit gezegd, als een der
oudste Sachems opstond en zeide, dat “hy uit naam van alle zyne
Landsgenoten zyne genadige Moeder en Koningin voor de schone klederen,
die zy hun gezonden had, bedankte, dog wat de Predikers betrof,
voorheen waren ’er verscheiden’ geweest,” welken hy by naam noemde,
“die in plaats van hun enen hemelschen Godsdienst te prediken, hun
geleerd hadden te zuipen, te bedriegen, en in onenigheid te leven.”
Hierop bad hy den Gouverneur zyne Predikers en enen hoop andere
Europers, die zig onder hun ophielden, terugteroepen; want “voor
dezelver aankomst waren de Wilden een eerlyk, nugter, en onschuldig
volk geweest, dog nu hadden zy ze meest allen tot schelmen gemaakt.
Voorheen hadden zy God gevreesd, nu geloofden zy nauwlyks dat ’er een
God was. Indien de Gouverneur iets voor hun doen wilde, moest hy liever
hun twee of drie smids toezenden om hun het yzer te leren smeden.” De
Gouverneur kon zig hier niet van lacchen onthouden. Hier kan men de
woorden van Paulus toepasselyk maken: De naam Gods wordt om uwen wil
gelasterd onder de Heidenen. [256]
[Vertrek van Albany.]
Den 21. Juni des avonds om vyf uur gingen wy van Albany naar Kanada op
reis. Wy hadden twee lieden by ons die ons tot de eerste Fransche
plaats, Fort St. Frederic, by de Engelschen Crownpoint genaamd,
geleiden moesten. Wy betaalden hun voor hunne moeite aan elk vyf
ponden, en zy hadden vry eten en drinken. Die dezen vastgestelden prys
niet geven wil moet alleen reizen. Wy moesten ons met ene Kano
behelpen, dewyl ’er gene andere schuiten te krygen waren. Maar dewyl
’er langs de westzyde der Hudson een zeer goede weg liep, lieten wy
onze geleiders met de Kano varen, en gingen op het land daarnevens, om
het zelve zo wel als alle natuurlyke zeldzaamheden nauwkeurig te
bezien. Het is lastig met deze Kanoos te reizen voor hen die ze roeyen
of voortstoten moeten, want men staat over eind, een voor en een agter
in met een riem in de hand, waarmede men het vaartuig moet voortroeyen
of schuiven. Gemeenlyk houden zy zig digt aan land, daar zy met de
riemen grond peilen en de Kano voortduwen kunnen. De roeyers kunnen in
deze schuiten noit gaan zitten om te roeyen.
Wy hielden ons den gantschen avond aan den oever, die hoog was, en digt
by ’t water met het zelve geboomte was bewassen als men op het Eiland
by Albany vindt. Op de oosterzyde der Rivier is het land onbebouwd, met
hout bewassen, en schuinsch aflopende; dog aan de westzyde vlak,
bebouwd en meest met koorn bezaid. De akkers hadden gene gruppen,
schoon het scheen dat die ’er wel nodig waren. Hier kon men duidelyk
zien dat de Rivier voorheen breder was geweest, want op de akkers was
de grond omtrent enen steenworp van ’t water hellende, welke helling
met het zelve evenwydig liep. Dit gaf genoeg te kennen dat de akkers
tot daar de grond begon te hellen voorheen tot den bodem der Rivier
hadden behoord en dat de helling den oever uit gemaakt had. Behalven
dat vond men op dezelven velen van die mosselschelpen die hier
menigvuldig op den oever lagen, en die de Inwoonders niet gewoon zyn op
de akkers te voeren of tot iets te gebruiken. Of deze verandering nu
gekomen is om dat het water in de Rivier verminderd is, of dat het de
aarde aan de kanten der Rivier aangespoeld heeft, kan ik niet zeggen.
[Koornakkers.]
De koornlanden waren hier allen zeer gelyk geploegd, even als in Upland
in Zweden gebruiklyk is. Sommigen waren met bruine, anderen met witte
Weit bezaid. Ook zagen wy hier grote vlaslanden, die nu begonnen te
bloeyen. Op sommigen stond het vlas tamelyk wel, dog op anderen slegt.
De heftige en aanhoudende droogte, die hier het gantsche voorjaar
geduurd had, had op de hoge plaatsen al het gras en de planten
verzengd, zo dat buiten het Wollenkruid ’er niets groens over was, dog
dit gewas zag ik op de droogste gronden en de bergen groeyen, daar het
de hette der zonne en de geweldige droogte trotseerde. Schoon evenwel
’er geen gras of iets anders voor het vee over was; wilde het nogthans
het Wollenkruid niet aanroeren. Op sommige plaatsen waren erwten
gezaid, dog de mostaardplanten [257] hadden ze byna geheel verstikt. De
grond was meest ene dikke schone tuinaarde.
[Wyngaarden.]
De wilde Wyngaarden bedekten de hoogtens nevens den stroom overal waar
zy kaal waren, en daar bomen stonden klouterden zy ’er op, en dat zo
sterk dat zy de takken derzelver buigen deden. Daar waren al grote
druiven aan. Wy zagen ’er veel van zo lang wy de Hudson volgden, zo op
de oevers als op kleine Eilandtjes in het water.
Hierendaar zagen wy Maisdieven met witte ruggen in het hout vliegen. Zy
zongen lieflyk, en waren kleinder dan de zwarten van hun soort. Wy
zagen dezen het eerst by New York.
Wy vonden enen Waterbeuk omgehouwen leggen, die over ’t kruis drie
Zweedsche ellen dik was.
[Eilandtjes.]
Wy zagen heden en de volgende dagen hier en daar enige Eilandtjes in de
Rivier, waarvan de grootsten bebouwd waren.
[Landsdouw.]
Het land was vyf Eng. mylen ver, die wy dezen dag al wandelende
afleiden, vlak, en uit zuivere aarde bestaande. Ik vond niet enen
steen. De Roodbloemige Ahorn, de Waterbeuk, de Waterpopulier, de wilde
Pruimboom, de Sumach, de Olm, de wilde Wyngaard, en twee soorten van
Willigen, waren de bomen die wy enige dagen aan den oever zagen. De
Aspergies groeiden hier en daar in ’t wild.
Wy namen onzen intrek zes mylen van Albany by enen Boer. Aan de
westzyde der Rivier zagen wy verscheiden’ Landhoeven, van menschen
bewoond die afstamden van de oude Hollanders, en welken zig van den
landbouw geneerden. Omtrent ene Eng. myl boven de plaats waar wy den
nagt doorbragten houd de eb en vloed in de Hudson op. In de Rivier
vindt men velerlei soorten van visch.
[Schuren.]
De Schuren waren meest allen op zyn Hollandsch gebouwd, en waren vry
groot. Somtyds bestonden de huizen op de hoeven maar uit een vertrek
nevens ene schuur.
Den 22. des morgens volgde ik onzen Wegwyzer om den hogen Waterval, die
de Rivier Mohawk [258] by Kohoes maakt, eer zy in de Hudson valt, te
bezigtigen. Het land is Vlak tot by den Val, alwaar het wat heuvelagtig
is. Het hout was op de meeste plaatsen weggehakt, en het land bebouwd.
Hier en daar zag men ene fraye Landhoeve.
[Waterval van Kohoes.]
De Waterval van Kohoes is een der grootsten van Noord Amerika. Boven en
beneden denzelven bestaan de kanten en de bodem der Rivier uit louter
rots. De Rivier is hier omtrent negenhonderd Eng. voeten breed. By den
Val legt ene klip dwars tegens den stroom, die overal even hoog is, en
als enen muur in de Rivier maakt. De klip is aan de benedenzyde niet
loodregt neergaande, dog steekt enen vadem of twee uit. De hoogte der
klip waarover ’t water rolt scheen my op ’t oog tien of twaalf vadem te
zyn; en de Ingenieur Evans, die dezelve meetkundig gemeten had, had ze
twaalf en enen halven vadem, of vyfenzeventig voeten breed gevonden.
Thans was ’er weinig waters op de Rivier, zo dat het maar op twee
plaatsen over de klip heen liep. Het had door ’t vallen onder in de
rots diepe gaten gemaakt, hier en daar twee of drie vadem diep. Onder
den Val was de bodem der Rivier nu geheel droog, zo dat het water in
het midden enen weg van twee vadem in de breedte, en enen vadem, of
iets meer, diep, gemaakt had, schoon die bodem, gelyk gezegd is, geheel
uit rots bestaat. Beneden den Val zag men verscheiden’ holen in de rots
door het water gemaakt, volkomen gelyk de zogenaamde Bergketels of
Reuzenpotten in Zweden. Zy waren van verschillende grootte. Ligt is het
te begrypen dat deze Waterval een schrikkelyk geluid veroorzaken moet,
wanneer de Rivier vol waters is, en het van meer dan zeventig voeten
hoog neerstort. Wy hadden nu den heldersten zonneschyn, zonder dat ’er
ene wolk aan den hemel te bespeuren ware, ook was het zeer stil, en
egter was ’er by den Val, daar nu zo weinig water over nederstortte,
een soort van nevel als van enen stofregen, ontstaande uit
waterdroppels, die onder ’t vallen van het overige water afgescheiden,
en door den wind herom gevoerd worden. Zodra men omtrent op enen
musketschoot den Val nadert, van den kant waar de wind naar toe wait,
voelt men zyne klederen nat worden als ware men in den regen. In de
holtens die het water by den Val gemaakt had hielden zich verscheiden
soorten van visch op; en enige menschen zaten daar met den angel te
visschen. De klippen bestonden hier uit den zelven zwarten steen,
waaruit alle de bergen omstreeks Albany bestonden. Deze steen, aan de
lugt bloot gesteld zynde, is geneigd in kleine horizontale schyfjes te
schilferen.
[Tuinen.]
Ik zag een soort van betuiningen, diergelyken ik nog niet gezien had,
die gene palen hadden, bestaande uit dwarsbalken waarop anderen in de
lengte rustten. Deze betuiningen waren meer dan twee ellen hoog, en
vorderden enen groten voorraad van hout. Indien men de balken gespleten
had, zoude men uit het zelve hout veel meerder heiningen hebben kunnen
maken.
[Vervolg der reis.]
Omtrent den middag vervolgden wy onzen togt met de Kano de Rivier op.
Zy wierd een weinig boven de plaats van ons nagtverblyf zo ondiep, dat
de riemen telkens op den grond sloegen, hebbende dikwyls niet de diepte
van ene el waters. De oever en het bed der Rivier bestonden nu uit zand
en kleine stenen. Egter hadden de roeyers werks genoeg om ons tegen den
stroom op te arbeiden, zo sterk ging die naar beneden. De oever was vol
van heuvels van aarde, en op sommige plaatsen zeer hoog en steil. Het
land was gedeeltelyk met hout bedekt, en gedeeltelyk bebouwd. De
breedte der Rivier bedroeg gemeenlyk twee snaphaanschoten.
[Steuren.]
Men vindt vele Steuren in de Rivier. Wy zagen ze den gantschen dag, dog
inzonderheid tegens den avond, uit het water om hoog springen. Wy
wierden onderrigt dat men hier des winters gene Steuren vernam, en dat
zy tegens dien tyd naar zee zwommen, kerende met het voorjaar weder op
de Rivier. Zy houden zig liever in ondiep dan in diep water op; ook
zagen wy ze nergens zo uit het water omhoog springen als waar de stroom
ondiep was. Hun voedsel bestaat meest uit een soort van watergras,
[259] dat op sommige plaatsen der Rivier veel wast. De magen dezer
visschen vindt men ’er gemeenlyk vol van. De Wilden en de hier
woonagtige Hollanders vangen deze Steuren. Alle nagten vernamen wy
verscheiden’ schuiten, die oppasten om ze te harpoeneren. De toortsen
die zy by deze visschery gebruiken nemen zy het liefst van de Zwarte
Dennenbomen. En, schoon het nu de tyd van het jaar was dat de nagten
het kortst zyn, waren zy egter in ene zo zuidelyk gelegene plaats zo
donker als by ons in Augustus. Op verscheiden’ plaatsen zagen wy dien
en de volgende dagen vele dode Steuren, die gewond zynde ontsnapt, en
daarna gestorven waren. Zy gaven enen onverdraaglyken stank van zig.
[Amerikaansch Vrouwspersoon.]
Wat hoger de Rivier opgekomen zynde zagen wy een Amerikaansch
Vrouwspersoon, zittende met een jongetje in een schuitje van bast, en
enen Amerikaan, die, met ene grote muts op ’t hoofd, door het water
[Wilden bezogt.] waadde. Vlak daar by lag een Eiland, waarop zig nu
vele Wilden om Steuren te vangen ophielden. Wy gingen naar hunne
hutten, om te zien of ons niemant van hun naar Fort St. Frederic
begeleiden wilde. Als wy ’er in traden waren alle de mans uit op de
jagt, weswegen wy de kinderen overreden moesten om ze te gaan opzoeken.
De loon dien zy daarvoor kregen bestond in twintig kleine broodtjes,
want ziende dat wy verlangden de ouden te spreken, wisten zy allerlei
zwarigheden te opperen tot dat men hun zo veel beloofde. Het Eiland
kwam den hier wonenden Hollanderen toe, die het tot bouwland gemaakt
hadden. De Wilden hadden het van hun in pagt, en hadden ’er mais en
verscheiden’ soorten van kawoerden geplant. Zy hadden hier enige
hutjes, of zogenaamde Wigwams, die zeer eenvouwdig waren. Zy bestonden
uit vier regt op geslagene palen, waarop zy dwarsstokken gelegd, en het
met een dak van bast overdekt hadden. Muren waren ’er of in ’t geheel
niet, of zy bestonden uit takken met de bladeren ’er aan, die aan de
stokken waren vastgemaakt. Hunne bedden waren hertenvellen op den grond
gespreid. Het huisraad bestond in een paar kleine ketels, twee lepels,
een paar basten emmers, die zo digt waren dat ’er het water niet door
kon. Het vleesch der Steuren was in langwerpige stukken gesneden, en te
drogen in de zon gehangen, om tot wintervoorraad te verstrekken. De
vrouwen zaten buiten op den heuvel op hertenvellen te werken. Zy
gebruiken noit stoelen, maar zitten plat op den grond, met de benen,
niet kruisgewys, meer buitenwaards onder zig gebogen, zo dat de aars
tusschen de beide voeten komt. De Vrouwen waren allen bloothoofds, en
hadden pekzwarte hairen. Zy droegen enen korten blauwen rok, die tot op
de knien hing, en van onderen met rode of andere koorden omzet was. Zy
droegen grote oorringen, en de hairen waren van agteren t’zamengebonden
en met linten omstrikt. De Wampums hingen om den hals tot op de borst.
Dit zyn hare parelen en geld. Zie daar haren gehelen opschik. Zy
maakten allerhande dingen van beestenvellen, waaraan zy de pinnen der
stekelvarkens vast naiden, die zy zwart of rood geverwd, of by
derzelver natuurlyke witte kleur gelaten hadden.
Tegens den avond begaven wy ons naar ene Landhoeve aan de Rivier
gelegen, waar wy maar enen man vonden, bezig om de mais en het ander
koorn te bezigtigen, zynde de bewoonders van het huis zedert den oorlog
niet terug gekomen.
[Kreeften.]
Men vindt hier kreeften in de beekjes, volkomen gelyk aan de onzen, dog
wat kleinder; maar de Hollanders wilden ’er niet van eten.
Den 23. wagtten wy des morgens lang naar de Wilden, die beloofd hadden
by ons te komen, om ons den weg naar Fort Anna te wyzen, en ons te
helpen ene schuit van boombast te maken, waarmede wy onze reis konden
voortzetten. Om agt uur kwamen ’er eindelyk drie mansperfonen. Zy
hadden, gelyk gemeenlyk, pekzwarte en kort gesneden hairen, droegen
ligtgroene kleedtjes om de schouders, en doeken of vellen, die om de
benen en een stuk der dyen gewonden waren. Dog zy hadden nog hoeden,
nog mutsen, nog koussen. Twee van hun hadden het bovenste van het
voorhoofd en de wangen vermilioen geverwd. Om den hals hadden zy enen
band, waaraan een zakje op de borst hing, in het welk zy hunne messen
bewaarden. Zy beloofden eindelyk om voor dertig schellingen ons te
geleiden, dog braken weder hunne belofte, en gingen met enen
Engelschman heen, die hun meerder gaf, zo dat wy op onze reis gene
geleiders vinden konden. Egter bragten zy ons de vyftien schellingen
weder, die zy op hand gekregen hadden.
[Het land in den kryg verwoest.]
Ons laatste nagtverblyf was omtrent tien Eng. mylen van Albany af. By
den laatsten en pas geeindigden oorlog waren alle de menschen naar
Albany gevlugt, vermits de Franschgezinde Wilden alles vermoordden of
gevangen namen wat hun voorkwam, de huizen overal in brand staken, en
het geboomte omhieuwen. Dus zag het ’er bedroefd uit toen de menschen,
weder naar hunne woonplaatsen willende keren, gene huizen vonden, en
genoodzaakt waren onder schuinsch tegens malkander gezette planken te
slapen. De Rivier was hier omtrent een musketschoot breed, en aan beide
zyden was het land bebouwd. De oevers waren steil, en de grond zag ’er
bleek uit.
[Vlierboom.]
De Westersche Vlierboom was veelvuldig op de heuvels, die ’er geheel
wit van waren, want hy stond in vollen bloei.
[Moeilykheid der reis.]
Wy hadden dezen gantschen dag den enen stroom voor en den anderen na
aangetroffen, allen vol van stenen, het geen de reis zeer moeilyk
maakte. Het water in de Rivier was helder, niet boven twee ellen diep.
Het liep sterk af en bruischte tegens ons vaartuig. De oever lag vol
van keistenen en grauw zand. De hoogtens bestonden uit aarde, waren
verheven en loodregt. Twee musketschoten omtrent zal de Rivier breed
zyn. Het land was hier en daar bebouwd, en hierendaar met bosschen
bedekt.
[Klaver.]
De hoogtens waren vol van rode of witte klaver. Beide de soorten zagen
wy dien en de volgende dagen zeer veel in de bosschen. Dus wist men
niet met zekerheid te bepalen of zy uit Europa overgebragt is, zo als
sommigen menen, dan of zy hier al van ouds is geweest, het welk de
Wilden ontkennen. De Porcelein wies hier veel op zandgronden; dog zy
was in de moestuinen een der lastigste onkruiden. Allengskens begonnen
nu de menschen naar hunne woonplaatsen terug te keren, die de laatste
kryg hen gedwongen had te verlaten. De Landhoeven lagen of aan de
Rivier of op de hoger gronden, en zy waren, gelyk in dit Land gewoonlyk
is, van boomgaarden en grote bouwlanden omringd.
[Muskusratten.]
Wy zagen vele holen van Muskusratten, [260] gelyk met de oppervlakte
van ’t water, van de grootte dat ’er ene kleine kat zou kunnen in
kruipen. Voor dezelven lagen vele mosselschelpen, die de Ratten
uitgegeten hadden. [261] Men vangt ze in vallen, welken men aan ’t
water stelt, en daar mais of appelen worden in gedaan.
[Bomen.]
De Sassafrasbomen waren hier tamelyk talryk, dog klein. Hierendaar zag
men enen Kastanjeboom. De Cratægus Crus Galli stond in de schraalste
gronden, en had lange doornen; zo dat men ’er zeer goede hagen van zou
kunnen maken.
Wy namen onzen intrek des avonds by enen Boer, die eerst weder op zyne
hoeve gekomen was. Zyn huis was verbrand, dog hy had zyne schuur
behouden. Deze Landhoeve was de laatste van de Provincie New York aan
den kant van Kanada, waar de gebouwen nog waren blyven staan. Verder op
behielpen zig de menschen onder hutten van planken.
Wy zetteden den 24. onze reis voort. Het land was aan beide de zyden
der Rivier meest vlak, hierendaar wat bergagtig, en bestond meest uit
magere dennebosschen. Hierendaar waren koornlanden en weiden, dog het
meest was bosch. Op de Rivier hadden wy van Albany af tot halfwege
Saratoga den stroom sterk tegen gehad, dus wy veel moeite hadden
optekomen. Hierna egter wierd de Rivier enige Eng. mylen lang zeer diep
en het water stil. De oevers waren zeer steil, dog niet zeer hoog. De
Rivier was omtrent twee musketschoten breed. Na den middag kreeg zy ene
andere rigting. Tot nog toe had zy van ’t noorden naar het zuiden
gelopen, en nu liep zy van ’t noordnoordoosten naar het zuidzuidwesten,
en somtyds van ’t noordoosten naar het zuidwesten.
[Mieren.]
Men vindt hier te lande niet vele Mierhopen. Ik weet niet enen enigen
gezien te hebben voor ik aan den Waterval van Kohoes kwam. Heden namen
wy ’er enigen in de bosschen waar. De Mieren waren van het zelve soort
als de onzen. [262] De hopen bestonden meest uit enen vermolmden steen
gelykenden naar Lei, dien men hier vond, hebbende de Mieren niets
anders daartoe.
De Kastanjebomen stonden verspreid in de bosschen. Ook vindt men hier
wilde Moerbezien, dog zeldzaam. En hier was de noordelykste plaats daar
men ze vond. Peen troffen wy dagelyks in ’t wild aan, dog maar op
plaatsen daar het land bebouwd was, of voorheen bebouwd was geweest. De
Hennip wies in ’t wild by oude planteryen.
[Woudluizen.]
[Bomen.]
De bosschen waren vol van Woudluizen, die ons zeer lastig waren. De
Thuija occidentalis begon men aan den waterkant te zien wassen. Voor
dezen had ik ze niet vernomen. De bomen die wy langs den oever zagen
groeyen waren, Olmen, Berken, witte Dennen, Elzen, Linden, Kornoeljes,
rode Willigen en Kastanjes. De Amerikaansche Vlierboom en de wilde
Wyngaarden vertoonden zig maar op zulke plaatsen daar het land een
weinig bebouwd was, als zogten zy beiden het gezelschap der menschen.
De Linden en de witte Walnootbomen waren het talrykst. De Haagbeuken
met opgeblazen zaadhuisjes [263] zag men nu en dan; dog men vernam nog
Waterbeuken nog Waterpopulieren meer. Zwarte Aardeekhoornen lieten zig
dikwyls zien.
[Wilden.]
Wy ontmoetten op enigen afstand van Saratoga twee Amerikanen in hunne
basten schuitjes. Deze vaartuigen kunnen nauwlyks meer dan een mensch
voeren. Digt by Saratoga wordt de Rivier wederom ondiep en stroomt
sterk. Het land lag woest ter oorzake van den oorlog, zynde anders
bebouwd.
[Saratoga.]