nauwlyks ene maand voorby die niet enige nagten geeft dat het vriest.
De lente komt hier zeer laat; het vriest dikwyls des nagts in April en
Mai, waardoor de bloeisems veel lyden. Men vreesde dit jaar deswegens
zeer voor de appelen. Zelfs vriezen wel de bloeisems der eiken in de
bosschen dood. In den herfst houden de warme dagen en nagten lang aan.
Tegens het einde van September begint het des nagts gemeenlyk te
vriezen, dog vooral in October. Van ’t begin of ten minsten het midden
van November af tot in Maart of April [247] moet men het vee in de
stallen houden, en met hoi voeden.
[Weder in den Zomer.]
In den zomer blaast de wind meest uit het zuiden, en brengt grote
droogte aan. Nu en dan egter regent het een weinig. Zodra ’er regen
komt loopt de wind noordwest, blyft zo enen dag of twee, en keert dan
weer naar zynen hoek. Dit heb ik in dit en het volgende jaar dikwyls
ondervonden.
Den 15. Juni zagen wy dat de betuiningen hier gemeenlyk van vuren
planken gemaakt waren, die op malkander tusschen vuren palen lagen. Van
dit hout had men hier voorraads genoeg, aangezien de menigvuldige
bosschen en zaagmolens.
[Appelen.]
De Appelbomen slagen hier zo wel als ergens in Noord Amerika. Men vond
boomgaarden by elke boerdery. Men heeft hier enen zeer lekkeren appel,
dien men in den herfst als iets zeldzaams naar New York en elders
verzent. Ik heb te Aobo uit de pitten van dezen appel verscheiden bomen
gefokt, die zeer wel zyn voortgekomen, en onze winters verduren kunnen.
Dog zy hebben nog gene vrugten gegeven. Men maakt hier ook Cyder uit de
appelen. Ook slagen hier allerlei Karssenbomen vry wel, dog niet de
Perenbomen. Dog zoude dit niet toeteschryven zyn aan gebrek van zorg
voor de zelven, aangezien men in Pensylvanie goede peren vindt?
[Persiken.]
Persikenbomen heeft men hier dikwyls geplant, dog zy zyn niet wel
geslaagd, het geen men deels aan den grond, deels en voornamelyk aan
enen zekeren worm toeschreef, die in den grond zit en de wortelen
afbyt. Misschien doet ’er ook wel de felle vorst veel toe.
Buiten dezen had men hier gene andere tamme vrugtbomen. Hennip en vlas
zait men zo veel als men tot het gebruik van noden heeft. [Mais.] Dog
de Mais wort hier sterk geteeld. Een losse grond wordt ’er het best
voorgehouden. In klei kwam zy niet voort. Zy heeft hier twee honderd
voor een gegeven. Men hield derhalven dit graan voor een der
voordeligsten, te meer daar het weder opkomt al vriest het in ’t
voorjaar dood. Voorbeelden zyn ’er voor handen, dat de plant tot
tweemaal toe bevrozen geweest zynde egter enen voortreffelyken oogst
gegeven heeft. Ook kan zy beter tegens de droogte dan de Weit. Het
grootste soort van Mais wordt in September ryp.
[Weit.]
De Weit wordt hier ook met voordeel gebouwd. Zy wordt gerekend twaalf
voor een te geven; indien men maar tien voor een krygt is men kwalyk
voldaan. Somtyds geeft de oogst twintig voor een. De Landlieden
[Landlieden.] in Albany zyn ten dele Hollanders, ten dele Duitschers.
De laatsten hebben verscheiden’ grote dorpen, en zayen veel Weit, die
naar Albany en van daar naar New York vervoerd wordt. Uitgenomen de
Weit die by Sopus, anders King’s Town, gewonnen wordt, is die tusschen
New York en Albany valt de beste van geheel Noord Amerika. Men eet hier
niet dan weiten brood. Te New York wordt de Albanische Weit wat duurder
dan andere betaald.
Rogge wordt hier ook, dog niet veel, gezaid. Garst wordt ’er weinig
geteeld, omdat men Weit genoeg heeft om ’er mout van te maken. Maar
omstreeks New York zag ik grote velden met Garst. Haver wordt hier maar
zo veel gezaid als men voor de paarden nodig heeft.
Erwten worden hier veel gezaid. Zy slagen zeer wel, en worden jaarlyks
vele tonnen van naar New York gevoerd. Men is hier lang van den
schadelyken erwtworm vry gebleven, dog sedert weinige jaren heeft hy
zig hier ook in de erwten begonnen te doen bespeuren, en grote schade
aan dezelven toetebrengen, die voorheen hier in overvloed gewonnen, en
vooral voor het gebruik der zeevarenden met groot voordeel verkoft
wierden. Voordezen liet men te King’s Town en in New York erwten van
Albany komen om te zayen, en dezen waren het eerste jaar meest vry van
de wormen, dog het twede kwamen die ’er al in, zo dat zy oneetbaar
waren. Enigen zyn hier gewoon van, als de erwten onder ’t koken hard
blyven, wat asch in den pot te goyen; dog of dit gezond en aangenaam is
weet ik niet.
[Potatoes.]
De meeste menschen plantten Potatoes. Sommigen bewaarden ze in asch in
plaats van in zand. In Ierland zyn vele lieden gewoon in den herfst de
Potatoes in den oven een weinig te drogen, om ze des te beter te doen
duren. Dog dan deugen zy niet om geplant te worden.
De Bermudische Potatoes [248] zyn hier ook redelyk wel geslaagd. De
Hommelvogel wordt hier, dog zeldzaam, gevonden.
[Daken.]
Men maakt hier de Dakberden van wit dennenhout, het welk men al zo goed
en duurzaam agt als dat van den Cupressus thyoides. Zulk een [Witte
Dennen.] dak kon het, zeide men, wel veertig jaren houden. Deze Witte
Dennen wassen hier veel op dezelve gronden als onze gemene Dennen. Dog
in het benedenste gedeelte van New York en in Pensylvanie heb ik ’er
geen ontmoet. Men voert velen van deze planken van Albany naar New
York, van waar zy naar buitenslands verzonden worden.
[Wyngaarden.]
Wilde Wyngaarden wiessen in overvloed in de bosschen en op de steile
oever der rivieren, waar men ze vooral in ongelooflyke menigtens vond,
zo dat zy dikwyls de bomen op de welken zy gekropen waren door hunne
zwaarte buigen deden. Men eet de druiven als zy wat bevroren zyn, want
anders zyn zy zuur.
[Muggen.]
Muggen vindt men schrikkelyk veel in de grote bosschen en woestenyen
die tusschen Albany en Kanada leggen. De Reizigers worden ’er deerlyk
van geplaagd. Om zig tegens dit ongedierte te wapenen besmeren sommigen
hunne aanzigten met boter of vet. De zware hette maakt ook het dragen
van laarzen lastig, dog men doet wel papier onder de koussen. Anderen
bedekken het gehele hoofd in grote kappen, en hebben floers voor de
ogen. Des nagts slaapt men in tenten, als ’er gelegenheid is die
medetevoeren, en buiten dezelven, aan den ingang, maakt men grote vuren
om de muggen door den rook te verdryven.
[Bruinvisschen.]
De Bruinvisschen komen zelden hoger de Hudson op dan men zout water
heeft; dog daar nemen de Steuren hunne plaats in. Egter is ’er wel een
enkelde Bruinvisch tot by Albany gezien. Zelfs wierd ’er gezegd dat een
Walvisch eens tot by die Stad den stroom was opgezwommen.
[Ligtgevende vliegen.]
Ligtgevende Vliegen, [249] van ’t zelve soort als men in Pensylvanie
heeft, ziet men hier iederen nagt in menigte. Zy vlogen overal in de
Stad, zelfs kwamen zy in de huizen. De Engelschen noemen ze
Vuurvliegen. [250]
[Bomen die te Albany niet groeyen.]
Verscheiden’ bomen die in Pensylvanie zeer gemeen zyn worden hier niet
gevonden, als de Beverboom, de Nyssa aquatica, de Liquadambar
Styraciflua, de Persimon, de Tulpenboom, de Zwarte Walnoot, de
Moeraseik, de Cercis Canadensis, de Robinia pseudacacia, de Gleditsia
triacanthos, de Annona muricata, de Celtis Occidentalis, en ene menigte
van struikgewassen. De meer noordelyke legging der plaats, de strekking
van het Blauwe Gebergte, de loop der rivieren, die allen zuidwaards
naar zee stromen, waardoor de zaden der planten wel van hier
zuidwaards, dog niet van ’t zuiden herwaards gevoerd worden, zyn
voomamelyk oorzaak dat men hier vele gewassen te vergeefs zoekt die in
Pensylvanie gevonden worden.
[Een Eilandtje beschreven.]
Den 9. Juni ging ik het Eiland bezigtigen dat in de Revier omtrent ene
Eng. myl beneden de Stad legt. Het is omtrent ene van die mylen lang en
een vierde van dezelve breed. Het is byna geheel met koorn bezaid, en
behoort enen enigen eigenaar, wien ook twee kleine Eilanden daarnevens
leggende toebehoren. Men zag hier geen hout behalven enige bomen, die
rondom den oever stonden, welken, als ware het, ene hoge haag maakten.
De Roodbloemige Ahorn wies hier menigvuldig. Zyn blad is van onderen
als verzilverd, het welk door den wind opgeligt wordende den boom van
verre ’er doet uitzien als met witte bloemen bedekt. De Waterbeuk wies
zeer hoog, en is hier een van de bomen die de sterkste schaduw geven;
De zogenaamde Waterpopulier [251] was hier de gemeenste van allen, kwam
zeer wel aan het water voort, en bereikte de hoogte van onze zwaarste
populieren. Hy geeft ene uitmuntende schaduw. Op de oevers is hy een
der nuttigste bomen, dewyl zyne wortels den grond vast maken, en in
staat stellen den slag van ’t water te wederstaan. Dit nut brengen hier
ook de Waterbeuken en de Olmen voort. De wilde Pruimbomen stonden hier
ook in menigte, en waren vol van onrype vrugten. Ook vond men den
Sumach overvloedig. Het zelve kan men van de wilde Wyngaarden zeggen.
De druiven, zeide men, wierden zeer laat ryp, schoon zy thans vry groot
waren. De Amerikaansche Olm maakte hier en daar grote hagen. De grond
van het Eiland was ene vette tuinaarde met zand vermengd, en wierd het
meest tot maisplanteryen gebruikt. Ook waren ’er grote velden met
Potatoes. Het gantsche Eiland was voor honderd pond New Yorksch geld
verhuurd. De Huurder deed weer kleine stukken aan anderen ter huur
over, die ’er moeskruiden teelden. De Porcelein wies hier overvloedig,
en zag ’er wel uit.
[Eb en vloed.]
De eb en vloed gaat ongevaar agt of tien Eng. mylen in de Hudson boven
Albany, dus wel honderd zes en vyftig Eng. mylen ver van zee. Dog in ’t
voorjaar als de sneuw smelt bespeurt men hier wegens het afkomende
water genen vloed; maar ene gedurige ebbe. Het zelve gebeurt ook des
zomers by zware en aanhoudende regens.
[De koude.]
De koude wordt hier in ’t algemeen voor zeer gestreng gehouden. Het ys
wordt in de Hudson drie of vier voet dik. Den 22. Maart O. S. was men
met zes paarden over ’t ys gereden. Somtyds gaat het eerst in ’t laatst
dier maand los, en dan voeren somtyds de schollen gehele huizen met zig
weg. Het water is in dien tyd zeer hoog, dewyl het ys beneden zeer
dikwyls dammen maakt. Somtyds was het dan drie vadem hoger gestegen dan
in den zomer gewoonlyk is. De grond bevriest hier dikwyls ter diepte
van drie tot vyf voeten. Om den 5. November legt men hier de Jagten op,
en in ’t laatst van Maan of het begin van April beginnen zy weder naar
New York te varen. Men wist hier niets van kacchels, en de schoorstenen
waren zo wyd dat men ’er met paard en slede door zoude kunnen ryden.
[Water.]
Het putwater was om dezen tyd in vele putten in de Stad zeer koud, dog
het smaakte wat zuuragtig, het geen niet aangenaam was. Het nauwer
onderzoekende vond ik ’er vele kleine Insekten in, waarschynlyk
Monoculi. Zy waren van twee tot vier meetkundige lynen lang, zeer smal
en bleek van kleur. De kop was zwart en dikker als het overige lyf, en
omtrent zo groot als een kleine speldekop. De staart was in twee delen
gespleten, en elke arm van denzelven eindigde met een klein zwart
kogeltje. Als zy zwommen maakten zy kromme lynen, byna gelyk jonge
Kikvorschen. Ik goot wat van dit water in ene kom, en deed daar omtrent
een vierde van zo veel Rums by, dog dit hinderde de diertjes niet in ’t
zwemmen. Dus zoude men de punch van dit water bereid zeer sterk moeten
maken, wilde men ze doden. Schoon de menschen die dit water dagelyks
dronken geen ongemak ’er van hadden, dunkt my egter dat het voor iemant
die ’er niet aan gewoon is niet zeer gezond kan zyn. Ik was enige malen
gedwongen my met water te behelpen waarin ik die diertjes duidelyk
bespeurde, dog byna elke reis voelde ik enen dag of twee daaraan iets
in myn’ keel, als zat ’er ene erwt in, en dit duurde wel ene gehele
week. Dit ondervond ik dit en het volgende jaar te Albany en op enige
andere plaatsen. Jungstrom kreeg ’er ene zware pyn van in de borst en
een gevoel als zat ’er een gezwel. Of dit nu van deze Insekten of iets
anders kwam kan ik niet zeggen, dog ik vermydde sedert zo veel ik kon
van zulk water te drinken. Ik heb deze Monoculi dikwyls in het yskoude
water dat uit de putten geschept was hier te lande gevonden. Wie weet
hoe vele ziektens, die wy niet nauwkeurig genoeg onderzoeken, van zulk
water veroorzaakt worden? Zeer dikwyls heb ik ene menigte van Insekten
in water gevonden, ’t welk men om deszelfs helderheid hooglyk roemde.
Hier was byna by elke boerdery een put. Dog voor de thee, om te brouwen
en te wasschen, verkoos men het rivierwater. Dit is gemeenlyk troebel
en des zomers zeer warm, dog men laat het bezinken en bekoelen.
Wy waren by enen Geweermaker gehuisvest, die ons zeide dat de beste
smidskolen hier te lande uit den Zwarten Den gebrand werden. Die van
den Beuk volgden daarop. Het beste hout voor de snaphanen was dat van
den wilden Kerssenboom, en daarna dat van den Roden Ahorn. Ander hout
gebruikte hy niet. Het Zwarte Walnotenhout zoude wel uitmuntend zyn tot
dat gebruik, dog het viel hier niet.
[Albany.]
Albany is na New York de voornaamste of ten minsten de rykste Stad van
de Provincie van New York. Zy legt schuinsch tegens enen heuvel, digt
aan den westeroever der Hudson. Men rekent van hier tot New York
honderdzesenveertig Eng. mylen. De Stad legt in de lengte langs de
Rivier, die hier van ’t noordnoordoosten naar ’t zuidzuidwesten
stroomt. De hoge bergen, die westwaards boven de stad leggen, bepalen
het gezigt naar dien kant. ’Er zyn twee kerken, ene Hollandsche en ene
Engelsche. De eerste legt wat van den oever af, aan de oostzyde der
markt. Zy is van steen, hebbende enen toren en ene klok daarin. Een
Predikant doet hier des zondags twee leerredenen. De Engelsche kerk
staat wat hoger op den heuvel aan het westereinde van de markt, onder
de vesting. Zy is ook van steen, dog zonder toren. Hier werd geen
Godsdienst gedaan, dewyl ’er geen Predikant was, en alle de Ingezetenen
Hollandsch verstonden. Anders krygt de Predikant dezer kerk honderd
ponden uit Engeland ’s jaars. Het Stadhuis staat wat ten zuiden der
Hollandsche kerk, vlak aan de Rivier, en is een frai stenen gebouw van
drie verdiepingen. Het heeft enen kleinen toren, ene klok, en boven op
enen vergulden kloot een weerwyzer.
[Huizen.]
De Huizen in de stad zyn tamelyk goed, ten dele van steen, en gemeenlyk
met berden gedekt, die van wit dennenhout zyn. Enigen waren met pannen
voorzien, die men uit Holland had doen komen, dewyl men van gedagte was
dat de klei hier te lande niet goed was om ’er pannen van te maken. De
meeste huizen waren op de ouderwetsche wys gebouwd, enige weinigen maar
uitgezonderd. Velen waren op dezelve wys getimmerd als de huizen te
Nieuw Brunswyk, namelyk zo dat de muren aan de straat van steen, maar
de anderen van planken waren. De muren waren van buiten niet
gepleisterd, en men zag de blote stenen. Dit vindt men zo in alle de
Noord Amerikaansche steden, die ik gezien heb, en egter doet de lugt
geen kwaad aan de muren. De pypen der dakgoten steken tot op ’t midden
der straat uit, waardoor de muren van den drop bevryd waren; dog dit
maakte by regen de menschen op de straten schrikkelyk nat. De
straatdeuren zyn gemeenlyk in het midden der huizen, en aan beide de
zyden der stoep zyn banken, waar de menschen by goed weder den gehelen
dag op zitten, vooral als zy buiten de zon zyn. Voornamelyk vond men
des avonds de menschen van beiderlei geslagt op de stoepen, het welk de
voorbygangers dwong byna altyd met den hoed in de hand te lopen. De
straten zyn breed, en gedeeltelyk geplaveid. Op sommige plaatsen staan
bomen op de zyden. De straten die in de langte lopen zyn evenwydig met
de Rivier, en de dwarsstraten snyden ze met regte hoeken. De straat
tusschen de twee kerken is vyfmaal zo breed als de anderen, en
verstrekt voor ene markt. Voor ’t overige zyn hier de straten niet zeer
zuiver, dewyl des zomers overal het vee des nagts voor de huizen blyft
staan. Men heeft hier gene stadsdeuren, maar opene doorgangen om in de
stad te komen. Hier zyn twee zogenaamde marktplaatsen, waar het land
volk enige malen ter week zyne waren komt veilen.
De Vesting legt hoger dan de andere gebouwen, op enen ten westen der
stad gelegenen berg. Het is een groot stenen huis met hoge dikke muren.
Dog de legging is slegt, en het kan alleenlyk dienen tegens plunderende
partyen, maar gene belegering doorstaan, vermits ’er verscheiden’
hoogtens van aarde ten westen leggen, die de Vesting bestryken, en
hoger zyn dan zy, zo dat men alles zien kan wat ’er binnen geschiedt.
De hoogtens ten westen der Vesting ryzen gedurig. Hier legt gemeenlyk
ene bezetting. In de Vesting is een put die altyd vol waters is.
[Handel.]
Voor den handel legt deze Stad vry voordelig. De Hudson loopt ’er vlak
voorby, en is hier van twaalf tot twintig voet diep. Men heeft nog geen
bekwaam hoofd ter lading voor de Jagten aangelegd. Dog de hier
gebruikelyke vaartuigen kunnen vry digt aan den oever geladen worden.
Als men zware vragten op de Jagten brengen wil, bindt men twee kanoos
in de breedte aan malkander, en brengt ze dus aan boord. De Stad dryft
inzonderheid op New York enen sterken handel in pelteryen, planken,
koorn, meel, erwten, timmerhout, en andere waren. In alle de Engelsche
Volkplantingen is gene plaats, uitgenomen aan de Hudson’s Bai, waar men
zo veel pelteryen van de Inlanders bekomt als hier. Alle de kooplieden
alhier zenden in ’t voorjaar enen bedienden naar Oswego, ene Engelsche
handelplaats, gelegen aan het grote Meer Ontario, waar de Wilden hunne
waren brengen. Ik zal in ’t vervolg hiervan omstandiger spreken. Hier
houden zig de Albanische kooplieden den gantschen zomer op, en dryven
enen sterken handel met velerlei soorten van Amerikanen, die daar met
hunne pelteryen komen. Verscheidenen hebben my verzekerd, dat zy
somtyds de Wilden, vooral als die beschonken zyn, wisten te bedriegen,
zo dat zy dikwyls niet het tiende gedeelte van de waarde hunner
goederen voor dezelven kregen. En dat die zo in zyn werk gaat heb ik
verscheiden’ malen met eigen ogen gezien. De Albanische kooplieden zyn
regte Chinezen; en zy houden het voor iets frais de Wilden met
brandewyn te bezuipen, en hun dan voor een wisjewasje al hun goedtje
aftekopen. De Amerikanen merken dikwyls wel na het uitslapen van den
roes dat zy bedrogen zyn, en tonen ’er enig misnoegen over, dog
troosten zig spoedig met de gedagte dat het hun evenwel heeft mogen
gebeuren zig eens aan brandewyn regt zat te zuipen, en dit schatten zy
boven alles ter wereld. Vooral bevredigen zy zig schielyk als zy op
nieuws enige goede slokken mogen doen. Behalven den handel die dus te
Oswego gedreven wordt, komen ’er vele Wilden uit Kanada te Albany met
pelteryen, dog zelden iets anders dan Bevervellen. Daar staat in Kanada
ene zware straf op het voeren van bontwerk naar de Engelschen, dewyl de
handel, vooral in Bevervellen, der Fransche West Indische Maatschappy
toekomt. Dog dit belet de Kanadische kooplieden niet enen sterken
sluikhandel te dryven. Zy zenden hunne pelteryen met de Wilden hunnen
kennissen te Albany toe, die ze volgens den voorheen door brieven
bedongenen prys van hun aannemen. De Wilden brengen van hier
verscheidene soorten van goederen terug, die hier voor enen geringeren
prys dan in Kanada, waar zy uit Frankryk moeten komen, te krygen zyn.
[252] De meeste Albanische kooplieden hebben ook grote goederen op het
land, met veel houtgewas daaromheen. En als daar een beekje is te
vinden, verzuimen zy niet zaagmolens aanteleggen. Dit maakt dat ’er zo
vele Jagten den gantschen zomer over naar New York gaan meest met
planken geladen. Verscheiden’ lieden hier ter stede slypen een zeker
soort van [Wampums.] schelpen tot Wampums voor de Wilden, die dezelven
als geld en tot opschik gebruiken, het welk den Albanezen een groot
voordeel aanbrengt. Van dit soort van geld zal ik te zyner plaatse
breder handelen. Daar de borgers dezer Stad hier zelfs enen zo
aanmerkelyken handel dryven, en daarenboven, volgens de Hollandsche
wys, zeer naarstig en spaarzaam zyn, is het geen wonder dat zy zo grote
sommen verzamelen.
[De Ingezetenen meest Hollanders.]
De Inwoonders, zo wel der Stad als van het omgelegen land, zyn meest
allen Hollanders. Zy spreken onder malkander Hollandsch, hebben hunnen
Hollandschen Predikant, die in zyne taal den godsdienst verrigt. In een
woord, zy leven geheel als Hollanders. Egter kleden zig de beide
geslagten op de Engelsche wys. Het is bekend dat de Provincie van New
York het eerst van Hollanders bewoond wierd. Dog in ’t jaar 1664. nam,
op last van Koning Karel den Tweden, Sir Robert Carre New York, toen
Nieuw Amsterdam geheten, in. En kort daarop toog de Overste Nichols
naar Albany, dat toen Fort Oranje genoemd werd, en maakte zig ’er
meester van. Het kreeg toen den naam van Albany, zynden den Schotschen
titel van den toenmaligen Hertog van York. Het bleef den Hollanderen
vry daar onder de bescherming van Engeland te blyven of te vertrekken.
De meesten kozen het eerste, en van hun zyn de tegenwoordige
Hollandsche Ingezetenen van New York afkomstig, die eigenaars zyn van
de beste landeryen in het Landschap.
[Hunne gierigheid.]
De Inwoonders van Albany zyn in gantsch Noord Amerika, zo wel by de
Engelschen als Franschen, ja zelfs by de Hollanders, die de lager
gedeeltens van de Provincie New York bewonen, wegens hunne
onverzadelyke gierigheid en schraapzugt zeer berugt. Als iemant naar
Albany staat te reizen, pleegt men hem schertsgewyze te zeggen, dat hy
naar het Land Kanaan gaat, dat is te zeggen naar het Land der Smoussen,
want de Albanezen houdt men voor aarschsmoussen, by dewelken een Jood
het onmogelyk zou kunnen houden, al verstond hy het schaccheren nog zo
wel. Dit maakt dat men hier zelden komt dan uit noodzaaklykheid. Men
vroeg my verscheiden’ malen wat dringende oorzaak ik dog hebben mogt om
deze bedevaartreis naar Kanaan te ondernemen; en ik heb ondervonden dat
het niet zonder reden was dat dit volk in een zo kwaad gerugt stond.
Want schoon hier zelden reizigers komen als die uit de Engelsche
bezittingen naar Kanada moeten, en men derhalven denken zoude het gene
men nodig had hier beter koop dan elders te zullen vinden, zo ervoer ik
het tegendeel. Ik was genoodzaakt alles veel duurder dan op enige
andere plaats hier te lande te betalen, behalven dat men hier zeer
ondienstvaardig was. Tot het minste moest men ze door geld bewegen.
Zodra ik op het land in een huis kwam, en iets kopen of verzoeken
moest, kon ik wiskundig zeker zeggen of de menschen van dit of van een
ander bloed waren. Zo was het met de meesten gesteld. Evenwel vond men
’er enigen die in dienstvaardigheid en eerlykheid voor niemant ter
wereld behoefden te wyken; dog hun getal was het kleinste. Zo als het
my voorkomt is het dus met de Albanezen toegegaan. Toen dit Land door
de Hollanders bevolkt wierd, heeft men ’er, behalven enige brave
lieden, vele schoyers, van de welken men het Vaderland zuiveren wilde,
naar toe gezonden, en dezelven naar enen oord geschikt die aan de
Wilden paalde, nogthans zo dat enige eerlyke huisgezinnen zig wel
hebben laten overreden om met hun te gaan, om ze enigermate in teugel
te houden. Anders weet ik gene reden uittedenken waarom dit volk van de
andere brave Hollanders, die in de beneden delen van New York wonen, zo
verbasterd zyn kan. De laatstgenoemden zyn vriendelyk, gedienstig,
redelyk in ’t eischen van geld, en opregt; en schoon zy zelden veel
pligtplegingen maken kan men egter op hun woord rekenen, en zy menen
het wel.