Jersey, is ene kleine plaats, twintig Eng. mylen van Philadelphia op
den ooster oever der Dellaware. De huizen waren merendeels van steen,
dog stonden ver van malkander. De Stad heeft ene voordelige legging,
dewyl ’er Schepen van ene vry aanzienlyke grootte komen kunnen. Dog
Philadelphia is haar een hinderpaal om haren handel uittebreiden, want
de eigenaars dier plaats hebben haar zeer grote voorregten geschonken
waardoor zy zo zeer toegenomen is dat zy alle andere Steden den handel
onttrekt. Het huis van den Gouverneur is niet groot dog van steen, en
staat digt by de Rivier. Het is het eerste gebouw in de Stad dat men
van Philadelphia komende in ’t oog krygt. Omtrent het vloeden en ebben
der Dellaware, het welk men tot by Trenton gewaar wordt, is aan te
merken, dat als by volle maan het water by Kaap Hinlopen, by voorbeeld,
ten negen uren voor den middag het hoogst is, men het hoogste water op
de Rivier by Chester om een uur en tien minuten na den middag heeft, en
te Philadelphia om twee uur en tien minuten. Deze waarnemingen heb ik
van den Heer Evans.
[Oevers.]
De Oevers aan den kant van New Jersy waren merendeels hoog en steil, en
bestonden uit een steenkleurig zand, dog aan de overzyde was de grond
ene zwartagtige vette aarde met glimmer vermengd. Op de zyde van New
Jersey zag men nu en dan enen Dennenboom, dog zelden op de andere,
uitgenomen op enige weinige plaatsen, daar zy toevallig uit New Jersey
waren overgebragt.
Tegens den avond, als het omtrent een uur geëbt had, en het zeer stil
was, konden wy het niet verder brengen, en moesten ’t anker omtrent
zeven Eng. mylen beneden Trenton vallen laten. Hier lagen wy den
gantschen nagt. De bosschen waren vol van ligt gevende vliegen, die in
menigte gelyk vonken tusschen de bomen, en somtyds dwars over de Rivier
vlogen. In de poelen maakten de Bulkikkers een verschrikkelyk geweld,
en somtyds schenen ’er meer dan honderd te gelyk het op een brullen te
zetten. Ook hoorde men den Whipperiwill overal.
[Voortreis.]
[Trenton.]
Den 1. Juni zetteden wy onze reis voort. De Dellaware was hier zeer
smal, en de oevers waren van dezelve gesteldheid als die wy den
voorgaanden dag zagen voor dat wy Burlington bereikten. Des morgens om
agt uur kwamen wy te Trenton aan. Den volgenden dag vertrokken wy van
daar met den gemenen wagen. De velden waren meest met weit, rogge,
mais, haver, hennip en vlas bezaid. Op verscheiden’ plaatsen vonden wy
grote stukken met hennip. Kastanjebomen vonden wy in vry grote menigte.
Zy wiessen dikwyls op zeer slegte gronden, die egter niet te droog nog
te nat waren. Men zeide dat ’er vele Tulpenbomen in de bosschen waren,
dog wy zagen ’er genen op den weg. Den aangenomen geur der in de
moerassen wassende Magnolia’s rook men reeds van verre, eer men zelfs
den boom kon zien.
[De Phlox glaberrima, en andere bloemen.]
De Phlox glaberrima stond hier en daar vry talryk in de bosschen; hare
rode bloemen gaven een schoon aanzien. Zy wies hier in de zelve gronden
als in Europa de Lychnis viscaria en de Lychnis dioica. De Phlox
maculata groeide veel op natte plaatsen, en was vol van schone, rode,
welruikende bloemen. Zy stond op zulke gronden daar by ons de Lychnis
flos cuculi groeit. Als men by deze bloemen de Bartsia coccinea, de
Lobelia cardinalis, en de Monarda didyma voegt, heeft men de bloemen
die ongetwyfeld de schoonste rode kleuren tonen.
De Sassafrasbomen waren overvloedig digt by de heiningen van tuinen en
boomgaarden.
De huizen die wy voorby reden waren meest van hout. Op ene plaats was
men bezig een huis te bouwen welks muren alleen van klei waren, uit de
welke men hier ook de bakovens maakt.
[Boekweit.]
De Boekweit had zig hier op vele plaatsen in ’t wild voortgeplant. Wy
zagen ’er den gehelen dag enkelde planten van in de bosschen en op de
velden, dog altyd digt by de wegen; waaruit men kan opmaken dat zy hier
uit verstroide zaden is voortgekomen.
[Nieuw Brunswyk.]
Des avonds laat kwamen wy te Nieuw Brunswyk aan. Den 3. Juni gingen wy
met een Jagt naar New York de Rivier af. Deze had in ’t begin tamelyk
hoge en steile oevers van den roden steen, dien ik al beschreven heb.
Hier en daar stond ene Landhoeve, en wat verder zag men digt aan de
Rivier grote koornlanden en weiden. Wy moesten in het zeilen de tekens
volgen van in den grond gestokene takken met bladeren daaraan, welken
den weg aanwezen dien men houden moest om de ondieptens te vermyden.
Eindelyk kwamen wy in zee, en zagen zuidwaards heen niets dan dezelve;
dog aan de linkerhand hielden wy altyd het vaste land in ’t gezigt. Aan
den mond der Rivier gekomen zynde konden wy kiezen of wy buiten om het
Staten Eiland heen, dan tusschen het zelve en ’t vaste land door zeilen
wilden. Wy rigtten ons naar weer en wind, en zeilden buiten om, dewyl
het schoon weder was, daar men by storm binnen door zeilt; en schoon wy
twee uren bleven vast zitten, arbeidden wy ons nogthans weder los, en
kwamen [De Stad New York.] des avonds om negen uren te New York aan,
welke Stad ik al beschreven heb.
[Wyngaarden.]
Den 4. Juni vond ik hier in de tuinen Wyngaarden, die uit Europa
gekomen waren. Zy droegen jaarlyks vele zeer goede druiven. Als de
winter gestreng is bevriezen zy dikwyls tot aan den grond toe, maar met
de lente botten ’er nieuwe scheuten uit.
[Aardbessen.]
De Aardbessen, werden nu dagelyks menigvuldig te koop geveild. Een
jonge Engelschman uit Jamaika berigtte dat daar gene Aardbezien
groeiden. De Slangen zyn zeer op deze vrugt gesteld; dog zy zyn zo goed
niet als die in Zweden en Finland vallen.
[Klaver.]
Buiten de Stad was hier en daar op de hoogtens Klaver gezaid. Men was
ten dele bezig met het afmayen der velden; sommigen waren reeds gemaid,
en de klaver lag op hopen om weggevoerd te worden.
[Karssenbomen.]
Aan den weg tusschen Philadelphia en Brunswyk vindt men vele
Karssenbomen op de Landhoeven; dog verder waren zy vry zeldzaam. Maar
in New York voorby Staten Eiland vond ik ze weder menigvuldiger. Dog
daar waren hier zo vele verscheidenheden niet van als in Pensylvanie.
Ik zag hier weinig van de zwarte zoete, dog meest van de zure rode
karssen. Men mogt op reis in de boomgaarden zo vele karssen eten als
men wilde, mits men de takken niet aan stukken brake. Tusschen Brunswyk
en Staten Eiland vond men vele Appelboomgaarden.
[Visch.]
Den 6. Juni hoorde ik verscheiden lieden van jaren verzekeren dat de
visch hier sedert korten tyd merkelyk was verminderd.
[Rum.]
De Rum, een soort van brandewyn die uit suikerriet gemaakt wordt, en
hier sterk in ’t gebruik is, wordt voor gezonder gehouden dan
brandewyn, die uit koorn gestookt wordt. Om dit te bevestigen zeide
men, dat zy een stuk varsch vleesch in Rum en een ander stuk in
brandewyn gelegd, en in beiden enige maanden gelaten hadden, waarna dat
’t welk in Rum gelegen had ’er zeer wel en gaaf, dog het ander geheel
doorvreten en vol gaten uitgezien had. Dog deze proef schynt my niet
van de juisten te wezen. De Major Roderfort verhaalde, dat, toen hy op
den krygstogt naar Kanada was, hy bemerkt had dat de Soldaten wanneer
zy enigen tyd lang brandewyn zopen stierven, dog dat de Rum hun geen
kwaad gedaan had, schoon zy ze dagelyks enen langen tyd gebruikt
hadden. [238]
[Long Island.]
Long Island is de naam van een Eiland leggende vlak over de Stad New
York in zee. Het noordelyker deel is veel vrugtbaarder dan het
zuidelyker. Voorheen heeft ’er ene grote menigte van Wilden op gewoond;
ook vindt men ’er nog ettelyken van, dog zy verminderen jaarlyks,
vermits zy ’t Eiland allengskens verlaten. Het zuider deel is wel het
dorste; dog de wyze Schepper heeft die onvrugtbaarheid door ene
verbazende menigte van oesters, kreeften, krabben, allerleien visch, en
velerhande zeevogels vergoed, die men daar veel overvloediger aantreft
dan aan het noorder eind. Dit is de oorzaak ook waarom de Wilden zig
aan het zuider gedeelte het meest onthielden, dewyl zy voomamelyk van
oesters en andere zeevoortbrengsels leefden. Nog kan men by ebbe in
korten tyd ene gantsche kar vol oesters laden, die een enkelde vloed op
’t strand gesmeten heeft. Overal op het Eiland vindt men ene grote
menigte van allerlei schalen, die de Wilden voorheen daar gestroid
hebben. Deze schalen gebruikt men nu om ’t land te misten. Het
zuidelykste deel van ’t Eiland wordt meest tot weiland, het andere tot
koornakkers gebezigd. Men wil dat in ’t laatst genoemde deel de winter
langer aanhoudt, en de sneuw langer leggen blyft. De menschen zyn hier
zeer vrugtbaar, lang en sterk.
[Vertrek.]
Den 10. Juni om den middag verlieten wy New York, en zeilden met weinig
winds de Rivier Hudson naar Albany op. Wy zagen zeer vele Schuiten, die
van New York naar huis keerden, waar zy eetwaren en andere goederen te
koop gebragt hadden, die daar, wegens de menigte van Ingezetenen en den
sterken handel, wel gewild zyn. De Rivier liep hier van ’t noorden naar
’t zuiden. Zy had enige hoge uitstekken van land. Hare breedte zal aan
den mond vyf vierden van ene Eng. myl wezen. Sommige Bruinvisschen
speelden op het water. In ’t begin was de oever aan de oostelyke zyde,
dat is die van New York, hoog en steil, dog aan de andere gloyende en
met hout bedekt. Egter zag men aan weerskanten landhoeven en
koornakkers. De steile oevers bestonden uit ene steenkleurige aarde.
Ook sommige kleine klippen van grauwen steen vertoonden zig hier en
daar. Omtrent tien of twaalf mylen van New York kreeg het land aan den
westelyken oever ene geheel andere gedaante, want daar vertoonden zig
hoge bergen, loodregt steil tegens den stroom aan. Somtyds stak een
hoek uit in ’t water als ware het van een bolwerk. De bergen waren met
klein eiken- en ander hout bewassen. Vele grote en kleine stenen lagen
aan den kant, zynde van boven neder gevallen. Deze bergen duurden enige
Eng. mylen lang. Dog aan de ooster zyde was het land merendeels hoog,
somtyds geschakeerd met bergen en vallyen, die meest met blad
verwisselend geboomte bewassen waren. Ook zag men hier en daar
landhoeven. Op de heuvels lagen enige losse stenen. Wy zagen overal
Bruinvisschen, en op ene plaats enige Steuren [239]. Wat hoger op
vonden wy den oostelyken oever sterk bebouwd, en wy zagen vele schone
landhoeven, omringd van boomgaarden en akkers, zo ver het gezigt reiken
kon. Omtrent twee en twintig Eng. mylen van New York verlieten ons de
hoge bergen, en maakten als ware het enen rug dwars door ’t land van ’t
oosten naar het westen. Ook veranderde de westelyke oever, bestaande
voorts uit vallyen en kleine bergjes. Het land was hier byna niet
bewoond. De oostelyke zyde egter bleef even bekoorlyk van gedaante. Na
ene wyl in ’t donker gezeild te hebben, wierpen wy ’t anker, des te
meer dewyl het sterk begon te ebben. Wy bleven hier den gantschen nagt
leggen.
Den 11. des morgens vervolgden wy onze reis met den vloed. Wy zeilden
voorby de Highland Mountains, die oostelyk van ons lagen. Zy bestonden
uit grauwe rotsen, waren hoog en vry steil, en met blad verwisselende
bomen, Dennen en rode Ceders bedekt. Aan de wester zyde was het land
vol van klippen, dog die de hoogte niet hadden van de bergen aan den
anderen kant. Wy konden niet wel de toppen dier bergen beschouwen,
dewyl zy met enen dikken nevel omgeven waren. Ook zag men gene
landhoeven, vermits het land te vol klippen was. De afstand van dit
gebergte van New York rekende men op zesendertig Eng. mylen.
Enige mylen verder hadden wy nog heuvels en klippen aan de westelyke
zyde, en aan de oostelyke ene verwisseling van groter en kleinder
bergen en dalen, bedekt met geboomte. Schoon de bergen digt aan de
Rivier niet hoog waren, wierden zy allengskens hoger en hoger, hoe
verder zy landwaards in kwamen. Daarna vertoonde zig niets dan zeer
hoge ronde bergen en dalen, die beiden met hout bewassen waren. De
dalen zelven waren eigenlyk niets dan lage klippen en rotsen, die op
vele plaatsen nevens de Rivier loodregt steil afgingen. De breedte van
den stroom bedroeg gemeenlyk een musketschoot, dog somtyds wel twee of
drie. Verscheiden soorten van visschen sprongen in ’t water. Om tien
uren voor den middag ging de wind leggen, en wy waren genoodzaakt de
riemen te gebruiken. Op ene plaats aan den wester oever zagen wy een
rood geschilderd houten huis, en men zeide dat een weinig hoger op een
zaagmolen stond. Buiten dit zagen wy dezen voormiddag nog huis nog
bouwland.
Het water der Rivier was hier niet ziltig meer. Dog men zeide dat het
somwylen by enen zuidwesten wind nog veel hoger brak blyft. Ook scheen
hier het water donkerder dan meer naar beneden.
[De oorsprong der Rivieren.]
Het is ene zware, zo niet ondoenlyke zaak, den oorsprong der Rivieren
in ’t algemeen te verklaren. Enigen kunnen wel uit ene verzameling van
water ontstaan zyn, dat door enen zwaren regen of ander toeval
vergaderd is geworden, en de kanten der verzamelplaats overtreden is,
of zig op ene andere wys enen doorgang gemaakt en zynen loop naar den
kant genomen heeft, waar het den minsten wederstand ontmoette. Dit is
veelligt de oorzaak waarom zo vele Rivieren, zelfs langs vlaktens zo
krom lopen. Egter schynt het dat sommigen haren oorsprong in de
schepping zelve hebben, en dat de alwyze Schepper toen reeds den weg
die derzelver wateren nemen zouden aangewezen heeft, want het is niet
waarschynlyk dat zy alleen uit enen toevalligen overloop van wateren
ontstaan zyn. Onder deze laatste soort van Rivieren mogen wy de Hudson
wel rekenen. Haar loop, hare oevers, alles moest verwondering in my
verwekken. Zy begint een goed stuk boven Albany, en loopt lynregt van
’t noorden naar het zuiden tot by New York. Dit is ene langte van ten
minsten honderd en zestig Eng. mylen; want de kleine bogten die zy
somtyds maakt hebben haast niets te beduiden. Op sommige plaatsen
tusschen New York en Albany zyn ryen van bergen, lopende oost en west,
en, het geen zonderling is, deze bergen lopen zonder afsnydingen voort
tot dat zy aan de Hudson sluiten, die ze plotsling afsnydt, zo dat
hunne kanten loodregt steil tegens de Rivier staan. Dus is hier ene
opening zo breed als de Rivier. Dog aan de overzyde vangen de bergen
weder aan, en lopen verder westwaards. Het geen nog aanmerking verdient
is, dat de Rivier te die opening al zo diep, zo niet dieper is, als op
andere plaatsen. Het is wonderlyk te zien hoe loodregt de kanten der
bergen tegens den stroom zyn. En het schynt, dat indien de
Voorzienigheid deze opening niet gemaakt had, al het land meer naar
boven altyd onder water zou gestaan hebben, dewyl dit gebergte, gelyk
een dam, het aflopen van het water zou belet hebben. Waarom gaat nu
deze Rivier zo lang in ene lynregte streek voort? Waarom leggen deze
doortogten tusschen de bergen onder dezelve middaglyn? Waarom zyn ’er
Watervallen digt by die doortogten, of ten minsten ondieptens met
steenagtige gronden?
Wy wierden nu hoe langer hoe meerder verschrikkelyke hoge en steile
bergen aan beide de oevers gewaar, die op het maken van enig geluid
enen sterken weerklank gaven. Hoe hoog en steil deze bergen ook wezen
mogten, waren zy egter met laag hout bewassen. Van hier konden wy, ver
noordwaards van ons, de zogenaamde Blauwe Bergen zien. Ook scheen het
land verder op tamelyk bebouwd en min bergagtig te zyn.
De Schipper vertelde dat men in enen dezer bergen aan de westzyde der
Rivier dikwyls des nagts een ligt zag, ’t welk het volk voor enen
Karbonkelsteen hield.
De laatste dezer hoge ten westen leggende bergen wordt Butterhill
genoemd. Het land werd verder op vlakker; ook begon men meer landhoeven
en akkers tusschen de hoogtens te ontdekken. Eer wy deze bergen te
boven waren liep ons de wind tegen, zo dat wy laveren moesten, het welk
zeer langzaam in zyn werk ging, alzo de Rivier hier niet boven een
snaphaanschoot breed was. Eindelyk en wind en ebbe tegen krygende,
wierpen wy het anker, waarop wy aan land traden om te zien wat daar
merkwaardigs mogt te vinden wezen.
Sassafras- en Kastanjebomen wiessen hier veel, ook hier en daar een
Tulpenboom. Ook stonden hier enige breedbladerige Kalmias in bloei, dog
de bloemen waren wit.
Kort na den middag begon het uit het zuidwesten te wayen, dus ligtten
wy het anker. Wy hadden juist stil gelegen op de plaats daar het steile
gebergte eindigt. Het bestond uit grauwen rots, en op den kant van ’t
water lagen vele kleine stenen. Zo dra wy de bergen verlaten hadden
wierd het land vryer, vlakker en wat verheven. Ook wierd de Rivier byna
ene Eng. myl breed.
Na enigen tyd zeilens bespeurden wy gene bergen meer nevens de Rivier;
maar ten oosten ging ene ry van bergen noordoost, welker zyden ter
halver hoogte met hout bedekt zyn. Dog de toppen waren gemeenlyk kaal.
Misschien dat van wegen de sterke zonneschyn, de droogte en ’t geweld
der winden, die men hier heeft, daar niets wilde voortkomen. [240] Op
de oosterzyde was het land meer bebouwd als aan de westelyke, daar ons
zelden een huis, maar alleen louter bosschen, schoon het Land vlak was,
voorkwamen. Omtrent zes en vyftig Eng. mylen van New York was het land
niet zeer hoog, dog overal vol houts, uitgenomen dat hier en daar ene
boerdery wierd aangelegd. De hoge bergen, welken wy dezen namiddag
verlaten hadden, vertoonden zig nu over de bosschen heen. De Highlands
Mountains liepen niet noordelyker aan de ene zyde der Rivier dan aan de
andere. Hunne kanten die niet naast de Rivier waren gingen niet
loodregt maar gloyende op, zo dat men ze, schoon niet zonder moeite,
beklimmen konde.
[Kalk.]
Men brandde kalk op verscheiden’ plaatsen langs de Rivier, waar de
grond enigsins verheven was. De Schipper zeide dat men daar enige Eng.
mylen ver enen schonen grauwblauwen steen vond waaruit men kalk
brandde, dog verder vond men genen kalksteen dan te Albany.
[Dance.]
Wy voeren een klein uitstek lands op den westeroever voorby dat Dance
genaamd wierd, omdat, zo als men zeide, de Hollanders zig op die plaats
voorheen eens vrolyk gemaakt en gedanst hadden, dog ene menigte Wilden,
die met hun gekomen waren, zouden hen allen hebben omgebragt.
Des avonds laat wierpen wy ’t anker, hebbende en wind en ebbe tegen.
Men had hier omtrent twaalf vadem waters. Des nagts zagen wy vele
ligtende vliegen, die somtyds op het want kwamen zitten.
Den 12. Juni voeren wy voor ty, dog tegen wind, den stroom op. De
Rivier was hier een musketschoot wyd. Het land aan beide de zyden was
enigsins laag, en bestond uit lage klippen en steenagtige velden, dog
was doorgaans met hout bedekt. Het was zo slegt dat zig ’er niemant
wilde nederzetten. Enige Eng. mylen bleef het land zo, zonder dat men
ene enkelde landhoeve ontdekken kon. Om elf uur voor den middag
bereikten wy een klein Eiland midden in de Rivier leggende. Hier is men
ten halven wege tusschen New York en Albany. Het land was nevens den
stroom laag, en steenagtig. Dog verder op zag men met hout bewassen
bergen, vooral aan de westzyde der Rivier, en nog verder weg keken de
zogenaamde Blauwe Bergen over de eersten heen. Tegen den middag wierd
het stil, dus wy weinig vorderden. Het land was hier, vooral tegens ’t
oosten, wel bebouwd, dog het scheen zeer [Strasburg.] zandig te zyn.
Een der vlekken, die hier lagen, heette Strasburg, het wierd van vele
Duitschers bewoond. Westwaards zag men hier en daar enige nieuw
ontgonnen akkers. De Blauwe Bergen waren hier van daan zeer duidelyk te
zien. Zy staken door de wolken door, en keken boven alle de anderen
heen. De stroom was voor Strasburg ene Eng. myl breed.
Men gebruikte hier tot tindel een geel zwam [241], dat op de Ahornbomen
wast. Dat van den roodbloemigen Ahorn [242] wordt voor het beste
gehouden. Na dat agtte men het meest ’t welk van den Suikerahorn [243]
komt.
[Campen Rheinbeck.]
Een weinig van Strasburg legt ene plaats Campen Rheinbeck genoemd. Het
is van de Rivier af, en wordt van vele Duitschers bewoond, die ’er ene
kerk hebben. Deze stad kan men van de Rivier niet zien.
Om twee uur na den middag begon het uit het zuiden te wayen, zo dat wy
goeden wind hadden. Wy zagen fraye akkers, wel gebouwde hoeven en
schone boomgaarden. Op den westelyken oever was het land ook enigsins
hoog, dog nog meest met hout bedekt, alleen vertoonde zig hier en daar,
dog schaarsch, ene landhoeve. De Rivier liep lynregt noordwaards, zo
dat wy ’er geen einde van zien konden. Zy was op de meeste plaatsen ene
Eng. myl breed.
De wind was ons den gantschen nagt gunstig, zo dat ik gene gelegenheid
had naar de gesteldheid des lands onderzoek te doen. Den 13. des
morgens om vyf uur waren wy, zo als men ons berigtte, maar negen Eng.
mylen van Albany. Het land was laag aan beide de oevers, en geheel byna
met hout bewassen, uitgenomen dat hier ene kleine boerdery is
aangelegd. Aan de Rivier lagen natte, met rietgras [244] bewassene
weiden, en dezen maakten verscheiden kleine Eilandtjes uit. Wy zagen
gene bergen. Wy haastten ons naar Albany en hadden aan weerskanten
meest lage landen, die egter, hoe nader wy by Albany kwamen, des te
beter bebouwd waren.
Men had hier het gebruik van hoistapels onder daken te zetten, die men
kan laten ryzen en dalen. [245] De huizen die men van tyd tot tyd zag,
waren ten dele van steen, ten dele van hout. De Rivier was zelden
breder dan een snaphaanschoot, en had verscheiden’ zandbanken, zo dat
men het vaarwater diende te kennen. Eindelyk kwamen wy ’s morgens
[Albany.] om agt uur gelukkig te Albany aan.
[Jagten.]
Alle de Jagten, die tusschen New York en Albany varen, horen in de
laatste dier plaatsen t’huis. Zy gaan zo lang het water open is
gestadig over en weer. Van Albany vervoeren zy voornamelyk planken, en
ander timmerhout, meel, erwten, en pelteryen, die men van de Wilden
koopt, of die ’er de Franschen in ’t geheim naar toe brengen. Zy keren
byna ledig terug, uitgenomen dat zy enige koopwaren, waarvan de Rum de
voornaamste is, medenemen. Deze laatste waar kunnen de Ingezetenen van
Albany niet ontberen, dewyl zy daar door de ogen der Wilden zo weten te
verblinden, dat dezen hun de pelteryen naar goeddunken schatten laten.
Deze Jagten zyn tamelyk groot, hebben goede kajuiten, zo dat men daar
zeer gemakkelyk in is. Zy zyn gemeenlyk van rood cederen, of van wit
eiken hout. Dikwyls is de bodem van witten eik, de zyden van roden
ceder, omdat het laatste hout veel langer onverrot blyft dan het eiken.
Dog dewyl het cederen hout ligt barst als het ergens tegens sloot, en
de Hudson op vele plaatsen vol is van zandbanken en klippen, waarop de
kiel somtyds raakt, zo kiest men liefst eikenhout voor den bodem, dewyl
het weker is en niet zo ligt splyt. En daar de kiel onder water is
staat zy niet zeer bloot aan verrotting.
[Kanoos.]
De Kanoos, die deze Jagten by zig hebben, zyn uit een enkeld stuk houts
gemaakt, dat uitgehold is. Zy zyn van voren en van agteren puntig,
dikwyls drie of vier vadem lang, en zo breed als de dikte van den stam
het toeliet. De roeyers zitten niet onder ’t roeyen, maar voor en agter
staat een man met ene korte riem in de hand, waarmede zy het vaartuig
doen voortgaan. Ieder jagt heeft ’er twee. De Kanoos die te Albany
gemaakt worden zyn meest van wit dennenhout. Zy kunnen agt of twaalf
jaren duren, vooral als zy van buiten met een mengsel van teer, vet en
verw bestreken zyn. Te Albany heeft men geen ander hout dat ’er goed
toe is dan het witte dennenhout; maar te New York maakt men ze uit rood
cederen hout. Gemeenlyk zyn ’er gene banken in, maar men moet op den
grond zitten, want als ’er banken in waren zoude men in gevaar zyn van
omteslaan, indien men het evenwigt niet wel bewaarde.
[Battoes.]
Battoes [246] noemden de Engelschen een ander soort van schuiten, die
men in Albany veel gebruikt. Zy zyn van witte dennen of vuren planken
gemaakt. De bodem is plat, om des te beter over ondieptens
voorttekomen; de einden zyn puntig en wat hoger als in het midden. Men
zit ’er in, en roeit ze gelyk wy onze boten doen. Zy zyn vry lang,
somtyds drie en somtyds vier vadem. Het boord is altyd loodregt, en van
twintig duim tot twee voet hoog, en de breedte in het midden is omtrent
twee ellen. Men bedient zig hier van dezelven voornamelyk om koopwaren
naar de Wilden te voeren, in geval de stromen vaarbaar genoeg zyn, en
men de schuiten niet een stuk wegs over land dragen moet, want de
schuiten die uit den bast van bomen gemaakt zyn barsten te ligt als zy
stoten, en de Kanoos laden niet veel en slaan te ligt om. Ik zag hier
genen van dat soort van schuiten als men gewoonlyk in Europa gebruikt.
[Koude.]