Men vindt hier in de zware bosschen vele Herten. Zy schynen van het

zelve soort te zyn als onze Europischen. Een Engelschman had ’er een

dat tam was. Het is opmerkelyk dat zo wild deze dieren ook in de

bosschen zyn, daar zy zig voornamelyk in de Cedermoerassen ophouden,

zy, als men ze jong krygt, zo mak worden, dat zy zelfs by onbekende

menschen komen. De makke hinde die ik zag was donker bruin, uitgenomen

van onder op den buik en op ’t onderste van den staart, daar zy wit

was. De oren waren grauw. De snoet was smal. Voor ’t overige was het

gehele lichaam bevallig. De hairen waren digt dog kort. De staart kwam

omtrent tot het gewrigt van de knie. Aan het gewrigt der beide

agtervoeten zat binnenwaards een knobbel. Zy had een schelletje om den

hals, op dat men ze in de bosschen voor ene makke kennen en niet

schieten zoude. Zy liep overal heen waar zy wilde, en kon over de

hoogste heiningen springen, zo dat men haar niet wel zou hebben kunnen

opsluiten. Somtyds liep zy ver het bosch in, en bleef wel enen nagt of

twee uit, dog kwam naderhand weder, gelyk ander vee, te huis. Als zy

uit het bosch weder kwam wierd zy somwylen van wilde herten vergezeld,

vooral in den bronstyd; zo dat de eigenaar door haar gelegenheid kreeg

van digt by zyn huis verscheiden wilde bokken menen te schieten. Nu was

zy met jong. Zy had enen sterken reuk, zag haar dikwyls den kop om hoog

in den wind houden en naar den kant keren van waar de wind kwam, schoon

men nog niemant op den weg vernam, en de menschen eerst een uur later

te voorschyn kwamen. Zodra de wilde Herten menschen ruiken, gaan zy aan

’t lopen. In den winter wierd zy met hoi en koorn gevoed; dog des

zomers ging zy in het bosch den kost zoeken, en at gras en andere

kruiden. De man, wien zy toekwam en die ’er meerder mak gemaakt had,

zeide dat hy de hinden te Philadelphia verkoft, van waar zy als iets

zeldzaams naar andere plaatsen verzonden werden. Hy had voor het stuk

vyfentwintig, dertig, tot veertig schellingen toe, naar dat hy enen

koper vond, gekregen. De wilde Herten aten des zomers gras en andere

kruiden, dog des winters, als zulks niet te vinden is, de toppen der

takken. Reeds heb ik aangemerkt dat zy zonder gevaar van den Lepelboom

eten kunnen. In den langen en harden winter, die van den 19. December

1740. tot den 13. Maart 1741. O. S. duurde, waarin ook zeer veel sneuw

viel, vond men op vele plaatsen de Herten in de sneuw dood leggen,

vooral meer binnenlands waar de sneuw dieper lag. Of dit nu kwam om dat

zy niet uit de diepe sneuw hadden weten te komen, of van de koude, of

by gebrek van voeder, weet men niet. Zo verhalen ook oude lieden, dat,

toen hier in ’t jaar 1705. die zware en buitengewone sneuw viel die in

de Almanakken van dit Land als iets zonderlings aangetekend staat, en

die meer dan anderhalve Zweedsche el diep lag, ’er ene zeer grote

menigte Herten werden dood gevonden, dewyl zy door de diepe sneuw niet

door konden. Ook vond men toen vele vogels dood leggen. Te Matsong kwam

een Hert by het vee in den stal, at mede van het hoi, en was zo door

den honger benauwd, dat het tam wierd en niet weder weg liep. Het bleef

sedert, even als een huisdier, by het huis. Alle bejaarde lieden

getuigden dat ’er in hunne kindschheid hier veel meer Herten dan nu

voor handen waren. Het was toen niet zeldzaam ’er dertig of veertig by

malkander te zien. De reden van deze vermindering is de groter

bevolking van het Land. Dog verder landwaards in, waar nog zware

bosschen en woestenyen zyn, vindt men ’er nog veel. Onder de vyanden

der Herten zyn de Lynxen, [232] die men hier vindt, en de zelven zyn

als de Zweedsche Wolflynxen. Dezen klouteren op enen boom, en als ’er

een Hert onder heen komt, springen zy ’er op, houden zig ’er wel op

vast, byten het een gat in ’t lyf, zuigen ’er het bloed uit, en

verlaten het niet voor dat zy het omgebragt hebben.

[Gaten in den grond.]

Men zag verscheiden’ holen in den grond, zo wel op hoogtens als op

velden en braaklanden. Zy waren rond, en merendeels zo groot dat men

’er een vinger of den duim in steken kon. Zy liepen meest loodregt in

de aarde, en waren ten dele van Mistkevers, ten dele van grote

Aardwormen. Daar de paarden hunne mist hadden laten vallen, al was het

zelfs op enen harden grond, hadden de Mistkevers daar onder diepe gaten

gemaakt, zo dat ’er een grote hoop aarde nevens lag. Van deze gaten

bedienden zig naderhand andere Insekten, als krekels en anderen, want,

als men enigen van deze holen opgroef, vond men ’er gemeenlyk een of

meerder jongen van deze Insekten in, die nog niet volkomen hunne regte

gestalte bekomen hadden.

[Vertrek van Rakoon.]

Den 19. Mai des morgens verliet ik Rakoon, om myne reis noordwaards te

vervolgen. In ’t eerst was myn oogmerk al in April op reis te gaan, dog

ik vond dat om meer dan ene reden onraadzaam. Daar waren toen nog gene

bladeren aan de bomen, en nauwlyks vertoonden zig enige bloeisems. Ik

wist niet wat gewassen hier in de lente voortkwamen, want die planten

welken in den herfst zig vertonen zyn geheel onderscheiden van die de

lente oplevert. Van de Zweden had ik dezen winter wel het gebruik, zo

in het Huishouden als in de Geneeskonst, van vele planten vernomen,

welken zy onbekende namen gaven, dog zy konden ze my niet wyzen, alzo

zy nog niet voortgekomen waren. En uit hunne gebrekkelyke beschryvingen

kon ik zelfs niet raden welke planten en kruiden zy meenden. Indien ik

dan zo vroeg vertrokken was, zoude ik van dat alles niets behoorlyk

geweten hebben. Om deze reden agtte ik het beter myn vertrek wat

uittestellen, te meer dewyl ik tyds genoeg had om myne reis naar ’t

Noorden aantenemen.

[Zwarte Slangen.]

Nevens den weg lag ene van die Slangen welken Zwarte Slangen geheten

worden. [233] Wy sloegen ze dood, en vonden ze drie Zweedsche ellen

lang. Dit is de gemene grootte der volwassenen; dog zy zyn zeer dun. De

dikste die ik gezien heb was op de dikste plaats van haar lichaam

nauwlyks drie duimen. De slang is van boven zwart, waarom zy Zwarte

Slang geheten wordt, glad en glinsterend; de buik is witagtig trekkende

naar het blauwe, insgelyks glinsterend en glad. Onder de kin is de

Slang wit en ook glad. Daar kunnen wel verscheidenheden van zyn. Ene,

zynde negentien duim lang, had honderdzesentagtig buik- [234] en

tweeënnegentig halve staartschilden. [235] Ene andere van negentien

duim had honderdvierentagtig schilden op den buik, en maar vierenzestig

halve schilden op den staart. Misschien is deze voorheen wel een deel

van den staart kwyt geraakt, en het eind weder geheeld. [236].

[Talrykheid.]

Het Land is hier vol van deze Zwarte Slangen. Zy behoren tot dat soort

’t welk in de lente te voorschyn komt, en zig al vroeg vertoont als het

warm wordt. Dog als ’er dan ene koude invalt zo bevriezen zy zodanig

dat zy geheel styf worden, en zo op de aarde, en somtyds wel op het ys,

leggen blyven. Men heeft ze in dezen staat wel voor het vuur gelegd

daar zy dan na enigen tyd weder bykwamen. Het is wel gebeurd dat zy om

nieuwe jaar, als men dan enige warme dagen had, te voorschyn kwamen,

dog gemeenlyk is haar dit noodlottig. De gewone tyd van hare

verschyning is het einde van Maart.

[Gezwindheid.]

Deze Slang is de gezwindste van allen die men hier vindt, want zy loopt

zo schielyk voort dat een hond ze nauwlyks kan inhalen. Dus is het een

mensch, dat zy vervolgt, onmogelyk haar te ontkomen. Dog een geluk is

het dat hare beet nog vergiftig nog gevaarlyk is. Vele menschen zyn van

haar gebeten geworden, die ’er geen zwaarder ongemak van gehad hebben

dan indien zy zig met een mes hadden gekwetst. De wonde blyft maar

enigen tyd pynlyk. Zy doet geen kwaad dan in de lente, wanneer zy

paart. Als men ze dan enigsins verhindert, wordt zy toornig, en

vervolgt de menschen uit alle hare kragten. Ontmoet zy dan iemant die

bang voor haar is, zo brengt zy hem in grote verlegenheid. Ik heb ’er

gekend die by zulk ene gelegenheid zig geheel buiten adem gelopen

hadden, alzo de Slang hen, gelyk een pyl, had nagezet. Dog heeft men

moeds genoeg zig met enen stok te weer te stellen, zo zal zy zelve ligt

de vlugt nemen. Somwylen egter is zy zo stout dat zy op een mensch

aanvalt en niet eerder wykt voor dat zy enen goeden slag gekregen

heeft. Men verzekert in ’t algemeen dat als zy iemant inhaalt die voor

haar lopen gaat, zy zig om zyne benen slingert, zo dat hy niet meer

lopen kan maar vallen moet, waar na zy hem enige malen in het been of

elders anders byt, en dan haren weg vervolgt. Ik zal hier twee

vertellingen invoegen die dit bevestigen. Dr. Colden berigtte my, toen

ik te New York was, dat hy in de lente van 1748. op zyn Landgoed

verscheiden arbeidslieden gehad had, waaronder een was die onlangs uit

Europa was overgekomen, en dus niet veel van de eigenschappen dezer

Slang wist. De anderen, ene grote Zwarte Slang bezig ziende met te

paren, hadden den nieuweling overgehaald om ’er naartoe te gaan en ze

te doden. Deze wilde dit ook doen; dog zodra hy by de Slangen kwam,

zagen zy hem, en het mannetje, vertoornd van in zyn vermaak gestoord te

worden, vloog als een pyl op den man aan. Deze, nietminder dan zulk ene

moedigheid van de Slang verwagtende, verschrikte zodanig dat hy den

stok wegsmeet, en uit al zyn magt het op den loop zette. De Slang

vervolgde hem, haalde hem in, wond zig om zyne benen, zo dat de man ter

aarde viel, en byna van schrik zyn verstand verloor. Hy geraakte niet

eerder van de Slang los, voor dat hy ten laatsten het besluit genomen

had van zyn mes te nemen, en ze op twee of drie plaatsen doortesnyden.

De anderen zagen dit spel al lacchende aan, zonder hem te hulp te

komen. Te Albany wierd my van verscheiden lieden een voorval verhaald,

dat ener jonge Juffrouw gebeurd was, die des zomers met enige andere

meisjes buiten de Stad ging wandelen, en enen zwarten slaaf by zig had.

Zy was wat op den grond gaan zitten, terwyl de anderen heromliepen,

toen ’er ene Zwarte Slang, in hare liefkozingen gestoord, op haar af

kwam, haar onder de rokken kroop, zig om haar lyf sloeg, zo dat zy, en

uit schrik en door het klemmen van de Slang om haar lichaam, ter aarde

viel en buiten westen geraakte. De slaaf loopt toe, en haar indien

toestand ziende, zo ligt hy, misschien vermoedende wat ’er gebeurd was,

of misschien om een middel te gebruiken, het welk sommigen aanwenden

ten einde een mensch dat in onmagt legt weder tot zig te brengen, hare

rokken op, en vond daar ene Slang, die zig om het lyf zyner Juffrouw zo

digt als mogelyk was geslingerd had. Hy was niet in staat de Slang los

te krygen zonder ze doortesnyden, waarop het meisje weer by zig zelve

kwam. Dog dewyl de slaaf haar by die gelegenheid van zo naby bekeken

had, konde zy hem in ’t vervolg niet meer voor hare ogen dulden, en

verviel in ene uitterende ziekte, waaraan zy overleed. Op andere tyden

van het jaar is de Slang meer geneigd om weg te lopen dan om op de

menschen los te gaan. Dog egter zeiden velen dat zy ook nog diep in den

zomer, en als zy niet meer in haren tyd is om te paren, menschen en

vooral kinderen die bang zyn, en die zy ziet dat voor haar gaan lopen,

zal nazetten. Zelfs zeiden velen ondervonden te hebben, dat men ze

bewegen kan om iemant natelopen, met namelyk haar te goyen, en ’t dan

op een lopen te zetten. Ik kan dit niet wel in twyffel trekken, daar zo

vele geloofwaardige lieden het my getuigden; dog my heeft het noit

willen gelukken, schoon ik het altyd, als ik ’er gelegenheid toe had,

beproefd heb. Of zy my voor enen arglistigen bedrieger aangezien heeft,

of wat anders hiervan de oorzaak geweest is, weet ik niet. Maar zy ging

altyd voor my mee alle magt, gelyk een pyl, op de vlugt.

[Toverkragt.]

Men schreef hier te lande dezer Slange in ’t algemeen het vermogen toe

van vogels en eekhoorns te betoveren, gelyk ik reeds aangemerkt heb. Ik

weet niet wat ik hiervan denken zal. Zelf heb ik het noit gezien, dog

ik heb meer dan twintig menschen, en onder dezen zeer geloofwaardige

lieden, de zaak als uit enen mond, schoon zy zelfs op ver van malkander

gelegen plaatsen woonagtig waren, horen getuigen. Zy verzekerden my op

hunne eer dat zy het met eigen ogen gezien hadden, en sommigen was dit

zelfs meer dan eens gebeurd. Maar men moet aanmerken dat ’er ene grote

menigte vogels en eekhoorns zig in de bosschen onthouden waar de

Slangen zyn, dus het dezen niet bezwaarlyk valt enen van dezelven enen

dodelyken hap te geven, waarvan zy niet ten eersten sterven, en dat de

Slang onder den boom, waarop het diertje zyne toevlugt genomen heeft,

blyft wagten, tot dat het of van het vergift of van de pynen door de

beet veroorzaakt gedwongen worde nader by haar te komen. Hot benauwde

geschreuw, dat de vogel of de eekhoorn maakt, kan door het vergift of

de pyn veroorzaakt worden. Dog hiertegen zoude men kunnen inbrengen,

dat de beet der Zwarte Slang niet vergiftig is, en dat als de Slang zo

ver gekomen was van een dier te byten zy het ligt zou kunnen vasthouden

zonder het op enen boom te laten ontkomen, of anders zou zy volgens

hare gewoonte zig schielyk om het zelve kunnen slingeren, en het, gelyk

zy somtyds wel met de hoenders leeft, dooddrukken of verstikken. Dog

het voomaamste dat tegen de zo even opgegevene verklaring wordt

ingebragt is, dat die geloofwaardige lieden, van de welken ik dit

verhaal ontvangen heb, allen heilig verklaarden, dat wanneer men, zo

als de arme vogel of eekhoorn op het punt stond van zig in den mond

zyns vyands te moeten smyten, de Slang onverwagt dood sloeg, met een

het nare gejammer van het betoverde diertje ophield, en de vogel, als

ware hy uit een net ontsnapt, weg vloog. Enigen zeiden, dat wanneer de

Slang maar een ogenblik genoodzaakt wordt hare ogen van den vogel of

den eekhoorn aftekeren, het dier in vryheid geraakt, en weg vlugt.

Waarom doen zy dit nu op dat tydstip en niet eerder? Waren zy reeds van

te voren door de Slang vergiftigd of gewond, hoe konde het doden der

Slang zelf hen van het vergift of de gekregene wonde verlossen? [237]

Het schynt dan dat de op het dier gevestigde ogen der Slang het als

betoverd of gekluisterd houden. Dog het ene en andere moet ongerymd en

onbegrypelyk schynen, schoon het van vele zeer geloofwaardige lieden

bevestigd, en hier te lande zo algemeen geloofd wordt, dat men zig

zoude doen uitlacchen indien men ’er enigen twyffel omtrent tonen

wilde. Ik late anderen deze zaak nauwkeuriger uitpluizen.

De Slang byt de kleine vorschen doodt en verslindt ze. Wanneer zy

vogeleyeren vindt, maakt zy ’er een gat in, en zuigt die uit. Als de

hennen op de eyeren zitten, en zy in ’t nest komt, windt zy zig om

derzelver lyf, en drukt ze dood, waarna zy de eyeren ledigt. De Heer

Bartram had deze Slang zeer dikwyls op de hoogste bomen zien kruipen,

om naar eyeren te zoeken, en als zy weder uit den boom afkwam ging zy

altyd met den kop voor aan naar beneden. Een Zweed verhaalde my dat hy

eens ene dezer Slangen gezien had, die den kop van ene kip geheel in

haren bek genomen en zig in een ogenblik om haar lyf geslingerd had, zo

dat zy ze zoude dood gedrukt hebben, was hy de hen niet te hulpe

gekomen met de Slang te doden. Het hoen was naderhand weder volkomen

frisch en gezond.

Van melk houdt deze slang zeer veel, zo dat, als zy eens den weg naar

enen melkkelder gevonden heeft, het bezwaarlyk is ze daaruit te weren.

Men had gezien, gelyk verhaald wierd, dat zy met de kinderen de melk

uit het zelve kommetje gegeten had, zonder de kinderen te byten, schoon

die haar met de lepel op den kop sloegen als zy te gulzig was. Ik heb

ze noit horen piepen. Zy weet zig meer als op de helft van haar lichaam

om hoog opteregten, om herom te zien. Zy verwisselt jaarlyks van vel,

het welk men voor zeer goed tegens de kramp houdt, als men het altyd

aan het lyf draagt.

De Rogge begon thans te bloeyen.

[Verscheidenheid van gewassen op kleine afstanden van malkander, en van

aarde.]

Ik heb dikwyls op myne reis met verwondering gezien welk een

onderscheid ’er is tusschen de planten en de aarde van de ene zyde ener

beek en die welken op de andere zyde derzelver beek gevonden worden,

somtyds zelfs al is die beek niet groter dan dat men ’er over huppelen

kan. Dit deed my telkens als ik ene wat grote beek of rivier ontmoette

verwagten nieuwe planten te zien. De zaden kunnen met den stroom van

verre af zyn nedergevoerd. Ook was zelfs de aarde niet zelden van ene

geheel andere natuur dan aan de overzyde ener beek, zo dat zy aan de

ene zyde dikwyls zeer vet en vrugtbaar, en aan de andere dor en mager

is. Ene rivier kan een nog groter onderscheid maken. Zo zien wy wat een

onderscheid ’er is tusschen New Jersey en Pensylvanie, twee

landschappen alleen maar door de Dellaware van malkander gescheiden. In

Pensylvanie bestaat de grond uit ene losse aarde, met zand en klei

vermengd, die zeer vrugtbaar is; in New Jersey vindt men meest enen

drogen, zandigen, en, enige plaatsen alleenlyk uitgenomen, onvrugtbaren

grond. Zelden treft men daar stenen, veel minder nog bergen aan. In

Pensylvanie ziet men zelden enen Dennenboom; in New Jersey vindt men

’er gantsche bosschen van.

[Philadelphia.]

Des avonds kwam ik te Philadelphia aan.

[Krekels.]

Den 22. Mai begonnen de by de Engelschen zo genaamde Locusts, een soort

van Krekels, voor den dag te komen. Zodra hunne vleugels droog waren

vingen zy hun gezang aan, zo dat men in de bosschen meende zyn gehoor

te zullen verliezen. Dit jaar was ’er ene schrikkelyke menigte van. In

de verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy voor het jaar 1756.

heb ik een omstandig narigt van hunne eigenschappen en levenswys

gegeven, werwaards ik den Lezer wyze.

[De Tulpenboom.]

De Tulpenboom stond den 25. Mai in vollen bloei. Het was zeer aangenaam

bomen zo zwaar als onze Eiken met bloemen bedekt te zien die onzen

Tulpen zeer veel geleken, schoon de reuk niet zeer lieflyk was.

[Kevers.]

Een hoornloze olyfkleurige Kever, hebbende de randen en de naden der

deksels van de vleugels zwart, en het lyf bruin, zat op de bloemen van

den Tulpenboom, Ik kon niet te weten komen of zy het zaadmeel der

bloemen verzamelden dan of zy daar om te paren waren. Dieper in den

zomer, als de Moerbezien ryp waren, zag ik dezen Kever diepe gaten in

dezelven maken, ’t zy om ze te eten, ’t zy om ’er eyeren in te leggen.

Ook vond men naderhand dat zy veelvuldig op de bladeren der Magnolia

glauca zaten.

[Vrugten.]

De Aardbezien waren thans op de hoogtens ryp, en het Landvolk bragt de

Karssen al volkomen goed in de Stad, egter waren ze nog niet

overvloedig. Hieruit kan men evenwel van de Lugtstreek des Lands

oordelen.

[Een Travado.]

Den 26. Mai had men hier enen storm, Travado of Travat gewoonlyk

genoemd. Des avonds om tien uren, zynde de lugt zeer klaar, kwam ’er

uit het Zuidwesten ene zwarte wolk met een zeker gesuis. Anders werd

’er geen wind bespeurd. Wy konden egter de aankomst van deze wolk uit

het gesuis en het geraas dat de bomen maakten, en het welk hoe langer

hoe nader by kwam, van verre bespeuren. Toen zy by ons kwam brak ’er

een geweldige storm uit, die, in de streek waarin hy voortging, zware

heiningen omver wierp, ze een goed stuks wegs met zig voerde, en zware

bomen ter neder smeet. Daarop volgde een tamelyk sterke regen, waardoor

de storm verdween, en alles weder, stil wierd. Zulke Travado’s komen

hier dikwyls des zomers en brengen dit voordeel aan dat zy de lugt zeer

bekoelen. Dog egter doen zy ook grote schade. Merendeels worden zy van

zwaren donder en blixem vergezeld. Zodra als het onweder voorby is

wordt de lugt weder zo helder als van te voren.

[De Beverboom.]

De Magnolia glauca stond den 28. Mai in vollen bloei. De bloemen gaven

enen lieflyken geur van zig, die des avonds vooral in de bosschen den

reiziger of wandelaar zeer verkwikte. Toen wat later de wilde

wyngaarden bloeiden was derzelver reuk niet minder aangenaam. Nog waren

’er verscheiden’ andere bloemen die de lugt met hare lieflyke

uitwaassemingen vervulden.

[De Kalmia.]

De Smalbladerige Kalmia bloeide thans meest overal. Zy wast gemeenlyk

op zandige heiden, of andere magere gronden, waar weinig gewassen voort

willen. In Pensylvanie, maar nog meer in New Jersey en in New York, is

zy tamelyk gemeen, dog minder in Kanada. Zy blyft den winter over

groen. Zy versiert als zy in bloei staat het kreupelbosch niet weinig.

De bloemen zyn van een schoon purper, dog onder in hebben zy eenen

kring van donker purper, en binnen in dien kring is de bloem ligt

grauw. De bloemen zitten in bosjes rondom den steel gelyk als kronen,

zo dat ’er de steel als ene opgeschikte piramide uitziet. De Engelschen

noemen deze plant Dwarf Laurel. Zy is, gelyk hare Zuster de

Breedbladerige Kalmia, voor schapen en ander klein vee vergiftig. Of zy

het groter vee ook zo nadelig is kan ik niet zeggen. Buiten het vermaak

dat hare bloemen den ogen verschaffen schryft men haar geen ander nut

toe.

De Breedbladerige Kalmia stond ook in haren besten luister, en dong met

hare Zuster om den voorrang in schoonheid. Dog gene van beiden kan zig,

gelyk de Magnolia, op den lieflyken geur, dien zy geven, verheffen. Met

zulk ene spaarzaamheid en zulk een overleg deelt de alwyze Schepper

zyne gaven uit. Geen wezen ontvangt alles te gelyk, en elk ontvangt zyn

deel.

[Hernhutters.]

In Mai waren een groot getal Hernhutters uit Europa te New York

overgekomen, die twee bekeerde Groenlanders met zig bragten. De zig

hier ophoudende Broeders zonden terstonds enigen van hun uit om ze te

verwelkomen. Onder dezen waren twee bekeerden uit de Wilden in Noord

Amerika, en twee die van Suriname gekomen waren. Deze drie soorten van

uit de Heidenen bekeerde Hernhutters bevonden zig t’zamen te New York.

Ik zelf had gene gelegenheid ze te zien; dog zulken die ze gezien

hadden meenden zeer duidelyk opgemerkt te hebben, dat deze drie

onderscheiden’ volken, uit hoe verre van malkander gelegen’ oorden zy

ook gekomen waren, nogthans in wezenstrekken en gestalte zeer veel naar

malkander geleken, alleen waren de Groenlanders wat kleinder. En

hieruit wilden zy opmaken, dat deze drie volken van den zelven

stamvader uit Noach’s geslagt voortgekomen waren. Hoe ver hunne mening

gegrond was kan ik niet zeggen.

[Karssen.]

Den 30. Mai waren de rype Karssen al vry gemeen en goedkoop.

[Jams.]

Jams is de naam van een soort van wortelen, die men in de warmste delen

van Amerika sterk teelt om ze te eten, gelyk men hier met de Potatoes

doet. Ik proefde ze dien dag het eerst aan het huis van den Heer

Franklin. Men had nog niet beproefd ze hier te planten, dog zy waren

uit de West Indien gekomen, en dus zyn zy hier iets zeldzaams. Zy zyn

wit, en smaken byna als de Potatoes, dog kwalyk zo wel, zo dat ik het

der moeite niet waardig agten zoude ze hier te poten, als zy al wilden

voortkomen. Dit is de Dioscorea alata.

[Kaas.]

Men maakt hier veel Kaas, dog zo goed niet als in Engeland, hoewel

sommigen van oordeel zyn dat de Pensylvanische Kaas oud geworden zynde

de Engelsche niet wyken zoude. Ook kwam het my voor dat verscheiden’

soorten van Kaas hier te lande gemaakt al zo goed als de Engelschen

waren. Een man van Boston in Nieuw Engeland berigtte dat sommigen daar

uitmuntende Kaas wisten te maken, en dat hun geheim daarin bestond van

zorg te dragen dat de koeyen op gene landen weiden waar het water brak

is, want in dat geval zou de kaas zo goed niet zyn. Dog dit vereischt

nader onderzoek.

[Vertrek van Philadelphia.]

Den 31. omtrent den middag nam ik de reis van Philadelphia in een klein

Jagt aan, dat gestadig als de Dellaware open is tusschen Philadelphia

en Trenton heen en weder vaart. Wy zeilden den stroom met schoon weder

en goeden wind op. Wy zagen enige Steuren van tyd tot tyd wel enen

vadem hoog uit het water opspringen. Dit duurde tot dat wy digt by

Trenton waren, daar wy de Dellaware verlieten. Het land was aan de zyde

van Pensylvanie laag, dog op die van New Jersey was het wat verhevener,

zynde de zandige oever steil dog niet zeer hoog. Aan beide de zyden zag

men hoog geboomte, welks bladen ’s winters afvallen.

[Het weder.]

Het weder was gedurende de gantsche maand van Mai, als het niet

regende, zo gesteld, dat het des voormiddags stil was, en ’s namiddags

een weinig, en somtyds wat sterker, begon te wayen. Ook was het des

voormiddags helder, dog na den middag betrok de lugt gemeenlyk een

weinig dog zonder regen.

[De oevers.]

De oever der Rivier was nu hoog dan laag. Hier en daar zag men in de

bosschen enige kleine huizen, en nu en dan een enkeld matig stenen

huis. De Rivier werd hoe langer hoe smalder. Om drie uren na den middag

zeilden wy Burlington voorby.

[Burlington.]

Reis door Noord Amerika · 第 27 / 50 段