Sommige jaren zyn zy talryker dan anderen. Men wist niet te zeggen of

de slangen oit dit soort van Kikvorschen eten, gelyk zy alle de

kleindere soorten doen. Zy verslinden jonge ganzen en endvogels, en

halen ook wel kiekens weg, die te digt by ’t water komen. Ik heb niet

gemerkt dat zy byten als men ze in de hand houdt, schoon zy kleine

tandtjes hebben; als men ze slaat schreyen zy gelyk kleine kinderen.

Men verhaalde my dat sommige lieden de agterbouten dezer Kikkers eten,

en dat dit ene smakelyke spys is.

[Witte Jeneverboom.]

De Witte Jeneverboom, gelyk hem de Zweden noemen, wast in de poelen

hier en in andere gewesten van Amerika. Zyn stam ziet ’er uit als die

van onze zwarte Jeneverbomen, dog de bladen zyn anders. De Engelschen

noemen hem den Witten Ceder, om dat de planken die ’er van komen naar

die van den Ceder gelyken. Dog de boom hoort eigenlyk tot het soort der

Cypressen, [228] zo dat nog de Zweedsche nog de Engelsche naam de regte

is. Hy groeit altyd in natte gronden, dus is het moeilyk by hem te

komen, zynde de grond tusschen de kleine heuveltjes gemeenlyk onder

water. De boom wast zo wel op die heuveltjes als in het water. Zy staan

digt by malkander, worden hoog en hebben regte stammen. Dog men heeft

hun getal sterk verminderd. Daar men ze laat groeyen worden zy als de

grootste dennen; zy bewaren hun groen in den winter. De zwaarsten

hebben gene takken om laag. De poelen waarin zy wassen heten by de

Engelschen Ceder Swamps. Dezen zyn talryk in New Jersey, en in sommige

gedeeltens van Pensylvanie en New York. De noordelykste plaats daar men

hem tot nog toe gevonden heeft is by Goshen in New York, 41. gr. 25.

min. N. gelyk ik van Dr. Colden gehoord heb. Meer noordwaards wast hy

niet in ’t wild. Hy is een van die bomen die ’t meest der verrottinge

wederstaan, en hy blyft langer goed boven dan onder de aarde. Om deze

reden gebruikt men hem tot verscheiden’ eindens, als tot heiningen en

palen, dog daartoe is egter de Rode Ceder beter. Voor Kanoos is hy

goed. De jonge bomen worden gebruikt tot hoepels om tonnen en vaten, de

zwaren tot timmerhout. Ook bouwt men ’er huizen van, die langer duren

dan die van Amerikaansch Eikenhout getimmerd zyn. Vele huizen te

Rapaapo waren van dit hout; dog het best dat ’er van gemaakt wordt zyn

berden voor de daken, die men voor de besten van allen houdt, om dat zy

’t duurzaamst zyn, uitgenomen alleen die uit het Rode Cederhout, en om

dat zy zeer ligt zyn, zo dat ’er gene zware sparren gevorderd worden,

om het dak te schragen. Om deze reden behoeven de muren ook niet zwaar

te wezen. By brand is ’er ook geen groot gevaar van het vallen dezer

berden te vrezen, dewyl zy zo ligt zyn; ook zuigen zy het water in,

zynde zy zeer sponsagtig, zo dat de daken in zulk een geval ligt kunnen

nat gemaakt worden; egter belet hunne vettigheid dat het water ze zoude

bederven. Als zy in brand staan, en de wind de brokken voortjaagt,

vallen zy byna als dove kolen neder, en verspreiden den brand niet ligt

verder. Ook kan men des noods zulke daken gemakkelyk doorhouwen. Om

deze hoedanigheden houdt men veel van dit hout voor de daken, als men

het krygen kan. Dit maakt dat alle de kerken en de huizen der best

gestelde borgers daken van berden hebben. In New York wast wel dit hout

niet, dog men laat het veel van andere plaatsen komen. Velen van deze

berden worden ten dien einde jaarlyks van Eggharbour en andere plaatsen

van New Jersey naar de Stad New York uitgevoerd, van waar zy het

gantsche gewest over worden gezonden. Ook worden ’er velen naar de West

Indien gebragt. Dus arbeidt men hier met alle magt om niet alleen deze

bomen te verminderen, maar zelfs om ze geheel uitteroeyen. Men denkt

hier, vooral omtrent het hout, maar om het tegenwoordige, en geensins

om de nakomelingschap. Dit is de oorzaak dat vele Cederswamps geheel

van grote bomen ontbloot zyn, en dat men ’er maar enige weinige kleine

boompjes in vindt, en ik heb opgemerkt, door het tellen van de

houtkringen, dat zy niet schielyk groeyen, en enen langen tyd nodig

hebben eer zy voor timmerhout dienen kunnen. ’T is bekend dat een boom

ieder jaar een kring krygt; een stam van agttien duim in de middellyn

had honderd en agt kringen aan zyn dikker eind; een ander van twee voet

in ’t kruis had honderd twee en veertig kringen. Dus worden ’er tagtig

jaren groeyens vereischt eer een van deze bomen, uit een zaad gefokt,

bekwaam is tot timmerhout. Onder de voordelen die deze Witte Cederen

berden boven anderen hebben, rekent men hunne lugtigheid; dog deze

hoedanigheid zou met den tyd wel nadelig voor Philadelphia en andere

plaatsen kunnen worden. Ik heb de dikte der muren van verscheiden

huizen gemeten die drie verdiepingen hoog waren, behalven de kelders en

de zolders, en vond ze meest negen en enen halven of tien duimen dik;

en dus is het geen wonder dat by geweldige orkanen de gevels van vele

stenen huizen door den wind geschud worden, vooral die wat bloot staan.

En dewyl deze bomen haast zullen ontbreken, en men genoodzaakt wezen

zal zwaarder stoffen tot het maken van daken te gebruiken, zullen die

zwakke muren, die nu genoegzaam den last van het dak dragen kunnen,

niet meer voldoen, en instorten, of moeten onderstut worden, of men zal

genoodzaakt zyn ze geheel aftebreken. Sommigen gebruiken de spaanders

van dit hout als thee, en verzekerden my dat deze thee veel gezonder

was dan enige andere. Alle de Ingezetenen hier waren van gedagte dat

het water in de Cederswamps gezonder om te drinken is dan enig ander;

het verwekt enen groten eetlust, het welk men tragtte met verscheiden’

voorbeelden te bewyzen. Men schryft deze eigenschappen ten dele aan het

water zelf toe, het welk door den harst van den boom bezwangerd wordt,

en ten dele aan de uitwaassemingen van den boom, die zig door den reuk

doen vernemen. Ook dagt men dat de geelagtige kleur van het water, dat

tusschen de bomen in staat, van den harst der bomen komt, die uit de

wortels uitsypert. Ook kwamen zy allen hierin overeen, dat dit water

altyd zeer koud is zelfs in ’t heetste van den zomer, het welk

gedeeltelyk schynt te komen van de schaduw die de bomen maken. Ik kende

verscheiden’ lieden die voornemens waren naar deze moerassen te gaan,

om het water, ter herstelling van hunnen eetlust, te gebruiken. De Heer

Bartram plantte enen witten Ceder in enen drogen grond, dog hy wilde

daar niet slagen. Hy zettede hem toen in ene moerassige aarde, waar hy

scheen als te herleven en wel voort kwam, en, schoon hy niet meer dan

eens mans hoogte bereikte, was hy vol van zaadhuisjes. Ene zaak is nog

ten opzigte van dezen boom merkwaardig. De Heer Bartram had twee jaren

in de lente zyne takken afgesneden en ze in de natte aarde gestoken,

waar zy wortelen geschoten hadden en voortgekomen waren. Ik heb dit met

myne ogen gezien.

[Rode Jeneverboom.]

De Rode Jeneverboom der Zweden, dog by de Engelschen en Franschen Rode

Ceder geheten, is een boom daar ik al dikwyls van gewaagd heb. De

Zweedsche naam is de eigenlykste, aangezien de boom tot het geslagt der

Jeneverbomen behoort. [229] Als hy eerst begint te wassen gelykt hy

veel naar den Zweedschen Jeneverboom, [230] dog naderhand krygt hy

geheel andere bladen. De bes gelykt volmaaktelyk die van den Zweedschen

Jeneverboom, ten opzigte van hare kleur en gedaante, dog zy zyn zo dik

niet, schoon zy zeer hoog worden. Te Rakoon stonden deze bomen

verspreid en waren niet zeer zwaar. Dog op andere plaatsen heb ik ze op

bossen by malkander zien staan. Zy beminnen den zelven grond als de

Zweedsche Jeneverbomen; vooral vindt men ze op de schuinschtens by de

rivieren, in ene drooge en veeltyds schrale aarde. Ik heb ze

overvloedig, zo zwaar als de grootste dennen, op droge en magere heiden

zien groeyen. Naar den kant van Kanada of in de nog noordelyker delen,

waar ik ze ontmoet heb, zoeken zy de steile kanten der bergen, en

wassen daar onder de gemene Jeneverbomen. De noordelykste plaats waar

ik ze in ’t wild gevonden heb is in Kanada, agttien Fransche mylen ten

zuiden van het Fort Saint Jean, omtrent 44. gr. 30. min. N. Ook heb ik

dezen boom zeer wel zien voortkomen op het Eiland van Magdalena; [231]

behorende aan den Gouverneur van Montreal, den Baron De Longueil. Dog

hy was uit meer zuidelyke oorden derwaards overgebragt. Dit hout is

ontwyffelbaar het duurzaamste dat dit Land oplevert. Om die reden

gebruikt men het in alle gevallen waarin men voor het rotten van het

hout te vrezen heeft, vooral voor palen, die in den grond moeten

geslagen worden. Sommigen zeggen dat als een yzer nevens enen paal van

dit hout in den grond gestoken wordt, het yzer al zo schielyk door den

roest vergaan zal als de paal verrotten. Op vele plaatsen worden de

heiningen, zo wel de palen als de balken, van dit hout gemaakt. Ook

maakt men ’er de beste kanoos van, die langst duren en ligt zyn. Te New

York heb ik tamelyk zware Jagten gezien die van dit hout gebouwd waren.

Dog vele Jagten die van New York de rivier Hudson op naar Albany gaan

zyn op ene andere wys gebouwd, gelyk ik voorheen al aangetekend heb. Te

Philadelphia kan men van dit hout gene vaartuigen maken, omdat het daar

te schaarsch en niet zwaar genoeg is. Om de zelve reden gebruikt men

daar den Roden Ceder ook niet om de huizen te dekken, dog daar dit hout

gemeender is maakt men ’er zeer goede daken van. Het merg van dezen

boom is van een schoon rood, en al wat ’er van gemaakt wordt is zeer

frai en geeft enen lieflyken en gezonden reuk. Dog de kleur verbleekt

allengskens; was dit zo niet zo zoude ’er geen schoonder hout voor

schrynwerk wezen. Ik zag ene zaal ten huize van den Heer Norris, een

van de Pensylvanische Parlementsleden, zynde een Quaker, sedert vele

jaren met dit hout beschoten. Die Heer verzekerde my dat de Ceder in ’t

begin ’er zeer frai had uitgezien, dog toen ik ’er was was de kleur

geheel verbleekt, zo dat het zeer lelyk stond. Byzonderlyk had de zon

by de vensters de kleur geheel doen verschieten, zo dat men Mahogany in

de plaats had moeten nemen. Evenwel wierd my verzekerd dat het hout

zyne kleur bewaart als ’er een dun vernis wordt opgelegd wanneer het

nog nieuw, en maar kort van te voren geschaafd is, en men zorg draagt

dat het naderhand niet gestoten of gewreven worde. Ten minsten doet het

vernis de kleur langer stand houden dan anders. Om den aangenamen reuk

die het hout heeft, leggen sommigen de splinters en de krullen ’er van

tusschen het wollen goed, om het voor de motten te bewaren. Om die

zelve reden maakt men ’er ook bureaux en ander werk van. Dog deze reuk

gaat ’er van af, en dan dient het hout niet langer om het ongedierte te

weren. Somtyds wordt het naar Engeland voor timmerhout gezonden, en wel

betaald. Op de landgoederen der aanzienlykste lieden van Philadelphia

vindt men gemeenlyk ene laan van deze bomen, die van den groten weg

naar het huis gaat. De onderste takken houwt men af, en laat alleen de

kroon over. In den winter, als de meeste andere bomen hun blad kwyt

zyn, staan dezen zeer schoon. Deze boom groeit ook zeer langzaam, want

een stam van dertien duimen in ’t kruis had honderd en agtentagtig

kringen, een ander van agttien duimen had ’er ten minsten tweehonderd

en vyftig, want velen van die kringen waren zo fyn dat men ze niet

tellen konde. Deze boom wordt even als de gemene Jeneverboom

voortgeplant, te weten door middel van de vogels, die de bessen opeten

en de zaden geheel onbeschadigd kwyt raken. Ter aanmoediging van het

aantelen van dezen nuttigen boom heeft men in ’t jaar 1749. in enen

Pensylvanischen Almanak ene beschryving van de wys waarop dit het best

geschieden kan, door den Heer Bartram opgemaakt, ingelascht.

[Rakoon.]

Des avonds keerde ik naar Rakoon te rug.

De Moerbezieboom begon omstreeks den 6. Mai te bloeyen, dog zyn blad

was nog klein. Men onderscheidde deze bomen in mannelyken en

vrouwelyken, en hield die welken noit vrugt droegen voor mannelyke en

de anderen voor vrouwelyke bomen.

[Smilax laurifolia.]

De Smilax laurifolia was menigvuldig in de poelen hieromstreeks. Hare

bladeren waren nu aan ’t uitkomen, want zy laat die alle winters

vallen. Zy klimt op langs de bomen en heesters, en loopt van den enen

boom naar den anderen, zo dat zy de doorgangen sluit tusschen het

geboomte, en het zeer moeilyk maakt door de bosschen en moerassen daar

zy veel wast doortekomen. De steel is van onderen vol lange stekels, al

zo sterk als die van den rozeboom, welken aan de klederen blyven haken

en ze doen scheuren. Deze lastige plant kan een mensch, dat naar

kruiden zoekt of anders door het hout gaat, zeer in verlegenheid en in

gevaar brengen, want behalven de schade die zy aan de klederen

toebrengt, die ’er geheel door bedorven worden, zo maakt zy de bosschen

zo donker en ondoorkomelyk, dat men dikwyls op handen en voeten door de

kleine openingen die zy hier en daar laat moet doorkruipen, en in dat

geval kan men niet voorzigtig genoeg zyn om niet door ene slang,

waarvan hier te lande ene grote menigte is, in ’t aangezigt gebeten te

worden. De steel dezer plant heeft de zelve kleur als de jonge

rozebomen. Hy is geheel groen en glad tusschen de doornen in, zo dat

een onkundige de plant in den winter, wanneer zy zonder bladeren is,

voor een soort van doorn nemen zoude.

[Rupsen.]

De bomen waren den 8. Mai vol van Rupsen; waarvan een soort byzonderlyk

opmerking verdient. Dezen maakten grote witagtige webben tusschen de

takken, zo dat men ze zelfs op enigen afstand kon zien. In elk van deze

webben waren duizenden van Rupsen, die naderhand zig daaruit over de

Appelbomen verspreidden. Zy vraten de bladeren op, en lieten ’er

dikwyls niet een aan enen gehelen tak. Men verhaalde my, dat zy enige

jaren geleden zo veel schade gedaan hadden, dat de Appel- en Perebomen

nauwlyks enige vrugt voortbragten, en dat zelfs vele bomen stierven. Om

de Rupsen te vernielen staken zy een bos stroo op enen stok gestoken in

brand en hielden die onder de webben of nesten, waardoor een deel

verbrandde en de overigen op de aarde vallen moesten. Egter kropen zeer

velen van die Rupsen wederom in den boom, het welk men zoude hebben

kunnen voorkomen als men ze dood getrapt had. Ik riep de hoenders naar

zulke plaatsen waar velen van dit ongedierte kropen, dog zy wilden ze

niet eten. Ook hielden ’er de wilde vogels niet van, want de bomen

waren vol webben, schoon ene grote menigte vogeltjes in de tuinen en

boomgaarden nestelden.

De nagten bleven tot na het midden van Mai zeer donker. Een uur van

zonsondergang was het onmogelyk een boek te lezen, hoe groot ook de

druk mogt zyn. Om tien uren was het zo duister als in Zweden in de

donkerste dog starreligte nagten van den herfst. Ook kwam het my voor,

dat schoon de nagten helder waren, de starren egter zo veel ligts niet

gaven als by ons. En daar thans de meeste nagten de lugt geheel

betrokken was, konde ik ze vergelyken by de regenagtige winternagten

van Zweden. Dus was het in dit jaargety zeer bezwaarlyk van des nagts

te reizen, daar menschen nog paarden den weg vinden konden. De nagten

kwamen my, die aan de heldere Zweedsche zomernagten gewend was, hier

zeer onaangenaam voor. Wy denken dikwyls, niet beter wetende, dat

Zweden een niet zo goed land is als anderen. Zo andere gewesten hunne

voordelen hebben, heeft Zweden ook de zynen. En alles wel gewogen

zynde, zo blyft Zweden altyd een zo goed land als enig ander.

[Voordelen van Zweden boven Noord Amerika.]

Ik wil hier kortelyk aanmerken waarin ik Zweden den voorrang boven

Noord Amerika geven, en waarom ik, gelyk Ulysses zyn Itaka, het oude

Zweden boven het Nieuwe stellen zoude.

De nagten zyn hier den gehelen zomer over zeer donker, en des winters

zyn zy ruim zo duister, zo niet duisterder, dan de Zweedsche

winternagten, want men ziet hier geen Noorderligt, en de starren

schynen niet zeer helder. Het is iets buitengemeens als men eens of

tweemaal in een jaar het Noorderligt ziet. Des winters legt ’er geen

sneuw dan maar enige dagen, zo dat zy weinig toebrengt om de nagten

optehelderen, en het reizen gemakkelyk te maken. En egter is de koude

dikwyls al zo scherp als in Zweden. De smeltende sneuw veroorzaakt veel

nats. Ratelslangen, Hoornslangen, roodbuikige, groene en andere

Slangen, tegens welker beet dikwyls geen middel is, zyn hier talryk.

Voeg daar de Woudluizen by, die in de bosschen veeltyds zo menigvuldig

zyn dat men ’er niet door gaan kan, zonder vol van dat ongedierte te

raken, en dat men niet durft te gaan zitten, hoe aangenaam anders de

oord zy. Hoe lastig zy voor menschen en beesten zyn heb ik in de

Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy beschreven. Het weder is

zo onbestendig, dat als men den enen dag de hette nauwlyks verduren

kan, men den anderen over de koude klaagt. Zelfs verandert het weder

dikwyls verscheiden malen op enen dag. Dit maakt zeer vele zieken. De

hette is hier des zomers schrikkelyk, en de koude des winters somwylen

doordringend. Dog voor de koude kan men middelen gebruiken, maar tegens

de zware hette is niet veel te doen. Dikwyls is het gebeurd dat de

menschen op het veld van de hette dood zyn ter neder gevallen. Ook

heerschen hier vele ziektens, die jaarlyks toenemen. Inzonderheid

ontsnapt byna niemant aan de anderendaagsche koortsen, maar moet die,

nevens nog andere kwalen, meest ieder jaar doorstaan. Erwten kan men

hier niet telen, wegens de wormen die ze opvreten. In de Rogge en op de

karssenbomen zyn ook vele wormen. De rupsen verteren dikwyls al het

loof op het geboomte, zo dat het dikwyls gene vrugt draagt, en ’er

veeltyds van sterft. Het gras wordt ook veel van ’t gewormte vernield.

Ook doet dat ongedierte de pruimen, nog niet half ryp, afvallen. De

eikenbomen zyn ver na zo goed niet in ’t gebruik als de Europischen. De

heiningen houden ’t niet langer dan agttien jaar uit. De huizen staan

niet lang. De weilanden zyn slegt, en het hoi deugt niet veel. In de

bosschen moet het vee op kruiden azen die het niet dan in den hoogsten

nood zal aanroeren. Dikwyls kan men in grote bosschen, daar de bomen

ver uit malkander staan, nauwlyks een grasscheutje aantreffen. Dus

wordt het vee genoodzaakt den gehelen winter en zelfs al ver in den

zomer zig met jonge scheuten en takken van bomen te behelpen, daar

somtyds geen blad aan zit. Dit maakt dat het vee zo weinig melk geeft,

en jaarlyks in grootte meer en meer afneemt. De huizen deugen in den

winter niet veel. Dikwyls ontstaan ’er stormen en orkanen, die ene

menigte bomen uit den grond rukken, huizen en daken omwerpen, en vele

andere schade doen. Enigen van deze nadelen zoude men door de konst

kunnen voorkomen, dog velen kunnen in ’t geheel niet, of ten minsten

niet zonder vele moeite, verholpen worden. Zo heeft elk land zyne

voordelen en zyne ongemakken. Gelukkig hy die met het zyne kan tevreden

zyn!

[Slegte Landbouw.]

De Rogge stond meest zeer dun en slegt, het welk grotendeels van de

onagtzame wys van bouwen, en van de magerheid der akkers, die zelden of

noit gemist worden, komt. Als men een stuk lands, dat enige honderden

van jaren een woud geweest is, en daar ook gemeenlyk ene dikke

tuinaarde legt, om te bebouwen genomen heeft, zo gaat men daarmede

voort zo lang het iets dragen wil, en als het ophoudt iets

voorttebrengen laat men het onbebouwd leggen, en neemt een ander stuk

woest land, waar op nog ene vrugtbare aarde is. Zulk ene wys van

landbouw kan maar enigen tyd geoeffend worden, en zy moet voor het

toekomende zeer kwade gevolgen na zig slepen, die een ieder ligt

voorzien kan. Dog enige weinigen gingen wat beter met hun land om. De

Engelschen hebben het in den landbouw verder dan enig ander volk

gebragt. Dog de vrugtbare bovenkorst, die zy, by hunne aankomst hier te

lande, op enen grond die altyd met zwaar geboomte was bedekt geweest

vonden, heeft hen tot onagtzame akkerlieden gemaakt. Het is bekend dat

de Wilden van onheuglyke tyden af dit land bewoond hebben, en dat zy

byna geen land bebouwden, dog alleen van de jagt en vischvangst

leefden. ’T is waar, zy plantten Mais, sommige soorten van bonen en

kawoerden; dog al het land dat een enkeld huisgezin toen bepootte was

nauwlyks zo veel als nu een Boer om kool en rapen voor zyn gezin te

telen neemt. Dus konden zy nauwlyks ene maand van hunnen land- en

tuinbouw bestaan. Gemeenlyk zyn ook de kleine dorpen der Wilden twee of

drie Zweedsche mylen van malkander af gelegen. Hieruit kan men opmaken

hoe weinig gronds zy voorheen bebouwd hebben. Al het overige lieten zy

in rust, en met geboomte overwassen. En al namen zy na het uitputten

van het ene kleine stuk lands een nieuw, zo wilde dit in vergelyking

van de bystere uitgestrektheid des lands niets zeggen. Dus kon zig de

vrugtbare aarde door het jaarlyksch afvallen van het blad zeer sterk

vermeerderen. Dit was oorzaak dat de Europers hier enen zo schonen en

vrugtbaren grond vonden, die in vele euwen niet was uitgemergeld

geworden, en de aarde tusschen ’t geboomte was zo lugtig als de best

bearbeide tuinaarde. Zy hadden maar de bomen om te hakken, ze op

malkanderen te leggen, en enigermate het afgevallene blad wegteherken,

om ten eersten het land zonder grote moeite omteploegen en te bezayen,

waarop een uitmunde oogst volgde. Deze gemakkelyke wys van landbouwen

heeft de Europers bekoord om den landbouw der Wilden natevolgen,

namelyk van een land zo lang het zonder bemistiging enigsins vrugtbaar

blyft te gebruiken, en wanneer het uitgemergeld is het woest te laten

leggen, en een nieuw stuk lands te ontginnen. Dit maakt hier den

landbouw en de kennis van denzelven zo gering, dat men van de

Engelschen, de Zweden, de Duitschers, of de Hollanders hier te lande in

dit opzigt niets anders leren kan, dan ten hunnen koste uit hunne

zorgeloosheid het nadeel van dezelve optemaken. In een woord, en

koornlanden, en weilanden, en houtgewas, en veeteelt, alles wordt hier

even onagtzamelyk behandeld, zo dat men hier de in dit stuk der

Huishouding zo beroemde Engelschen niet vinden zoude. Nauwlyks kunnen

wy in Zweden en Finland met het hout onverstandiger handelen dan men

hier doet. Men ziet maar op de tegenwoordige winst, en denkt niet om

het toekomende. Het vee wordt dagelyks met werken afgemat, en neemt van

wege gebrek aan voeder gedurig in grootte af. Ik heb verscheiden’

kruiden op myne reizen waargenomen die de paarden en ossen boven alle

anderen kozen, welken niet alleen in ’t wild wiessen, maar ook op zeer

magere plaatsen zeer wel voortkwamen. Dog de Ingezetenen wisten

dezelven niet ten hunnen nutte aantewenden, zynde zeer onkundig in de

Natuurlyke Historie, welke ook hier te lande, gelyk in vele andere

gewesten, van velen voor een nutteloos tydverdryf wordt aangezien. Ik

ben door de ondervinding verzekerd, dat ik door middel dezer wetenschap

binnen weinig jaren in staat zoude zyn den magersten en dorsten grond,

waar ene koe nauwlyks den kost zoude kunnen vinden, in de vetste en

beste weiden te verkeren, daar grote kudden een genoegzaam voeder

vinden en vet geweid zouden kunnen worden. Ik sta toe, dat deze

voordelige gewassen niet overal, nog op het land van elk, gevonden

wierden, maar ieder, die slegts enig inzigt in de kennis der Natuur

heeft, zoude dezelven gemakkelyk van de plaatsen daar zy vallen kunnen

halen. Ik was verwonderd als ik de Boeren over de slegtheid der weiden

hoorde klagen; dog ik merkte te gelyk op hoe lui en nalatig zy waren,

en wat voortreffelyke kruiden dikwyls op den eigenen grond van deze

lieden wiessen, die slegts een weinig hulp van zo enen onverschilligen

Heer vorderden. Ik vond overal de wysheid en goedheid van den groten

Schepper, dog niet de kennis en den lust om die behoorlyk aantewenden.

Hoe gelukkig is de Landman niet die zyne voordelen kent!

Tot deze uitweiding heeft my de hier te lande zo zeer veronagtzaamde

landbouw gebragt. Ik heb ook gedeeltelyk de oorzaak willen aanwyzen,

waarom men in deze Reisbeschryving zo weinig zaken aantreft die tot

volmaking der Huishouding betrekkelyk zyn. Egter ontken ik niet dat ik

hier en daar enen enkelden bekwamen Huishouder heb aangetroffen; dog zy

waren dun gezaid.

[Roofvogels.]

Roofvogels, die op hoenders en ander gevogelte azen, vindt men hier in

menigte, en byna nog meer dan in Zweden. Zy genieten hier ene grote

vryheid, kunnende uit de zware bosschen den hoenders onverwagt op ’t

lyf vallen. Des nagts is het makke gevogelte niet buiten gevaar voor de

Nagtuilen, waarvan ’er hier velen zyn. Zy onthouden zig merendeels in

de moerassen, maken des nagts een akelig geluid, en overvallen van daar

de hoenders, die gemeenlyk in de Appel-, en Perenbomen zitten te

slapen. Maar sedert men hier de bosschen zo sterk afhouwt, wordt den

Roofvogels hunne vryheid niet weinig benomen.

[Herten.]

Reis door Noord Amerika · 第 26 / 50 段