Whippoorwill aan een soort van Nagtvogel, dien men in Noord Amerika
byna den gehelen nagt over hoort schreuwen. Catesby en Edwards [218]
beiden hebben hem beschreven en afgebeeld. Linnæus houdt hem voor een
soort van den Caprimulgus Europæus, [219] dewyl de gedaante, de kleur,
en de eigenschappen deze beide vogels bezwaarlyk doen onderscheiden.
Dog het geluid van den Amerikaanschen vogel doet hem van den
Europischen en van alle andere vogels onderkennen. Men vindt hem hier
des winters niet, dog hy komt met de lente weder. Ik hoorde hem voor ’t
eerst den 22. April, en vele menschen zeiden dat dit de eerste zomer
was dat zy hem hoorden. Zyn Engelsche en Zweedsche naam worden van zyn
geluid ontleend; maar om juist te spreken, hy roept niet eigenlyk
Whipperiwill of Whip-poor-will, dog veeleer Whipperiwhip, wordende de
eerste en laatste lettergrepen duidelyk uitgesproken en de twee
middelsten kort. De Engelschen veranderen dit geluid in Whip-poor-will
om het enige betekenis te geven, als wilde het zeggen den armen wilden
man te kastyden. Men hoort nog ziet dezen vogel noit by dag, dog na het
ondergaan der zon begint hy te roepen, en houdt daarmede den nagt over
aan. Na enigen tyd op ene plaats geroepen te hebben, vliegt hy naar ene
andere en begint daar op nieuws. Hy komt gemeenlyk verscheiden’ malen
op enen nagt, en laat zig digt by de huizen horen. Ik heb dikwyls des
avonds laat gezien dat hy op de huizen kwam zitten om te roepen. Hy was
niet zeer schuw, want als men stil bleef liet hy zig ten eersten horen.
Hy zoekt de huizen ter oorzake der Insekten, waarvan hy leeft, die des
avonds digt by de huizen talryk zyn. Als hy stil zat te schreuwen, en
een Insekt zag voorby vliegen, vloog hy het schielyk na, ving het, en
zettede zig weder neer. Somtyds hoort men ’er vier, vyf, of meer van,
digt by malkanderen, als ware het om stryd, roepen, en een groot geweld
in de bosschen maken. In de steden hoort men ze zelden, zynde zy daar
of uitgeroeid of verjaagd door het gedurige schieten. Zy houden niet
van op de bomen te zitten, maar zyn het meest op den grond, of in laag
kreupelhout, of op de onderste palen van de tuinen. Zy vliegen altyd
digt by de aarde. Des avonds houden zy met roepen aan tot dat het
geheel donker is, zyn dan stil tot dat de dageraad begint te naderen,
en schreuwen dan tot dat de zon opkomt. Schoon ik met voordagt ’er naar
luisterde, heb ik ze noit in ’t midden van den nagt gehoord, en velen
anderen is het zelve gebeurd. Men zegt dat zy gene nesten maken, maar
twee eyeren in het open zand leggen. Myn Bediende schoot eens op enen,
en, schoon hy hem miste, viel hy egter van schrik neder, lag enigen tyd
als dood, dog kwam naderhand by. Hy tragtte noit te byten als men hem
in de hand had, dog zogt zig los te spartelen. Boven en vlak onder de
ogen had hy, gelyk andere Nagtvogels, verscheiden’ zwarte, lange en
harde hairen. De Europers aten dezen vogel. Catesby verhaalt dat
volgens het zeggen der Wilden men dezen vogel noit vernomen heeft voor
het leveren van enen zekeren slag, waarin de Engelschen een groot getal
Wilden deden sneuvelen; en derhalven denken zy dat deze vogels, die zo
rusteloos zyn en zulk een droevig geluid maken, de zielen zyn hunner
gesneuvelde Voorouders.
[Bloeyende bomen.]
Den 24. April begonnen de Karssebomen hunnen bloeisem te vertonen. Zy
hadden reeds tamelyk grote bladeren. De Appelbomen begonnen ook te
bloeyen, dog de Karssebomen waren hun voor. Dog zy kregen ook ene
groenagtige kleur van hun uitspruitend blad.
De Moerbeziebomen stonden nog geheel naakt; zo dat ik met verdriet
opmerkte dat deze boom een van de laatsten is die groen wordt, en een
van de eersten die zyne vrugten tot rypheid brengt.
Den 26. reisde ik des morgens naar Penn’s Neck. De Tulpebomen, vooral
de volwassenen, zagen ’er geheel groen uit, zynde reeds in ’t blad; dus
is deze boom een van de vroegsten die zyn blad krygt.
Ik zag heden voor het eerst den Sassafrasboom bloeyen. De bladeren
waren nog niet uit. De bloemen ruiken aangenaam.
[De Lupinus.]
De Lupinus perennis is menigvuldig in de bosschen, en wast in goede en
kwade gronden. Dikwyls zag ik hem op schrale gronden en heiden tieren,
waar niets anders voortkomen kon. Zyne bloemen, die gemeenlyk in Mai
voor den dag komen, staan zeer frai door haren purperagtigen weerschyn.
Men zeide my dat het vee deze bloemen gaarne eet; dog het speet me
dikwyls te ondervinden dat het ’er zo fel niet op was als men zeide,
vooral als ’er iets anders te eten viel, en dan raakte het deze plant
zelden aan, hoe malsch en groen zy ’er ook uitzag. De paarden aten de
bloemen, maar niet de stelen en bladen. Als het vee deze plant in de
lente eten zal, moet de noodzakelykheid en de honger ze smakelyk maken.
Men vindt hier gene zo schoon met gras bewassen weilanden als in
Zweden, in de bosschen moet het vee zyn voedsel zoeken. De grond is
daar gemeenlyk gelyk, ten minsten zyn ’er weinig heuveltjes. De bomen
staan wyd uit malkander, dog de grond tusschen hun is niet met groene
zoden bedekt, want daar zyn maar weinig soorten van gras, en dat staat
zeer yl. De grond is zeer los, ten dele door de menigte van verrotte
bladeren die denzelven een groot deel van het jaar bedekken. Dus vindt
het vee weinig gras in de wouden, en moet zig behelpen met al wat het
krygen kan, het zy goed of kwaad. Ik zag dit voorjaar het vee de jonge
scheuten van ’t geboomte afbyten en opeten, want ’er waren nog gene
planten opgekomen, en die staan ook zeer schaarsch hier en daar
verspreid, gelyk ik reeds heb aangemerkt. Dus kan men ligt begrypen dat
de honger het vee dwingen kan om planten te eten die het niet zoude
aanraken als het beter voedsel kon vinden. Egter denk ik dat het der
moeite waard zyn zoude deze plant ter verbetering van magere gronden te
gebruiken, en dat het niet onmogelyk zoude zyn middelen te vinden om ze
het vee smakelyk te maken.
[Eiken.]
De Eiken hebben hier dezelve eigenschappen als de Europischen. Zy
behouden hunne dode bladen byna den gantschen winter over, en krygen
eerst laat anderen. Zy begonnen eerst ’er enige weinigen te vertonen.
[De Hommelvogel.]
De Hommelvogel, by de Zweden Koningsvogel, [220] genoemd, kwam dien dag
het eerst te voorschyn.
[Een Kever.]
De Kever, by Linnæus Meloë Proscarabæus, zat op de bladeren van den
witten Nieswortel, [221] en at ze. Ik zag ze in weinig minuten een
gantsch blad opeten. Sommigen hadden zig zo dik gevreten dat ze kwalyk
kruipen konden. Dus was deze plant, die voor andere, dieren volstrekt
dodelyk is, voor hun een lekker voedsel.
[Ligtgevende vliegen.]
De Ligtgevende Vliegen verschenen dezen avond voor het eerst van ’t
jaar, en vlogen tusschen ’t geboomte. Het was als of ’er vuurvonken
door de lugt vlogen. Elders zal ik ze breder beschryven.
Des avonds keerde ik weder naar Rakoon.
[Late koude nagten.]
De Nagt tusschen den laatsten April en den 1. Mai was zo koud, dat by
’t opkomen der zon de grond zo wit was van den ryp als of het gesneuwd
had. De Zweedsche Thermometer stond 1½ gr. onder ’t vriespunt. Wy zagen
geen ys in de wateren en rivieren die enige diepte hadden, dog op
zulken in de welken maar omtrent drie duimen waters was vond men ys van
omtrent de dikte van een derde ener lyn. Den avond te voren was de wind
zuidelyk, dog ’s nagts was het stil. De Appel- en Karssebomen waren in
vollen bloei. De Persikebomen hadden al byna uitgebloeid. De meeste
bomen in de bosschen hadden reeds nieuwe en tedere bladen, en het
grootste getal stond te bloeyen, als de meeste Eiken, de
Kornoeljebomen, de Hikories, Pruimbomen, Sassafrassen en Beuken.
[Planten beschadigd.]
De planten die van de vorst geleden hadden waren, I. de Hikories, van
de welken aan de jonge bomen de bladeren bevroren waren, zo dat zy na
den middag geheel zwart waren. Het meeste blad was byna overal digt by
poelen en in de bosschen door de koude bedorven. II. De Zwarte Eiken,
waarvan ’er velen waren wier blad beschadigd was. III. De jonge Witte
Eiken hadden ook veel aan hun blad geleden. IV. De bloeisems der
Karssebomen waren op vele plaatsen ook beschadigd. V. De bloemen van de
Engelsche Walnootbomen hadden zeer veel geleden. VI. Sommige bomen van
de Rhus glabra hadden al loof, het welk geheel bevroren was. VII. Van
de Rhus radicans hadden de jonge tedere bomen veel van de vorst
geleden, en hunne bladen waren gedeeltelyk dood gevroren. VIII. Van de
Thalictra of wilde Ruite waren en bloemen en bladen beschadigd. IX. Van
het Podophyllum peltatum was ’er van de vyf honderd pas een dat geleden
had. X. Een groot deel Varen, onlangs opgekomen, was vernield. Vele
andere gewassen waren ’er nog beschadigd, dog ik konde ze wegens hunne
kleinte niet onderkennen.
[Bartsia coccinea.]
De Bartsia coccinea wies overvloedig in verscheiden lage weiden. De
knoppen waren reeds schoon karmynrood, en gaven aan de weiden een
sieraad. Men heeft nog geen ander gebruik van deze plant gemaakt, dan
dat zy het oog verlustigt.
[Walnootboom.]
Een van de Zweden had hier enen Engelschen Walnootboom [222] in zynen
tuin geplant, die nu twee vadem hoog was. Hy stond in vollen bloei, en
had reeds grote bladen; maar de zwarte Walnootbomen, die hier van
zelven wassen, hadden nog bladeren nog bloemen. Dog de vorst van den
laatsten nagt had alle de bladeren van den Europischen boom vernield.
Dr. Franklin zeide my naderhand, dat ’er sommige Engelsche Walnootbomen
te Philadelphia geplant geweest waren die wel slaagden, dog de vorst
doodde ze allen.
[Bomen die nog geen blad hadden.]
Ik gaf nauwkeurig agt op de bomen die nog geen blad hadden, en dezen
waren:
De zwarte Walnootboom, de Esch, de Acer Negundo, hier de witte Esch
genoemd, de Nyssa aquatica, de Persimon, de vitis Labrusca of wilde
Wyngaard, en de Rhus glabra of de Sumach.
[Uitlopende bomen.]
De bladen der volgende bomen waren nu aan ’t uitkomen; de Rode
Moerbezie en Kastanjeboom, de Waterbeuk, en de Sassafrasboom. Van de
Hikories hadden sommigen reeds grote bladeren, dog anderen hadden ’er
nog genen. By de verscheidenheden die men onder dit soort van bomen
heeft, denk ik, zal ook het zelve verschil plaats hebben.
De Virginische Karsseboom wast hier en daar in de bosschen. Zyne bladen
waren reeds tamelyk groot, dog zyne bloemen waren nog niet volkomen
open.
De Sassafrasboom stond overal in bloei, dog zyne bladeren waren nog
niet geheel en al ontwikkeld.
[De Storaxboom.]
De Liquidambar Styraciflua of de Storaxboom wast in de bosschen, vooral
in enen natten grond, in en by waterstroompjes. De Engelschen noemen
hem Sweet Gum-tree. De bladen begonnen in het bovenste des booms
uittespruiten. Deze boom wordt zeer zwaar, en hy wykt in hoogte den
grootsten sparren en eiken niet. Wanneer hy begint hoog te worden
sterven de onderste takken, vallen af, en laten ten laatsten den stam
gantsch glad en zonder takken, houdende de boom alleen maar ene kroon
boven aan. De zaden zitten in ronde hoekige huisjes, die in den herfst
afvallen; en dewyl de boom zeer hoog is dryven de winden de zaden zeer
ver heen.
Men kan dit hout zeer glad maken, vermits deszelfs aderen zeer fyn zyn,
dog het is niet hard, zo dat men ’er met een mes letters in kan snyden,
die ’er schynen in gegraveerd te zyn. De Heer Lewis Evans zeide my
ondervonden te hebben, dat ’er in dit Land geen beter hout is om
gegoten metalen in te bearbeiden dan dit. Ik vroeg den Heer Bartram of
hy de gom van dezen boom gevonden had, die zo beroemd is in de
Geneeskonst. Hy zeide my dat een zeer sterk ruikende gom altyd uit
iedere snede loopt die in den boom gemaakt wordt, dog dat de
hoeveelheid hier te gering was om de moeite van ’t verzamelen te
vergoeden. Deze ruikende gom heeft den Engelschen naam voortgebragt.
Hoe meer men zuidwaards komt des te groter hoeveelheid van gom geeft de
boom, zo dat ze daar ligt te verzamelen is. De Heer Bartram was van
gedagte dat deze boom eigenlyk voor de lugtstreek van Karolina geschikt
is, dog door verscheiden’ toevallen verder noordwaards, tot in New York
toe, het welk zyne uiterste grenspalen schynt te zyn, is gebragt
geworden. In de zuidelyke gewesten brengt de warmte de gom rykelyk
voort, dog zo gaat het niet in ’t noorden.
[Reis naar Salem.]
Den 2. Mai reisde ik naar Salem met inzigt om het Land te zien.
[Geboomte.]
De Sassafrasboom stond hier en daar in de bosschen en om de
rasteringen. Men kon hem nu van verre door zynen bloeisem ontdekken,
die nu open zynde hem geheel geel maakte. Het blad was nog niet uit.
[Weiden.]
Op sommige weilanden was het gras reeds tamelyk hoog; dog men moet
aanmerken dat deze weiden moerassig zyn, en dat ’er geen vee dit jaar
was op geweest. Deze weilanden worden tweemaal in ’t jaar gemaid, te
weten in Mai en het einde van Augustus. Ik zag dezen dag enigen van
deze weiden, waarop het gras reeds bekwaam was om gemaid te worden, en
vele weilanden in Zweden hebben in den hoityd zo goed gras niet. Deze
weiden lagen in vallyen en by poelen, waar de Zon grote kragt oeffent.
Het gras bestond voornamelyk uit dat soort ’t welk Carex genoemd wordt.
[Pruimbomen.]
De wilde Pruimbomen waren nu overal in bloei. Zy wassen hier en daar in
de bosschen, dog gemeenlyk digt by moerassen op natte gronden. Men kent
ze van verre aan hunnen witten bloeisem. De vrugt is schoon op ’t oog,
en wordt ryp zynde gegeten.
[De Kornoeljeboom.]
De Cornus Florida of Kornoeljeboom wast in de bosschen, op de heuvels,
op de vlaktens, in de dalen, in poelen en by beekjes. Dus kan ik niet
zeggen welke zyn regte grond is; egter schynt hy op enen lagen dog niet
vogtigen grond het best te slagen. Hy was nu versierd met zyne grote
witte bekleedsels waarin de bloemen zitten, die den boom van verre doen
in ’t oog lopen. Het is om dezen tyd een vermaak door de bosschen te
reizen, zo schoon worden zy gemaakt door den bloeisem van dezen boom.
De bloemen die in de bekleedsels zyn opgesloten begonnen dezen dag open
te gaan. De boom komt tot gene grote hoogte of zwaarte, dog krygt
omtrent die van onzen Sorbeboom. Daar zyn drie soorten van dezen boom
in de bosschen, een met grote witte bloembekleedsels, een twede met
kleine witten, en een derde met roodagtige.
[Gevogelte.]
De bosschen waren thans vol van vogelen. Ik zag, vooral de kleinder
soorten, overal op den grond huppelen, of onder ’t kreupelhout kruipen,
zonder zeer schuw te zyn, dus het den slangen zeer ligt valt ze te
doden. Ik geloof dat de Ratelslang weinig meer te doen heeft dan stil
te leggen, en, zonder dat zy lang behoeft te wagten, zal wel de een of
de ander kleine vogel haar op ’t lyf lopen en gelegenheid geven van hem
zonder betovering te vangen.
[Salem.]
Salem is ene kleine handel dryvende plaats, een stuk wegs van de
Dellaware afgelegen. De huizen staan ver van malkander, en zyn ten dele
van steen en ten dele van hout. Een beekje loopt langs de Stad en valt
in de Dellaware. De Ingezetenen leven van den handel zo goed als zy
konnen. In de nabuurschap van Salem zyn sommige lage en moerassige
weiden, en om die reden wordt het voor ene ongezonde plaats gehouden.
De ondervinding heeft doen zien, dat zulken die zig hier van andere
plaatsen kwamen nederzetten zeer bleek en ziekelyk wierden, schoon zy
in ene volmaakte gezondheid waren en ’er wel uitzagen op hunne
aankomst. Deze ziekelyke toestand blyft hun gemeenlyk altyd by. De
schuld hiervan geeft men aan de stinkende uitwaassemingen der
moerassen, die men zelfs van verre door den reuk gewaar wordt. De
afgaande koortsen heerschen hier zeer sterk tegens den herfst. Twee
jonge lieden, die met my naar Amerika waren overgekomen, gingen gezond
en wel naar Salem, dog binnen weinig weken vielen zy ziek, en eer de
winter half om was waren zy beiden dood.
[Saffraan.]
De Saffraan wordt hier veel geplant, dog zy is zoo goed en zo sterk
niet als de Engelsche en Fransche. Misschien wordt zy beter als zy
enige jaren, gelyk de Tabak, gelegen heeft.
[Katoen plant.]
Het Gossipium herbaceum, of de Katoen die op ene plant gevonden wordt,
is een gewas van maar een jaar, en velen van de Ingezetenen van Salem
begonnen het te zaijen. Sommigen kregen de zaden uit Karolina, waar
grote Katoenplanteryen zyn, dog anderen hadden ze uit de Katoen die ze
gekoft hadden uitgeplukt en geplant. Men zeide dat men in ’t eerst
moeite had om de zaden der hier geplante Katoen tot rypheid te krygen,
want in Karolina, van waar men ze gekregen had, zyn de zomers veel
langduriger en warmer. Dog naderhand hebben de zaden zig meer naar de
lugtstreek gewend, en komen vroeger aan en tot rypheid.
[Rakoon.]
Des avonds keerde ik naar Rakoon te rug.
[De Crabtree.]
Crabtree is de naam van een soort van wilde Appelbomen, die in de
bosschen groeyen, maar vooral op kleine heuveltjes by de rivieren.
[223] In New Jersey is de boom enigsins raar, dog in Pensylvanie is hy
overvloedig. Sommigen hadden enen enkelden van deze bomen digt by hunne
Landhoeven geplant, om den aangenamen reuk van zyne bloeisems. Hy had
den 4. Mai sedert een dag of twee begonnen te bloeyen. De bloemen zyn
juist gelyk aan die van den gemenen Appelboom, uitgenomen dat die van
den Crabtree wat roder kleur hebben, schoon op sommige Appelbomen de
bloemen al zo rood zyn. Dog de reuk onderscheidt ze volkomen, want deze
wilde bomen ruiken zeer aangenaam. De Appelen van deze bomen zyn klein
en zuur; egter zeide men dat zy eetbaar waren. Zy blyven den gantschen
winter over onder den boom leggen, krygen dan ene gele kleur, en
bederven zelden eer dan in de lente.
[Aanmerking.]
Ik kan niet voorby hier ene aanmerking te maken. De Crabtrees begonnen
eerst den 3. of 4. Mai hunne bloemen te tonen, daar integendeel de
gemene Appelbomen, die uit Europa overgebragt waren, al hunnen bloeisem
kwyt waren. Zo begonnen ook de wilde Karssebomen eerst den 12. Mai te
bloeyen, en de tammen bloeiden reeds den 24. April. De zwarte Walnoten
uit dit Land oorspronglyk hadden nog bladen nog bloemen, schoon de
Europischen reeds grote bladen en bloemen droegen. Hieruit blykt dat
bomen uit Europa overgebragt, schoon van den zelven aard als de wilde
Amerikaanschen, veel vroeger bloeyen dan de anderen. Ik kan de reden
hiervan niet zeggen, of het moest zyn dat de Europische bomen aan ’t
bloeyen gaan zodra zy dien trap van warmte krygen daar zy in hun
vaderland aan zyn gewend. Zy weten niet, zou men zeggen, dat hier na
zulk ene warmte een of meer koude nagten staan te wagten, die hunne
bloeisems vernielen kunnen, want in de koude landen komen zelden na zo
hete dagen zo koude nagten die den bloeisem kunnen beschadigen. [224]
Integendeel schynen de wilde bomen van dit Land geleerd te hebben zig
op die vroege warmte niet te verlaten, maar te wagten naar ene sterker
hitte, wanneer zy voor gene vorst meer te vrezen hebben. Hierom gebeurt
het dikwyls dat de bloeisem van de Europische bomen dood vriest, daar
de inlandschen niets lyden. Wy erkennen hier de wysheid van den
Schepper.
[Reis naar Rapaapo.]
Vroeg in den morgen van den 5. Mai ging ik naar Rapaapo, een groot dorp
bestaande uit zeer verstroid leggende landhoeven. Daar woonden
volstrekt niets dan Zweden, zo dat de Ingezetenen de Zweedsche taal
behouden hebben met maar enige Engelsche woorden vermengd. Myn oogmerk
was gedeeltelyk den oord te bezigtigen, kruiden en andere merkwaardige
dingen te zoeken, en deels om de plaatsen te vinden waar de Witte
Ceder, of Cupressus thyoides groeit.
[Pinxterbloemen.]
De Maibloemen, zo als de Zweden ze noemen, waren overal menigvuldig in
de bosschen, vooral op droge of ten minsten niet zeer natte plaatsen.
De Zweden geven haar dien naam om dat ze in Mai in vollen luister
staan. Sommige Zweden en de Hollanders heten ze Pinxterbloemen, om dat
zy wezenlyk om Pinxteren bloeyen. De Engelschen noemen ze Wild
Honeysuckles, en op enigen afstand hebben zy wel wat gelykenis naar de
Kamperfoelie. [225] De bloemen waren nu open, en gaven een nieuw
sieraad aan de bosschen, zynde weinig minder schoon dan de bloemen van
de Kamperfoelie en het Hedysarum. Zy zitten rondom ’t bovenste van den
steel, en zyn of van ene donker rode of van ene levendig rode kleur,
dog als zy enigen tyd gestaan hebben worden zy van de zon gebleekt en
allengskens wit. Ik weet niet hoe Colden ze geel kan noemen. [226] Zy
wassen niet altyd even hoog. Sommigen waren zo groot als een volwassen
man, en groter zelfs, anderen waren laag, en sommigen kwamen niet boven
drie of vier duimen van den grond, egter waren ze allen vol van
bloemen. Men heeft nog geen gebruik van deze plant weten te maken,
alleen zet men de bloemen in potten tot sieraad. Zy hebben enigen geur,
dien ik egter niet lieflyk vinden kan. Dog de fraiheid der kleur maakt
ze ene plaats in den bloemtuin waardig.
[Rogge.]
Ik zag dien dag voor het eerst van het jaar enige airen van Rogge. In
Zweden begint zy omtrent den 18. Mai O. S. hare airen te vertonen. Dog
in Nieuw Zweden zeide men dat men ze reeds in April plegt te zien,
zelfs al komt de lente laat. Deze lente wierd overal voor ene van de
laatst komenden gehouden.
[Bullfrog.]
Manteskor is de naam dien de Zweden aan een soort van Kikkers geven. De
Engelschen noemen ze Bullfrogs, [227] of Bulkikkers. Ik had dien dag
voor de eerste maal gelegenheid ze te horen en te zien. Ik hoorde
onverwagt onder ’t ryden een gebulk, zo dat ik niet anders meende of er
was een stier in ’t kreupelhout, dewyl ik aan dezen Kikker niet dagt.
Ik begon bevreesd te worden dat misschien een boosaardige stier digt by
my wezen mogt, schoon ik hem niet zag. Ik bleef ook in die gedagte tot
dat ik een uur of twee later met enige Zweden over dit soort van
Kikkers in gesprek kwam, en toen begreep ik dat het ’er een geweest
moest zyn dien ik onder weg zo had horen bulken, want men zeide my dat
’er ene menigte van hier in ’t water waren. Ik ving ’er vervolgens
enigen. Hy is ontwyffelbaar de grootste van alle de Kikkers hier te
lande. Men zeide dat zy tegens den herfst, wanneer het begon koud te
worden, zig in de modder begraven, waar zy slapende den winter
overblyven. Maar zo schielyk het begint warm te worden komen zy weder
te voorschyn en beginnen hunne stemmen te laten horen. Als het ene
vroege lente is verneemt men ze reeds op het einde van Maart O. S. Zy
onthouden zig voornamelyk in stilstaande poelen. Daar vindt men ze in
tamelyke menigte, dog niet veel in lopend water. Als ’er velen by een
zyn maken zy een verschrikkelyk geraas wanneer zy allen te gelyk aan ’t
schreuwen gaan. Hun geluid is volkomen dat van enen stier die een
weinig heesch is. Men heeft somtyds werk van malkander te verstaan als
zy regt aan ’t schreuwen zyn. Zy bulken allen te gelyk, houden dan een
weinig op, en beginnen weer op nieuw. Men zoude zeggen dat zy enen
Kapitein hadden, zo dat als die begint zy allen hunne kelen opzetten,
en als hy ophoudt zy allen stil zyn. Als de Kapitein het teken geeft
van te zwygen hoort men hem een geluid geven als dat van poep. By dag
gaan zy zelden zo vreeslyk aan als het geen donker weder is, dog des
nagts laten zy zig vooral horen. Des avonds, als het stil is, kan men
ze wel anderhalve Eng. myl ver vernemen. Zy zitten als zy schreuwen aan
de kanten van het water onder het hout, en steken de koppen boven. Dus
kan men, als men zagtjes gaat, ze zeer naby komen, voor dat ze
voortgaan. Zodra zy onder water zyn agten zy zig in veiligheid, al is
het water nog zo klaar.
Somwylen zitten zy een eind wegs van ’t water af, dog vernemen zo dra
geen onraad of zy spoeden zig naar den poel. Zy kunnen sterk springen,
en doen in elken sprong somtyds meer dan twee vadem wegs af. Ik hoorde
de oude Zweden ene grappige historie vertellen, die gebeurd was toen de
Zweden en de Wilden nog by malkander woonden. Het is bekend dat die
menschen zeer sterk lopen kunnen. Ik heb ze by den Gouverneur Johnson
de beste paarden in vollen loop niet alleen zien byhouden maar zelfs
voorby snellen. Om nu te tonen wat treffelyke springers deze vorsschen
zyn, hadden enige Zweden met enen jongen Amerikaan gewed dat hy den
Kikker niet zoude inhalen, mits die twee sprongen vooruit ware. Men
bragt dan enen Bullfrog, die in een naburig water gevangen was, zettede
hem op den grond, en brandde hem op den rug; het vuur en de Amerikaan,
die de Vorsch zogt intehalen, deden het dier zyne sprongen sterk
verdubbelen. De Amerikaan begon op den gestelden tyd te lopen, dog het
geluid dat hy daar door maakte deed den Kikker zig des te meer haasten,
zo dat hy ’t water bereikte eer hem de Amerikaan kon bykomen.