Kanter en Zoon (Jacobus de) Boekverkopers te Zierikzee 5 Exemplaren.

Kappelhof (I.) Med. Doct. te Amsterdam.

Kelderman (Abraham) te Utrecht.

Kemenaar (G.) eerste Commies in het Post-Comptoir te Rotterdam.

Kemink (Dirk) Boekdrukker te Utrecht.

Kemink (Hermannus Hendrikus) te Utrecht.

Kerkhoven (Constant van den) Predicant te Poortegaal.

Keyzer (François de) Raad der Stad Goes.

Keyzer (H.) Boekv. te Amsterd. 3 Exempl.

Kleynhoff (Cristiaan) Heere van Enspyck Borgemeester &c. te Cuylemborg.

Klinkenberg (I. van Nuys) A. L. M. Phil. Doct. en Predicant te Emmenes

Buytend.

Klockner (I. C.) Med. Doct te Amsterdam.

Klopman (H.) Predicant te Ter Aa.

Klos (Johs. van der) Boekverkoper te Gouda.

Kock (Wilh.) Predicant te Papendrecht.

Koopman (Wynand) Fabriqueur en Koopman te Utrecht.

Kopersmit (Kasparus) Makelaar te Amsterd.

Kroe (A. van der) Boekverkoper te Amsterd.

Kroe (A. van der) —— (voor een ander.)

Kruyff (Fr. de) Boekv. te Amsterd. 6 Exemp.

Kuipers (G.) te Dordrecht.

Lafrens (Johannes) te Amsterdam.

Lambrechtsen (Mr. Anthony Pieter) Heer van Rithem Borgemeester en L. C.

van Sonsbeeck, Pensionaris der Stad Vlissingen voor de Bibliotheek der

Stad Vlissing. best pap.

Lange (Mr. Bonaventura de) Raad in de Vroedschap en Regeerend Schepen

der Stad Gouda.

Lansbergen (Arend) te Amsterdam.

Landtmeter (Henricus) 4 Exempl.

Leermond (P. H. van) te Gouda.

Leescollegie in Wageningen.

Leesgezelschap te Hoorn.

Leesgezelschap onder de Zinspreuk Lust tot Wetenschap, te Dordrecht.

Leesgezelschap onder de Directie van J. C. van Hemert te Middelborg.

Leesgezelschap, Concordia te Hoorn.

Leesgezelschap te Heusden.

Lever (Cornelis) te Amsterdam.

Lexraven (Gabriel) te Amsterdam.

Leyden (De Hoog Wel Geb. Heer Baron van) van Westbarendrecht, Generaal

Majoor van de Cavallerie.

Leyden (Pieter Baron van) Heere van Nieuwland, Gedeputeerde in de Raad

van Staat.

Liendert (... van) te Rotterdam.

Linzen (Joan Christoph) Koopm. te Amster.

Loncq (A.) Planter te Demerary.

Losel (A.) Boekverk. te Rotterd, 3 Exempl.

Louwaard (Jacobus) te Goes.

Lubeley (Hendrik) te Amsterdam.

Maagh en Zoon (Mejuffr. de Wed. J.) Boekverkopers te Alckmaar.

Maan (Reynoud) Notaris te Zierikzee best pap.

Manen (Arie van) Hovenier te Monnickendam.

Marinissen (Mr. Johannes) Rekenmeester der Provintie Zeeland en Schepen

en Raad te Veere.

Marmé (I. W.) Stempelsnyder van Hunne Ed. Mog. Munt te Utrecht.

Marre (Evert de) Regent van ’t Oude zyds Huyszittenhuys te Amsterdam.

Martens (Jan Hendrik) Koopman te Amsterd.

M. D. W.

Meeling (Pieter) Notaris te Amsterdam.

Meer (Abraham van der) Koopman te Maassluis.

Meester (W. de) Borgemeester der Stad Harderwyk.

Mestre (Mr. Philippus Matthias) Borgemeester in ’sHage.

Metzedelaar (Johannes) Apotheker te Rotterdam, best pap.

Meulen (Willem van der) Regent van ’t Oude zyds Huyszittenhuys te

Amsterdam.

Mey (Jan Frederik de) Raad in de Vroedschap der Stad Alckmaar.

Meyer (Pieter) Boekverkoper te Amsterd.

Meyer (Adam) Boekverkoper te Amsterd.

Meyer (Willem) Apothecar te Amsterdam.

M. K. te Goes.

Moehring (P. H. G. van) Hoogvorstel. Anhalt Zerbtische Hofraad

Lyfmedicus en Physicus van het Land Jevern.

Moeleman (I. H.) Boekverkoper te Aarnh.

Morlives van der Noot (Jan) in ’s Hage.

Monde (G. van der) Apothecar te Amsterd.

Muilman Willemsz (Wigbold) Predicant in ’sHage.

Mulder (Jan) te Amsterdam.

Munnicks (Mr. Gerard) Raad Ordinaris in den Ed. Kamere van Justitie te

Vianen en Kanonik ten Dom te Utrecht.

Muyden (Mr. Steven Jacob van) Raad in de Vroedschap der Stad Utrecht.

Muyden (W. van) Predicant der Remonstranten te Leyden.

Myhlberg (George Charle van) Luiten. Coll.

Nagel (Hendrik) te Amsterdam.

Nes (Jan Pieter van) Rentmeester van de Heeren Edelen en Ridderschappen

te Utrecht.

Nielo (F. A.) Koopman te Amsterdam.

N. M. C.

N. N. te Amsterdam.

Noemer (Pieter van) Med. Doct. en Raad te Zierikzee.

Noordbeek (P. G.) J. U. D. te Amsterdam.

Noteman (A.) Makelaar te Amsterdam.

Nyssen (Mr. Willem) Heer van Waarden mitsgaders Rentmeester van de

Exploiten van den Hove van Vlaanderen en Rekenmeester der West-Indische

Compagnie ter Kamer Zeeland te Middelborg.

Oblet (I. P.) te Utrecht.

Ommeren (I. F. van) Geboore Evers Vierevant te Aarnhem.

Oudemeyer (Robertus) te Utrecht.

Oudgaarden (O. van) te Leyden.

Paddenburg (G. T. van) Boekv. te Utrecht.

Paddenburg (Abraham van) Akademie Drukker te Utrecht.

Palier (J. en H.) Boekverkopers te ’sBosch, 2 Exemplaren.

Pauw (Mr. Franco) Raad en Borgemeester der Stad Delft, Hoog-Heemraad

van Delfland, en van den Lande van Voorne, Leenman van Voorne voornt.

Bewindhebber van de Oostindische Compagnie ter Kamer Delft &c. best

pap.

Petræus (Johannes Balduwinus) te Goes.

Perponcher de Sedlnitzky (De Hoog Wel Geboorne Heer Mr. Willem Emmery

Baron de) Raad in de Vroedschap der Stad Utrecht.

Persyn Colonel en Capitein van een Compagnie onder het Regiment

Hollandsche Guardes te voet.

Pesters (Mr. Nicolaas) te Utrecht.

Peterson (H.) Coopman te Utrecht.

Phelsum (M. van) Stads Med: Doct. te Sneek.

Pla (P. A.) Griffier van de Kamer van Justitie en Leenhove van Vianen

en Ameide, mitsgaders Hoogheemraad ’sLands van Vian.

Poll (Johannes v. d.) Pz. Oud Schepen der Stad Amsterdam.

Poll (R. van der) S. S. Theol. Stud. te Utrecht.

Pont (A. du) Lieutenant onder de Artillerie.

Poolsum (Mejuffr. de Wed. J. J. van) Stads Drukkeres te Utrecht 4

Exemplaren.

Pot (I.) Coopman te Rotterdam.

Ras (Mr. Daniel) Raad in de Vroedschap der Stad Alckmaar en wegens

deselve Ords. Gedeputeerde ter vergaderinge van haar Ed. Groot

Moogende.

Reessen (Hendrik) te Amsterdam.

Reguleth (D. A.) Predicant te Amerongen.

Rensselaar (A. van) te Amsterdam.

Rensselaar (Cornelia Judecum van) Geb. Cramer te Amsterdam.

Remmers (Johannes) te Amsterdam.

Repelius (T.) Boekverkoper te Thiel.

Resselaar (I. A.) Veertige te Dordrecht.

Ribaut (Mr. G.) Rekenmeester der West-Indische Compagnie ter Kamer

Zeeland te Middelborg.

Rietschooten (Willem van) Grutter te Utr.

Ripperse van Hoolwerf (Mr. Jacob) Schepen der Stad Hoorn.

Roelofswaart (Benjamin) te Amsterdam.

Romer (D.) Boekverkoper te Franeker.

Roos (G.) te Rotterdam.

Roosen Junior (C.) te Amsterdam.

Rotscheidt (Ludolph) te Leyden.

Rottermond (Adriaan) Vroeds. in ’sHage.

Ryckevorsel (Mr. C. van) in ’s Hage.

Sandelyn (W.) Boekverkoper te Wagen. 3 Exemp.

Schagen (I. van) te Amsterdam.

Scheltus (Mr. Izaak) Drukker van haar Hoog Mogende in ’sHage.

Schippers (Mr. P. L.) Heere van Bodegraven, Schepen der Stad Gouda.

Schoonhoven (Pieter van) Notaris en Makelaar te Utrecht.

Schoonhoven (Steven van) Confiturier te Utr.

Schoonhoven en Comp. (J. van) Boekverk. te Utrecht 34 Exempl. voor

verscheiden.

Schmidt (L.) Boekv. te Schiedam 4 Exempl.

Schuttrup (Abraham Coenraad) te Amsterd.

Sepp (I. C.) Boekverkoper te Amsterdam.

Slype de Boekhorst (Ad. Hend. van)

Smith (Jacobus) Koopman te Middelborg.

Smout (Egbert van der) Boekv. te Delft, 4 Exempl.

Spiering (Hercules) te Hoorn.

Stanhoffius (I.) Boekverkop. te Amsterdam.

Stoop (A. B.) te Dordrecht.

Stubbe (Arend) te Utrecht.

Swaanenburg (Leendert) in ’s Hage.

Symonsen (Symon) te Middelborg.

Taddel (Philippus) te Amsterdam.

Tatum (Mr. I. H.) te Utrecht.

Temminck (C. T.) Advocaat in ’s Hage.

Testas (M. H.)

Tounemans (I.) J. U. Stud. te Utrecht.

Thierry (Johannes) Boekverkoper in ’sHage.

Thol en Zoon (Mejuffr. de Wed. O. van) Boekverkoopers in ’sHage.

Thornbury (...) in ’sHage.

Tulleken (Mr. Daniel) Heere van Melis- en Marie-Kerk Oud Burgemeester

en Regeerend Scheepen en Raad te Middelborg.

Turner (Jan) Koopman te Amsterdam.

Ummethun (Hendrik) te Amsterdam.

Valkenier de Jonge (Mr. Gillis) te Amsterd.

Vechelen (Pieter van) Secretaris en Stokhouder Vryheid Etten Leuv en

Sprundel.

Veer (G. van der) Boekverkoper te Utrecht.

Velden (I. H. van den) Captein ter Zee.

Vermande (Lodewyk) Boekverkoper te Hoorn 2 Exemplaren.

Verryst (Dirk) Raad in de Vroedschap en Regeerend Borgemeester der Stad

Gouda.

Vin (A. de) Boekverkoper te Middelborg.

Visch (Justus) Boekverkoper te Utrecht.

Vingerhoedt (Mr. I. H.) Vroedschap der Stad Rotterdam.

Vlacq (Pieter) te Gouda.

Vollenhooven (Jan van) te Amsterdam.

Vos (Mr. Cornelis Anthony) Oud Raad in de Vroedschap der Stad Utrecht,

Secretaris van de Finantie en Rekenkamer ’sLands van Utrecht, en mede

Secretaris van de Edele Mogende Heeren Staaten van Hoog gemelde

Provintie.

Voyer (Theodorus) Med. Doctor en Borgemeester der Stad Buuren.

Vries Abrahamsz. (G. de) te Amsterdam.

Vry en Zoon (Mejuffr. de Wed. Gysbert de) Boekverkopers te Gouda.

Waal (Samuel de) Boekverk. te Utr. 3 Exe.

Waal (Justus de) Koopman te Utrecht.

Wagtels (Dirk) Directeur der Commercie Compagnie te Middelborg.

Waller (Pieter van de) te Rotterdam.

Warin Antonisz. (N.) J. U. D. te Amsterd.

Wedding (Justus) Coopman te Amsterdam.

Weege (David) Boekverkop. te Amsterdam.

Wessing Willemz (Joh.) Boekv. te Amsterd.

Wibbert (Jan) Coopman te Delft.

Wild (Bartholomæ) te Utrecht.

Willemsen (Jacobus) Hoogleeraar in de H. Godgeleerdh. en Predicant te

Middelb.

Winckelman (O. R. F. W.) te Utrecht.

Wint (Pieter de) te Goes.

Wttewaal (Mr. F.) Kanonik ten Dom te Utr.

Wysman (P.) te Amsterdam.

Zeylstra (R.) Boekverkoper te Sneek.

* * * *

* * *

* *

*

REIS DOOR NOORD AMERIKA.

[Reis naar Philadelphia.]

Den 12. April 1749. vertrok ik van Rakoon naar Philadelphia en de

omgelegen’ plaatsen, om te vernemen of daar reeds meerder gewassen

opgekomen waren dan te Rakoon en in New Jersey in ’t algemeen. Het

vogtige weder, dat wy enige dagen gehad hadden, had de wegen in lage en

kleyagtige oorden zeer slegt gemaakt.

[Afgevallen loof verbrand.]

De bladen, die den laatsten herfst afgevallen waren, bedekten den grond

ter hoogte van drie of vier duimen. Dog, daar hier door het groeyen van

het gras gehouden werd verhinderd te worden, had men de gewoonte van in

Maart deze bladeren in brand te steken. Ik vond op deze plaatsen den

grond op die wys afgebrand. Maar schoon dit in een zeker opzigt

voordelig is, doet het in een ander veel kwaads, dewyl alle de jonge

scheuten der bomen met het verdorde loof te gelyk verbrand worden, het

welk het hout grotendeels vermindert, en op zulke plaatsen, daar men

verscheiden’ jaren aan een de afgevallen bladeren verbrand had, kwam

geen nieuw hout op; zo dat als eindelyk de oude bomen werden omgehouwen

’er niets dan naakte woeste velden overbleven. Ook vernielde men op die

wys allerhande planten, of beroofde ze ten minsten van hare kragt om te

groeyen. Een groot deel der gewassen en meest alle de soorten van gras

duren hier maar een jaar, en hunne zaadtjes leggen tusschen het

afgevallen blad, met het welke zy te gelyk door ’t vuur verteerd

worden. Dit geeft ons ene nieuwe oorzaak aan de hand van de boven reeds

gewaagde algemene klagte, dat men tegenwoordig minder kruiden en minder

gras in ’t land vindt dan voorheen. Ook vernielt men dus een groot

getal dode of holle bomen, welken men anders tot brandhout had kunnen

bezigen, en dus de bosschen enigsins sparen. Behalven dat verbrandt op

deze wys ook een goed gedeelte van de bovenkorst der aarde, om van

andere nadelen niet te gewagen. Om deze redenen heeft de Regering van

Pensylvanie onlangs dit verbranden van ’t loof verboden; dog dit verbod

wierd in ’t algemeen afgekeurd, en ieder deed naar zyn goeddunken.

[Houtluizen.]

Men vond om dezen tyd ene verbazende menigte van Houtluizen in de

bosschen. Dit is een zeer onaangenaam gedierte, want zodra men op den

grond of enen omgehouwenen boom gaat zitten, kruipt ’er een heir van

luizen den mensch op ’t lyf, en kommen zonder dat men ’t merkt op het

blote lichaam. Ik heb in de Verhandelingen der Zweedsche Maatschappy

voor het jaar 1754. een breedvoerig verslag van de slegte eigenschappen

en andere byzonderheden van dit gedierte gegeven.

[Versteend hout.]

Ik ontving dien dag een stuk van versteend hout, dat men te Rakoon diep

in den grond gevonden had. In dit hout zag men de vezels en de

binnenste ringen nog zeer duidelyk. Het scheen een stuk Hikory te zyn.

[Clams.]

Men gaf my ook enigen van die Mosselschelpen welken Clams by de

Engelschen heten. Deze Clams waren niet varsch, dog van de zodanigen

welken men byna door gantsch New Jersey diep in de aarde vindt. Men

ontmoet ze levendig alleenlyk maar in het zoute water aan den zeekant,

dog dezen waren te Rakoon agt of negen Eng. mylen van de Dellaware en

byna honderd mylen van zee gevonden. Dien avond ging ik den Heer

Bartram bezoeken.

[Wespennesten.]

Twee Wespennesten hingen in enen hogen Ahorn boven het water. Zy waren

even gelyk de onzen, uitgenomen dat ze groter waren. Ieder nest was ene

halve el in ’t kruis. In elk lagen drie waschkoeken boven malkander. De

onderste was de grootste, en de bovenste de kleinste. Men zag ’er enige

eyeren in. De onderste koek was in de middlellyn zeven en een halven

duim, en de bovenste vier en een halven. De celletjes waarin de eyeren

of de jonge wespen lagen waren zeshoekig, en de kleur van het nest was

grauw. Men zeide dat de wespen deze nesten uit de pluizen maken, die

aan de oude heiningen en muren zitten. Ene donkerbruine Bye met zwarte

hoornen, twee zwarte kringen onder ’t lyf, en purpere vleugels vloog

tusschen de bomen, en behoorde misschien tot deze nesten.

[Een ander soort.]

Een ander soort van Wespen, groter dan dezen, maken hunne nesten geheel

open. Zy bestaan slegts uit enen koek, die door niets gedekt wordt, en

maar bloot tusschen de takken hangt. De celletjes zyn horizontaal; en

wanneer ’er eitjes of jonge wespen in zyn, zo heeft ieder celletje een

soort van deksel boven zig, op dat ’er de regen niet in kome. Dog waar

by onweder de oude wespen blyven weet ik niet, ten zy zy in de reten

der rotsen kruipen. De bovenzyde van den koek is met een soort van

smeer bedekt, zo dat de regen ’er niet door kan dringen. De celletjes

zyn gemeenlyk zeshoekig, vyf, zes of zeven lynen diep, en twee lynen in

de doorsnede. De Heer Bartram merkte aan dat deze nesten uit ene

twederhande stof zamengesteld waren, namelyk van de pluizen, die men op

oude tuinen vindt, en die door den wind ’er afwayen, want men ziet ’er

de wespen dikwyls zelven op zitten en die afknagen. Maar de kanten van

het deksel der celletjes bestaan uit ene zelfstandigheid uit het

dierenryk, of ene lymige stof, die de wespen opgeven of in hunne monden

bereiden; want als men deze zelfstandigheid in ’t vuur werpt, brandt zy

niet, maar wordt alleenlyk gezengd, gelyk hair of hoorn. Dog de bodem

van het nest brandt gelyk linnen of half verrot hout, en laat enen reuk

van gebrand hout na. De wespen, welker nesten ik hier beschreven heb,

hebben op het voorhoofd drie zwarte glinsterende stippen, [212] en op

het lyf ene vyfhoekige zwarte vlak. Tegens het einde van den herfst

kruipen deze wespen in de spleten der bergen, waar zy den winter

ongevoelig overbrengen. In de lente, als de zon begint kragt te krygen,

komen zy des daags te voorschyn, dog keren tegens den avond, wanneer

het begint koud te worden, weder naar hunne holen. Ik zag ze vroeg in

de lente by zonneschyn in en omtrent sommige reten in de bergen. Men

verhaalde my van een ander soort van Wespen, die hunne nesten onder den

grond maken.

[De Zwemmer.]

De Gyrinus natator of de zogenaamde Zwemmer, een waterkever, danste in

menigte op ’t water.

[Reis naar Chester.]

Den 14. in den morgen reisde ik naar Chester. Op vele plaatsen langs

den weg zyn zaagmolens, dog die ik dien dag zag hadden maar ene zaag.

Ik bemerkte ook dat de bosschen in dit oord zeer ruw behandeld waren.

Het is hier de gewoonte by het opregten van zaagmolens, koornmolens of

yzerwerken, het water een goed deel wegs naar beneden te leiden, in

geval de grond naby enen waterval niet bekwaam is voor het gebouw.

[Rakoon.]

Den 16. keerde ik weder naar Rakoon.

[Zwaluwen.]

Men heeft hier te lande vierderlei soorten van Zwaluwen, namelyk die in

de schuren, die in de schoorstenen, die onder den grond zig onthouden,

en eindelyk een soort dat de Engelschen Martins heten.

Die in de schuren zig onthouden, of de Huiszwaluwen, hebben enen

gevorkten staart. Ik vond ze op alle de plaatsen van Noord Amerika die

ik gezien heb. Zy komen met opzigt harer kleur zeer veel met de

Europische Huiszwaluwen overeen, dog ’er is enig onderscheid in het

geluid. Dit jaar lettede ik niet op wanneer zy te voorschyn kwamen; dog

het volgende zag ik ze het eerst den 10. April N. S. en den volgenden

dag ’s morgens zag ik ’er een grote menigte van op palen en planken

zitten, die zo nat waren als of zy zo uit de zee gekomen waren. [213]

Zy maken hare nesten in de huizen en onder de daken aan de buitenzyden.

Ook vond ik deze nesten op bergen en klippen, welker bovenste wat

buiten het onderste uitstak. Buiten dat nestelden zy onder de hoeken

van loodregte klippen. En dit leert ons waar de Zwaluwen voor dat de

Europers huizen hier te lande gebouwd hadden genesteld hebben; want dit

konden zy onmogelyk in of tegen de hutten der Wilden doen. Ene zeer

geloofwaardige vrouw, zo wel als hare kinderen, verhaalden my het

volgende geval, verzekerende ooggetuigen daarvan geweest te zyn. Een

paar Zwaluwen maakten haar nest in den stal dezer vrouw; het wyfje lag

eitjes en ging aan ’t broeden. Enige dagen daarna zag men het wyfje

steeds op de eyeren zitten, maar het mannetje rondom het nest vliegen,

somtyds op enen spyker zig zettende, en een droevig geluid makende,

waaruit zyn ongerustheid bleek, en by een nader onderzoek vond men het

wyfje dood op het nest en smeet het weg. Toen ging het mannetje op de

eyeren zitten, maar, twee uren daarop hebbende gezeten, en dit werk

voor hem te lastig vindende, vloog hy weg, en kwam des nademiddags met

een ander wyfje terug, dat op de eitjes ging zitten, en naderhand de

jonge Zwaluwen opbragt, tot dat zy in staat waren voor zig zelven te

zorgen. Men was het hier niet eens aangaande het verblyf der Zwaluwen

in den winter. De meeste Zweden dagten dat zy op den bodem der zee

lagen, anderen, en dit was ook het gevoelen der Engelschen en der

Franschen in Kanada, meenden dat zy in den herfst zuidwaards verhuisden

en in de lente terug kwamen. Ook ben ik voor zeker te Albany onderrigt

geworden, dat men ze dikwyls in diepe holen en reten in rotsen

gedurende den winter slapende gevonden heeft.

De Schoorsteenzwaluwen worden dus geheten om dat zy hare nesten in de

schoorstenen maken, waarin des zomers niet gestookt wordt; somtyds

zelfs storen zy zig niet aan den rook als de vuren niet te sterk zyn,

en blyven in den schoorsteen. Ik zag ze dit jaar niet dan laat in Mai,

maar het volgende jaar 1750. kwamen zy den 3. Mai te voorschyn, want zy

komen altyd later dan de andere Zwaluwen. ’T is zonderling dat elke

veder in hare staarten met ene styve, scherpe spits, byna als de punt

van enen priem eindigt. Met deze staarten hegten zy zig aan de muren

der schoorstenen vast, houden zig met de poten, en drukken den staart

tegens de stenen aan, die haar dan tot een stut dient. Zy maken den

gantschen dag een schrikkelyk geweld in de schoorstenen met op en neder

te vliegen, zo dat men somtyds zeggen zoude dat het donderde. Maar

dewyl deze Zwaluwen alleen in de schoorstenen nestelen, zo is de vraag

waar zy zig voor de aankomst der Europers hebben opgehouden, aangezien

het bekend is dat de Wilden gene schoorstenen hebben, en hun vuur op

den grond in hunne hutten leggen. Waarschynlyk is het dat zy toen hunne

nesten in holle bomen maakten. De Heer Bartram en vele anderen waren

hier van dit gevoelen. Catesby heeft deze Zwaluw beschreven en

afgebeeld, en de Ridder Linnæus noem: ze Hirundo Pelasgia.

De Aardzwaluwen vindt men overal in Amerika. Zy maken hare nesten in

den grond op de steile oevers van zeen en rivieren. [214]

Martins is de naam dien de Engelschen een soort van Zwaluwen geven,

welken Catesby ook afgebeeld heeft onder den naam van Hirundo purpurea.

Zy zyn hier zo gemeen niet als de andere soorten. Ik heb op vele

plaatsen gezien dat men buiten voor de muren kleine houten hokjes voor

haar gemaakt had om in te nestelen, want men heeft ze gaarn by de

huizen, vermits zy zodra genen havik of krai gewaar worden, of zy

zetten ze na, en waarschuwen de hoenders met haar geschreuw van de

nabyheid van derzelver vyanden. Ook verbergen zig de kiekens zodra zy

deze Zwaluwen horen schreuwen.

[Dirca palustris.]

De Zweden en Engelschen noemen de Dirca palustris Muizenhout. [215]

Deze plant stond den 17. April in vollen bloei. Te Albany noemt men ze

Lederhout, omdat de bast zo buigzaam is als leder. De Franschen in

Kanada heten ze Loodhout. [216] De Wilden die voormaals onder de Zweden

woonden, gebruiken de schors dezer plant om manden, banden, en andere

dingen van te maken. En inderdaad zy is daar zeer goed toe, ter oorzake

van hare sterkte en buigzaamheid, waarin zy den Lindenbast niets

toegeeft. De Engelschen, Hollanders, en Franschen in Noord Amerika

gebruiken dezen bast in alle die gevallen waarin wy ons in Europa van

den Lindenbast bedienen. Het hout zelf is zeer tai, zo dat zonder

behulp van een mes men niet ligt enen tak kan afbreken. Sommigen

gebruiken de takken tot roeden om de kinderen te tugtigen.

[Aardbezien.]

Den 20. April vond ik voor het eerst van ’t jaar de Aardbezien in

bloei. De vrugt is gemeenlyk groter dog minder aangenaam dan in Zweden.

[Oogsten.]

De jaarlyksche oogst wordt hier te lande altyd toereikende gehouden om

den ingezetenen van brood te voorzien, schoon de een voordeliger

uitvalt dan de ander. Een eerwaardige zeventigjarige Zweed, Aoke Helm

genaamd, zeide dat gedurende zynen gehelen levenstyd hier geen eigenlyk

gezegd miswas voorgevallen was, dog dat men altyd genoeg koorns gehad

had. Ook eet men hier altyd zuiver brood van rog, weit, koorns of mais,

en noit van minder koorn, veel minder dat met zemelen of andersins

vermengd is. Vele oude Zweden en Engelschen bevestigden dit zeggen, en

zeiden dat het hun niet heugde dat oit de oogst zo slegt was

uitgevallen dat ’er het gemeen gebrek door geleden had, veel minder dat

’er oit een hongersnood geweest was. Somtyds steeg wel de prys der

granen het ene jaar hoger dan het andere, het geen door al te grote

droogte, of slegt weder veroorzaakt werd, dog ’er was egter altyd

koorns genoeg voor de noodwendigheden van het volk. Ook is het niet

waarschynelyk dat ’er hier te lande oit een grote hongersnood kome ten

zy het Gode behagen mogt dit Land op ene byzondere wys te bezoeken.

Want door ene meer dan zestigjarige ondervinding heeft men de

gesteldheid van het weder grondig leren kennen. Men heeft hier gene

koude nagten die het jonge graan beschadigen konnen. De regens houden

zelden lang aan, en zo is het ook met de droogte. Maar vooral doen hier

zeer veel de menigerlei soorten van koorn toe, die men hier teelt, en

op onderscheiden’ tyden zait, zo dat als het een kwalyk uitvalt het

ander gemeenlyk wel slaagt. De zomer is zo lang dat men van sommige

soorten van graan drie oogsten heeft. Nauwlyks is ’er ene maand van Mai

tot November ingesloten toe waarin men niet het ene of andere graan of

sommige vrugten inzamelt. Het zou zekerlyk een grote ramp wezen indien

de oogst hier niet wel opnam, want men legt hier, gelyk op vele andere

plaatsen, genen voorraad op, en houdt zig te vrede met voor het

tegenwoordige genoeg te hebben.

[Persikebomen.]

De Persikebomen stonden nu overal in bloei; de bladen waren nog niet

uit, en dus stonden de bloemen des te schoonder, doende hare bleek rode

kleur ene voortreffelyke uitwerking, en zy zaten zo digt op een dat de

takken ’er geheel van bedekt schenen. De andere vrugtbomen waren nog

niet aan ’t bloeyen, alleen begonnen de Appelbloeisems zig te vertonen.

[Currants.]

Currants is de naam dien de Engelschen [217] en Zweden aan enen struik

geven die op natte gronden, digt by poelen wast, en nu bloeide. De

bloemen zyn wit, ruiken wel, en zitten aan langwerpige trossen. De

vrugt is goed om te eten als zy ryp is. De Stylus is draadagtig en

korter dan de Stamina. In ’t midden is hy in vyf delen of Stigmata

verdeeld. Gronovius noemt deze plant Mespilus, en Linnæus Cratægus.

[De Caprimulgus.]

Reis door Noord Amerika · 第 24 / 50 段