Omtrent het weder was de oude man van gevoelen, dat het byna het zelve

sedert dien tyd was gebleven; dat ’er nu zo veel stormen komen als

voorheen; dat de zomers nu somtyds heter, somtyds koelder zyn dan voor

dezen; dat de winters al even lang en koud zyn als in zyne jeugd, en

dat ’er dikwyls ruim zo veel sneuw valt als in de verledene tyden. Dog

hy dagt dat ’er geen winter in koude by dien van 1697. halen konde;

want toen lag de Dellaware zo dik met ys, dat hy ’er verscheiden

geladen’ wagens met hoi overbragt naar Christina, en dat men ze zelfs

nog lager met sleden konde overryden. Hy wist niet dat ’er oit enig vee

dood gevroren was, uitgenomen in later tyden enig mager vee en dat gene

stallen had. Ook regent het des zomers nog meer nog minder dan het

plegt, uitgenomen dat in de laatste jaren de zomers wat droog geweest

zyn. Ook kon hy gene vermindering bespeuren in de wateren van rivieren,

poelen en plassen. Hy gaf het als ene bekende zaak op, dat men overal

byna in ’t graven van putten oesterschelpen diep in de aarde vond.

[Koortsen.]

Hy meende ook dat de afgaande koortsen voorheen even gemeen en geweldig

geweest zyn als nu, dog dat zy zo gemeen niet schenen omdat ’er minder

menschen waren. Hy had die koorts al gehad eer hy nog volwassen was. Hy

kreeg ze in den zomer, en hield ze tot het einde der volgende lente, en

dus omtrent een jaar, dog zonder dat zy hem belettede binnens of

buitens huis zyn werk te doen. Maar de borstontstekingen waren ver na

zo gemeen niet als nu. In ’t algemeen waren de menschen in dien tyd

zeer gezond.

Enige jaren geleden had zyn gezigt zo afgenomen dat hy een bril had

moeten gebruiken. Daarop overviel hem ene koorts, die zo geweldig was

dat hy vreesde niet optekomen. Egter herstelde hy, kreeg nieuwe

kragten, en was naderhand in staat zonder bril te lezen.

[Vorige Levenswys der Zweden.]

De huizen die de Zweden in ’t eerst bouwden waren zeer slegt. Het

gehele huis bestond uit ene kleine kamer, de deur was zo laag dat men

bukken moest om ’er door te gaan. By gebrek van glas moesten zy zig

behelpen met gaten in den wand, daar een houten schuif voor was. Zy

vonden geen mos, of ten minsten geen dat bekwaam was om de reten in de

wanden te stoppen. Dus waren zy genoodzaakt dezelven met klei van

binnen en van buiten te bepleisteren. De schoorstenen wierden in enen

hoek gemaakt van grauwen steen, of op plaatsen daar geen steen te

vinden was maar alleen van klei. De bakovens waren ook in de kamer.

Voor de aankomst der Engelschen hadden de Zweden stallen voor hun vee,

dog naderhand lieten zy ook na die te maken.

[Kleding.]

Voor dat de Engelschen zig hier nederzetteden konden de Zweden zo veel

klederen niet krygen als zy van noden hadden, en moesten zig behelpen

zo goed als zy konden. De mans droegen vesten en koussen van vellen.

Hoeden waren niet in gebruik, en men droeg kleine mutsen van voren met

kleppen. De schoenen maakten zy zelven, want sommigen hadden geleerd

het leder te bereiden en schoenen met hakken te maken; maar zulken die

geen schoenmakers van ambagt waren, namen de lengte van hunne voeten,

en naiden daarna het leder aan een, schikkende een stuk voor de zool,

een voor de agterstukken, en een voor het bovenste. Ook zaiden zy vlas

en weefden linnen. Hennip hadden zy niet, dog zy bedienden zig van vlas

of wilden hennip om vischwant te maken. De Vrouwen gingen in jakken en

rokken van vellen. De bedden, uitgenomen de lakens, waren van

beestehuiden, als van beren, wolven en diergelyken.

[Spyzen.]

Koffi, thee, chokolaat, hier nu zo gemeen in ’t gebruik, waren toen

onbekend. Het ontbyt was brood en boter, en ander voedzaam eten. Suiker

en syroop hebben zy zo lang hem heugde genoeg gehad, en de rum was

voorheen beter koop dan nu.

[Gebruiken.]

Uit het berigt dat my de oude Gustafson gaf maakte ik op, dat men hier

voor de aankomst der Engelschen de gebruiken van Zweden volgde, dog

sedert zyn allengskens de Engelsche gewoontens ook by de Zweden

doorgedrongen. Toen hy nog een kind was, waren ’er twee Zweedsche

smids, die bylen, messen, seissen, en ander werk op zyn Zweedsch

maakten, en hun werk was scherper dan hier nu kan gevonden worden. De

bylen nu in ’t gebruik zyn op de Engelsche wys gemaakt, breed van yzer

en met enen smallen steel. De meeste Zweden maakten gebruik van baden

gemeenlyk alle zaterdagen. Zy vierden de kersmis met allerhande spelen

en geregten van eten en drinken, volgens de gewoonte van Zweden; dit

alles is nu meest buiten gebruik. In de jeugd van den ouden man maakte

men hier een byzonder soort van karren of wagens. Zy zaagden dikke

stukken van Liquidambar, en gebruikten ’er twee tot voor- en twee tot

agterraden. Met deze wagens reden zy hun hout naar huis. In hunne

sleden is weinig verandering gekomen. Timmerhout en stammen wierden

naar huis gesleept. Zy bakten, even als nog, grote broden, dog hadden

zelden bischuit.

De Engelschen hebben by hunne aankomst den Zweden zeer aanzienlyke

streken lands tot enen geringen prys afgekoft. Zyn Vader verkoft aan de

Engelschen voor een varken, ene koe en honderd kawoerden, een stuk

lands dat nu wel driehonderd pond waard is.

Met opzigt tot het afnemen van visch en gevogelte was de oude man

volkomen van het zelve gevoelen dat ik reeds opgegeven heb. Dusdanig

een berigt gaf hy my aangaande den ouden toestand der Zweden hier te

lande.

[Orkanen.]

De Orkanen zyn hier somtyds zeer geweldig, en rukken zware bomen uit

den grond. Zy lopen somtyds als in zekere regte streken. Waar zy vallen

werpen zy alle de bomen omver, zo dat het ’er uitziet als of de

bosschen met opzet waren geveld, dog vlak daar naast staan de bomen

onbeschadigd. Zulk ene plaats is my aangewezen geworden. Het is zeer

gevaarlyk in de bosschen te zyn waar een orkaan woedt, want de bomen

vallen zo plotslings, dat men den tyd niet heeft zig te bergen.

De Pensylvanische Abeel stond nu in vollen bloei. Dog vertoonde al zo

weinig nog zyn blad als het overige geboomte.

[Vrugtbaarheid des gronds.]

Een oude Landman berigtte dat men gemeenlyk voor ene mate gezaide Rogge

twintig maten terug ontving, en dertig van de Garst. Maar dan moest de

grond wel bereid wezen. De Weit gaf omtrent zo veel weerom als de

Rogge. De grond was een mengsel van klei, zand en zwarte aarde.

Tegens den avond keerde ik van den ouden Nills Gustafson naar huis.

[Zwarte Kever.]

Den 28. Maart vond ik enen zwarten Kever [205] met een vyfhoekig

eivormig schild, enen dikken stompen hoorn, en een bultig lichaam. Deze

is een van het dikste soort dat men hier vindt. Ik vond hier en daar

gaten op de hoogtens zo wyd dat ik ’er myn vinger in steken kon. Als ik

ze opgroef vond ik altyd deze kevers onder in leggen, omtrent vyf

duimen diep. Somtyds waren ’er korte witagtige wormen in, omtrent zo

dik als een vinger, leggende nevens den kever; misschien is het het

zelve dier. Ook waren ’er nog andere Insekten in die gaten, als

veldkrekels, spinnen en anderen. Deze kever rook volkomen als het

Trifolium melilotus cærulea. Hy was geheel bedekt met langwerpigronde

en bleke myten. [206] Zyn poten waren al zo dik als die van den

Mistkever. [207]

[Een ander.]

Den 4. April vloog ’er overal langs het veld een Cicindela of

ligtgevende Kever, met een goudgroenen kop, lyf en poten, en

blauwgroenen buik. Hy is zeer gemeen in Noord Amerika, en schynt ene

verscheidenheid te zyn van de Cicindela campestris.

Een soort van Watermuggen [208] huppelden in menigte op ’t water, dat

niet sterk afliep. Ook zagen wy enen pekzwarten Waterkever [209]

zwemmen.

[Verandering in den staat des Land,]

Omtrent zestig jaar geleden was dit Land byna geheel met grote zware

bomen bedekt en de poelen waren vol waters. Dog weinige andere oorden

hebben zo schielyke verandering ondergaan als dit Land. De bosschen zyn

op de meeste plaatsen omgehakt, de poelen door afleidingen droog

gemaakt, het land is bebouwd, en in koornakkers, weilanden, en

diergelyken veranderd. Dus schynt het dat ene zo schielyke verandering

ook invloed op het weder hebben moet. Ik onderzogt deze zaak by de oude

lieden, die alle deze veranderingen gezien hadden; en zy gaven my dit

eenparig berigt.

[en het Weder.]

De winter kwam voorheen vroeger dan tegenwoordig. De Heer Isaac Norris,

een ryk koopman, die veel deel had in de bestiering van Pensylvanie,

bekragtigde dit met ene byzonderheid. Zyn vader, een van de eerste

Engelsche Kooplieden in dit Land, had lang opgemerkt, dat de Dellaware

in zyne jeugd gemeenlyk half November O. S. reeds toelag, zo dat de

Kooplieden hunne schepen voor dien tyd de Rivier moesten doen afzeilen,

uit vrees van ’er te moeten overwinteren. Tegenwoordig raakt zy niet

toe dan ene maand later.

Ook sneuwde het veel vroeger voor dezen dan nu. Dog het weder was ook

meer standvastig, en als het eens begon te vriezen duurde het gemeenlyk

tot het einde van Februari of tot in Maart O. S. wanneer het gemeenlyk

begon warm te worden. Tegenwoordig is het warm den dag dikwyls na de

gestrengste koude, en somtyds verandert het weder verscheiden malen op

enen dag.

De meeste oude lieden waren van mening, dat de lente tegenswoordig veel

later aankwam dan voorheen, en dat het nu veel kouder was in ’t laatst

van Februari en in de gehele maand van Mai dan in hunne jeugd, toen

reeds in ’t laatst van Februari het land al zo groen was als nu in ’t

laatst van Maart en ’t begin van April O. S. De Zweden zeiden toen,

Pask bitida, Pask sent, altid Gras, “Paaschen vroeg, Paaschen laat,

altyd gras.” Maar misschien kan men op deze wys verklaren, hoe het komt

dat die oude lieden zig verbeeldden dat toen alles vroeger aankwam. Het

vee was toen zo talryk niet als nu, en de bosschen waren vol van gras,

dat tot een mans lengte groeide. Tegenwoordig wordt het gras, dat maar

een jaar duurt, alle jaren door het gedurige weiden van het vee

vernield. Nu was het waarschynlyk dit maar een jaar durend gras dat

vroeg in de Lente groen was, en dat nu weg zynde moet de menschen doen

denken dat alles voordezen vroeger aankwam dan tegenwoordig.

Ook zou het, volgens hun zeggen, voorheen meer geregend hebben dan

tegenwoordig, vooral in den herfst, wanneer het dikwyls bezwaarlyk was

van wegen de regenvlagen het hoi en ’t koorn binnen te brengen. Enigen

van de laatste jaren zyn zeer droog geweest. Evenwel waren sommigen van

mening dat het tegenwoordig al zo veel regende als voorheen. Dog alle

de oude lieden stemden daarin overeen, dat in hunne jeugd het weer zo

veranderlyk niet was als nu; want nu is het gehele jaar door de ene dag

zeer heet en de volgende dikwyls zeer koud. Veeltyds verandert het

verscheiden’ malen op enen dag, zo dat, wanneer het ’s morgens vry warm

is geweest, de wind om tien uur noordwest is en koude aanbrengt, en

dikwyls is het dan kort na den middag weder warm. En deze

veranderlykheid van het weder, denkt men, is oorzaak dat de menschen

tegenswoordig niet zo gezond meer zyn als voorheen.

[Koude winter.]

Hierin waren zy ’t allen eens, dat de winter tusschen 1697. en 1698. de

koudste was geweest, dien zy oit gevoeld hadden.

[Bloeyende planten.]

Den 7. April stonden de Sanguinaria Canadensis, hier de Bloedwortel

genoemd, om dat de wortel groot, rood, en doorgesneden zynde gelyk onze

rode beet is, en de Epigæa repens, die sommigen den Kruipenden

Grondlaurier noemen, op ’t bloeyen. De eerste wies in ene vette aarde,

de andere op wat minder gronden.

De Laurus æstivalis, by sommigen hier Spice-wood geheten, begon ook te

bloeyen, dog de bladen kwamen nog niet uit. Hy vorderde ene natte aarde

in de bosschen.

[Wilde hennip.]

Het Apocynum Cannabinum of het Hennip der Wilden, gelyk het de Zweden

noemden, wies menigvuldig op verlopen koornakkers, in de bosschen, op

de hoogtens, en opene plaatsen. De Wilden bedienden zig van dat gewas

gelyk de Europeanen zig van het Hennip doen, want men kan den steel

gemakkelyk tot draden maken. Toen de Wilden nog onder de Zweden in

Pensylvanie en New Jersey woonden, maakten zy ’er touwen van, welken de

Zweden van hun koften, en tot tomen en vischnetten gebruikten.

Gemeenlyk kregen zy ’er negen vaêm van voor een brood. Velen van de

Europers kopen nog van dat touw, om dat het zo duurzaam is. Nog maken

de Amerikanen ander lynwaad van dit hennip. Op myne reis door het Land

der Iroquoizen zag ik ’er de vrouwlieden aan werken. Zy gebruikten gene

spinnewielen, maar draiden op haar blote lyf ’er draden en strengen

uit, die zy rood, geel, zwart of anders verwden, en maakten daar

vervolgens hare stoffen vry konstig van. De plant schiet van jaar tot

jaar uit den wortel op, en behoeft dus niet jaarlyks op nieuws gezaid

te worden. Uit den steel en den wortel komt een wit melkagtig sap, dat

enigsins vergiftig is. Somtyds bestaat het vischwant der Amerikanen

alleen uit dit hennip. Dog de Europeanen weet ik niet dat ’er

tegenwoordig gebruik van maken.

[De Typha latifolia.]

Flax, en ook Cat-tail, noemde men ene plant die in bayen, rivieren en

diepe draikolken wast. [210] Men vlegt de bladen t’zamen en maakt ’er

kranssen van, die men tusschen de manen en den hals der paarden hangt,

om voortekomen dat de hals van den toom geschaafd worde. Ook maakte men

’er stoelzittingen van. Voorheen gebruikten de Zweden het katoen dat om

het zaad zit in plaats van veders in de bedden; dog het gaat na enigen

tyd tot klompen in malkander zitten, en om deze reden is men ’er van

afgescheiden. Ik spreek niet van het nut dezer plant in de Geneeskonst,

het welk ik den artsen overlate.

[De Garlick.]

Een soort van Look, zeer gelykende naar dat het welk in Zweden alleen

in de bosschen op de hoogtens wast, groeit hier byna op alle de

koornakkers in overvloed. De Engelschen noemen het Garlick. [211] Als

de koeyen ’er van aten was haar boter en melk zo sterk, dat men ze

nauwlyks eten kon. Somtyds verkoft men op de markt te Philadelphia van

die boter, die oneetbaar was van wegens haren sterken smaak. Om die

reden belet men de melkkoeyen op landen te grazen daar de Garlick veel

wast. Ook krygt het vleesch der beesten enen onverdraaglyken smaak als

zy ’er des zomers veel van eten. De Garlick komt vroeg in ’t voorjaar

aan. De paarden proeven ’er noit van.

[Een ander Werk beloofd.]

Het zoude myn Dagregister al te zeer doen uitdyen indien ik den tyd

wilde aantekenen wanneer alle de wilde planten in dit Land bloeyen,

wanneer zy ryp worden, en welke gronden zy vereischen en diergelyken.

Ook zou dit velen myner Lezers weinig smaken. Om deze reden bewaar ik

dat alles voor een ander Werk, waarin ik alle de gewassen van Noord

Amerika beschryven zal; in dit Werk zal ik alleen van zulke bomen en

gewassen spreken, die om enige byzonderheid merkwaardig zyn.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

* * * *

* * *

* *

*

REIS DOOR

NOORD AMERIKA,

GEDAAN DOOR DEN HEER

PIETER KALM,

Professor in de Huishoudingskonst op

de Hoge School te Aobo, en Medelid der

Koninglyke Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen.

Vercierd met koperen Platen.

TWEDE DEEL.

Te UTRECHT.

By J. VAN SCHOONHOVEN en Comp.

EN

G. van den BRINK Janz.

MDCCLXXII.

VOORREDEN VAN DEN VERTALER.

Zie hier het Twede Deel der Reize van den Heer Kalm, volgens belofte

het Eerste ten spoedigsten volgende. Dit Deel bevat des Reizigers

opmerkingen sedert den 12. April 1749. tot in October van dat jaar toe,

gedurende welken tyd hy New Jersey, Pensylvanie, New York en Kanada,

bezogt heeft, trekkende door New Jersey en New York langs de Rivier

Hudson naar Albany, en van daar, door ene vry woeste landstreek henen,

naar Montreal en Quebec in Kanada, welk gewest toen nog in de magt der

Franschen was.

Dit is alles wat wy tot nog toe den Neder Duitschen Lezer van deze

schone Reisbeschryving kunnen mededelen. Schoon de Heer Kalm tot de

maand Februari van het jaar 1753. in Amerika vertoefde, gedurende

welken tyd van veertien maanden hy nog vele togten in dat werelddeel

gedaan heeft, gelyk men uit onze Voorreden voor het Eerste Deel

geplaatst zien kan, is ’er, zo veel wy bewust zyn, nog niets aangaande

het overige van zyne Reis in ’t ligt gegeven. Zeer verlangen wy naar de

gelegenheid om het zelve onzen Landsgenoten te kunnen mededelen, en

zullen zo dra ons die gegeven wordt, met alle vlyt en nauwkeurigheid,

onze pogingen aanwenden, om de liefhebberen in staat te stellen de

uitmuntende aanmerkingen van onzen wysgerigen Reiziger, over een land

gemaakt dat zo zeer de aandagt van het gemeen tot zig getrokken heeft,

en ’t welk nog zo onvolmaakt beschreven is, in onze taal te leren

kennen. Ondertusschen, al kwam het vervolg dezer Reisbeschryving noit

in ’t ligt, blyft het werk zo ver het nu uitgegeven is altyd een werk

op zig zelf geheel, en verdient de aanmerking van alle kenders en

liefhebbers der Natuurlyke Historie zo wel als van fraye en nuttige

Reisbeschryvingen.

Wy eindigen deze Voorreden met den Lezer te verzoeken van de

Drukfouten, die, in weerwil van alle aangewende moeite, der

nauwkeurigheid van hem die de Proeven heeft nagezien ontsnapt zyn,

goedgunstiglyk te willen verschonen, en de drie volgenden, die in ’t

Eerste Deel van belang zyn overgebleven, dus te verbeteren.

Bladzyde 14. Regel 32. wordt de legging van Philadelphia gesteld op de

breedte van 29. gr. en omtrent 50. min. N., lees daarvoor op de breedte

van 39. gr. en omtrent 50. min. N.

Op bladz. 21. reg. 32. staat naast aan de brug, lees daarvoor naast aan

de kai.

Op bladz. 117. reg. 23. staat vrienden in New York, lees vrienden in

Duitschland.

LYST DER INTEKENAREN.

Aalst (Mejuffr. de Wed. ... van) in ’sHage.

Aalmes (...) Te Rotterdam groot, Papier.

Abbekerk Tromp (Florus) Borgemeester en Raad der Stad Hoorn.

Abrahams (W.) Boekverkoper te Middelborg, 2 Exemplaren.

A. K.

Alphen (Mr. D. van) Griffier der Stad Leyd.

Alphen (Mr. Hieronymus van) te Utrecht.

Avink Junior (Theodorus.)

Baalde (S. I.) Boekverkoper te Amsterdam 20 Exempl.

Baalde (Pieter) oud Schepen der Stad Rott.

Baalen (I.) te Dordrecht.

Baerstecher (...) Boekverkooper te Cleef, 2 Exempl.

Baerselman (Marcellus) S. Min. Cand. te Amsterdam.

Barels (I. M.) J. U. D. te Amsterdam.

Beerthuyzen (H.) te Utrecht.

Beest (P. van) te Dordrecht.

Bergman (Cornelis) Boekv. te Amsterdam.

Biesterbos (Jan) Mr. Beeldhouwer te Amst.

Billborg (C. F.) te Amsterdam.

Bleeker (Daniel) te Amsterdam.

Bles (M.) Heere van Moergestel te ’s Bosch.

Blussé en Zoon (Ab.) Boekvs. te Dordrecht.

Boddaerd (P.) M. D. Oud Raad der Stad Vlissingen en Lid van verscheide

Geleerde Genoodschappen enz. te Utrecht.

Bogaard (...) te Leyden.

Bogaerd (Hermanus van den) Coopman te Leyden.

Bois Hoolewerf (Isaak du) Oud Schepen en Raad der Stad Alckmaar.

Bokkenberg (Johannes) te Amsterdam.

Bold (I.) Boekv. te Groningen, 4 Exempl.

Bolte (Gerrit) te Deventer.

Bom (G.) Boekverkoper te Amsterdam.

Bonn (A.) Professor Med. et Anat. te Amst.

Boom (Mejuffr. Catharina) Geb. van Drunen te Middelburg.

Boonen (Mr. D.) Borgem. der Stad Harderw.

Boreel Jansz. (Mr. Jacob) Raad en Advoct. Fiscaal in de Admiraliteit te

Amsterd.

Bosch (Jan) Boekv. te Haarlem, 3 Exempl.

Bosch (Jacobus) Boekverkop. te Rotterdam.

Bosch (Jan Servaas) Boekverk. te Utrecht.

Bosch (J. C. ten) Boekv. te Utr. 10 Exempl.

Bosch (W. van den) te Amsterdam.

Bosch (Reyer van den) te Amsterdam.

Bosch (Dirk van den) te Ysselsteyn.

Bosvelt (Mr. ...) in ’sHage.

Braam (P. van) Boekverkoper te Dordrecht, 2 Exemplaren.

Bractearius (Abraham) Notaris te Amsterd.

Brakenburgh (Albert) te Alckmaar.

Brink (Rudolph Arend ten) Predicant te Amsterdam.

Brink Jansz. (G. van den) Boekverkoper te Utrecht 17 Exempl. voor

verscheiden.

Brink (Jan van den) Horologiemaker te Parys.

Broes (P.) Predicant te Amsterdam.

Broes (Anthony) te Amsterdam.

Bronckhorst (Mr. Adriaan van) Raad in de Vroedschap der Stad Utrecht.

Brughman (Johannes) Clerq in de Stads Bank van Leeninge in ’sHage.

Bruin (I. de) te Dordrecht.

Bruyn (Petrus de) Apotheker te Utrecht.

Bruyn (M. de) Boekv. te Amsterd. 7 Exemp.

Bruyn (Joris) te Amsterdam

Buma (Wybe) te Sneek.

Burgh (I. van der) Boekv. te Amsterdam.

Busch (L.) Makelaar te Amsterdam.

Cambier (Mr. Jacob) Kanonik in ’t Capittel van St. Pieter te Utrecht.

Capellen (de Hoog Wel Gebooren Heer R. J. Baron van der) Heer van de

Marsch en Lashmer, Lid der Edelen en Ridderschap des Graafschaps

Zutphen.

Chastelain (Mr. C. P.) te Leyden, best Papier.

Cleef (Pieter van) Boekverkoper in ’sHage 3 Exempl.

Cocq (Cornelius) Med. Candid. te Leyden.

Conradi (Petrus) Boekverk. te Amsterdam.

Corbach (T. S. van) te Amsterdam.

Corbelyn (Thomas) Boekverk. te Vlissingen.

Coster (P.) Secretaris van Tilborg en Goirle.

Craeyvanger (Cristiaan Engelbert) te Amsterdam.

Cramer (Hendrik Willem) Coopman te Amsterdam.

Cramer (I. H.) Boekverkoper te Bremen.

Daalen (N. van) Boekverkoper in ’sHage 3 Exemplaren.

Dahlberg (C. G.) te Amsterdam, best Pap.

Damme (Pieter van) Directeur van het Zeeuwsche Genootschap der

Wetenschappen te Vlissingen, Lid van de Koninglyke Gottingsche

Maatschappy der Wetenschappen, als mede van de Keurvorstelyke

Maatschappy der Wetenschappen in Saxen, te Amsterdam.

Damme (I. H. van) Boekverkoper te Leyden 2 Exemplaren.

Dedel (Jan Hudde) Borgemeester in ’sHage.

Demter (F...) Boekverkoper te Amsterdam, 4 Exemplaren.

Dielen (Mr. W. I. B. van) te Utrecht.

Does (Adriaan van der) Capitein ter Zee ten dienste dezer Landen.

Dokkum (R. v.) Predicant der Doopsgezinde Gemeente te Huyzen.

Dominicus (Dignus) Secretaris te Yersike.

Doornick (M. van) Lid der Geswoore Gemeente der Stad Deventer.

Dornseiffer (I. S.) Hoog en Nederduische Boekverkoper in ’sHage, 2

Exemplaren.

Dreyhaupt (C. I.) J. U. Stud. te Amsterdam.

Drunen (I. I. van) Lid van het Zeeuwsche Genootschap der Wetenschappen

te Vlissingen en Predicant te ’sBosch.

Dusart (H.) Heere van Noordgouwe Secretaris &c. te Ooltgensplaat.

Dumas (...) te Alphen.

Duuren (De Hoog Wel Gebooren Heer D. van) ordinaris Gedeputeerde der

Staaten van Overyssel en Regeerend Borgemeester te Deventer.

Duvelaar (Mr. Abraham) Vryheer van Duinbeek, Gedeputeerde ter

Provintiaale Reekenkamer des Graaflykheids van Zeeland wegens

Middelborg, Bewindhebber der West-Indische Compagnie ter Kamer Zeeland.

Dyk (Jan van) te Amsterdam.

D. W. V. M. Te Dordrecht.

Eck (I. A.) Predicant te Amsterdam.

Eelde (Mr. K. M. van) te Utrecht.

Eichhorn (A.) Boekverkoper te Amsterdam.

Endt (Ary van der) te Rotterdam.

Engelbert (E. M.) Predicant te Hoorn.

Engelberts (G. H.) te Amsterdam.

Entrop (P. I.) Boekv. te Amsterd. 4 Exemp.

Essen (Joh. Luiscius van) Courant. te Delft.

Eys (I. P. van) Regeerend Schepen der Stad ’sBosch.

Faille (Cornelis de la) Coopman in ’sHage.

Falmouth (...) te Utrecht.

Feith (Mr. Rhynvis) te Zwolle.

Focking Junior (Cornelis) te Amsterdam.

Fouw (Leonard de) Notaris en Procureur te Goes.

Floryn Math. (Jacob) te Rotterdam en Examinateur der Zee Officieren by

’t Ed. Mog. Col. ter Admiraliteit aan de Maaze.

Franeke (Andries Pieter) te Middelburg.

Gaillard (Johannes) Boekverkoper in ’sHage, 3 Exemplaren.

Gartman (H.) Boekverkoper te Amsterdam.

Gildemeester (Mr. Daniel) te Amsterdam.

Gillissen (Pieter) Boekverkoper te Middelburg, 6 Exemplaren.

Gobius (Adriaan) S. S. Th. Stud. te Utrecht.

Goor (A. van) Boekverkoper te Amsterdam.

Gorcum (...) Raad in de Vroedschap en Borgemeester te Woerden.

Gorter (David de) Med. Doct. Oud Proffessor en Geweeze Lyf-Artz van

hare Ruskeizerlyke Majesteit &c. &c. te Wyck.

Grenier Verwout Noviret (Mr. David) Schepen en Raad te Middelborg.

Groenewold (A.) Boekverk. te Groningen.

Gronovius (Mr. Laurentius Theodorus) Raad en Schepen der Stad Leyden,

best papier.

Guerin (C. N.) Boekverkoper te Amsterdam.

Guillod (Bernardus) te Amsterdam.

Haakman (Izaak) te Amsterdam.

Hagen (Nicolaas van der) te Goes.

Habelius (Augustinus Segius) te Haarlem.

Hahn (Johan David) Med. Doct. en Professor te Utrecht, best papier.

Harreveld (E. van) Boekverk. te Amsterd.

Hemeryk (Jan) te Zierikzee.

Hennert (Dr. Johannes Fredericus) Mathes. & Astronom. Professor te

Utrecht.

Henskes (W.) Kanonik van Oud Munster te Utrecht, best papier.

Heuvel (Mr. Hendrik Hermanus van den) Griffier in den Ed. Hove van

Utrecht.

Hey (V. D.)

Hoebe (Johannes) te Amsterdam.

Hoevenaar (Adolph Adriaan) te Rotterdam.

Holswilders (G.) te Amsterdam.

Hooft (Jacobus) te Haarlem.

Houten (Jan ten) Boekverkop. te Amsterd.

Houttuyn (de Erven van F.) Boekverkoper te Amsterdam, 2 Exemplaren.

Hovendaal (Martinus) te Rotterdam.

Hovy (Lodewyk) te Amsterdam.

Hubert (Herman) Predicant te Amsterdam.

Huisingh (Lubbartus) Boekverkoper te Groningen, 12 Exemplaren.

Huydecoper (Willem) te Utrecht.

Huysman (Jacobus) Boekverkoper te Goes.

Huysteen (I. van) te Amersfoort.

Huyzer (I. C. de) Konst Graveur te Amsterd.

Jong (P. de) Drossaard van Vlierden en Secretaris te Vechel.

Jordens (C. A.) Lid der Geswoore Gemeente der Stad Deventer.

Josse (Benjamin) Stads Chirurgyn te Haarl.

Kaecks (Izaak) te Deventer.

Reis door Noord Amerika · 第 23 / 50 段