By de eerste aankomst der Zweden in dit Land was het vol van

Amerikanen. Toen de Europers het land begonnen te bebouwen, verkoften

het hun de Wilden, en trokken meer landwaards in. Egter was het het

kleinste gedeelte van hun dat op deze wys hun vaderland verliet, de

meesten kwamen in het zelve om, ’t zy door oorlogen onder malkander, ’t

zy door de kinderpokjes, ene ziekte waaraan zy voor dien tyd gene

kennis hadden, dog die sedert ene ongelooflyke menigte van hun heeft om

hals gebragt. Want schoon zy middelen weten om wonden te helen, weten

zy met koortsen en andere ziektens niet omtegaan. Men kan zig

verbeelden hoe kwalyk zy de kinderpokken behandelden, daar, zodra de

uitslag zig openbaarde, zy naakt in de rivier of een meer sprongen, of

anders het koude water zig over ’t hoofd wierpen, om de hette der

koorts te matigen. Ook dompelen zy hunne kinderen die de pokjes hebben

in koud water. [203] Dog de brandewyn heeft de meesten omgebragt. Na

dat de Amerikanen dezen drank van de Europers gekregen hebben, konden

zy ’er noit genoeg van vinden. Nauwlyks kan men ergens meer opgezet zyn

dan een Amerikaan op brandewyn. Ik heb ze horen zeggen, dat zig daaraan

dood te drinken was enen roemryken dood te sterven. En inderdaad velen

hebben zig dood gezopen.

[Hun voedsel.]

Het voedsel dezer menschen was zeer onderscheiden van dat van de

overige bewoonders van den aardbodem. Weit, rog, garst, haver, ryst,

was hun alles onbekend; zo was het ook met vele soorten van de vrugten

der oude wereld. De Mais, enige soorten van bonen en kawoerden, maakten

al den akkerbouw der Wilden uit; en honden waren hun enige huisdieren.

Hun landbouw kon hun nauwlyks twee maanden van het jaar den kost

verschaffen, de jagt en visschery moesten, en moeten nog, het

voornaamste onderhoud aan deze menschen bezorgen, behalven nog enige

planten en vrugten die in ’t wild wassen. Sommigen van de oude Zweden

waren nog in leven, die in hunne jeugd met de Wilden omgang gehad en

hunne huishouding van naby nauwkeurig gezien hadden. Ik was begerig de

wilde gewassen te kennen die deze menschen gewoon waren te gebruiken,

en ik kreeg van hun het volgende bescheid.

[Hopnis.]

Hopnis of Hapnis was de naam dien zy aan een wild gewas gaven, dat zy

aten. De Zweden noemen het nog zo; het wast in de weiden op enen goeden

grond. De wortels gelyken naar de Potatoes, en wierden gekookt zynde in

plaats van brood gegeten. Sommige Zweden volgden in dien tyd dat

voorbeeld by gebrek van brood. Nog gebruiken ze sommige Engelschen in

plaats van Potatoes. De Heer Bartram verhaalde my dat de Wilden verder

binnens lands niet alleen deze wortelen, die ruim zo goed als de

Potatoes zyn, eten, maar zelfs de erwten, die in de zaadhuisjes der

plant zitten, als gemene erwten bereiden en gebruiken. Linnæus noemt

deze plant Glycine Apios.

[Katnis.]

Katnis is een ander gewas, welks wortels de Amerikanen insgelyk aten.

De Zweden noemen het nog met dien Amerikaanschen naam. Het wast op

lage, modderige, natte gronden. De wortel is langwerpig, gemeenlyk

anderhalven duim lang, en in ’t midden enen duim en een vierde breed;

dog sommigen zyn wel als vuisten. De Wilden kookten of braadden ze

onder de asch. Sommige Zweden aten ze ook in dien tyd met veel smaaks,

dog tegenwoordig gebruiken zy niet meer. Een man van eenennegentig

jaar, genaamd Nills Gustafson, verhaalde my, dat hy dikwyls een kind

zynde deze wortels gegeten had, en dat hy ze wel mogt. Hy deed ’er by,

dat de Wilden, vooral de vrouwen, naar de Eilanden zelfs trokken om die

wortelen optegraven, en dat als zy die hadden zy naar geen ander

voedsel verlangden. Men zeide dat de varkens, die zeer op deze wortelen

gesteld zyn, dezelven zeer schaarsch gemaakt hebben. Het vee houdt veel

van ’t blad. Ik heb naderhand enigen van die wortels gebraden geproefd,

zy smaakten wel dog wat droog, omtrent zo als de Potatoes. De Wilden

geven ook onze rapen den naam van Katnis. De Katnis is ene

verscheidenheid van de Zweedsche Sagittaria Sagittifolia; alleen is de

wortel in Amerika groter. De Heer Osbek berigt, in zyne Reis naar

China, dat de Chinezen ene Sagittaria planten, en de wortels eten. Dit

schynt duidelyk ene verscheidenheid van de Katnis. Verder noordwaards

in Amerika vond ik de Zweedsche Sagittaria.

[Taw-ho.]

Taw-ho of Taw-him was ene andere plant, welker wortel de Wilden aten.

Sommigen noemen ze ook Tukkah, dog de meeste Zweden kenden ze by den

naam van Taw-ho. Zy groit op natte gronden. De varkens houden zeer veel

van den wortel, en worden ’er zeer vet van. Zy lopen veel naar de

plaatsen daar de Taw-ho wast, en wroeten ’er naar in de modder, zo dat

zy met hun gantsche lyf in ’t water vallen, en men niet meer dan een

stuk van den rug van hun zien kan. Dus zyn de wortels byna uitgeroeid

op alle plaatsen waar veel varkens zyn. Zy worden dikwyls zo dik als

een mans dye. Varsch zynde byten zy als vuur op de tong en worden voor

een vergift gehouden. Ook aten de Wilden ze noit rauw, dog bereiden ze

als volgt. Zy verzamelden ’er enen groten hoop van, maakten een groot

gat in den grond, waarin zy de wortels lagen, en dekten ze met de zelve

aarde weder toe. Dan maakten zy ’er een groot vuur boven op, en lieten

’t branden zo lang zy zulks nodig dagten, waarna zy de wortelen weder

opgroeven en aten. Zo toebereid smaken zy, gelyk men zegt, als

Potatoes. De Wilden drogen nog bewaren ze oit, maar halen ze altyd

varsch uit de poelen als zy ze begeren. Deze Taw-ho is het Arum

Virginianum. Het is merkwaardig, dat de Arums in verscheiden’

werelddelen gegeten worden, schoon de wortels rauw zynde op de tong

branden en meer of min vergiftig zyn. Hoe kan men ontdekt hebben dat

ene plant zo strydig met onze natuur eetbaar was, en dat haar vergift,

dat op de tong byt, door het vuur kan bedwongen worden? Dus wordt de

wortel der Calla palustris, die in ’t noorden van Europa groeit, in

gevallen van nood in plaats van brood gebruikt. De Noord Amerikanen

eten dit soort van Arum; en in Zuid Amerika en de West Indien gebruikt

men een ander soort van deze plant. De Hottentotten bereiden zig brood

ook uit een soort van Arum, die al zo scherp en vergiftig is als deze.

In Egypte en Asia gebruikt men ook een soort van Arum tot voedsel.

Waarschynlyk heeft de noodzakelykheid, die gestrenge dog veeltyds

nuttige leermeesteres, den mensch het eerst gedwongen een voedsel

uittevinden, dat door den smaak in ’t begin als ondienstig verworpen

wierd. Deze Taw-ho schynt dezelve te zyn met die welken de Wilden in

Karolina Tukkahoo noemen.

[Taw-kee.]

De Taw-kee is ene andere plant, zo genoemd by de Amerikanen, die ze

eten. Sommigen van hun noemen ze Taw-kim en anderen Takvim. Zy groeit

in poelen naast natte en lage gronden, en is overvloedig in Noord

Amerika. Het vee, varkens en herten, zyn zeer gretig naar hare bladen

in de lente, want zy komen van de vroegsten uit. Het loof is breed,

gelyk dat van de Lely der dalen, [204] groen van boven, en bedekt met

een fyn dons, zo dat het naar fluweel gelykt. De Wilden verzamelen het

zaad en bewaren het om te eten. Het moet eerst droog wezen, en

verscheiden malen in water gekookt worden, waarna men het eet als

erwten. Als de Zweden hun boter en melk gaven, kookten of bakten zy

daar dat zaad in. Somtyds gebruiken zy het zaad als brood, en het

smaakt als erwten. Sommige Zweden aten het ook, en het smaakte hun

beter dan enige andere van de planten die de Wilden voorheen aten. Deze

Taw-kee is het Orontium aquaticum.

[Blauwe bessen.]

De Blauwe bessen, hier, door de Engelschen, Huckleberries genoemd,

zynde een soort van Vaccinium, maakten ook een zeer gemeen geregt onder

de Wilden uit. Zy komen zo veel overeen met de Zweedschen, dat men ze

bezwaarlyk van malkander onderscheiden kan. De Amerikaanschen wassen

aan struiken, van twee tot vier voet hoogte, hoewel ’er soorten van

zyn, die boven de zeven voet opschieten. De Wilden plukten ’er jaarlyks

ene menigte van, droogden ze in de zon of by het vuur, en bereidden ze

naderhand op verscheidene wyzen. Dog zyn zy een lekker beetje onder

hun. Op myne reis onder de Iroquoizen zetteden zy, als zy my pragtig

onthalen wilden, varsch Maisbrood, langwerpig van gedaante, gemengd met

gedroogde Blauwe bessen voor, die ’er in lagen als de razynen in een

pudding. In ’t vervolg zal ik hier meer van zeggen. De Europers drogen

deze bessen ook, bakken ze in taarten, en gebruiken ze op andere wyzen.

Enigen leggen ze in suiker. Ook eet men ze rauw, of alleen, of in

varsche melk. Binnen kort zal ik nog van een ander geregt spreken,

waarvan de Wilden zig bedienden, en nog bedienen by plegtige

gelegenheden.

[Weder gedurende de Lente.]

Gedurende byna de gehele lente was het ’s morgens by het opkomen der

zon stil en goed weder. Om agt uren begon het tamelyk hard te wayen, en

dit duurde den gantschen dag tot zonsondergang, wanneer het weder voor

den gehelen nagt stil wierd. Dit was de gewone staat van ’t weder. Dog

somtyds stormde het twee of drie dagen zonder ophouden. Op den middag

woei het gemeenlyk het hardst. Maar gemeenlyk ging het zo als ’t volgt

met den wind. Te zes uren des morgens stil. Te zeven uur een zoete

koelte uit het westen, die om agt uur wat sterker wierd, om elf uren

nog sterker, maar om vier uren na den middag niet sterker dan zy te agt

uren in den morgen was. Dus nam de wind af tot dat het geheel stil was

als de zon onderging. De winden waren dit voorjaar gemeenlyk west.

[Voorteken.]

Men verhaalde my dat het een zeer zeker teken was van slegt weder, als

by ’t ondergaan der zon zig wolken aan den wester gezigteinder

vertonen; en als die wolken binnen ’t uur onder den horizon zinken zal

het den volgenden dag regenen, al is het ’s morgens helder en moi weer.

Maar als de wolken in ’t zuidwesten aan den horizon gezien worden by ’t

ondergaan der zon, en zy een weinig later opryzen, kan men den

volgenden dag goed weer verwagten.

Den 20. Maart voorspelde een oude Zweed verandering van weder, omdat

het zo stil was; want als het verscheiden’ dagen hard gewaid heeft en

’er volgt stilte op, zegt men dat ’er regen, sneuw, of andere

verandering in ’t weder zal voorvallen.

[Bloeyende bomen.]

Den 21. Maart zag men dat de Rode Ahorn en de Amerikaansche Olm

begonnen te bloeyen, sommige Olmen stonden reeds in vollen bloei.

Den 24. Maart ging ik tamelyk ver in ’t veld wandelen om naar bloeyende

planten te zoeken. Dog ter oorzake van de betrokkene lugt en de zware

regens die ’er gevallen waren, was ’er niets voortgekomen. De bladen

begonnen nu tamelyk groen te worden. De planten, waarvan ik boven

gewaagde, stonden nu in bloei.

De Anemone hepatica stond nu te bloeyen. Zy was overvloedig. De Zweden

noemden ze Blauwe bloem. Zy wisten ’er geen gebruik van te maken.

[Gebrek aan sloten.]

Geen van alle de akkers, waarop ik heden wandelde, had sloten, schoon

die ’er wel nodig waren. Dog men volgde hier de Engelsche manier van

geen’ sloten om de koornvelden te graven, zonder daar op te letten of

zy die ook nodig hadden. Een gevolg hiervan was, dat de laatste regens

grote stukken van bezaid land hadden weggespoeld. Daar waren gene

greppels tusschen de akkers, uitgenomen een zeer smalle langs de

betuiningen, die geheel met Sumach en braambessestruiken overwassen

was, zo dat het vee daar weinig of geen voedsel konde vinden. De akkers

waren naar broad cast, gelyk het de Engelschen noemen, of in stukken

van zes ellen breed, en door voren van malkander gescheiden, aangelegd.

Deze akkers waren gelyk, en in ’t midden niet hoger dan rondom.

[Insekten.]

Een soort van worm, Meloë Majalis, kroop op de hoge plaatsen.

De Antiopa Kapel vloog in de bosschen. Dit was de eerste kapel die ik

dit jaar zag.

De Euphrosyne behoorde tot de zeldzame kapellen. De andere Insekten,

die ik dien en de volgende dagen beschreven heb, zal ik by ene andere

gelegenheid doen kennen. In ’t vervolg zal ik maar van die spreken, die

om enige byzonderheid merkwaardig zyn.

[Hoistapels.]

De Hoistapels waren hier meest op de Zweedsche wys gemaakt, dat is, op

de wys van enen korten dikken kegel, zonder enig deksel van boven. Als

men hoi van doen had sneed men ’er wat af, met een zeker soort van mes.

Egter hadden vele lieden, byzonder omstreeks Philadelphia, hoistapels

met een dak ’er over, dat zy konden doen ryzen en dalen. Digt by den

grond lagen enige balken waarop het hoi lag, om dat de lugt ’er vry

mogt door spelen. En die hoibergen waren zo gebouwd dat het hoi een

vadem of twee boven den grond lag, op enen vloer van planken, waar

onder het vee in den winter staan kon, als het zeer slegt weder was,

hoewel, gelyk ik gezegd heb, velen hun vee altyd in ’t veld lieten.

Onder dezen vloer waren rondom wanden van planken, die egter zo veel

ruimte tusschen beiden hadden dat ’er de lugt vry kon door spelen.

[De Landsdouwe.]

Den 27. Maart ging ik naar den ouden Nills Gustafson, met inzigt om van

hem een berigt te krygen aangaande den vorigen toestand der Zweden hier

te lande. Het land waar door ik reed was van den zelven aard als ik

reeds overal gezien had in dit werelddeel. Het was geschakeerd met

heuvels en dalen; de eersten bestaande uit ene bleke steenkleurige

aarde, zamengesteld grotendeels uit een fyn zand, vermengd met wat

zwarte tuinaarde. Ik zag nog bergen nog stenen, uitgenomen enige

steentjes niet groter dan een duifei, leggende op de heuvels, en

gemeenlyk bestaande uit enen witten quarts, die van buiten meest glad

was. Door de dalen liepen enige beekjes met helder water, welker bodem

met zulke witte keyen bedekt was als ik reeds beschreven heb. Nu en dan

zag ik enen poel in de laagtens. De Landhoeven lagen vry wyd uit

malkander, gemeenlyk van alle kanten met koornakkers omringd. Op de

meesten dezer akkers waren nog de stompen der bomen over, die men

voorheen geveld had, een bewys dat het land nog niet lang bebouwd was,

zynde veertig of vyftig jaar geleden nog geheel en al met hout bedekt

geweest. Ieder Landman woonde hier op zig zelven op zynen eigenen

grond, gemeenlyk van dien van zynen nabuur door bosschen van hoge bomen

afgescheiden, waaronder en tusschen door men egter te paard, en zelfs

met een rytuig, ryden kon, zynde de grond zeer effen. Hier en daar

lagen omgewaide bomen, sommigen met wortel en al uitgerukt, anderen

slegts midden doorgebroken. Op sommige oorden vond ik ook grote streken

waar jong hout stond, van twintig, dertig, veertig jaar. Deze streken,

zeide men my, hadden voorheen den Wilden tot planteryen gediend. Ik zag

nog gene tekens dat de bladen uitkwamen, nog vond enige bloem in de

bosschen. De koude winden, die enige dagen gewaid hadden, hadden alles

te rug gezet. De bosschen bestonden voornamelyk uit verscheiden’

soorten van Eiken en Hikories. De poelen waren vol van den roden Ahorn,

die nu in bloei stond, waardoor zy van verre zig geheel rood

vertoonden.

[Oude staat van ’t Land.]

De oude Zweed, dien ik kwam bezoeken, scheen nog frisch en levendig, en

kon wandelen met een stok; dog hy klaagde dat hy in de laatste jaren

pynen in den rug en de leden gevoeld had, en zyne voeten niet warm

houden kon dan by het vuur. Hy kon, zeide hy, den staat van het land

zig zeer wel herinneren ten tyde dat het de Hollanders bezaten, en in

welken toestand het was voor de aankomst der Engelschen. Hy deed ’er

by, dat hy veel houts naar Philadelphia gevoerd had, in den tyd toen

het gebouwd werd. Het heugde hem ook dat ’er een groot bosch stond op

de plaats waar nu die stad staat. Zyn Vader was een van die Zweden

geweest die uit hun Vaderland herwaards overgekomen waren om dit land

te bevolken. Hy gaf my de volgende berigten op de vragen die ik hem

deed.

[Van waar de Zweden hun vee gekregen hebben.]

Van waar kregen de eerste Zweden hun vee? De oude man zeide, dat hy een

kind zynde had horen vertellen dat zy hunne paarden, koeijen, schapen,

varkens, ganzen en enden hadden medegebragt. In ’t eerst was hun getal

klein, dog zy vermeerderden sterk in ’t vervolg. Maryland, New York,

Nieuw Engeland, en Virginie, waren, zeide hy, eerder van Europers

bevolkt geweest dan deze streek; dog hy wist niet of de Zweden enig vee

uit die Provincies gekregen hadden, uitgenomen uit New York. Zo veel hy

zig kon te binnen brengen, hadden zy reeds in zyne kindschheid enen

tamelyken voorraad van vee. De varkens waren in dien tyd zo sterk

vermenigvuldigd, dat zy wild in de bosschen liepen, en men genoodzaakt

was ze te schieten, als men ze eten wilde. Ook bragt hy zig te binnen

dat de paarden op sommige plaatsen in de bosschen liepen, dog hy kon

niet zeggen of enig vee wild geworden was. Het vee, meende hy, wierd

nog even zo zwaar als toen hy een kind was, ondersteld zynde dat het

eten genoeg kreeg. In zyne jeugd was het voeder zeer overvloedig. Ene

koe gaf toen zo veel melk als nu drie of vier, dog zy kreeg ook toen

meer en beter voer dan nu drie of vier krygen, en, zo als de oude man

zeide, is ’er nu des zomers bedroefd weinig gras.

[Van waar de Engelschen.]

Van waar kregen de Engelschen in Pensylvanie en New Jersey hun vee? Het

antwoord was, dat zy het voornamelyk van de Zweden en Hollanders koften

die daar woonden, en een klein getal bragten zy mede. De gedaante van

het vee, en het eenparige getuigenis der Engelschen alhier, bevestigden

het zeggen van den ouden man.

[Koorn en vrugten.]

Hoe kwamen de Zweden hier aan hun koorn en hunne vrugten? De gryzaard

zeide, dat hy dikwyls gehoord had dat zy allerhande soorten van granen,

van moeskruiden en vrugten mede gebragt hadden, want, zo ver het hem

heugde, hadden zy altyd overvloed gehad van weit, rogge, haver en

garst. Zy brouwden toen al hun bier van garstenmout, en het bier was

goed en kragtig. Ook hadden zy reeds ketels om brandewyn te stoken, die

zy des noods zulken leenden die ’er genen hadden. In ’t eerst moesten

zy Mais van de Wilden kopen, zo wel om te eten als om te zayen; maar

enige jaren later breidden zy hunne Maisplanteryen zo ver uit, dat de

Wilden die van hun kopen moesten. Ook verzekerde my de oude man, dat de

Wilden, toen de Zweden zig hier het eerst nederzetteden, veel

vernuftiger en werkzamer waren dan nu. In zyne jeugd hadden de Zweden

enen goeden voorraad van goede witte kool. Ook was ’er overvloed van

Winterkool, die ’s winters ook op ’t veld bleef. Nog waren ze wel

voorzien van knollen, die men ’s winters in gaten onder den grond

bewaarde. Dog hy vond die wys van bewaren niet goed, want als zy daar

te lang in lagen wierden zy voos. Hy vond beter ze, na ene wyl, na dat

ze gegraven waren, in de opene lugt te hebben gelegen, op enen hoop op

’t veld te goyen, met stroo toe te dekken, en aarde boven op het stroo

te leggen. Op deze wys houdt men ze nu den winter over, en zy worden

niet voos. De Wilden waren ’er zeer gretig naar, en noemden ze somtyds

Hopnis, en somtyds Katnis. Ook kweekten de Zweden in zyne jeugd gele

wortelen. Onder de ooftbomen behoorden de Appelbomen; dog zy waren niet

menigvuldig, alleen sommigen hadden kleine boomgaardtjes. Niemant

maakte toen Cyder, want die is eerst naderhand in ’t gebruik gekomen.

Kerssebomen waren ’er reeds in overvloed, toen hy nog een jonge was, en

de Persikebomen waren ’er toen in groter menigte dan nu; de Zweden

maakten ’er bier van. Hy kon niet zeggen hoe zy aan de Persikebomen

kwamen.

[De Wilden.]

In zyn jonger jaren waren de Wilden overal door het land verspreid; zy

woonden tusschen de Zweden in. Hy sprak van Zweden die door hun

omgebragt waren, en hy noemde twee zyner Landslieden die zy gevild

hadden. Ook stalen zy enige kinderen van de Zweden, van de welken men

noit weer gehoord heeft. Eens kwamen zy en versloegen enige Zweden, van

de welken zy de harssenpannen mede namen. By die gelegenheid trokken zy

een klein meisje het vel van ’t hoofd af, en zouden ’t hebben

omgebragt, indien zy juist niet enen boot met Zweden op zig hadden zien

aankomen, het welk hen bewoog de vlugt te nemen. Het meisje kwam op,

dog kreeg noit weer hair op ’t hoofd. Zy trouwde, kreeg verscheiden

kinderen, en leefde lang daar na. Ook zogten de Wilden eens de Moeder

van onzen Nills Gustafson te vermoorden, dog zy bood hun dapperen

tegenstand, tot dat enige Zweden toeschoten, en de Wilden verjoegen.

Niemant kon oit uitvinden wat voor Wilden dit geweest waren, want

anders leefden zy zeer vreedzaam met de Zweden.

[Levenswys en voedsel.]

De Amerikanen hadden op verscheiden’ plaatsen kleine velden met Mais.

Voor de aankomst der Zweden hadden zy gene anderen dan stenen bylen,

gelyk ik reeds heb aangetekend. Zy planteden maar weinig Mais, en

leefden meest van de jagt, en het grootste deel van den zomer waren de

wortelen, waarvan wy boven gewaagden, hun voornaamste voedsel. Zy

hadden geen vee tot den akkerbouw, en moesten dus alles met eigen’

handen doen. De Mais bewaarden zy ’s winters in holen onder den grond,

dog zelden een vadem diep; onder de Mais en op zyde lagen zy brede

stukken van boombasten, zo dat daar het koorn geheel binnen in lag. Het

Andropogon bicorne, een soort van gras, dat hier overvloedig wast, en

dat de Engelschen Indiaansch gras en de Zweden Wilskt gras noemen,

vervulde het gebrek van basten. Met dit gras bedekten zy de Mais in het

hol, en over dit alles heen deden zy ene genoegzame hoeveelheid van

aarde. De Mais bleef zeer goed in deze gaten, en elke Amerikaan had

zyne onderaardsche magazynen waar zyn voorraad veilig was, hoe ver hy

zelf ook weg reisde. Na dat de Zweden appel- en persikebomen geplant

hadden, kwamen de Wilden, en vooral de Vrouwlieden, de vrugten dikwyls

stelen; dog als de Zweden ze kregen, gaven zy hun een goed pak slagen,

ontnamen hun het gestolene, en dikwyls nog daarenboven hunne klederen.

Zo gebeurde het ook dat toen de Zweden ene menigte varkens bekomen

hadden, en die overal door de bosschen liepen, de Wilden die stilletjes

doodden en zig ’er op vergastten. Dog daar waren ook enige Wilden die

varkens van de Zweden koften, welken zy leerden hen gelyk honden

natelopen, en als zy van de ene plaats naar de andere verhuisden,

hadden zy hunne varkens in hun gevolg. Zy kregen ten laatsten van dit

vee zulke menigte, dat zy ze den Zweden voor ene kleinigheid overdeden.

De Amerikanen hielden zeer veel van melk, en ’t was een onthaal als de

Zweden hun melk voorzetteden. Ook wisten zy een drank gelyk als melk te

maken uit de Hikory- en walnoten, die zy droogden, kraakten, de korrels

fyn tot poeder maakten, en met water mengden; het welk ’er als melk

uitzag en even zo zoet was. Zy hadden tabakspypen van klei van eigen

maaksel. Zy rookten niet altyd zuivere tabak, dog gebruikten ene andere

plant die de oude man niet kende, dog die hy my verzekerde het

Verbascum Thapsus niet te zyn, het welk hier gemeenlyk Tabak der Wilden

genoemd wordt.

[Hun Godsdienst.]

Wat hunnen Godsdienst aangaat, de oude man oordeelde dat die zeer

gering was, of dat zy ’er misschien genen hadden. Als zy het hoorden

donderen, zeiden zy dat de boze geest toornig was; sommigen van hun

gaven te verstaan dat zy aan enen God geloofden, die in den Hemel

woont. Hy wandelde eens met enen Wilden, en zy ontmoetten ene roodbonte

slang. De Zweed zogt een stok om ze te doden, dog de Wildeman smeekte

hem dat niet te doen, dewyl de slang zyn God was. Misschien zoude de

Zweed het dier niet gedood hebben, maar horende dat het de Godheid van

de Amerikaan was sloeg hy het dood, in ’t byzyn van den Wilden,

zeggende, “om dat gy de slang aanbidt, agt ik my verpligt ze te doden”.

Somtyds kwamen de Amerikanen, in de Zweedsche kerken, hoorden den

godsdienst aan, en gingen weer heen. Eens dat onze Zweed te kerk was,

en niet mede zong om dat hy geen boek by zig had, sloeg hem een

Amerikaan, dien hy wel kende, op de schouder, en zeide, waarom zingt gy

niet mede, Tantanta, tantanta, tantanta? Op een ander tyd kwam ’er een

in de Zweedsche kerk te Rakoon, en na een wyl rond gekeken en

geluisterd te hebben, zeide hy, ho! veel gepraat en gezwets, maar geen

brandewyn of cyder, en daarmede ging hy heen; want hier moet men

aanmerken, dat als de Wilden ene redenvoering tot hunne makkers houden,

om ze tot den oorlog aantezetten, zy gewoon zyn buitensporig te zuipen.

Toen de Zweden overkwamen koften zy zo veel lands als zy wilden byna

voor niets. Voor een stuk pei, of diergelyks, konden zy een stuk gronds

krygen dat tegenwoordig meer dan honderd ponden st. zou waard wezen.

Als zy een stuk lands koften, wierd ’er gemeenlyk een koopbrief

gemaakt; en schoon geen der Wilden lezen of schryven kon, krabbelden zy

evenwel hun teken onder aan. De Vader van den ouden Nills Gustafson

koft een stuk lands van de Amerikanen van New Jersey. Zodra het papier

opgemaakt was en de Wilden het tekenen zouden, tekende een van hun,

wiens naam enen Bever betekende, enen Bever, een ander tekende een pyl

en boog, en een derde enen berg, in plaats van hunne namen. Zy maakten

hunne kanoos uit dikke bomen, die zy door ’t vuur uitholden, gelyk

reeds gemeld is.

[Het Weder.]

Reis door Noord Amerika · 第 22 / 50 段