de lente. De grootste bomen hadden maar hun beneden bladen.
De Witte Eik [186] had zyn meeste loof nog als de bomen jong en niet
veel meer dan een vierde van ene el in ’t kruis dik waren; maar de oude
bomen waren meest kaal, uitgenomen aan derzelver jonge scheuten. De
kleur der droge bladen was bleker in den witten dan in den zwarten Eik.
De Zwarte Eik, gelyk hy hier genoemd wordt, dog die by Linnæus de Rode
Eik hiet, had ook nog droge bladen op de jonge bomen. De kleur was
rosagtig bruin.
De Spaansche Eik, die maar ene verscheidenheid is van den Zwarten, had
ook nog droge bladen op de jonge bomen.
Een zeldzaam soort van Eik, bekend door de driehoekige spits zyner
bladen, en die van onderen glad dog van boven een weinig wollig zyn,
[187] had ook nog zyn blad op de jonge bomen.
Alle deze Eiken, wanneer zy onder de twintig jaar waren, hadden nog
meest hun loof. Het schynt dat de Voorzienigheid, behalven andere
oogmerken in het bewaren van het verdroogde loof aan vele bomen, ook
beoogd heeft, verscheidene soorten van gevogelte agter het zelve een
scherm tegens de koude en den wind te doen vinden; gelyk ik dezen
winter vele vogelen in de bomen ene schuilplaats heb zien zoeken
gedurende ene felle vorst of storm.
[Insekten in den grond gevonden.]
Den 13. Februari vond ik in ’t graven in den grond verscheiden gekorven
diertjes, die in de aarde gekropen waren om daar den winter
doortebrengen. Zo dra zy in de lugt kwamen bewogen zy zig wat, maar
hadden de kragt niet van te lopen, de zwarte Mieren alleen uitgenomen,
die een weinig kruipen konden, schoon langzaam.
De Insekten die ik hier vond, waren de volgenden.
De Zwarte Mieren waren in vry grote menigte en tamelyk levendig. Zy
lagen omtrent tien duim in den grond.
De Carabus latus lag op de zelve diepte met de Mieren. Dit is hier een
zeer gemeen diertje.
De Kastanjebruine Kever met de harige borst en de elytræ korter dan den
onderbuik, met verscheiden in de langte lopende strepen bezet met hair,
is enigsins gelykende naar den Scarabæus melolontha, dog verschilt ’er
in verscheiden opzigten van. Ik vond ’er velen van in de aarde.
De Veldkrekels lagen tien duim diep. Zy waren volkomen als in slaap,
dog zodra zy in een warm vertrek kwamen wierden zy wakker en zeer
levendig. Des zomers heb ik deze krekels overal waar ik in Amerika
geweest ben zeer menigvuldig gevonden. Zy sprongen in ’t veld, en
maakten een geraas gelyk dat van onze gemene Huiskrekels, zodat men ze
van malkander door hun geluid niet wel zoude kunnen onderscheiden.
Somtyds is hun geschreuw zo sterk dat men ’er pyn in ’t hoofd van
krygt, en malkander niet verstaan kan. Dit geraas is op zulke plaatsen
daar zig Ratelslangen ophouden zelfs gevaarlyk, om dat het maakt dat
men het geluid der slang niet horen kan. Ik heb reeds gezegd dat zy
somtyds in de schoorstenen overwinteren. Hier lagen zy den gantschen
winter in de aarde, dog in ’t begin van Maart, wanneer het begint warm
te worden, kwamen zy voor den dag, en begonnen hun gezang, schoon in ’t
eerst maar flauw en zeldzaam. Als wy op onze reizen gedwongen waren op
onbewoonde plaatsen te overnagten, waren zy in de ployen van onze
klederen gekropen, zo dat wy des morgens lang werk hadden eer wy ’er
ons van ontslagen hadden.
[Mieren.]
De Rode Mieren, die in Zweden de Mierhopen opwerpen, vond ik ook dezen
en den volgenden dag, dog zy zaten niet in den grond, want Jungstrom
vond ze in de spleten van enen ouden doden boom dien hy velde. Deze
spleten waren verscheiden’ ellen hoog in den boom, en de Mieren zo hoog
gekropen om daar haar winterverblyf te nemen. Zo dra zy in de warmte
kwamen begonnen zy zig sterk te bewegen.
[De Blauwe Vogel.]
Men vindt hier enen Vogel, dien de Engelschen en de Zweden den Blauwen
Vogel noemen, om dat hy van een zeer schoon blauw is. Hy houdt zig hier
het gantsche jaar op. Catesby heeft hem in zyne natuurlyke grootte en
met kleuren afgebeeld, [188] dog de kleur van de borst moet daar
roodbruin of donker rood zyn, de dyen en de poten zwart als git, de bek
ook geheel zwart, en het blauw in ’t algemeen donkerder, levendiger en
meer glinsterend. Geen vogel is ’er in Zweden die een zo glanzend en
donker blauw heeft. De Meerkol kan hier en daar enige zulke veders
hebben, dog niet overal. Deze vogel aast op Insekten en planten, en
komt des winters, wanneer hem het eerste soort van voedsel ontbreekt,
by de landhuizen om van hoizaad en ander klein graan te leven.
[De Rode Vogel.]
De Rode Vogel is een ander vogeltje, dat Catesby ook afgebeeld heeft.
[189] Het behoort tot de vogels die den byen schadelyk zyn, want het
past ’er op om ze te verslinden. Ik onderhield ’er een mannetje van vyf
maanden in ene koi; ik gaf het niets dan Mais en Boekweit. Door zyn
gezang lokte hy anderen naar het huis, en na dat ik enige mais onder
het venster op den grond gesmeten had, kwamen zy daar alle dagen eten;
en dus was het gemakkelyk ze in knippen te vangen. Enigen, vermoedelyk
ouden, zo wel mannetjes als wyfjes, treurden zig in de koitjes dood,
maar zy die mak wierden begonnen ongemeen lieflyk te zingen. Hun gezang
lykt veel naar dat van den Nagtegaal. Men zendt ’er velen van naar
Londen. Zy hebben zo veel kragt in de bekken, dat ze eens menschen hand
aan ’t bloeden byten kunnen. In de lente zitten zy des morgens te
zingen boven in de bomen. In de koyen zitten zy by pozen zeer stil en
rusten, en dan huppelen zy heen en weer, en laten tusschen beiden hunne
stem horen.
[Kranen.]
Den 17. Februari zag men enige Kranen noordwaards vliegen. Zy houden
hier gemeenlyk vroeg in de lente stil, dog broeyen hier niet, maar gaan
verder naar het noorden. Oude Zweden hebben my verteld dat in hunne
jeugd, toen het land nog zo niet bebouwd was, ieder voorjaar hier een
ongelooflyke menigte van Kranen was, maar tegenwoordig zyn zy zo talryk
niet meer. Vele menschen eten ze als zy ze kunnen schieten. Men zegt
dat ze geen schade aan het koorn doen.
Den 23. deed ik een togtje naar Penn’s neck, dog kwam des avonds weder
te Rakoon.
[Sneuw.]
De sneuw lag nog op vele plaatsen in de bosschen, byzonderlyk daar de
bomen zeer kort op malkander stonden. Egter was zy niet boven de vier
duimen diep. De weg was byna geheel vol ys, zo dat het gevaarlyk was op
paarden die niet gescherpt waren te ryden. Men weet hier niet veel van
sleden, dog rydt des winters te paard naar de kerk, schoon de sneuw
somtyds een voet dik legt. De sneuw legt zelden boven ene week, maar
dan komt ’er veeltyds weer nieuwe op.
[Maisdieven.]
Een soort van vogel, by de Zweden Maisdieven geheten, doet grote schade
in dat soort van graan, het welk zy eten, zo wel als het eerst gezaid
en nog met aarde bedekt is, als wanneer het staat ryp te worden. De
Engelschen noemen hem den Zwarten Vogel. Daar zyn twee soorten van,
beiden door Catesby beschreven, [190] tusschen de welken ene zo grote
vriendschap heerscht dat zy veeltyds t’zamen in troepen onder een
vliegen. Dog in Pensylvanie vindt men meer het eerste soort, en die
vliegen daar dikwyls zonder dat ’er een enige van het twede soort by
is. Het eerste soort, of de Purpere Spreuw, heeft zoo veel gelykenis
met de krai, de spreuw, en den exter, dat men niet weet waar men hem
voor houden zal, dog hy schynt het naaste by de spreuw te komen. De bek
is juist als die van den exter; de tong, de vlugt, zyn zitten op de
bomen, zyn geluid en zyne gedaante, maken hem tot een spreuw. Op enigen
afstand schynt hy zwart, dog van naby bezien heeft hy een blauwen of
purperagtigen weerschyn, dog niet zo sterk als in Catesby’s plaat.
[191] De grootte is als de Spreuw; de bek zwart, de tong is spits, het
oog is bleek, de kop van boven glinsterend groen en blauw, op zyde en
onder de ogen donker blauw, de rug purperagtig, in de vleugels sommige
veren purperagtig en zwart; de staart, uitgespreid zynde, schynt
rondagtig; de hals van onderen blauwagtig groen, de borst zwart en
glinsterend groen, de vleugels van onderen en de dyen zwart, de poten
zwart, met vier tenen, de agtersten ’t grootst, de nagels zwart.
Men zegt dat enigen van deze vogels in de moerassen overwinteren, die
geheel overwassen zyn van dik hout, en zy vertonen zig alleen maar by
zagt weder. Dog het grootste getal gaat tegen den winter naar het
zuiden. Ik zag ze den 23. Febr. voor het eerst van ’t jaar. Zy vlogen
reeds in grote troepen. Zo dra de Mais in den grond is komen zy met
grote scholen, krabben de korrels op, en eten ze. Zo dra het blad
uitkomt, trekken zy het met de plant en al uit; en dus veroorzaken zy
den Landman al vroeg veel schade en moeite. Om hunnen smaak tot de Mais
wat te verminderen leggen sommigen de zaadkorrels in een af kooksel van
den witten Nieswortel [192] eer zy ze planten. Als de Maisdief een
korrel of twee zo klaar gemaakt opheeft, wordt hy duizelagtig en valt,
en dit maakt zyne makkers bang. Dog tegens den herfst, als de Mais ryp
wordt, halen zy hunne schade dubbeld weer in. Dan vergaderen zy by
duizenden op de Maisvelden. Zy zyn zeer stout, want als men ze
verjaagt, vliegen zy maar een weinig verder en gaan weder zitten. Dus
gaan zy van het ene eind van een akker tot het andere, en verlaten een
veld niet voor dat zy hun genoegen hebben. ’T is byna onbegrypelyk
waarvandaan zo grote troepen komen kunnen, als men ’er van in den
herfst ziet vliegen. Als zy opryzen maken zy den hemel als zwart. Zy
vliegen dan zo in een gedrongen, dat men zeggen zoude dat zy hunne
vleugels kwalyk moesten kunnen bewegen. Ik heb iemant gekend die ’er
ene grote menigte van op een akker schoot, zonder de overigen te kunnen
verjagen, want zy vlogen omtrent een musketschoot ver, en vielen dan
weer neder, en veranderden altyd van plaats als hun vyand naderde. Dus
vermoeiden zy hem, zonder dat hy ze verdryven kon, schoon hy ’er zeer
velen op elken schoot van doodde. Zy eten ook het zaad van de Zizania
aquatica, dog gemeenlyk na dat de Mais van ’t land is. Ook zeide men
dat ze ook boekweit en haver eten, en volgens sommigen ook weit, rogge
en garst, maar niet dan by nood. Evenwel doen zy gene schade in die
soorten van granen. In de lente zitten zy in menigte in de bomen digt
by de Landhoeven, en hun gezang is aangenaam. Daar staat in Pensylvanie
en New Jersey ene beloning op het doden van hun, en in Nieuw Engeland
heeft men ’er nog groter haat tegen, want, volgens het geen my de Heer
Franklin verteld heeft, zyn zy daar byna uitgeroeid, hebbende daar de
beloofde beloningen zo sterke aanmoeding toe gegeven. Maar toen in den
zomer van 1749. ene ontelbare menigte wormen in de weilanden waren, die
al het gras opvraten, is men van die vyandschap tegens de Maisdieven
weerom gekomen, vermits men meende te hebben opgemerkt, dat die vogels
voornamelyk op die wormen aasden voor dat Mais ryp is, en dus dezelven
of uitroeiden of hunnen al te groten aanwas verhinderden. Dus schynen
zy enig regt te hebben op ene beloning. Na ’t uitroeyen der Maisdieven
deden de wormen meer schade dan van te voren hunne vyanden gedaan
hadden. In ’t jaar 1749. lieten die wormen in Nieuw Engeland zo weinig
hoi over, dat men het uit Pensylvanie, en zelfs uit Groot Brittannie
moest laten komen. Buiten den mensch hebben de Maisdieven ook andere
vyanden, onder anderen een soort van kleinen Havik, die op hun en op
ander klein gevogelte aast. Ik heb deze Havikken op de Maisdieven, die
gerust zaten te eten, zien jagt maken, ze opjagen, en in de vlugt
vangen. Het vleesch der purpere Maisdieven [193] wordt niet gegeten,
dog dat van die met rode vleugelen [194] wordt somtyds genuttigd. In
het voorheen zo genaamde Nieuw Zweden wil men dat de Maisdieven in
getal niet verminderd zyn.
[Braambessen.]
De Amerikaansche Braambessen [195] zyn door gantsch Noord Amerika
algemeen, en wassen op diergelyke plaatsen als zy in Zweden doen. De
Amerikaanschen zyn groter, dog schynen anders maar ene verscheidenheid
van de onzen. De Engelschen noemen ze Cranberries, de Zweden Tranbär,
de Franschen in Kanada Atopa, een naam van de Wilden ontleend. Men
verkoopt ze laat in ’t najaar te Philadelphia op de markt. Men kookt en
bereidt ze even als wy onze blauwe bessen, [196] om in taarten en
andersins te gebruiken. Dog zy vereischen veel suikers, zynde zy anders
zeer zuur, maar de suiker is niet zeer duur in een Land waarvandaan de
suikerplanteryen niet ver af leggen. Velen van deze bessen worden naar
de West Indien en Europa vervoerd.
[De Mytilus Anatinus.]
Een soort van Mosselen, volkomen de Mytilus anatinus van Linnæus, wierd
overvloedig in de gruppen op de weilanden gevonden. De schelpen waren
van buiten veeltyds met ene dunne korst van yzerdeeltjes overdekt,
wanneer het water in de sloten uit ene yzermyn kwam. De Zweden en
Engelschen maakten hier zelden gebruik van deze mosselen, dog de Wilden
plegten ze te eten, het geen ook enige weinige Europers nog wel doen.
[Sneuw.]
De sneuw lag den 2. Maart nog in de schaduwagtige plaatsen in de
bosschadien, maar het veld was volkomen bloot. Het vee vond nog weinig
voedsel in de bosschen.
[Sneuwvogel.]
De Sneuwvogel [197] wordt dus genaamd om dat men hem noit ziet dan als
’er sneuw legt. Sommige winters komen zy in zo grote menigte als de
Maisdieven, en vliegen rondom de huizen en schuren om koorn en
hoizaadtjes te vinden.
[Sneuwvuur.]
Den 3. Maart om agt uren des avonds zag men een zogenaamd Sneuwvuur aan
den hemel. Ik heb dit verschynsel in de Verhandelingen der Kon.
Zweedsche Maatschappy voor het jaar 1752. beschreven. [198]
[Wilde Duiven.]
In de bosschen vlogen om dezen tyd ene ongelooflyke menigte van Wilde
Duiven, [199] en men verzekerde dat zy nu menigvuldiger waren dan
gewoonlyk. Zy kwamen deze week, en men zag ze omtrent veertien dagen,
waarna zy allen verdwenen.
[Donder.]
Den 7. Maart wierd my verteld, dat het hier een teken van slegt weder
was als de Donder in het zuiden of zuidwesten opkwam en zig naar het
oosten en daarna naar het noorden uitbreidde; maar dat als de bui zig
niet uitbreidde, of zig zo wel naar het oosten als het westen
verspreidde, zulks goed weder voorspelde. Dezen dag hoorde men het in
’t zuidwesten donderen, dog de bui verspreidde zig in ’t geheel niet.
[Vorst.]
De vorst had tot nog toe in den grond gezeten, zo dat men ’er met een
houweel moest doorhakken als men graven wilde. Egter was zy niet boven
ene hand diep doorgedrongen. Dog den 7. Maart raakte zy ’er uit. Dit
maakte den grond zo week dat ’er de paarden, als men ryden wilde, zelfs
in de bosschen, ’er zeer diep inzakten.
[Schade door de Vorst veroorzaakt.]
Ik vroeg aan verscheiden’ oude menschen, of men hier oit waargenomen
had, dat ’er bomen van de vorst gedood waren, of ’er veel van geleden
hadden. Het antwoord was, dat de jonge Hikories dikwyls in harde
winters sterven, en dat de jonge Zwarte Eiken ’er ook wel van lyden.
Zelfs gingen ’er wel in harde winters Zwarte Eiken van vyf duim over ’t
kruis dood. Somtyds raakten wel alle de Persikebomen van ene gehele
streek weg. Men had ondervonden dat alle deze bomen op de heuvels de
koude beter konden wederstaan dan in de dalen, zelfs zo, dat somtyds
die in de laagtens staan allen dood vriezen, zonder dat die welken op
de heuvels wassen iets geleden hebben. De Zwarte Walnoot, de Sassafras
en andere bomen leden noit van de koude. In de lente had men opgemerkt
dat een koude nagt twee of drie, na dat de bomen al tamelyk grote
bladen hadden, het loof dikwyls geheel vernield hadden. Dog in de
plaats van dat loof waren altyd weder andere bladen te voorschyn
gekomen. Het is zonderling, dat by die gelegenheid de vorst maar werkt
op het onderste loof, tot zeven of agt voet van den grond, en het blad
in den top ongeschonden laat. Verscheiden’ oude Zweden en Engelschen
hadden deze opmerking gemaakt, en, volgens de aantekeningen van den
opmerkzamen Ingenieur Lewis Evans, was hier de nagt tusschen den 14. en
15. Juni 1746. zeer koud geweest, en had de zelve uitwerking
voortgebragt. De bomen, toen in bloei staande, hadden meest hunne
bladen en bloemen, die digst by de aarde waren, verloren; enigen tyd
daarna kregen zy nieuwe bladen, maar gene bloemen. Verders is het
merkwaardig, dat de vorst dan voornamelyk schade toebrengt op zulke
plaatsen waar kalksteen gevonden wordt, zelfs al merkt men anders
nergens enig nadeel van de zelve, al leggen zelfs die kalkstenige
gronden hoog, en al lopen de andere lage gronden vry. De Heer Evans is
de eerste die deze aanmerking gemaakt heeft, en ik heb verscheiden’
malen gelegenheid gehad dezelve bevestigd te zien, gelyk ik in ’t
vervolg zal aantekenen. De jonge Hikories, en na dezen de jonge Eiken,
lyden in zulke gevallen het meest, gelyk ik zelf ook in de jaren 1749.
en 1750. ondervonden heb.
[Spegten.]
Van de Spegten vindt men hier alle die soorten welken Catesby, in het
eerste Deel van zyn kostbaar werk over de Natuurlyke Historie van
Karolina, beschreven, en met hunne natuurlyke kleuren afgebeeld heeft.
Ik zal ze alleen maar optellen, en ’er ene of twee van hunne
eigenschappen bydoen, het overige voor een ander werk sparende.
De Koningsspegt, of Picus principalis, wordt hier, dog zeldzaam, en
maar in een jaargety gevonden.
De Goudenkoekoek, Picus auratus, is hier overvloedig. De Zweden noemen
hem Hittock en Piut, ter oorzake van zyn geluid. Hy zit meest altyd op
den grond, en men ziet hem zelden in de bomen pikken. Hy leeft
voornamelyk van Insekten, dog wordt zelf somtyds een proi van den
Havik. Hy is gemeenlyk zeer vet en zyn vleesch smakelyk. Dewyl hy hier
het gehele jaar over blyft, en ’s winters niet wel Insekten krygen kan,
moet hy waarschynlyk ook van gras en kruiden leven. Zyne gedaante en
sommigen zyner eigenschappen doen hem naar den Koekoek gelyken.
De Karolynsche Spegt, Picus villosus, is een middelmatig soort, en hier
menigvuldig. Hy bederft de Appelbomen met gaten ’er in te byten.
De Roodkoppige Spegt, Picus erythrocephalus, was zeer overvloedig in
het land. De Zweden noemden hem alleen Hackspick of Spegt. Dit soort is
zeer schadelyk in de Maisvelden en de boomgaarden, want hy pikt door de
Maisairen henen, en vreet de appelen op. In sommige jaren zyn zy zeer
overvloedig, vooral omtrent de zoete appelen, waarvan zy niet meer dan
de schil overlaten. Voorheen stond ’er ook een prys op hun. Zy houden
ook veel van eikels. Tegens den winter trekken zy zuidwaards, en als
men ze nog in ’t begin van den winter in de bosschen ziet, houdt men
dit voor een teken van zagt weder.
De kleine bonte Spegt met het gele onderlyf, Picus varius, is hier maar
in al te groten getale, want hy doet veel kwaads aan de appelbomen.
De kleinste bonte Spegt, Picus varius minimus, Picus pubescens, is hier
in overvloed. Hy is de schadelykste van allen in de boomgaarden, dewyl
hy de stoutste is. Zodra hy een gat in enen boom gepikt heeft, maakt hy
’er een ander vlak by, in ene horizontale strekking, tot dat hy rondom
den boom enen kring van gaten heeft gebeten. Dikwyls hebben de
Appelbomen hier verscheiden’ zulke kringen rondom den stam, veeltyds
maar een duim boven malkander. Somwylen maken zy ’er zo vele gaten in
dat de boom sterft. Hy is zo gelyk aan den laatst voorgaanden, dat men
hem ’er voor nemen zoude, was hy niet veel kleinder.
[Kikkers.]
Men vindt hier een soort van Kikkers [200], by de Zweden
Sill-häppetässor, dat is Haringspringers, genaamd, die nu reeds des
avonds en ’s nagts in de poelen begonnen te schreuwen. De Zweedsche
naam is hun gegeven om dat zy aanvangen te schreuwen in den zelven tyd
dat men hier op de vangst gaat van den zogenaamden Haring, die egter
veel van den Europischen verscheelt. Deze kikkers hebben een byzonder
geschreuw, onderscheiden van dat der onzen; het gelykt veel eer naar
het geschirp van sommige vogels, en kan byna door Pjit Pjit uitgedrukt
worden. Dit geraas begint de gehele lente door met het ondergaan van de
zon en duurt tot den morgenstond. Het was scherp, en kon zeer ver
gehoord worden. Als ’er regen aan de lugt was, schreuwden zy nog veel
harder, en vingen zelfs aan op ’t midden van den dag, of wanneer het
begon te betrekken. De regen volgde gemeenlyk zes uren daarna. Den 16.
Maart sneuwde en stormde het den gehelen dag, en ’s avonds deed ’er zig
niet een horen, en dit duurde zo lang de sneuw bleef leggen en de koude
aanhield. Dog zodra het weder warm wierd begonnen zy hun gezang op
nieuws. Zy waren zo schuw dat het moeilyk was ze te vangen, want zodra
een mensch omtrent hen komt zyn zy ten eersten stil en onzigtbaar. Het
schynt dat zy geheel onder water blyven, en maar het uiterste van den
neus boven steken als zy schreuwen, want ik konde ’er niet enen zien in
de plassen daar zy in waren, ten zy men enen gehelen plas leeg maakte.
De kleur is een morssig groen met bruine vlakken hierendaar gespikkeld.
Als men ze aanvat geven zy een kermend geluid. Ook schynt het als of zy
dan een gedeelte van den rug opblazen, zo dat zy ’er ene hoogte op
hebben, en houden zig dan dood stil al raakt men ze aan. Levendig in
wyngeest gelegd sterven zy in weinige minuten.
[Robin red-breast.]
De Vogel, door de Engelschen Robin red-breast [201] genaamd, wordt hier
al het jaar over gevonden. Hy is geheel onderscheiden van dien in
Engeland den zelven naam draagt. Hy zingt zeer lieflyk, is niet zeer
wild, maar huppelt op den grond digt by de huizen.
[Hazelaars.]
De bloemen van den Hazelaar [202] begonnen den 12. Maart open te gaan.
Zy slagen het best in ene vette tuinaarde, en de Zweden hielden het
voor een teken van enen goeden grond, als zy ze zagen staan.
[Bloeyende bomen.]
De Elzebomen begonnen den 13. te bloeyen, gelyk ook het Dracontium
foetidum, dat menigvuldig in de poelen wast. Dit is de stinkendste van
alle planten. De reuk was zo sterk, dat ik nauwlyks de bloem bekyken
kon, en als ik ’er wat te lang aan rook kreeg ik hoofdpyn. De Zweden
noemen het Byorn-blad, dat is Bereblad, en Byornretter, dat is
Berewortel. De Engelschen heten het Polecat-root of Polecatwortel, om
dat het byna al zo erg stinkt als de Polecat. De bloemen zyn violet.
Als de bloeisem in volle kragt is beginnen de bladen uit den grond te
komen. In den zomer zal het vee deze plant niet aanraken. Dr. Colden
zeide my, dat hy den wortel in alle die gevallen gebruikte waarin men
den Arum wortel voorschryft, in zonderheid tegens het blauwschuit. Den
Zweedschen naam heeft het gekregen om dat ’er de Beren in ’t voorjaar,
wanneer zy hunne winterwoningen verlaten hebben, zeer gretig naar zyn.
Het is zeer gemeen in gantsch Noord Amerika.
De Draba verna was hier overvloedig en stond in bloei.
[Veratrum album.]
De witte Nieswortel, of Veratrum album, was zeer gemeen in de poelen en
natte plaatsen door gantsch Noord Amerika. Het is ene vergiftige plant,
welke het vee noit aanraakt, of het moest in ’t voorjaar wezen, wanneer
het land nog kaal is, en deze plant reeds een schoon groen loof heeft,
en dit kost den beesten dikwyls het leven. Schapen en ganzen zyn ’er
van gestorven. Men gebruikt den wortel om de Mais voor de Maisdieven te
bewaren, gelyk ik reeds verhaald heb. Maar men moet voorzigtig zyn dat
geen ander vee aan de daarin gedoopte korrels rake, want enden en
ganzen worden ’er zeer ziek van en sterven als de hoeveelheid wat groot
is. Den rauwen wortel zal geen beest eten, dog gekookt wel. De honden
heeft men ’er zeer ziek van gezien, dog zy kwamen na ene braking weer
by; maar als een beest het zig niet kwyt kan maken loopt het groot
gevaar. Sommige menschen wasschen zig op de scheurbuikige delen met een
afkookzel van den wortel. Dit veroorzaakt enige pyn en dryft de pis af,
dog wordt gezegd den Lyder te helpen. Dat afkooksel doodt ook de
luizen, wanneer men ’er de kam indoopt. De kinderen maken poppen van
den steel dezer plant, en daarom noemen de Zweden ze Dack, Dackor, of
Dackretter, dat is Poppewortel. De Engelschen noemen ze Itchreed of
Ellebore.
[Oude Amerikanen.]