In plaats van Vischangels gebruikten de Wilden hoeken van been of

vogelklauwen. Sommigen van de oudste Zweden alhier vertelden my, dat in

hunne jeugd zeer vele Amerikanen in het toen zo genaamde Nieuw Zweden

gewoond hebben, die met zulke hoeken op de Dellaware vischten.

[Wyze van vuur te maken.]

Om vuur te maken hadden zy de gewoonte van twee harde droge stukken

houts sterk tegens malkander te wryven, tot dat het hout begon te roken

en daarna in vlam vloog.

[Aanmerking.]

Dusdanig waren de werktuigen die de Amerikanen voor de aankomst der

Europers gebruikten, voor dat zy geleerd hadden zig van het yzer te

bedienen. Noord Amerika heeft overvloed van Yzermynen. De Wilden

woonden door het gehele land verstroid; en men kan vele plaatsen

aanwyzen waar men thans yzermynen ontdekt heeft, daar nog geen honderd

jaren geleden grote dorpen van Wilden gestaan hebben. Dus is het

zonderling dat zy geen gebruik hebben weten te maken van een metaal dat

zy overal onder hunne ogen hadden, en daar zy alle dagen op traden. Zy

woonden op plaatsen daar men naderhand yzererts ontdekt heeft, en

reisden vele mylen ver om ene elendige byl, een mes, of iets diergelyks

van steen te krygen. Zy moesten verscheiden dagen te koste leggen om

hunne werktuigen scherp te maken, met ze tegens ene rots of andere

stenen te wryven, en wierden dan nog kwalyk voor hunnen arbeid beloond,

want zy konden nimmer met hunne bylen enen dikken boom vellen, en

bezwaarlyk konden zy ’er enen kleinen mede omhouwen. Het was hun

onmogelyk met die bylen enen boom uittehollen, of het honderdste

gedeelte van het werk te doen dat wy met onze yzeren bylen verrigten.

Hieruit ziet men hoe nadelig de onkunde, of de dwaze veragting is van

nuttige konsten.

[Hazen.]

Men vindt hier een genoegzaam getal van Hazen, dog zy zyn veel kleinder

dan de Europischen en niet veel groter dan onze Konynen. Zy blyven zo

wel des winters als des zomers grauw, gelyk de onzen maar des zomers

zyn. De tippen hunner oren zyn altyd grauw en niet zwart; de staart is

ook in alle jaargetyden grauw van boven. Zy jongen verscheiden’ malen

in het jaar. In de lente leggen zy hunne jongen in hollen bomen, en des

zomers, in Juni en Juli, in het gras. Wanneer zy verrast worden nemen

zy gemeenlyk hunne schuilplaats in holle bomen, waar men ze met een

stok met een haak van voren uithaalt, of door een gat in den boom te

snyden, of door rook rondom den boom te maken uit dryft. In alle die

gelegenheden heeft men ’er honden by van doen. Deze hazen byten noit,

en men kan ze zonder gevaar aanraken. By dag zitten zy gemeenlyk in

holle bomen, en komen ’er zelden uit, ten zy ze door menschen of honden

gestoord worden; dog ’s nagts gaan ze uit om voeder te zoeken. By slegt

weder, of als het sneuwt, leggen zy een dag of twee stil, en wagen zig

niet buiten hunne schuilplaatsen. Op de koollanden doen zy grote

schade; en de appelbomen moeten oneindig veel van hun lyden, want zy

schillen ze digt by den grond geheel af. Men stemt hierin overeen, dat

zy in enen kouden harden winter vetter zyn dan in enen zagten en

vogtigen. Men gaf hiervan verscheiden’ oorzaken by gissing op. De huid

is zo los dat men ze niet van ’t lyf aftrekken kan, en by gevolg deugt

zy nergens toe, want als men ze by de hairen trekt volgt het vel met

stukken van zelf. Deze Hazen kan men niet mak maken. Zy hebben altyd,

zelfs in ’t midden van den winter, ene menigte van vloyen. [173]

[Muizen.]

Muizen van het gemene soort vond men hier te lande in de steden en op

’t veld, en dat in zulke menigtens, dat zy hier, even als in andere

landen, zeer veel schade doen. Oldmixon [174] verhaalt dat ’er nog

muizen nog ratten in Noord Amerika geweest zyn, eer zy met de schepen

uit Europa overgekomen waren. Hoe ver dit waar is weet ik niet. Dog dit

is zeker, dat ik op vele woeste plaatsen, waar noit een mensch gewoond

heeft, velen van ’t gemene soort van Muizen doodgeslagen heb, die in de

spleten der bergen zaten. En is het waarschynlyk dat alle die Muizen,

die door alle de binnenlanden verspreid zyn, van die zouden afkomstig

wezen die uit Europa zyn overgebragt?

[Ratten.]

De Ratten kan men ook onder dat gedierte rekenen dat veel kwaads in dit

land doet. Men vindt ze en in de steden en op het land. Zy zyn van de

zelve grootte als onze Ratten, dog anders van kleur, want zy zyn grauw

wat naar het blauwe hellende. Ik vroeg de Zweden of zy hier al voor de

aankomst der Europeanen geweest waren dan niet, dog kon geen voldoend

antwoord erlangen. Allen kwamen zy daarin overeen, dat ’er jaarlyks ene

bystere menigte van dit ongedierte met de schepen werd overgebragt. De

Heer Bartram beweerde, dat voor dat zig hier de Europers hadden

nedergezet de Ratten reeds in dit land geweest waren; want hy had ’er

ene grote menigte van op die hoge bergen gezien, die de Blauwe Bergen

genoemd worden, waar zy tusschen de stenen in de onderaardsche holen,

die in dat gebergte menigvuldig zyn, nestelden. Zy houden zig by dag zo

stil, dat men ’er zelden een van ziet, dog des nagts maken zy een

schrikkelyk geweld. Als het zeer koud was schenen zy geheel bevroren,

want zo lang de vorst aanhield deden zy zig in ’t geheel niet horen.

Men moet hier aanmerken, dat ’er nog by de Zweden nog by de Engelschen

luiken voor de vensters zyn, nauwlyks vindt men ’er een dakvenster, en

maar alleen losse planken. De muren der houte huizen waren zelfs niet

met mos digt gestopt, zo dat het in de kamers, schoon ’er gestookt

wordt, niet warmer is dan in de voorhuizen. In de vertrekken daar de

Dienstboden sliepen stookte men in ’t geheel niet, schoon het somtyds

vinnig koud was. Dus staan de Ratten des winters ene grote koude uit;

maar zodra het gematigd weder wordt komen zy te voorschyn. Wy merkten

dezen winter verscheiden’ malen op, dat de Ratten kort voor ene zware

koude het zeer druk hadden, en des nagts een groot geraas maakten. Het

scheen dat zy een voorgevoel van de aanstaande vorst hadden, en daarom

wakker aten en voorraad opdoen wilden. By zagt weder waren zy gewoon

appelen en anderen voorraad wegteslepen. Dus besloten wy altyd voor

vast, dat als de Ratten des nagts sterk aangingen of zeer gulzig waren,

’er ene zware koude op handen was. Ik heb reeds opgemerkt dat de grauwe

Eekhoorns hier te lande de zelve eigenschap hebben. De Muizen eten ook,

gelyk dezen, niet de gehele Maiskorrels, maar alleen de zoete binnenste

kern daaruit.

[Vinnige koude.]

Den 21. Januari 1749. was de koude hier zo fel als in Zweden, schoon

dit Land zo veel zuidelyker legt. De Thermometer van Celsius was des

morgens twee en twintig graden beneden het punt van vorst. Gelyk de

kamers hier zonder blinden, en de wanden niet met mos digt gestopt zyn,

moeten hier de winters zeer onaangenaam voor iemant wezen die aan de

warme Zweedsche kamers gewoon is. Dog het is hier een grote troost dat

de koude niet lang aanhoudt. Sommige dagen van deze maand Januari was

het zo koud in myne kamer, dat ik geen twee regels schryven kon zonder

dat de inkt in de pen bevroor. Als ik niet schreef kon ik den inkt niet

op tafel laten staan, maar was genoodzaakt hem op den haard te zetten,

of in myn zak te steken. Egter, schoon het zo koud was, en dat het

somtyds verscheiden’ dagen en nagten aan een sneuwde, zo dat het veld

byna zes duim dik besneuwd was, moest het vee dag en nagt over in ’t

veld blyven gedurende den gantschen winter. [Gene stallingen voor het

vee.] Want nog de Engelschen nog de Zweden hadden stallen; maar de

Duitschers en Hollanders volgden hier in de gewoonte van hun vaderland,

en haalden hun vee des winters op stal. De meeste oude Zweden zeiden,

dat zy by hunne aankomst hier te lande volgens het gebruik van Zweden

stallen gemaakt hadden, dog toen de Engelschen zig hier kwamen

nederzetten, en, volgens het gebruik van Engeland, hun vee altyd in ’t

veld lieten, hadden zy ook die gewoonte aangenomen. Zy stonden nogthans

toe, dat het vee wanneer het fel koud is, zeer veel leed, vooral als

’er vorst op enen regen kwam, en dat dit in den zwaren winter van ’t

jaar 1741. op vele plaatsen verscheiden’ beesten het leven gekost had.

Het vee vond nu zyn voedsel in het woud, waar nog sommige bladeren op

de jonge eiken zaten, dog het liet de bladeren met rust, en beet alleen

de tippen der dunne takken, en de koppen der tederste eikeboompjes af.

De paarden liepen op de Maisvelden, en aten de droge bladen van de

weinige stelen die ’er nog over waren. De schapen weidden in de

bosschen en op de akkers. De hoenders sliepen des nagts op de takken

der bomen in de tuinen, want ’er waren gene hokken voor hun. De varkens

lagen ook, binnen ene betuining, onder den bloten hemel. Een klein

soort van vogels, by de Zweden [De sneuwvogel.] Sneuwvogel, by de

Engelschen Chuck-bird [175] genoemd, kwam omtrent dezen tyd by de

huizen. Men ziet ze zelden dan wanneer het sneuwt, anders zoeken zy hun

voedsel op de wegen.

[Ys.]

De Dellaware tegen over Philadelphia en iets lager lag thans toe, zo

dat men ’er over gaan kon. Dog niemant dorst ’er over te ryden.

[Patryzen.]

Men vindt Patryzen in dit Land, dog niet van het zelve soort met de

onzen. Somtyds noemen en Zweden en Engelschen ze ook Wagtels. Van

gedaante, aard en eigenschappen zyn zy dezelve met de Europische

Veldhoenders, dat is te zeggen, zy lopen weg en verstoppen zig als men

ze vervolgt. Maar zy zyn kleinder en van ene andere kleur. Ik kan in

dit werk niet breedvoerig de beschryvingen inlasschen, die ik van

vogels, gekorvenen, viervoetige dieren, en planten gemaakt heb, om dat

dit het te ver zou doen uitlopen. Ik zal alleen aanmerken, dat deze

Patryzen aan de poten naakt, op den rug bruin, zwart en wit gespikkeld,

op de borst donker geel, en op den buik wit zyn, met zwarte randen om

de veren. Van grootte zyn zy als het Hazelhoen. [176] Boven ieder oog

hebben zy een ligtgelen smallen kring. In Nieuw Zweden zyn zy

menigvuldig, en men behoeft daar niet ver te gaan om ’er grote klugten

van te vinden. Egter onthouden zy zig niet digt by de steden, het zy ze

door het veelvuldig schieten uitgeroeid of verjaagd zyn geworden. Zy

zyn altyd in groter of kleiner troepen, vliegen niet zeer ver, maar

lopen op de velden, vooral onder de struiken en nevens de tuinen, waar

zy haar voedsel zoeken. Men houdt ze voor een uitmuntend eten, en maakt

ze op velerhande wyzen gereed. Om deze reden worden ’er velen gevangen

en geschoten. Men vangt ze in een soort van vierkante knip, van berden

gemaakt, waaronder men wat haver stroit; de knip wordt aan den enen

kant op stokjes gezet. Als het geluk wat mede loopt kan men ’er

verscheiden te gelyk vangen. Wanneer zy onder het kreupelhout zig

verbergen, kan men ’er zeer digt bykomen, zonder ze te doen opvliegen.

Des nagts kruipen zy op enen hoop t’zamen. Zy krauwelen op den grond

even als de kuikens. In de lente maken zy hare nesten onder het

kreupelhout, op de Maisvelden, of op de heuvels in de open lugt. Zy

krabben enig stroo byeen, waar in ze omtrent dertien witte eijeren

leggen. Zy eten verscheidenerhande graan en gras zaden. Ook heeft men

ze de bessen van den Sumach [177] zien eten. Sommige menschen hebben ze

jong gevangen, en in koyen mak gemaakt, waar na men ze los lopen laat.

In dat geval blyven zy trouw by de kippen.

[Tuinen.]

De betuiningen, welken men in Pensylvanie en New Jersey, maar

inzonderheid in New York, gebruikt, worden uit hoofde harer

slingeragtige gedaante, in ’t Engelsch, Wormfences genoemd. De palen

worden van verscheidenerlei hout gemaakt, welk niet alle even duurzaam

is; de rode Ceder wordt gehouden het langst goed te blyven, zelfs meer

dan dertig jaar, maar het is schaarsch te vinden, en groeit maar op ene

plaats hieromstreeks. De betuiningen rondom Philadelphia, die egter

verschillen van de Wormfences, zyn, ’t is waar, allen van rode Ceders

gemaakt, dog het hout wordt daar te water van Egg-harbour gebragt, waar

het overvloedig wast. De stutten waarop de palen leggen zyn van witten

Ceder, en de palen tusschen beiden van roden Ceder. Na het rode

Cederhout wordt het Eiken en Kastanjenhout het best geagt. Het laatste

is wel het beste, dog niet overal in genoegzamen overvloed, en

derhalven gebruikt men allerlei eikenhout. Om deze betuiningen te maken

hakt men de kleine bomen niet om, dog velt hier en daar enige dikke

bomen, en maakt daar palen van. Uit enen boom kan men ene grote menigte

van palen hebben. De Zweden hadden in ’t eerst betuiningen willen maken

zo als in hun vaderland gebruiklyk is, maar zy hadden ’er van moeten

afzien, om dat zy gene palen genoeg vinden konden om in den grond te

slaan, want in den grond geslagen duurt het hout niet boven de vyf of

zes jaar, zo ver het in de aarde steekt, behalven dat zy gene tenen

vinden konden om ze t’zamen te verbinden. Zy maakten ’er wel enigen van

Hikory, en van den witten Eik, dog de tenen waren schielyker vergaan.

De palen dezer betuiningen, welken men overdwars legt en op twee andere

palen in den grond geslagen rusten doet, zyn zeer zwaar, zodat de

stutpalen werk hebben van ze te dragen, en als het begint te stormen

vallen deze schuttingen dikwyls omver, dog het kost weinig moeite ze

weder opteregten. Zy lopen al slingerende, en dus vereischen zy veel

meer houts dan indien zy lynregt liepen, daarenboven duren de beste

Wormfences, uit het duurzaamste hout gemaakt, niet boven tien of twaalf

jaren; zo dat zy zeer veel houts verslinden, en het te voorzien is dat

na enige jaren de bosschen meest vernield wezen zullen, indien

hiertegen gene voorzorg wordt gebruikt, vooral daar het hout hier zeer

roekeloos verspild, en in grote menigte, ten minsten des winters, dag

en nagt gebezigd wordt.

[Muskusrat.]

De Muskusrat, zo wegens zynen reuk genaamd, [178] is tamelyk gemeen in

Noord Amerika. Zy leven voornamelyk van de mosselen, die op den bodem

der stromen leggen. Men vindt velen van die mosselschelpen aan de

ingangen hunner holen. Zy houden altyd huis in de nabuurschap van

meren, rivieren en poelen. Hunne holen zyn een weinig boven het water.

Zy zitten ’er altyd in als zy niet aan ’t zoeken van hun voedsel zyn.

Zy eten ook verscheiden wortelen en planten. Deze Muskusratten

verschillen enigsins van de Europischen. [179] De beide soorten hebben

de zelve tanden; de staart der Amerikaanschen is plat op beide de

zyden, zo dat de ene scherpe rand opwaards en de andere nederwaards

gedrukt is. By de agterpoten zyn de tonen niet met een beweegbaar vel

verenigd, [180] maar hebben aan beide zyden van den voet lange, witte,

digt by malkander, en als ene kam opstaande hairen, behalven de korte

hairen waarmede de voeten geheel bedekt zyn. Zulke hairen staan aan

beide de zyden der tonen, en dienen in ’t zwemmen omtrent even zo wel

als een vel. Zy zyn van grootte als ene kleine kat, of, om nauwkeuriger

te zyn, de lengte van het lyf is omtrent tien duim, en de staart even

zo lang. De kleur van den kop, den hals, den rug, de zyden, en het

buitenste der dyen is zwart-agtig bruin; het hair is zagt en

glinsterend; onder den hals, op de borst, en binnenste der dyen zyn ze

grauw. Zy maken hunne nesten in de dyken, die opgeworpen zyn langs de

rivieren, om het water van de weilanden aftehouden; dog zy brengen veel

schade aan die dyken toe, door ze met hun graven te ondermynen, en voor

het water doortogten op de weilanden te maken. De Bevers daarentegen

stoppen alle de gaten in de dyken en dammen toe. Van buiten zyn de

nesten van tenen, biezen en diergelyken, en binnen in brengen zy

allerhande zagte dingen, waarop zy de jongen leggen. De Zweden hielden

ze tegenwoordig voor niet minder talryk dan voorheen. Men tragt ze

uitteroeyen, om dat zy veel schade aan de dyken toebrengen, en tot ene

aanmoediging hiertoe dient dat de huid gekoft wordt. Voorheen kostte

elk vel maar drie, dog tegenwoordig van zes tot negen pence. De

hoedemakers gebruiken de vellen, en de hoeden daar van gemaakt worden

byna zo goed geagt als Beverhoeden. Men vangt ze gemeenlyk in vallen,

waarin men appelen tot een lokaas hangt. In ’t Land der Iroquoizen zag

ik hoe de Wilden de gangen van de holen der Muskusratten na groeven tot

dat zy aan de nesten kwamen, daar zy alles dood sloegen. Niemant eet

hier hun vleesch, of de Wilden moesten het doen, dat ik niet zeggen

kan, want dezen zyn niet zo kiesch. Men legt de muskuszakjes onder de

klederen, om ze tegens de motten te bewaren. Het is zeer bezwaarlyk

deze ratten uitteroeyen als zy zig eens wel in enen dam genesteld

hebben. Een Zweed nogthans verhaalde my dat hy daarin op de volgende

wys geslaagd was. Hy zogt alle de holen op, stopte ze allen toe, alleen

een uitgenomen aan den kant van waar de wind kwam. Hier lag hy zwavel

in, stak die in brand, en maakte toen het gat toe, latende maar ene

kleine opening om den wind doortelaten. Op deze wys verstikte hy alles

wat ’er in de nesten was. Zodra de zwavel verteerd was, groef hy het

hol op, en vond de ratten allen by hopen dood leggen. Hy verkoft de

vellen, en kreeg dus zyne moeite betaald, behalven het voordeel dat hy

had van zig van hun ontslagen te hebben.

[Bevers.]

De Bevers waren voorheen overvloedig in Nieuw Zweden, gelyk my alle de

oude Zweden verhaalden. In dien tyd zag men den enen dam na den anderen

in de rivieren door de Bevers opwerpen. Maar sedert dat het Land beter

bebouwd is, zyn de Bevers gedeeltelyk hoger landwaards in geweken, waar

de menschen zo talryk niet zyn. Dus is ’er in Pensylvanie maar ene

enige plaats waar men Bevers vindt. Hun voornaamste voedsel is de bast

van den Beverboom, [181] en dit stellen zy boven alles. Dus lagen de

Zweden takken van dien boom in vallen digt by de woningen der Bevers,

toen zy nog menigvuldig waren, en konden zig byna altyd verzekeren van

ene goede vangst. Sommige menschen te Philadelphia houden getemde

Bevers, waarmede zy uit visschen gaan, en die altyd terug by hunne

meesters komen. De Major Rodefert in New York verhaalde, dat hy zulk

enen Bever een half jaar lang in huis had gehad, waar hy los liep gelyk

een hond. Hy gaf hem brood, en somtyds visch, daar hy zeer gretig naar

was, en deed zoveel water in een bak als het dier van noden had. De

Bever sleepte alle oude lappen en andere zagte dingen, die hy vinden

kon, in enen hoek, waar hy gewoon was te slapen, en maakte ’er een bed

van. De kat van het huis maakte zig eens, dat zy jongen had, meester

van dat bed, en de Bever hinderde ze daar niet in. Als de kat van het

nest weg ging, nam hy de jonge katjes in zyne voorpoten, warmde ze

tegen zyne borst, en scheen ’er veel van te houden. Zodra de Moeder

weer kwam, gaf hy ze haar terug. Somtyds bromde hy wel eens, dog beet

noit.

[De Mink.]

De Engelschen en Zweden geven den naam van Mink aan een dier van dit

Land, dat ook in ’t water of digt ’er by woont. Ik heb noit gelegenheid

gehad iets meer dan de huid van het zelve te zien. Dog de gedaante van

de huid, en het gene ik eenparig van het beest gehoord heb, doen my

denken dat het tot het geslagt der Wezels behoren moet. Het grootste

van die vellen dat ik oit zag was een voet en agt duim lang, een

kleinder omtrent tien duimen lang en omtrent drie en een derde breed,

voor dat het uitgesneden was. De kleur was donker bruin, en somtyds

byna zwart. De staart was hairig, gelyk dien van een Marter. Het hair

was digt, en de oren kort met korte hairen. De langte van de poten aan

het kleinste vel was omtrent twee duim. Dit dier, verhaalde men my,

gelykt zo veel naar den Polecat, dat men ’er nauwlyks onderscheid

tusschen zien kan. [182] Zyne levenswys is als volgt. Hy vertoont zig

weinig by dag, dog ’s nagts komt hy uit de holle bomen op de oevers der

rivieren te voorschyn. Somtyds onthoudt hy zig op de scheepswerven en

by de bruggen te Philadelphia, daar hy de Ratten sterk vervolgt. Ook

kruipt hy veel door een klein gat in de hoenderhokken, waar hy de

kippen dood byt, haar het bloed af zuigt, maar ze zelden opvreet. Als

hy ganzen, enden, of ander gevogelte ontmoet, doodt hy ze en vreet ze

op. Hy leeft van visch en gevogelte. Als men in de nabuurschap van

wateren woont waar zig dit dier onthoudt, kan men bezwaarlyk enden of

ganzen houden, want het vernielt alle de jongen. Eerst byt het ’er zo

velen dood als het krygen kan, sleept ze dan weg, om ’er zig op te

vergasten. De Mink doet ook schade aan dyken en dammen door zyn graven.

Men vangt hem in vallen, waarin men vogels of visch of ander lokaas

doet. Het vel wordt in de steden verkoft, en het geldt, naar zyne

grootte, twintig pence of wel twee schellingen het stuk. Sommige

Vrouwen dragen ’er moffen van, dog de meesten worden naar Engeland, en

van daar naar elders, verzonden. De oude Zweden verhaalden my, dat de

Wilden voorheen allerhande vleesch plegten te eten, behalven dat van

den Mink.

[De Rakoon of Hespan.]

Ik heb reeds iets gezegd van den Rakoon, ik zal hier, op ene plaats die

eigenlyk zyn vaderland is, [183] wat meerder ’er byvoegen. De

Engelschen noemen hem overal Rakoon, enen naam dien zy ongetwyffeld van

de Wilden ontleend hebben; de Hollanders geven hem dien van Hespan, de

Zweden dien van Espan, en de Iroquoizen dien van Attigbro. Hy woont

gemeenlyk in holle bomen, komt noit voor den dag dan by donker wolkig

weder, dog ’s nagts loopt hy zyn voedsel zoeken. By slegt weder, vooral

by sneuw of storm, wil men, dat hy wel ene week aan een in zyn hol

blyft leggen, gedurende welken tyd hy leven zou van zyne poten te

zuigen. Zyn voedsel zyn vrugten, vooral Mais, wanneer de korrels nog

week zyn. In de tuinen doet hy veel schade aan de appelen, de

kastanjes, pruimen, en wilde druiven, die zyn liefste spys zyn; onder

het gevogelte is hy schrikkelyk wreed. Vindt hy ene hen op hare eyeren,

zo doodt hy eerst de hen, en vreet dan de eyeren op. Hy wordt gevangen

door honden, die zyn spoor naar ’t nest volgen in den hollen boom, of

in strikken of vallen, waarin men een kuiken, enen anderen vogel, of

enen visch zet. Sommige menschen eten zyn vleesch. Hy springt met zyne

vier voeten te gelyk, en om deze en meer andere reden, wordt hy door

velen onder het geslagt der Beren gerekend. Zyn huid geldt te

Philadelphia agttien pence. De Hespans waren, zeide men, ver na zo

talryk niet als voorheen, dog binnenslands waren zy in overvloed. Ik

heb reeds gesproken van het gebruik dat de Hoedemakers van zyn vel

maken, en aangetekend dat zy ligt mak gemaakt worden, en dat zy zeer op

zoetigheden gesteld zyn. Van alle wilde dieren van Noord Amerika wordt

’er geen zo mak als de Hespan.

[Vertrek naar Philadelphia.]

Den 10. Februari, des morgens, vertrok ik naar Philadelphia, waar ik

tegens den avond aankwam. Ik vond by het Veer de Dellaware vol dryfys,

het geen ons dwong een uur te wagten, en by het Veer ene opening te

maken; wy raakten eindelyk met nog enige reizigers over, voor dat ’er

meer schollen afkwamen. Dewyl het dezen winter na den 12. Januari zo

sterk begon te vriezen, wierd de Dellaware geheel met ys bedekt, het

welk zo sterk wierd dat men by Philadelphia met paarden ’er over kon.

Het ys bleef leggen tot den 8. Februari toen het begon los te gaan, en

de geweldige orkaan, die ’er dien nagt opvolgde, brak het geheel, en

het dreef zo schielyk weg, dat den 12. Februari niet ene enkelde schol

meer afkwam, uitgenomen een of twee stukken digt aan den oever.

[Krayen.]

Dezen dag zag men grote troepen van krayen vliegen, en op de bomen

nedervallen. Tot nog toe had men ze den gantschen winter niet gezien,

schoon men zegt dat zy ’er den winter overblyven. Gedurende de gantsche

lente zaten zy des morgens in de toppen der bomen, dog niet in troepen

by malkander. Zy behoren tot het schadelyk gevogelte, want zy azen

meest op koorn. Als de Mais gezaid is krabben zy de korrels uit den

grond en vreten ze op. Als zy begint ryp te worden pikken zy een gat in

de schil die rondom de airen is, waardoor de Mais bederft, dewyl de

regen door die gaten indringt en ’t koorn doet verrotten. Ook stelen zy

kuikens. Zeer zyn zy op dode krengen gesteld. Voorheen stond ’er ene

beloning op het brengen van dode krayen, dog de kosten liepen te hoog.

Ik heb op vele plaatsen jonge wilde krayen zien spelen met andere makke

krayen, wier vleugels gekort waren, die rondom de Landhoeven vry rond

huppelden, dog altyd weder naar huis keerden, zonder dat ze tragtten te

ontsnappen. [184]

[Vertrek naar Rakoon.]

Den. 12. Februari na den middag vertrok ik weder van Philadelphia naar

Rakoon. Ik gaf op dit reisje nauwkeurig agt op de bomen daar nog enige

[Bomen die hun blad nog niet kwyt waren.] bladen opzaten. De bladen

waren bleek en droog, dog niet ten vollen afgevallen. Deze bomen waren

de volgenden.

Reis door Noord Amerika · 第 20 / 50 段