breed te wezen, dog op het oog scheen zy zo breed niet. In ’t midden
zegt men dat zy van vier tot zes vadem diep is.
[Schrynwerkershout.]
De schrynwerkers gebruiken, volgens hun zeggen, voornamelyk het zwart
Walnoten, het wilde Kerssebomen en het gemarmelde Ahornhout. Van de
zwarte Walnotebomen is hier ene genoegzame menigte. Evenwel worden zy
van sommige onbedagtzame menschen uitgeroeid, en de Boeren maken ’er
veeltyds hun brandhout van. Het hout van den wilden Kersseboom is goed
en schoon voor ’t oog; het is geelagtig, en hoe ouder het werk is hoe
frayer het ’er uitziet. Dog het is alreeds bezwaarlyk te vinden, want
het wordt overal uitgeroeid, en nergens weder aangeplant. De Gemarmelde
Ahorn is ene verscheidenheid van den gemenen Roodbloemigen Ahorn, dog
ook al schaarsch. Men kan verscheiden bomen vellen, zonder dat men het
gemarmelde hout vindt. Het hout van den Liquidambar wordt ook tot
schrynwerk gebruikt, dog krimpt als men het wat digt by het vuur
brengt. Van de Sparren en de zogenaamde Witte Ceders bedient men zig
ook om verscheidene dingen te maken.
[Molens.]
De Molenaars van den molen, die hier stond, zeiden, dat de assen van de
molenraderen uit den Witten Eik plegen gemaakt te worden, en dat zy
drie of vier jaar goed bleven, dog de assen van Sparrenhout duurden zo
lang niet. De tanden der raderen en rollen wierden gemaakt van Wit
Walnotenhout, om dat men hier geen harder hout krygen kan. Het hout van
den Moerbezieboom wordt het allerbest gehouden voor krammen en
houvasten in schuiten en schepen.
Des avonds voer ik van Wilmington af naar de overzyde aan het veer, aan
den kant van New Jersey.
[Rakoon.]
Den 13. keerde ik vroeg terug naar Rakoon.
[Boomknoesten.]
Op vele bomen in de bosschen vindt men hier of op de ene zyde, of in
het midden van enen tak, of rondom enen tak, meer of min grote knobbels
of uitwassen. Somtyds is ’er maar een op enen boom. In de grootte is
’er een aanmerkelyk verschil, want sommigen van deze knobbels zyn zo
groot als een manshoofd, anderen weder zyn klein. Somtyds is ’er een
boom als geheel van bedekt. Dikwyls zaten zy niet alleen aan enen kant,
maar maakten een soort van ring rondom den boom of den tak. Kleine
bomen, niet boven enen vadem hoog, hadden ook dikwyls zulke knobbels.
De knobbels bestaan uit het zelve hout als de boom, en zien ’er van
binnen uit omtrent als gemarmeld hout. Enigen waren egter ook hol. Als
men enen knobbel op enen kleinen boom opensnydt, vindt men ’er
gemeenlyk vele kleine wormen in, die somtyds ook gemeen zyn in de grote
uitwassen. Dit wyst ons den oorsprong der knobbels in ’t algemeen aan.
De boom wordt van een Insekt gestoken dat zyne eyeren onder den bast
legt, en uit die eyeren komen wormen te voorschyn, welken het sap uit
de vaten doen lopen, het welk allengskens hard en tot enen knobbel
wordt. Alleen de bomen die hunne bladen jaarlyks vallen laten hebben
deze knobbels, en onder dezen vooral de Eik, van de welken wederom de
Spaansche Eik de meeste knobbels heeft. Ook vindt men ze op den
Esscheboom en den Ahorn. Voorheen maakten de hier gezetene Zweden, dog
nog meer de Finlanders, schotels, borden, en diergelyke dingen van die
knobbels die op den Esch groeiden. Dit vaatwerk, zeide men my, was heel
aardig, en zag ’er uit als of het van gemarmeld hout was gemaakt. Die
van den Eik kunnen hiertoe niet gebruikt worden, als zynde gemeenlyk
wormstekig en verrot van binnen. Tegenwoordig gebruiken de Zweden die
soort van schotels en borden niet meer, maar hebben aardenwerk. Sommige
knobbels zyn van ene ongemene grootte, en doen ’er enen boom
gedrogtelyk uitzien. Diergelyke bomen, treft men hier in de bosschen
veel aan. [166]
[Wegen.]
De wegen zyn hier, naar dat de grond is, goed of kwaad. In ’t zand zyn
zy droog en goed, dog op de klei deugen zy niet. Men is hier zeer
nalatig in het onderhouden derzelven. Als een beekje niet zeer breed is
legt men ’er niet eens ene brug over, en de Reizigers mogen zien hoe zy
’er best overkomen. Dit maakt dat men op sommige plaatsen by sterke
stortvlagen gevaar loopt van te verdrinken. Als ’er een boom dwars over
den weg valt, hakt men hem zelden door, maar rydt ’er rondom heen. Dit
kan men ligt doen, dewyl de grond vry gelyk en zonder stenen is, ’er
geen kreupelhout wast, en de bomen tamelyk ver van malkander staan. Dit
maakt dat de wegen zo veel bogten hebben.
[Weinig dorpen.]
De Landhoeven leggen meest op haar zelven, en men vindt ’er zelden twee
by malkander leggen, uitgenomen op zulke plaatsen die als steden worden
aangezien. Dit maakt dat ’er weinig dorpen zyn. Elke hoeve heeft hare
akkers, weilanden en bosschen. Zou dit ook iets hebben toegebragt om de
wolven uitteroeyen, dat men byna overal huizen en menschen vindt? Twee
of drie Landhoeven hebben gemeenlyk ene weide of een bosch in
gemeenschap; dog de meesten hebben elke hare toebedeelde landen.
[Huwelyken.]
Al wie zig in ’t huwelyk wil begeven moet zyne drie geboden van den
Predikstoel hebben laten aflezen of een verlofschrift van den
Gouverneur hebben. De geboden van de geringere menschen alleen worden
afgelezen, al wat iets meerders wezen wil neemt een verlofschrift,
waarin de Gouverneur verklaart de zaak onderzogt en niets gevonden te
hebben dat het voltrekken der trouw hinderen moet, en dat hy gevolgelyk
hiertoe verlof geeft. Hy ondertekent het geschrift. Dog eer het den
verzoeker in handen wordt gesteld, moet de Bruidegom zelf komen
vergezeld van een of twee brave manspersonen, die voor hem instaan dat
’er gene wettige verhindering is opgekomen. Dezen moeten een
getuigschrift tekenen, waarin zy zig aanspreeklyk maken en verbinden
tot vergoeding van alle schade die ’er door de klagten der Voogden, der
Heren, of der Nabestaanden des persoons die zig in ’t huwelyk begeeft,
of van zulken aan de welken hy eerder verbonden was geweest,
veroorzaakt mogte worden; want dit alles kan de Gouverneur onmogelyk
weten. Voorts, dat ’er niets uit hoofde der aantegane egtverbintenis te
vrezen is, en dat ’er niets is dat dezelve verhinderen moete. Voor een
verlofschrift betaalt men te Philadelphia vyfentwintig Pensylvanische
schellingen, waarvan ’er twintig voor den Gouverneur en vyf voor zynen
Sekretaris zyn. Het verlofschrift luidt alleen aan Protestantsche
Geestelyken. De Quakers krygen een byzonder verlofschrift. Maar,
vermits het zeer lastig wezen zou, vooral voor zulken die ver af van de
verblyfplaats des Gouverneurs wonen, om een verlofschrift in de Stad te
komen en hunne borgen medetebrengen, nemen de Predikanten op het land
een genoegzaam getal van verlofschriften en borgtogten in blanco in
voorraad, die zy aan de zulks behoevenden ter hand stellen voor den
gewonen prys van vyfentwintig schellingen, en iets daarenboven voor
hunne moeite. Het dus verzamelde geld brengen zy den Gouverneur als zy
in de Stad komen, te gelyk met de borgtogten. Hieruit kan men opmaken,
dat de Gouverneurs buiten hun jaargeld nog een tamelyk inkomen van
hunne post hebben. [167]
[Jaren van Mondigheid.]
Volgens de Engelsche wetten is een manspersoon met zyn eenentwintigste,
en een meisje op haar agttiende jaar mondig, en kan dan trouwen zonder
het verlof van zyne Ouders. Dog voor dien ouderdom kan het zonder
toestemming van ouders of van voogden niet geschieden.
[Verscheidenheid van Landaarden in de Volkplantingen.]
Men vindt in de Volkplantingen allerhande soorten van landaarden, zo
wel van zulken die onlangs uit Europa zyn overgekomen, als van zulken
die nog geen vast verblyf genomen hebben. Dus gebeurt het wel, dat by
het trouwen van zulk een paar de Bruidegom zegt dat hy voor het
tegenwoordige nog geen geld heeft, maar betalen zal zodra hy kan, en
zig hiermede met zyn wyf weg pakt, [Bedrog hieruit ontstaande.] zonder
dat de Predikant oit het zyne krygt. Dit heeft gelegenheid tot ene
gewoonte gegeven, die nu in Maryland gemeen is. Als ’er een arm paar
getrouwd wordt, houdt de Predikant op in het midden van het formulier,
en vraagt waar is myn geldt? [168] Geeft dan de Bruidegom het geld, zo
gaat de Predikant voort, dog heeft deze het niet, zo wordt de trouw zo
lang uitgesteld tot dat hy beter by kas is. Ryke lieden, van wie de
Predikant gene zwarigheid heeft van zyn geld niet te krygen, staan aan
deze onaangename vraag niet bloot.
[Wetten hieromtrent.]
Schoon een Predikant verlof gekregen heeft tot het trouwen van een
paar, kan hy egter, indien hy niet voorzigtig is, in onaangename
omstandigheden geraken, want op vele plaatsen is ’er ene wet, die,
niettegenstaande zulk een verlofschrift, de magt van den Predikant zeer
bepaalt. Hy mag een onmondig paar niet trouwen, indien hy niet
verzekerd is van de toestemming der ouders. Ook mag hy zulke
vreemdelingen niet trouwen die verbonden zyn een zeker getal jaren te
dienen zonder de bewilliging van hunne Heren. Indien hy zonder zulke
toestemming ene trouw verrigt, vervalt hy in ene boete van vyftig
Pensylvanische ponden, alhoewel hy een verlofschrift en den borgtogt
heeft van twee mannen, want de Ouders en Heren storen zig niet aan die
borgtogten, maar spreken den Geestelyken aan, die zyne schade kan zien
te herhalen op de genen die hem borg gebleven zyn. Dog met de
bewilliging van ouders of meesters kan hy zonder gevaar de trouw
verrigten. Geen Predikant mag enen Zwart met iemant van Europische
afkomst trouwen, onder straf van honderd pond boete, volgens de wetten
van Pensylvanie.
[Kortswylig gebruik.]
Hier heeft een kortswylig gebruik by sommige huwelyken plaats. Als een
man stervende zyne weduw in armoede laat zitten, of zo, dat zy alle de
schulden niet betalen kan met het weinige dat haar overblyft, en dat
dit niettegenstaande ’er een man is die haar trouwen wil, moet zy
trouwen in haar blote hembd. Door deze plegtigheid staat zy aan de
schuldeischers van haren overledenen man hare klederen, en al wat zy in
huis vinden kunnen, af. Dog boven dat is zy niet gehouden hun iets meer
te betalen, als hun alles hebbende overgegeven wat zy had, uitgenomen
maar een hembd om haar te dekken, het welk de wetten van het Land haar
niet ontnemen kunnen. Zodra zy getrouwd is, en niet meer tot den
eersten man behoort, trekt zy de klederen aan die haar de twede gegeven
heeft. De Zweedsche Predikanten hebben verscheiden bruids in zo een
goedkope en lugtige kleding getrouwd, gelyk uit de registers in de
kerken blykt. Ook heb ik dikwyls van zulke huwelyken in de Engelsche
Koeranten gelezen, die in de Volkplantingen uitkomen. Het volgende in
’t byzonder zal ik uit ene aantekenen. “Ene vrouw ging, met niets
anders aan dan haar hembd, begeleid door hare naaste vrienden, uit het
huis haars overledenen Mans naar dat van haren Bruidegom, die haar ten
halven wege te gemoet kwam met fraye nieuwe klederen, en in
tegenwoordigheid van allen zeide, dat hy die aan zyne Bruid leende, en
trok ze haar met eigen handen aan.” Waarschynlyk zeide hy haar die
klederen te lenen, uit vreze dat als hy ze haar gegeven had de
schuldeischers van haar eersten man mogten opkomen en ze haar ontnemen,
onder voorgeven dat zy moest worden aangezien als tot den eersten man
behorende, eer zy met den tweden getrouwd was.
[Europeanen hier te lande voor de aankomst der Zweden.]
Het schynt uit de volgende waarnemingen zeer waarschynlyk, dat ’er voor
de Zweden hier te lande alreeds Europeanen geweest zyn, en in ’t
vervolg zullen wy nog iets ter bekragtiging van deze mening by brengen.
De zelve oude man, Maons Keen, van wien ik alreeds gesproken heb,
verhaalde my meer dan eens, dat toen de Zweden in de voorleden euw zig
hier nederzetteden, en ene Volkplanting, Helfingburg genoemd, op de
Dellaware aanleiden, iets beneden de plaats waar nu Salem staat, zy op
de diepte van twintig voeten enige gemetselde putten vonden. Dit kon
onmogelyk een werk der Wilden wezen, die gene gebakken stenen voor de
aankomst der Europeanen gekend hebben, en gevolgelyk nog minder wisten
hoe die te gebruiken. De putten lagen wel op ’t land, dog evenwel op
zulke plaatsen aan de Dellaware die somtyds onder water en somtyds
droog zyn. Dog sedert is het land zo afgenomen dat de putten geheel
onder water geraakt zyn, en het is zelden laag genoeg om de putten te
zien. Toen de Zweden naderhand op enigen afstand van de voorgaanden
nieuwe putten groeven, vonden zy in den grond enig gebroken aarden
vaatwerk, en nog gehele goede gebakken’ stenen, diergelyken zy ook
dikwyls onder ’t ploegen hebben bovengehaald.
[En voor Columbus tyd.]
Hieruit, schynt het, mag men opmaken, dat in oude tyden hier, of
Europeanen of een ander beschaafd volk, door storm of andersins moeten
zyn naar toegedreven, zig neergezet, stenen gebakken, en ene
Volkplanting gemaakt hebben; dog dat zy naderhand zig met de Amerikanen
vermengd hebben, of door dezelven omgebragt zyn. Misschien hebben zy
allengskens door den omgang met de Wilden derzelver zeden en
denkingswyze aangenomen. Men heeft de Zweden zelfs beschuldigd, dat zy
alreeds halve Wilden waren, toen de Engelschen hier in ’t jaar 1682.
aankwamen. En men ziet nog werkelyk, dat de Franschen, de Engelschen,
de Duitschers, de Hollanders, en andere Europers, die vele jaren in
afgelegene landschappen, digt by de Wilden, gewoond hebben, zo veel
overeenkomt met dezelven krygen, zo in hun gedrag als denkwys, dat men
ze ’er alleen door hunne kleur van onderscheiden kan. Dog de
geschiedenissen en overlevering der Wilden verzekeren ons, dat de
gemelde putten niet konnen gemaakt zyn ten tyde van Columbus
onderneming of kort daarna, dewyl de Amerikanen zeggen dat zy veel
ouder zyn. Het geen ik hier aangaande deze putten gezegd heb, is my
naderhand op nieuws door verscheiden’ Zweden verhaald.
[Tekens aangaande het weder.]
Den 22. December voorspelde ons een oude Landman verandering van weder,
omdat de lugt op den middag zeer warm was, zynde zy ’s morgens zeer
koud geweest. Buiten dat maakte hy het zelve daaruit op, dat de wolken
zig om de zon zo hadden t’zamengetrokken. En de hieragter gevoegde
waarnemingen zullen tonen dat deze voorzegging juist is vervuld
geworden.
[Middelen tegens tandpyn.]
Schoon ieder oud wyf onfeilbare middelen tegens tandpyn waant te
bezitten, waarvan de meesten vrugteloos worden aangewend, wil ik
nogthans enigen van die middelen aantekenen die hier gemeenlyk tegens
dat ongemak aangewend worden.
Als de pyn ontstaat uit holle kiezen, steekt men een weinig katoen in
ene tabakspyp, doet ’er de tabak boven op, steekt ze aan, en rookt tot
dat het alles byna verbrand is. Onder ’t roken komt de olie van de
tabak in het katoen, het welk men ’er dan uitneemt, en zo heet als men
’t verdragen kan tegens de kies legt.
De vrouw van Kapitein Lindsey te Oswego heeft my verhaald, dat de
Iroquoizen in dit geval het volgende middel voor het beste houden, en
zy had zelve het zeer goed gevonden. Zy nemen de zaadhuisjes van de
Virginische Anemone, zodra het zaad ryp is, en wryven ze aan stukken.
Dan zien zy ’er uit zo ruw als katoen. Men doopt deze stof dan in
sterken brandewyn, en steekt ze in de holle kies. De pyn gaat ’er
gemeenlyk van over. De brandewyn is bytende, en de Anemone zaden zyn
insgelyks scherp, gelyk de meeste zaden van bloemen die te gelyk de
stamina en de pistilla hebben. Dus helpt dit malkanderen om de pyn te
verligten. Wy hebben ook vele zaden die de zelve eigenschappen hebben
als de Amerikaansche Anemone.
Tegens de tandpyn vergezeld met zwelling wierd het volgende middel het
meest gebruikt. Men kookt meel van Mais met melk, doet daar, terwyl het
nog over ’t vuur staat, wat varkens of ander vet by, en roert het om
tot dat het alles wel gemengd is. Dan doet men ’er een handdoek over,
en legt het daarin, zo heet als men ’t verdragen kan, op de pynelyke
wang, waar men ’t op leggen laat tot dat het koud is. Ik heb dit zeer
kragtig tegens de zwelling gevonden, die het niet alleen vermindert,
maar het verzagt ook de pyn, opent de dikte, indien ’er zig enige kwade
stof gezet heeft, en doet den etter uitlopen.
Ik heb de Iroquoizen den binnensten bast van den Kanadaschen Vlierboom
zien koken, en op de wang leggen daar de pyn het sterkst was. Dit
verzagtte, zeide men, de smert dikwyls.
Onder de Iroquoizen, of de Vyf Volken op de Rivier Mohawk, zag ik ene
jonge vrouw, die, door het sterk theedrinken, ene geweldige tandpyn
gekregen had. Om zig hiervan te genezen kookte zy de bladen van een
soort van Myrteboom, [169] en bond die zo heet als zy ’t uithouden kon
op de wang. Dit middel zeide zy had haar dikwyls geholpen.
[Het yzer eertyds onbekend aan de Wilden.]
Voor de aankomst van de Europeanen onder het geleide van Columbus in
Amerika, waren de Wilden geheel onkundig van het gebruik van ’t yzer,
het welk ons zeer wonderlyk moet voorkomen, daar Amerika byna overal
zeer vele yzermynen bevat. Dus waren zy verpligt dit gebrek te
vergoeden door het gebruik van scherpe stenen, schelpen, klauwen van
vogels en wilde beesten, en andere dingen, om bylen, messen en
diergelyke snydende werktuigen te maken. Hieruit kan men zien dat zy
een armoedig leven moeten geleid hebben. De oude Zweden, die in hunne
jeugd omgang met de Amerikanen gehad hadden, toen zy hier nog vry
talryk waren, wisten nog veel van hunne levenswys te vertellen. Nog
vindt men by toeval vele werktuigen die de Wilden voor de aankomst der
Zweden of andere Europers gebruikt hebben. Tegenwoordig gebruiken de
Amerikaansche Wilden geen andere werktuigen als die van yzer of andere
metalen gemaakt zyn, welken zy van de Europeanen krygen. Maar alzo ik
gelegenheid gehad heb van velen van de oude werktuigen der Amerikanen
te zien en zelfs te verzamelen, zal ik dezelven hier beschryven.
[Werktuigen der oude Amerikanen.]
Hunne Bylen waren van steen. Hare gedaante gelykt veel naar die van
onze wiggen, waarmede wy het hout kloven, omtrent enen halven voet lang
en breed naar evenredigheid. Zy zyn gemaakt als onze wiggen, scherp aan
het ene einde, dog egter iets botter. Dewyl zy aan enen steel moesten
vastgemaakt worden, zo was ’er boven aan een rand om aan het dikke
einde. Om den steel vast te maken spleet men ze op, en stak de
gespleten’ einden van den stok in den rand van den steen, en bond dan
de gespleten’ stukken vast op malkander, omtrent zo als de Smids in de
spleten van den steel de yzeren byl vastmaken. Sommigen van deze bylen
hadden geen rand van boven, en het schynt dat zy die maar in de hand
hielden om ’er mede te hakken of te stoten, zonder dat ’er een handvat
aan behoefde te zyn. De meesten dezer bylen, die ik gezien heb,
bestonden uit ene harde rots, dog anderen waren gemaakt van enen
harden, zwarten, fynen vuursteen. Als de Wilden enen zwaren boom vellen
wilden, konden zy dit met hunne bylen niet uitvoeren, dog bedienden zig
dan van het vuur. Zy verbrandden de wortels van den boom, en deden hem
dus tuimelen. Maar op dat het vuur niet verder gaan mogte dan hun
oogmerk was, staken zy enige oude lappen aan een stok, doopten die in
’t water, en maakten daar den boom een weinig boven het vuur gestadig
mede nat. Wanneer zy enen dikken boom tot een Kano wilden uithollen,
lagen zy droge takken om den stam, zo ver zy den boom dagten hol te
maken, en staken die in brand. In de plaats van die verbrand waren
werden anderen aangebragt. Ondertusschen waren zy gestadig bezig met
den boom boven en onder het vuur, daar hy niet branden moest, nat te
maken. De boom hol gebrand zynde, zo ver zy zulks verlangden,
schraapten zy met hunne bylen, met scherpe schalen, en diergelyken, het
gebrande ’er af, en maakten de Kano van binnen glad. Op deze wys gaven
zy zulk ene gedaante ’er aan als zy goedvonden. Ene Kano was gemeenlyk
tusschen de dertig en de veertig voet lang. Het voornaamste waartoe
hunne bylen dienden was de velden bekwaam te maken voor het planten der
Mais; want als zulk een veld, daar zy Mais telen wilden, met hout
bedekt was, hakten zy den bast rondom de bomen af met hunne bylen,
vooral in den tyd dat hy sappig was. Dus verdorde de boom, terwyl hy
geen voedsel meer krygen kon, en de bladeren beletteden de zonnestralen
niet langer door te schieten. De kleinder bomen wierden met geweld
uitgerukt, en men roerde daarna de aarde met kromme en scherpe takken
om.
[Messen.]
In plaats van messen behielpen zy zig met scherpe stukken vuursteen,
quarts, of enig ander soort van steen, of met enen scherpen schulp, of
een scherpgemaakt been.
[Pylen.]
Vooraan de pylen maakten zy dunner en hoekige stukken steen vast,
gemeenlyk vuurstenen of quartsen, dog somtyds wel een ander soort.
Sommigen gebruikten de beenderen der dieren, of de klauwen van vogels
of beesten. Enigen van deze oude werppylen zeer vry stomp, egter schynt
het dat zy ’er vogels en beesten mede hebben weten te doden; dog of zy
door de kragt van den boog sterk genoeg voortgejaagd wierden om diep in
het lichaam van een mensch door de klederen heen te kunnen indringen,
kan ik niet zeggen. Men heeft ’er nogthans gevonden die zeer scherp en
wel gemaakt waren.
[Stampers.]
Zy hadden stenen stampers omtrent een voet lang en zo dik als een mans
arm. Dezen bestaan voornamelyk uit een zwart soort van steen, en
wierden voorheen gebruikt om Mais te stampen, het welk van over oude
tyden af hun voornaamste of enig graan is geweest. Zy hadden generhande
soort van molens om het te malen, en wisten niet wat voor een ding een
molen was. Oude Franschen in Kanada hebben my verteld, dat de
Amerikanen ten uitersten verbaasd stonden toen zy de Franschen den
eersten molen zagen opregten. Zy kwamen, zelfs van zeer ver, in groten
getale, om dat wonder te zien, en wierden niet moede van ’er
verscheiden dagen by te blyven zitten om het te bekyken. Zy waren lang
van mening dat hy niet van den wind, maar van geesten, die ’er binnen
in zaten, wierd omgedreven. By het bouwen van den eersten watermolen
waren zy ook meer of min in de zelve verwondering. Voorheen stampten zy
al de Mais in holle bomen met de beschrevene stenen stampers. Velen
hadden ze evenwel maar van hout. De zwartagtige steen, waarvan de bylen
en de stampers voor dezen gemaakt werden, is een zeer goede slypsteen,
en om die reden gebruiken de Engelschen en de Zweden dezelven, als zy
ze vinden, om hunne messen te wetten.
[Ketels.]
De oude ketels der Wilden waren of van klei of van een soort van
dufsteen. [170] De eersten bestonden uit ene donkere klei gemengd met
witte zand- of quartskorreltjes, en in het vuur gebakken. Velen van
deze ketels hebben twee gaten in den bovenrand aan elke zyde, waardoor
men enen stok stak, en den ketel, zo lang hy kookte, boven het vuur
hield. De meesten hebben geen voet. ’T is iets zonderlings, dat genen
van die ketels van binnen of van buiten verglaasd waren. Enige weinige
oude Zweden konden zig nog herinneren, dat zy de Wilden in zulke potten
hadden zien koken. Zy zyn zeer dun, en van verschillende grootte,
somtyds van enen groenagtigen, en somtyds van enen grauwen dufsteen, en
enigen zyn van een soort van vuursteen. De bodem en de rand zyn dikwyls
ruim een duim dik. Schoon de Amerikanen gene kennis van yzer, staal, of
enig ander metaal hadden, wisten zy evenwel deze stenen ketels zeer
aardig uittehollen.
[Tabakspypen.]
De oude Tabakspypen der Wilden waren ook van klei, of van duf- en
slangesteen. Die uit klei zyn hebben de gedaante van de onzen, dog zyn
wat ruwer en niet zo wel gemaakt. De pyp is dik en kort, naauwlyks een
duim, dog somtyds een vinger lang. De kleur is byna zo als de onzen die
wat lang gebruikt zyn. Die, welken uit dufsteen gemaakt worden, bestaan
uit de zelve stof als de ketels. Sommigen van dezelven zyn tamelyk wel
gemaakt, schoon de Wilden nog yzer nog staal hadden. Maar behalven deze
tabakspypen, vindt men nog een ander soort, die zeer vernuftig uit een
zeer frayen roden dufsteen, of een soort van slangagtig marmer gemaakt
zyn. Dezen zyn zeer schaarsch en zelden in gebruik dan by de Sachems of
Oudsten der Wilden. De fraye rode steen, waarvan die pypen gemaakt zyn,
is ook zeldzaam, en wordt alleen in het land der Ingouez gevonden, die,
volgens Vader Charlevoix, [171] aan de overzyde der Missisippi wonen.
Ene pyp van dit soort wordt by de Amerikanen veeltyds hoger geagt als
een stuk zilvers van dezelve grootte. Uit het zelve soort van steen
bestaat gemeenlyk hunne zo genaamde Pyp van vrede, [172] van de welke
zy zig bedienen by het aangaan van vrede of verbonden. Byna alle
Schryvers, die van dit volk gewag hebben gemaakt, spreken van deze pyp,
en ik zal ’er in ’t vervolg breder over handelen.
[Vischangels.]