geweest, en de winters zyn ’er, vooral in Nieuw Engeland en New York,
al zo gestreng als in Zweden. Ik onderzogt dan nauwkeuriglyk of men
niet gemerkt had dat de koude enigen invloed op de kleur der Zwarten
had gehad, zo dat het derde of vierde geslagt zo zwart niet was als
hunne voorouders. Dog het algemene antwoord was, dat men geen het
minste onderscheid in de kleur bespeuren kon, en dat een Zwart hier
geboren uit Ouders die ook in dit land geboren waren, en welker ouders
van vaders en moeders zyde ook zwart in deze gewesten waren geboren,
tot het derde of vierde geslagt opwaards, in ’t minste van kleur niet
verschilde van de Zwarten die lynregt uit Afrika kwamen. Hieruit
besloten ’er velen, dat geen Zwart of zyn nageslagt oit van kleur
verandert, hoe lang zy ook in een koud land wonen. Dog de vermenging
van enen blanken met ene zwartin, of van enen zwarten met ene blanke
vrouw, heeft ene andere uitwerking. Om derhalven te verhinderen dat ’er
zo onaangename vermengingen geschiedden tusschen de Blanken en de
Zwarten, en dat de laatsten een al te groot denkbeeld van zig zelven
mogten krygen ten nadele van hunne Meesters, wierd my gezegd, dat ’er
ene wet was die de huwelyken tusschen de Blanken en de Zwarten verbood,
en dat wel onder doodstraf, en dat de Geestelyke die zodanige
trouwplegtigheid verrigten mogt van zyn ampt zou ontzet worden. Dat
evenwel de Blanken en de Zwarten zig vermengen, blykt uit de vermengde
kleur der kinderen die ’er somtyds geboren worden.
[Meest nog Heidenen.]
Het is zeer te bejammeren dat de Heren van deze zwarte slaven in de
meeste Engelsche Volkplantingen zo weinig zorg hebben voor derzelver
geestelyke welvaart, en ze in hunne heidensche onkunde laten
voortleven. Daar zyn ’er die met alle magt hunne Zwarten verhinderen
zouden van zig in den Christelyken Godsdienst te doen onderwyzen, ten
dele om dat zy het voor ene schande zouden houden dat zy enen
geestelyken broeder onder zo veragtelyk een volk hadden, ten dele
vermits zy zig verbeelden, dat zy dan dezelven zo hard niet meer zouden
kunnen behandelen, en eindelyk uit vreze dat zy te trots worden zouden,
als zy zig zelven op gelyken voet met hunne Heren in het geestelyke
zagen.
[Vergift onder hun.]
Daar zyn verscheiden geschriften waar in beweerd wordt, dat de Zwarten
in Zuid Amerika een vergift hebben, waarmede zy malkander om hals
helpen, schoon de uitwerking niet schielyk volgt, maar eerst lang na
het innemen van het gift bespeurd wordt. De zelve gevaarlyke konst is
onder de Zwarten in Noord Amerika bekend, gelyk de ondervinding geleerd
heeft. Egter zyn ’er weinig die het geheim weten, en die kennen ook het
middel daartegen. Om die reden wanneer een Zwart zig vergeven voelt, en
enen vyand kan bedenken die hem het vergift misschien gegeven heeft,
gaat hy naar hem toe, en zoekt hem door gebeden en geschenken te
bewegen om hem van het vergift te verlossen. Wanneer deze boosaardig
is, ontkent hy niet alleen dat hy den ander vergift heeft ingegeven,
maar ook dat hy ’er een middel tegens weet. Dit vergift doodt niet dan
na enige jaren tyds. Dog van het ogenblik af dat men het in heeft
begint men uitteteren en is men zelden meer gezond. De ongelukkige kan
genoegzaam van het tydstip af dat hy het vergift in kreeg merken dat hy
vergeven is. De Zwarten bedienen ’er zig gemeenlyk van tegens de zulken
van hunne medeslaven die wel oppassen, van hunnen Heer bemind worden,
en zig van zyne overige makkers schynt te willen afzonderen. Dikwyls
zyn ’er ook andere oorzaken der vyandschap. Dog zeldzaam zyn de
voorbeelden van slaven die hunne Heren hebben gezogt te vergiftigen.
Veelligt komt dit van de zagte behandeling die zy hier ontvangen; of
veelligt vrezen zy dat men het spoedig merken, en dat ’er dan gene
straf te zwaar zyn zoude voor zulken slaaf.
Noit ontdekken zy waaruit dit vergift bestaat, maar houden het zeer
geheim. ’T is waarschynlyk dat het iets zeer gemeens is, ’t welk men de
gehele wereld over vinden kan, want waar zy zyn weten zy het zich
gemakkelyk te bezorgen. Dus kon het niet ene plant wezen, gelyk vele
geleerden hebben gedagt, want zulk ene plant zou niet overal te vinden
zyn. Ik heb veel van Zwarten horen vertellen die op deze wys omgekomen
waren. Alleen zal ik een voorval verhalen, dat gedurende myn verblyf
alhier gebeurde. Een man had enen Zwart die hem zeer getrouw was, en zo
wel oppaste dat hy hem voor twintig andere Zwarten niet zou gegeven
hebben. Ook betoonde zyn Meester hem ene byzondere genegenheid, en het
gedrag van den slaaf was ruim zo goed als dat van een Christen knegt.
Hy verkeerde ook zo weinig als hy kon met de overige slaven, en om die
reden hateden zy hem geweldig, dog hadden gene gelegenheid om hem het
vergift in te krygen, dewyl hy weinig by hun was, schoon zy het dikwyls
getragt hadden te doen. Egter gelukte het hun op ene kermis, als de
arme slaaf in de Stad gekomen was, want hy woonde buiten. Zy verzogten
hem met hun te drinken; hy weigerde het in ’t eerst, dog zy drongen hem
zo sterk dat hy eindelyk genoodzaakt was hun genoegen te geven. Zo dra
hy in de kamer kwam, namen zy ene kan van den muur, dronken hem toe, en
wilden dat hy hun bescheid zou doen. Hy dronk, dog toen hy de kan van
den mond nam, zeide hy, wat bier is dit? Het is vol van ——. Ik zegge
met voordagt niet hoe hy het noemde, want het zal zekerlyk de naam
geweest zyn van het vergift, waarmede de boosaardige Zwarten zo veel
kwaads uitregten, en dat is overal te vinden. Het is beter dat het
onbekend blyve, dewyl het tot te veel kwade oogmerken mogt gebruikt
worden. De overige Zwarten en Zwartinnen begonnen te lacchen om de
klagten van hunnen gehaten Landsman, dansten en zongen, als of zy ene
uitmuntende daad gedaan, en eindelyk hun lang bedoelde wit bereikt
hadden. De brave Zwart ging ten eersten naar huis, en vertelde dat hem
de andere slaven vergeven hadden; en sedert begon hy uitteteren, zonder
dat hem iets helpen konde. Hy stierf enigen tyd daaraan.
[Reis naar Rakoon.]
Den 7. December des morgens ondernam ik op nieuws een reisje naar
Rakoon in New Jersey.
[Vermenigvuldiging der menschen hier te lande.]
Het schynt niet moeilyk te zyn reden te geven waarom de menschen hier
sterker vermenigvuldigen dan in Europa. Zo dra een mensch den
vereischten ouderdom heeft bereikt, kan hy zonder enige vrees voor
armoede trouwen, want hier leggen zo veel vrugtbare landen onbebouwd,
dat men zonder zwarigheid een nieuw stuk lands om te bebouwen krygen
kan, waarvan men gemakkelyk met vrouw en kinderen kan bestaan. De
imposten zyn zeer laag, en de vryheid is zo groot dat ieder zig als
enen Vorst in zyne staten beschouwen mag. Ik zal hier door enige
voorbeelden tonen wat uitwerkingen zulk ene gesteldheid hebben konne.
[Voorbeelden.]
Maons Keen, een der Zweden van Rakoon, was nu byna zeventig jaar oud.
Hy had verscheiden kinderen, kindskinderen en kindskindskinderen, zo
dat van de genen die nog in leven waren hy vyfenveertig personen
monsteren kon. Behalven dat, verscheiden’ van zyne kinderen waren, het
zy zeer jong of al tot zekere jaren gekomen zynde, reeds gestorven. Dus
was hy ongemeen gezegend. Dog hy komt niet in vergelyking by de
volgende voorbeelden, die ik uit de Philadelphische koerant getrokken
heb.
In ’t jaar 1732., den 24. Januari stierf te Ipswich in Nieuw Engeland,
Sarah Tuthil, ene weduwe, oud zes en tagtig jaar. Zy had in de wereld
gebragt zestien kinderen, en van maar zeven van dezelven had zy gezien
honderd en zeven en zeventig kleinkinderen en kleinkleinkinderen.
Den 30. Mai 1739. verzamelden zig in het huis van Richard Buttington,
in het kersspel van Chester in Pensylvanie, alle zyne afkomelingen,
makende t’zamen honderd en vyftien personen. De vader van deze
nakomelingschap, Richard Buttington, was geboren in Engeland, en toen
in zyn vyf en tagtigste jaar. Hy was in volkomen’ gezondheid, kragt en
levendigheid. Zyn oudste zoon, toen zestig jaar oud, was de eerste
Engelschman die in Pensylvanie geboren werd.
Den 8. Januari 1742. overleed te Trenton in New Jersey de weduwe Sara
Furman, geboortig uit Nieuw Engeland, oud zynde zeven en negentig jaar,
en nalatende vyf kinderen, een en zestig kindskinderen, honderd twee en
tagtig kindskindskinderen, en twaalf kindskindskindskinderen, allen in
’t leven toen zy stierf.
In ’t jaar 1739. den 28. Januari stierf te South Kingston in Nieuw
Engeland in haar honderdste jaar de weduwe Maria Haszard. Zy was
geboren op Rhode Island, en was grootmoeder van den toenmaligen
Vice-Gouverneur van dat Eiland, den Heer George Haszard. Zy kon
vyfhonderd, zo kinderen, kindskinderen, kindskindskinderen als
kindskindskindskinderen tellen. Toen zy stierf waren ’er
tweehonderdenvyf van in ’t leven. Ene van hare kleindogters was alreeds
sedert vyftien jaar grootmoeder.
Of deze wys is de wensch in de Engelsche huwelyksformulieren
gebruikelyk, dat het nieuwgetrouwde paar zyne kinderen moge zien tot in
het vierde en vyfde nageslagt, in deze personen letterlyk genoeg
vervuld geworden.
[Ongedierte.]
In ieder land vindt men ene menigte van Insekten, die, hoe klein en
veragtelyk zy ook schynen, ene schrikkelyke schade kunnen veroorzaken.
Van deze gevaarlyke diertjes zyn ’er ook enigen in Noord Amerika,
sommigen alleen aan dat gewest eigen, en anderen heeft het gemeen met
Europa.
Ik heb reeds gesproken van Mosquitos en van den Bruchus Pisi, den
vernieler der erwtlanden; hier zal ik ’er enige anderen byvoegen.
[Krekels.]
Daar is een soort van sprinkhanen of krekels, die omtrent alle
zeventien jaren eens in ene ongelooflyke menigte wederkomen. Zy komen
uit de aarde in het midden van Mai, en maken zes weken lang zulk een
geweld in de bomen en de bosschen, dat men werk heeft van malkander te
horen. Gedurende dien tyd boren zy met den angel hunner staarten gaten
in de zagte schil der takken, waardoor die takken verdorren. Andere
schade doen zy niet aan de bomen of gewassen. Tusschen de jaren dat zy
zo talryk zyn hoort men ’er maar enen enkelden van. De Engelschen
noemen ze Locusts.
[Rupsen.]
Daar is ook een soort van rupsen in deze gewesten, die het loof der
bomen eten, en in sommige jaren ontelbaar zyn. Dog tusschen die jaren
in zyn zy zeldzaam. Wanneer zy menigvuldig zyn maken zy de bomen zo
kaal dat die in ’t midden van den zomer ’er uitzien als in ’t midden
van den winter. Zy vreten alle soorten van bladen, en laten weinige
bomen onaangeroerd. En, gelyk op dien tyd de hette het geweldigst is,
heeft het ontkleden van ’t geboomte dit noodlottige gevolg, dat het de
hette niet weerstaan kan en sterft. De Zweden vertoonden my hier en
daar in de bosschen grote streken daar nu jonge bomen groeiden in
plaats van de ouden, die enige jaren geleden door de rupsen vernield
waren. Deze rupsen veranderen naderhand in kapellen, die op hare plaats
zullen beschreven worden.
[Graswormen.]
De Grasworm doet in sommige jaren ook veel kwaads op vele plaatsen, in
de weiden en op koornlanden. Somtyds zyn de velden met gantsche heiren
van dezelven en andere Insekten overdekt. Dog het is gelukkig dat alle
die bezoekingen niet te gelyk komen, want op sommige jaren, dat de
sprinkhanen menigvuldig zyn, worden ’er niet veel rupsen en graswormen
gevonden, en zo ook met de laatsten, zo dat ’er maar een van deze drie
soorten van ongedierte te gelyk regeert. Ook zyn ’er vele jaren dat zy
zeer schaarsch zyn. Van de graswormen heeft men opgemerkt dat zy zig
vooral op enen vetten grond zetten. Dog zodra een nyverig Landman ze op
zyne akkers verneemt, trekt hy ene smalle grup met steile kanten rondom
het land daar de wormen op zyn, zo dat zy, als ze verder willen
kruipen, in de grup vallen, daar zy niet weer uit kunnen. Verscheiden
lieden verzekerden my dat deze drie soorten van insekten malkander zeer
kort volgden, dat de krekels het eerste jaar kwamen, de rupsen in het
twede en de graswormen in het derde. Ook heb ik dit ten dele
waargevonden.
[Motten.]
De Motten [160] die op de wollen stoffen zitten zyn hier ook
menigvuldig. Ik heb klederen, wollen handschoenen en ander goed gezien,
die den gantschen zomer in ene kast opgesloten gehangen hadden, zonder
wel bezorgd geweest te zyn, door en doorgevreten, zo dat zy in stukken
vielen, en veeltyds niet konden hersteld worden. Ook stelden zy de
pelteryen somtyds zo toe, dat men ’er het hair met handen vol van kon
afhalen. Ik weet niet of de Motten oorspronglyk aan dit Land eigen, dan
uit Europa overgebragt zyn.
[Vloyen.]
Vloyen vindt men ook in dit werelddeel. Vele duizenden wierden ’er
ongetwyffeld van uit andere landen overgebragt, dog zekerlyk zyn hier
ook ontelbare menigtens van dezelven geweest. Ik heb ze op grauwe
Eekhoorns en Hazen gezien, die op woeste plaatsen gedood waren waar
zeker noit een Europeaan gewoond heeft. Toen ik naderhand verder in het
Land kwam, en genoodzaakt werd in de hutten en op de bedden der Wilden
te slapen, wierd ik zo gekweld van ontelbare vloyen, dat het was als of
ik op de pynbank lag. Zy dreven my uit het bed, en ik was blyde van op
de planken, die onder het dak der hut lagen, te mogen slapen. Dog het
is ligt te begrypen dat de menigte van honden die de Amerikanen houden
ene oneindige menigte van vloyen fokken moeten. De honden en de
menschen slapen door malkander in de hutten, en een vreemdeling kan
kwalyk gaan leggen en de ogen een weinig toedoen of hy is in gevaar van
door een hond of twaalf, en somtyds meer, plat gedrukt of versmoord te
worden, die zig gedeeltelyk om hem heen, gedeeltelyk op hem te slapen
leggen. Ik denk dat zy niet verwagten van dezelven weggejaagd of
geklopt te worden, gelyk hun wel van hunne meesters overkomt.
[Krekels.]
Ik ben in Pensylvanie nog in New Jersey gene van dat soort van Krekels
[161] het welk zulk een geweld maakt, en dat men in Zweden somtyds in
de huizen vindt, gewaar geworden, en andere menschen, die ik ’er naar
vroeg, wisten niet ze oit vernomen te hebben. Des zomers is ’er een
soort van krekels [162] in het veld, die juist het zelve piepende
geluid maken als onze huiskrekels; dog zy houden zig in het veld op, en
zyn stil zodra de winter aankomt en het koud wordt. Men zegt dat het nu
en dan gebeurt dat deze krekels daar onophoudelyk piepen als het warm
weder is, of als de vertrekken warm zyn, maar zodra het koud wordt
zwygen zy stil. Op sommige plaatsen van New York en Kanada zyn ’er alle
de landhuizen en zelfs de meeste huizen in de Stad vol van, en dan doen
zy hun gezang den gantschen winter door horen.
[Wandluizen.]
De Wandluizen [163] zyn hier ook in menigtens. Ik ben ’er op vele
plaatsen van Kanada genoeg van geplaagd geworden, dog heb ’er by de
Wilden genen vernomen gedurende myn verblyf te Fort Frederic. De
Kommandant, de Heer De Louisignan, verhaalde my, dat nog de Illinoizen
nog de andere Wilden uit de wester delen van Noord Amerika iets van dit
ongedierte wisten, gelyk hy zelf ondervonden had, zynde hy lang onder
hun geweest. Egter kon ik niet beslissen of de Wandluizen hier reeds
voor de aankomst der Europers geweest zyn, dan of die ze hebben mede
gebragt. Velen hielden ze voor oorspronglyk uit dit Land, en, tot een
bewys van deze mening zeiden zy, dat men ze dikwyls onder de vleugels
der vleermuizen gevonden had, waar zy diep in het vleesch zig hadden
ingevreten. Om die reden meende men dat de vleermuizen ze in enen
hollen boom gekregen, en van daar in de huizen gebragt hadden, waar de
vleermuizen zelven aan de muren blyven hangen, en in de reten, die zy
’er vinden, kruipen. Dog alzo ik noit Wandluizen op de Vleermuizen
gezien heb, kan ik hier niets van zeggen. Misschien heeft men ene
andere luis of een myt voor een Wandluis aangezien. Of indien ’er
waarlyk een van dit gedierte onder de vleugels ener vleermuis gezeten
heeft, kan zy die wel in een huis, daar Europische Wandluizen in waren,
gekregen hebben.
[Middelen tegens dezelven.]
Men tragtte hier dit ongedierte op verscheidene wyzen te verdryven. Ik
heb reeds aangemerkt dat men ten dien einde de ledikanten van
Sassafrashout maakte, dog dat het maar voor een tyd hielp. Sommige
menschen hebben my uit eigene en meermalen herhaalde proeven verzekerd,
dat ’er geen kragtiger middel tegens dit ongedierte was, dan kokend
water in alle de reten te gieten daar zy in zitten, en al het hout der
ledikanten daarmede te wasschen, dit twee- of driemaal herhaald zynde,
zouden alle de wandluizen zyn uitgeroeid. Maar als ’er in andere
naburige huizen zyn gaan zy aan der menschen kleren zitten, en worden
dus overgebragt.
Ik kan niet zeggen of dit middel goed is dan niet, dewyl ik het niet
beproefd heb; maar door herhaalde proeven heb ik bevonden dat de
zwavel, wel gebruikt zynde, de wandluizen en hare eyeren volkomenlyk in
de ledikanten en de muren vernielt, schoon zy tienmaal talryker waren
dan de mieren in een mierennest. [164]
[Kakkerlakken.]
De Kakkerlakken zyn ene plaag der nieuwe wereld, en worden in vele
delen van dezelve gevonden. De geleerde Doctor Colden was van mening,
dat zy de eigenlyke inboorlingen der West Indien waren, en dat zy uit
de Eilanden naar Noord Amerika waren overgebragt. Dit bleek, dagt hy,
uit de menigte van dit ongedierte die de West Indische schepen
medebrengen. Dog ik meen reden te hebben van te geloven, dat zy reeds
sedert onheuglyke tyden hier te lande geweest zyn, schoon ik egter niet
ontkennen wil dat zy uit de West Indien zyn overgebragt. Te New York
zyn zy genoegzaam in ieder huis, en die zyn ongetwyffeld met de schepen
overgekomen. Dog hoe kan men dit zeggen van die welken in het midden
der bosschen en woestynen gevonden worden?
De Kakkerlakken worden door de Engelschen Cockroaches, door de Zweden
Brödätare, dat is Broodeters, ook wel Kakkerlak, en door den Ridder
Linnæus Blatta Orientalis, geheten, en onder het geslagt der Motten
gerekend. Men verneemt ze niet alleen in de bosschen, daar zy op de
omgekapte bomen lopen. Ik zag in Februari verscheiden kakkerlakken op
stukken oud verrot hout zitten, dat men in huis bragt om te verbranden.
In ’t eerst waren ze als dood, maar enigen tyd in de kamer zynde
geweest kwamen zy by, en begonnen te lopen. Ik vond naderhand dat als
men oud brandhout des winters in huis bragt en doorhakte, daar vele
kakkerlakken als in enen staat van ongevoeligheid in waren. Dien zelven
winter wierd ’er een grote dode boom omgehouwen, en om te branden
doorgezaagd, en ik zag in ene spleet, enige vademen boven den grond,
verscheiden kakkerlakken nevens vele gemene mieren. Het scheen dat zy
opwaards gekropen waren om ene veilige schuilplaats tegens den winter
te vinden. Op myne reis in het midden van October 1749. door de
onbebouwde landen tusschen de Engelsche en de Fransche Volkplantingen,
zag ik by het maken van een vuur, des nagts, digt by enen verrotten
boom, op den oever van het meer Champlain, ene menigte van kakkerlakken
uit het hout kruipen, wordende door den rook en het vuur wakker
gemaakt, en uit hunne gaten gejaagd. De Franschen, die met my waren,
kenden ze niet, en wisten ze niet te noemen. In Kanada wisten de
Franschen niet dat zy ze in de huizen gezien hadden. In Pensylvanie
lopen zy in grote menigte langs de halmen van het koorn in den oogst,
gelyk my gezegd wierd. Anders onthouden zy zig in de Engelsche
Volkplantingen gemeenlyk in de huizen, en zitten in de reten, vooral in
de balken die ’t digst by den schoorsteen zyn.
[Schadelykheid.]
Zy doen veel schade door het kruim van ’t brood op te vreten. Als zy
eens door de korst heen gebeten zyn, weten zy in korten tyd het gehele
brood van binnen uitteholen, zo dat men het opsnydende niets dan een
ledige korst vindt. Ook zeide men dat zy andere eetwaren opvreten.
Somtyds byten zy de menschen in den neus of de voeten, terwyl zy leggen
te slapen. Een oude Zweed verhaalde my, dat hy eens in zyne jonger
jaren door ene kakkerlak zeer verschrikt geworden was, die, terwyl hy
sliep, in zyn oor was gekropen. Hy ontwaakte schielyk, sprong het bed
uit, en voelde dat het dier, waarschynlyk uit vrees, alle kragten
aanwendde om dieper in te kruipen. Deze pogingen van de kakkerlak
veroorzaakten hem zo grote pyn, dat hem het hoofd als scheen aan
stukken te breken, en hy byna zinneloos wierd; egter liep hy schielyk
naar den put, en, een emmer met water geschept hebbende, smeet hy ’er
wat van in ’t oor. Zo dra de kakkerlak dit voelde, stiet zy zig met
hare poten te rug uit het oor, en verloste dus den man van zyne angst.
[Houtluizen.]
De Houtluizen zyn zeer onaangename Insekten, en in een zeker opzigt
erger dan de voorgaanden; maar gelyk ik ze reeds, in ene Verhandeling
aan de Koninglyke Zweedsche Maatschappy gezonden, beschreven heb, wyze
ik den Lezer derwaards. [165]
[Penn’s neck.]
Den 11. December ging ik kort voor den middag op een klein togtje naar
Penn’s neck, en verder over de Dellaware naar Wilmington. Het land
omstreeks Penn’s neck was van dezelve hoedanigheid als in het overige
van New Jersey. De grond bestaat meest uit zand met ene dunne laag
zwarte aarde. Hy is niet zeer heuvelig, maar meest plat, en zeer vol
van bosschen met afvallend blad, vooral eiken. Nu en dan ziet men ene
enkelde boerdery met enige koornakkers rondom. Tusschen beiden zyn
kleine poelen, en somtyds een stroompje, waarin weinig drift is.
[Geboomte.]
De bosschen bestaan uit allerhande soorten van bomen, dog meest Hikory
en Eiken. Zekerlyk zyn zy noit geveld geweest, en altyd onverhinderd
voortgegroeid. Men zoude dan verwagten dat ’er bomen van enen zeer
groten ouderdom in gevonden werden, dog het tegendeel is waar, en men
ziet ’er weinig die drie honderd jaren gestaan hebben. De meesten zyn
maar tweehonderd jaar oud. En dit deed my denken dat de bomen, zo wel
als de dieren, sterven wanneer zy enen zekeren ouderdom bereikt hebben.
Dus vinden wy hier zware bosschen; maar als de bomen honderdenvyftig,
of honderd en tagtig jaren gestaan hebben, beginnen zy of van binnen te
vergaan, of verliezen hunne kronen, of hun hout wordt geheel week, of
de wortels zyn niet langer in staat om een genoegzaam voedsel
intezuigen, of zy sterven door enige andere oorzaak. Wanneer het dan
stormt, het geen hier somwylen gebeurt, breken de bomen, of even boven
den grond, of in het midden, of in den top, af. Sommige bomen worden
zelfs met wortel en al door den wind uitgerukt. Dus regten de stormen
in deze bosschen zware verwoestingen aan. Overal ziet men bomen omver
leggen. Ook ontstaat ’er dikwyls brand in de bosschen, waardoor de
bomen halverwege verteerd worden, zo dat een sterke wind ze gemakkelyk
verder omversmyt.
[Winden.]
Ik tragtte, door waartenemen in welke streek de meeste omgewaide bomen
lagen, optemaken, welke winden hier de geweldigste waren, dog kon niets
met zekerheid vaststellen, want de bomen lagen naar alle de streken van
het kompas. Ik oordeelde dan, dat elke wind, die van enen kant wait
daar de wortels vergaan zyn en de boom weinig wederstand bieden kan,
den boom omver moest werpen. Op deze wys raken de oude bomen geduriglyk
weg, en worden door jonge opgevolgd. Die omgevallen zyn leggen op den
grond te verrotten, en vermeerderen dus de zwarte aarde, waarin de
bladen ook allengskens veranderd worden, die aan den gevallen boom
zitten, of iederen herfst vallen. Het duurt enige jaren eer een boom
geheel vergaan is. Als de wind ’er enen met wortelen al uit den grond
rukt, komt ’er ene menigte van losse aarde mede, die ’er enigen tyd
aanzitten blyft, dog eindelyk ’er afvalt, en een klein heuveltje maakt,
dat naderhand nog verhoogd wordt door de bladeren. Dus worden ’er in de
bosschen vele oneffenheden voortgebragt, hoogtens en laagtens, en dus
moet de bovenste tuinaarde zig op sommige plaatsen ophopen.
[Welke bomen het eerst vergaan.]
Alle bomen verrotten niet even gauw. De Nyssa, de Tulpeboom en
Liquidambar vergaan in korten tyd. De Hikory duurt ook niet lang, en de
Zwarte Eik valt eerder van een dan de Witte. Dog de omstandigheden
werken hier ook in mede. Indien de bast om het hout blyft zitten rot hy
mede, en wordt van binnen geheel en al door de wormen opgegeten, zo dat
in den tyd van zes, agt of tien jaren niets ’er van over is dan een
roodagtige bruine stof. Maar als ’er de bast af was, konden de bomen
dikwyls twintig jaar leggen eer zy vergaan waren. De spoedige groei van
enen boom, de grootte zyner poren, en de gedurige veranderingen van
heet en nat weder in den zomer, maken dat een boom schielyker rot. Hier
moet men by doen, dat allerhande soorten van gekorvenen gaten maken in
de gevallene bomen, en dat dus de vogtigheid der lugt in de bomen
indringt en de verrotting bevordert. De meeste bomen hier hebben
jaarlyks afvallende bladeren. Velen van hun beginnen reeds te rotten
terwyl zy nog staan en bloeyen. Dit maakt den boom hol, zo dat ’er vele
dieren hunne nesten in komen maken.
[Breedte van de Dellaware.]