geven de schil den zieken in. Verscheidenen, die door de Kina niet
geholpen wierden, zyn door dit middel genezen. Ik heb ook menschen
gezien die geholpen waren door zwavel fyn gestampt, met suiker
vermengd, alle avonden voor dat zy naar bed gingen, en alle ogtenden
voor dat ze opstonden, te gebruiken. Dit deden zy drie of vier malen in
den tusschentyd dat zy van de koorts vry waren, en namen ’er telkens
wat warmen drank op, om de poeder te doen zakken. Dog sommigen vonden
hier geen baat by.
Anderen namen den gelen bast van den persikeboom, byzonderlyk dien van
den wortel, en kookten hem in water, tot dat ’er de helft van vervlogen
was. Hiervan nam de zieke elken morgen een wynglas vol voor dat hy iets
gegeten had. Deze drank heeft enen onaangenamen smaak, en trekt den
mond by een gelyk aluin; dog hy had vele menschen te Rakoon geholpen,
die andere middelen te vergeefs gebruikt hadden.
Weder anderen kookten de bladen der Potentilla reptans, of der
Potentilla Canadensis, in water, en dronken ’er van voor dat de
huivering aankwam; en het is bekend dat ’er velen door geholpen zyn.
De Bewoonders van den stroom Mahawk, zo wel Amerikanen als Europers,
stampen den wortel van het Geum rivale. Deze poeder wordt van sommigen
in water gekookt tot dat het afkooksel vry sterk is; anderen gieten ’er
maar koud water op, en laten ’t enen dag over staan; enigen mengen ze
met brandewyn. Van dit middel moet de Lyder een glas vol nugteren nemen
op zynen vryen dag. Men verzekerde dat dit een der zekerste middelen
was, en de Kina overtrof.
Die genen welken digt by de yzermynen woonden betuigden zelden of noit
door deze koorts te worden aangetast; dog wanneer zy ze egter hadden,
dronken zy het water uit bronnen die uit de yzermynen komen, en enen
sterken staalsmaak hebben. Dit middel verzekerden ze my onfeilbaar te
zyn. Anderen, die niet digt by zulke bronnen woonden, trokken ’er voor
enige dagen naar toe, als zy de koorts hadden, om het water te drinken,
dat hen gemeenlyk hielp.
Ik heb boven reeds aangemerkt, dat saly met citroensap zeer heilzaam
tegens de koorts bevonden is.
Dog men had opgemerkt dat een middel dat den een hielp dikwyls
kragteloos op den ander is.
[Borstontstekingen.]
Borstontstekingen [155] zyn ook ene ziekte waardoor men hier dikwyls
wordt aangetast. Velen van de oude Zweden vertelden my dat zy in hunne
jeugd ’er weinig van gehoord hadden, dog dat deze ziekte nu zo gemeen
was dat zy jaarlyks vele menschen wegsleepte. Maar men heeft opgemerkt
dat zy in sommige jaren zo kwaadaardig niet is als in anderen, wanneer
zy de meeste Lyders doodt. Ook is zy sterker op de ene dan op de andere
plaats.
In den herfst van 1728. sleepte zy vele menschen weg te Penns-neck, ene
plaats beneden Rakoon, digter aan de Dellaware, waar vele Zweden waren
gevestigd. De meesten Zweden stierven ’er van, schoon zy zeer talryk
waren. Dit heeft gemaakt dat hunne kleine kinderen, die overbleven, met
de kinderen der Engelschen opgroeyende, hunne moedertaal vergeten
hebben, zo dat ’er weinigen zyn die nu het Zweedsch verstaan. Sedert
dien tyd heeft deze ziekte jaarlyks wel enige menschen te Penns-neck om
hals geholpen, dog in geen groot getal. Zy scheen, als ware het, te
rusten, tot in den herfst van dit jaar 1748. wanneer zy op nieuw
ysselyk begon te woeden. Iedere week stierven ’er van zes tot tien oude
menschen aan. Het was ene ware Pleuritis, maar zy had deze
byzonderheid, dat zy met ene grote zwelling onder den strot en den hals
en met ene belemmerde doorzwelging begon. Sommigen hielden ze voor
aanstekend. Enigen verklaarden in goeden ernst dat als zy in ene
familie kwam, zy, niet alleen die in ’t zelve huis woonden, maar ook
zulken van de familie aangreep die ’er ver van daan hun verblyf
hielden. Velen zyn ’er te Penns-neck geweest, die, zonder dat zy hunne
zieke bloedvrienden bezogt hadden, de ziekte gekregen hebben, en ’er
aan gestorven zyn. Ik wil de waarheid hiervan niet betwisten, dog vind
het gevolg niet gegrond. De ziekte woedde het meest in November. Egter
stierven ’er enige oude lieden den volgenden winter aan. Dog de
kinderen liepen ’er tamelyk vry van. De Geneeskundigen vonden zig in
deze ziekte zeer verlegen.
[Oorzaken.]
Het is bezwaarlyk de oorzaken van zo geweldige ziektens juist te
bepalen. Een oude Engelsche Heelmeester sprak ’er dus over. Men drinkt
hier in den zomer veel punch en andere hete dranken, waardoor het bloed
verdikt en de aderen in ’t middenrif [156] opgezet worden. Tegen ’t
einde van October en ’t begin van November wordt het weder veranderlyk,
zo dat het op den zelven dag nu heet dan weder koud is. Als de menschen
by dit veranderlyke weder veel in de lugt zyn krygen zy dit ongemak.
Ook is het zeker dat de lugt het ene jaar ongezonder is dan het andere,
het welk van de hette en andere omstandigheden afhangt, en dit doet
veel tot deze ziekte. Het is aanmerkelyk dat ’er in ’t jaar 1728. en
1748., toen ’er zo vele menschen te Penns-neck stierven, te Rakoon
weinig doden waren, schoon beide de plaatsen digt by malkander leggen,
en dezelve lugt en grondsgesteldheid hebben. Maar Penn’s neck legt zeer
laag, en Rakoon tamelyk hoog. Te Penn’s neck woont men tusschen poelen
en moerassen, waarin het water staat te rotten; het is ’er vol van
bomen, die den wind afkeren. Ook wordt het water te Penn’s neck niet
voor zo goed gehouden als te Rakoon, schoon ’er geen onderscheid is in
den smaak. Het wordt daarenboven in sommige kleine stroompjes
brakagtig, als de Dellaware by den vloed opzet en ’er in komt. Op de
oevers van deze stroompjes wonen vele Zweden, en gebruiken ’er het
water van.
[Philadelphia.]
Den 3. December 1748. vertrok ik weder naar Philadelphia, waar ik nog
dien avond aankwam.
[Wilde druiven.]
In de bosschen vindt men overvloed van verscheiden’ soorten van wilde
Druiven. Een soort, aanmerkelyk door zyne grootte, wast in de poelen,
en wordt zeer gezogt van den Rakoon. Deze druif wordt van de Engelschen
Vossedruif [157] anders Poeldruif, geheten. Zy zyn niet aangenaam van
smaak, en de Inwoonders eten ze zelden, dog wel een klein soort van
druif, die op enen drogen grond groeit. Men gebruikt ze in den herfst
rauw. Zy zyn aangenaam, een mengsel van zoet en zuur. Sommigen drogen
ze, en bakken ze in taarten, of zetten ze droog voor. Voorheen maakten
’er de Zweden enen tamelyk goeden wyn van; dog hier zyn zy van
uitgescheiden. Enige Engelschen evenwel perssen ’er nog enen lieflyken
drank uit, dien zy my verzekerden zo goed te wezen als de beste
Fransche wyn, en lang te duren.
[Wyn.]
Om dezen wyn te maken, verzamelt men de druiven van den 21. September
af tot den 11. November toe, dat is als zy beginnen ryp te worden. Men
moet ze snyden by droog weder, nadat de dauw weg is. Zy worden
afgeveegd. Een groot vat staat ’er gereed, waarin of syroop of
brandewyn geweest is. Dit maakt men wel schoon, slaat ’er enen der
bodems uit, en plaatst het op ene bekwame wys op stukken houts in den
kelder, of in een warm vertrek omtrent twee voet boven den grond. De
druiven worden in het vat gedaan, en, als zy wat gezonken zyn, doet men
’er drie of vier dagen daaraan weder nieuwen by. Een man gaat ’er met
blote voeten in, en treedt de druiven. In omtrent een half uur is ’er
het sap al uit. Dan keert de man de ondersten boven, treedt ze nog een
kwartier; en dit is genoeg om ’er het goede vogt uit te krygen; want
langer te treden zou ook de onrype druiven doen breken, en den wyn enen
kwaden smaak geven. Dan dekt men het vat toe met een digt deksel, of
met twee deksels als men genen kelder heeft, of het weder zeer koud is.
Dus laat men het vogt gisten, en in de volgende vier of vyf dagen werkt
het zeer sterk. Zodra het gisten ophoudt wordt ’er een gat gemaakt
omtrent zes duim van den bodem, en men tapt wat van het vogt ’er uit,
tweemaal iederen dag. Zodra dat klaar en bezonken is, laat men het vogt
over in een kleinder vat. Van twintig bossen druiven krygt men omtrent
twintig gallons sap. Het kleine vat blyft stil staan, en de most gist
voor de twede reis; en dan is het noodzakelyk dat het vat geheel vol
zy. De schuim, die zig boven aan het sponsgat zat, moet ’er afgenomen,
en het vat gedurig weder opgevuld worden. Dit duurt tot omtrent
Kersmis, en dan mag men het vaatje stoppen, op het laatste is de wyn in
Februari gereed en gebotteld. Ook heeft men hier de gewoonte enige rype
druiven in een vat te werpen om ’er azyn van te maken, die zeer goed
is. Velen maakten van deze druiven enen brandewyn, die enen aangenamen
smaak heeft, dog die egter nog lieflyker is als ’er wat mispelen onder
zyn. Het hout van deze wyngaarden is van geen gebruik, voor stokken is
het te buigzaam. Als men in den stam houwt, komt ’er binnen kort een
witte smakeloze harst voor den dag. Men plant ze in vele tuinen om de
prielen met hun groot blad te dekken. Als hier, in Mai en Juni, de
wyngaarden bloeyen, geven de bloemen enen sterken dog zeer lieflyken en
verfrisschenden reuk, die zig zelfs op enen groten afstand vernemen
doet. Om dien tyd in de bosschen komende kan men uit derzelver reuk
bemerken, dat ’er wyngaarden zyn. Hoe streng ook de winters zyn, doen
zy egter den wyngaard niet aan. Elke druif is omtrent zo groot als ene
erwt, dog wat meer zuidwaards hebben zy de grootte van ene gemene
razyn, en enen aangenaamen smaak. Binnen in het land maken zy gedurende
een deel van den herfst het voornaamste voedsel voor de Beren uit, die
op de bomen klouteren om de druiven te plukken. Men meent, dat als de
wilde druiven zorgvuldig aangekweekt en behandeld wierden zy groter en
beter zyn zouden.
[Voortekens rakende het weder.]
Ik zal hier van twee voortekens aangaande het weder gewagen, waar aan
men hier veel geloofs sloeg. Sommigen wilden kunnen voorzeggen dat de
aanstaande winter niet zeer gestreng zoude zyn, om dat zy in October
wilde ganzen en andere trekvogels naar het zuiden hadden zien vliegen,
die kort daar aan terug gekomen, en in groten getale noordwaards
gevlogen waren. Inderdaad de volgende winter is een van de gematigdsten
geweest.
Enige lieden voorzeiden den 5. December, dat wy voor den avond van den
6. regen hebben zouden. De reden van deze voorzegging was, dat dezen
morgen, by het ryzen der zon zy uit hunne vensters alles zeer duidelyk
aan de overzyde der Rivier had kunnen zien, zo dat alles veel nader by
dan gewoonlyk scheen te zyn, en dat dit gemeenlyk een teken van regen
was. De voorspelling wierd ook tamelyk juist vervuld.
[Het yzer den Wilden onbekend.]
Voor de aankomst der Europeanen hadden de Wilden gene kennis aan het
yzer, schoon dat zeer overvloedig in hun land valt. Evenwel wisten zy
enigermate zig van het koper te bedienen. Enige Hollanders bewaarden
nog de overlevering, dat hunne Voorouders, by hun [Dog niet het koper.]
nederzetten te New York, vele Amerikanen ontmoet hadden, die koperen
tabakspypen hadden, en die hun door tekens te kennen gaven, dat zy ze
in de nabuurschap kregen. Naderhand werd de schone kopermyn ontdekt die
op Second River tusschen Elizabeth-town en New York is. By het graven
in deze myn vond men gaten waaruit enig koper gehaald was, en enige
werktuigen, waarvan de Amerikanen waarschynlyk zig bediend hadden om
het metaal voor hunne pypen te krygen. Zulke gaten in de bergen zyn ook
op sommige plaatsen van Pensylvanie, te weten beneden Newcastle
zeewaards aan, gevonden, en geven altyd te kennen dat ’er kopererts in
te vinden is. Sommigen hebben zig verbeeld, dat de Spanjaards, na de
ontdekking van Mexiko, langs de kust van Noord Amerika gezeild, en nu
en dan aan land getreden zyn, om te zien of ’er ook enig goud of zilver
zoude te vinden wezen, en dat die misschien deze gaten in de bergen
gemaakt hebben. Maar, als men al veronderstelt dat zy dus langs de kust
gevaren zyn, konden zy onmogelyk ten eersten de kopermynen vinden, en
hielden zig waarschynlyk niet op met dit erts, daar zy meer goud en
zilver zogten. Het is dan genoegzaam zeker dat de Amerikanen deze gaten
gegraven hebben. Of zoude men durven vermoeden, dat de oude Noren, lang
voor de ontdekking van Colombus, hier aangeland zyn, en deze
koperaderen gevonden hebben, toen zy naar het voortreffelyke Wynland
[158] voeren, waarvan onze oude overlevering, Sagor genoemd, spreekt,
welk Wynland ongetwyffeld Noord Amerika was? Dog hieromtrent zal ik in
’t vervolg gelegenheid hebben, myne gedagten beter te uiten. Het is
aanmerkelyk dat overal, daar men onlangs diergelyke gaten in de bergen
gevonden heeft, welken duidelyk gezien kunnen worden van menschen
gegraven te zyn, dezelven met veel aarde bedekt waren, als of men ze
voor de vreemden verborgen had willen houden.
[Vergiftige Visschen.]
Op langdurige reizen gebeurt het somwylen dat het Bootsvolk enen Visch
vangt dien niemant kent, dog, alzo zy meest gretig naar visch zyn,
maken zy zelden zwarigheid ’er van te eten, schoon dit veeltyds te veel
gewaagd is, want somtyds worden ’er wel vergiftige visschen gevangen.
Dog men heeft ene manier om dezelven te kennen, gelyk my verscheiden’
Schippers gezegd hebben, met, als de onbekende visch gekookt wordt, een
zilveren knoop, of een ander stuk zilvers, in den ketel te leggen, dit
gantsch zwart zal worden als de visch vergiftig is, maar zo niet,
verandert het zilver niets. Dit beweerden sommigen zelven ondervonden
te hebben. [159]
[Rhode Island voor ene bril verkoft.]
De Heer Franklin en verscheiden’ andere Heren verhaalden my, dat een
ryke Amerikaan, die Heer van Rhode Island geweest was, het zelve voor
ene bril aan de Engelschen verkoft had. Dat Eiland is groot genoeg voor
een geheel Vorstendom, en maakt een byzonder Gouvernement uit. Deze
Amerikaan wist de brillen naar waardy te schatten; want inderdaad,
indien zy zo gemakkelyk niet te krygen waren, zouden zy uit hoofde van
haar nuttig gebruik niet minder gelden dan de diamanten.
[Dienstboden.]
De Dienstboden, die men in de Engelsche Noord Amerikaansche
Volkplantingen gebruikt, zyn of vryen of slaven, en de eersten zyn nog
twederhanden.
[Vrye Dienstboden.]
Zulken die volstrekt vry zyn dienen by het jaar, en kunnen wanneer zy
willen hunnen dienst verlaten, dog wanneer zy dat binnens tyds doen
lopen zy gevaar hun loon, dat vry aanmerkelyk is, te verliezen. Een
knegt, die wat bekwaamheden heeft, wint tusschen de zestien en de
twintig ponden Pensylvanische munt, dog op het land niet zo veel. Ene
Meid wint agt of tien pond in ’t jaar. Behalven hun loon hebben deze
Dienstboden den kost, dog moeten zig van klederen voorzien. Krygen zy
enig stuk goeds, zy moeten ’er hunne Heren voor danken.
[Servings.]
Het twede soort van vrye Dienstlieden bestaat uit menschen die jaarlyks
uit Duitschland, Engeland en andere landen overkomen. Dezen zyn alle
jaren zeer talryk, oud en jong, van beide sexen; sommigen vlieden de
verdrukking waaronder zy zugteden; anderen zyn uit hun vaderland om den
Godsdienst verdreven; dog meest allen zyn zy arm, en hebben geen geld
genoeg om hunne vragt te betalen, die tusschen de zes en de agt pond
voor ieder is, en om die te vinden maken zy een beding met den
Schipper, dat zy zig voor enige jaren zullen laten verkopen als zy
zullen zyn aangekomen. In dat geval betaalt hy die ze koopt de vragt
voor hun. Dog dikwyls zyn het oude menschen die overkomen, en dezen
verkopen hunne kinderen, die dan voor hun zelven en voor hunne ouderen
dienen moeten. Ook zyn ’er die een deel van de vragt betalen, en voor
het overige zig voor enen korten tyd laten verkopen. Hieruit blykt, dat
de prys der arme vreemdelingen in Noord Amerika niet gelyk is, en dat
de een langer dient dan de ander. Als hun tyd uit is, krygen zy een
nieuw pak klederen en nog enige andere dingen van hunne Heren; die ook
verpligt zyn hen te kleden en te onderhouden gedurende den tyd van den
dienst. Velen van de Duitschers brengen gelds genoeg mede om hunne
vragt te betalen, dog willen zig liever laten verkopen, met inzigt om
gedurende hunnen dienst de taal en het land te leren kennen, om des te
beter te weten wat zy zullen aanvangen als zy hunne vryheid zullen
bekomen hebben. Zulke Dienstlieden worden boven alle anderen gezogt, om
dat zy niet zo duur zyn als de zwarte slaven, die wel eens zo veel
kosten; en de knegts en meiden die zig by ’t jaar verhuren zyn ook te
duur, daar dezen nog kwalyk de helft kosten, want men geeft gemeenlyk
viertien pond st. Pensylvanisch geld voor enen persoon die vier jaar
dienen moet, en zo naar evenredigheid. Dit soort van Dienstlieden
noemen de Engelschen Servings. Als men zulk enen Serving voor enige
jaren gekoft heeft, en men hem weder verkopen wil, heeft men ’er
vryheid toe, dog blyft egter verpligt hem by ’t eindigen van de
dienstjaren het pak klederen te geven, ten zy men daaromtrent een
verding met den tweden koper gemaakt hebbe. De Engelschen en Ieren
verkopen zig gemeenlyk voor vier jaren; maar de Duitschers komen
dikwyls met den Schipper overeen, voor dat hy hen aan land zet, omtrent
ene zekere som gelds voor een zeker getal personen, en zodra zy
aangekomen zyn gaan zy iemant zoeken die de vragt voor hun betalen
wille. Ter vergoeding geven zy een of meerder van hunne kinderen,
volgens de omstandigheden, voor een zeker getal van jaren. Eindelyk
sluiten zy den koop met die hun het meeste biedt.
[Zwarten.]
De Zwarten maken het derde soort van Dienstlieden uit. Dezen zyn in
enen zekeren zin slaven, want als eens een Zwart gekoft is, is hy de
slaaf van den koper zo lang hy leeft, ten zy deze hem aan een ander
overdoet of vry maakt. Egter heeft de Heer het regt niet zynen slaaf om
enige misdaad om te brengen, dog moet het der Regering overlaten
volgens de wetten met hem te handelen. Voorheen bragt men de Zwarten
uit Afrika, en byna ieder koft ze, die vermogen daartoe had. De Quakers
alleen maakten zwarigheid slaven te houden, dog zyn niet meer zo
kiesch, en houden ’er nu zo velen als de anderen. Evenwel agten velen
het hebben van slaven strydig met het Christendom. Ook zyn ’er te
Philadelphia verscheiden’ vrye Zwarten, die ’t geluk gehad hebben van
enen yverigen Quaker tot Heer te krygen, die hun hunne vryheid schonk,
na dat zy hem enige jaren getrouw gediend hadden.
Tegenwoordig brengt men weinig Zwarten meer uit Afrika, want zy hebben
zig hier zeer vermenigvuldigd. Zy huwen op deze wys. Als men mans en
vrouwen in zyne slaverny heeft, laat men ze t’zamen trouwen, en dan zyn
de kinderen ook de slaven van de Heren hunner ouders. Maar heeft men
enen zwarten knegt, die genegenheid heeft voor de slavin van een ander,
zo hindert men hem daarin niet, dog men heeft ’er geen voordeel van,
want de kinderen komen den Heer der slavin toe; dus is het voordelig
slavinnen te hebben. Een Heer die zynen slaaf ombrengt is des doods
schuldig; dog ’er is geen voorbeeld dat ’er een Blanke om deze oorzaak
ter dood gebragt is. Enige jaren geleden had een Heer zynen slaaf
gedood; zyne vrienden, en de Regering zelve raadden hem heimelyk het
Land te verlaten, kunnende anders niet nalaten van hem in hegtenis te
nemen, en dan was ’er gene hoop van hem te redden. Men ging zo zagt met
hem te werk, op dat de Zwarten het genoegen niet mogten hebben van enen
Heer ter dood te zien brengen om het doden van zynen slaaf, uit vreze
dat dit hen tot allerlei gevaarlyke aanslagen mogt aanmoedigen.
De Zwarten, die tegenwoordig van buiten inkomen, worden niet meer uit
Afrika gehaald, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar uit de
Amerikaansche Eilanden, werwaards zy oorspronglyk uit hun Land zyn
overgevoerd; want men heeft ondervonden, dat als men de Zwarten
onmiddelyk uit Afrika naar deze noordelyke gewesten overvoert, zy zo
gezond niet blyven, als wanneer zy trapsgewyze van lugt veranderen, en
eerst uit Afrika naar de West Indien, en van daar naar Noord Amerika
vervoerd worden. Men heeft dikwyls ondervonden dat de Zwarten de koude
niet zo wel kunnen verdragen als de Blanken, want schoon de laatsten
niets van de koude weten, verliezen ’er de eersten dikwyls de tonen en
vingers door. Ook is ’er nog een onderscheid tusschen hun in dit
opzigt, want die regelregt uit Afrika komen kunnen de koude zo wel niet
verdragen als zulken die hier geboren of hier lang geweest zyn; de
vorst doet ligt de handen en voeten aan der genen die zo eerst uit
Afrika komen, of veroorzaakt hun geweldige pynen in de leden, schoon zy
die hier lang geweest zyn ’er niets van weten. Daar zyn vele
voorbeelden dat de Zwarten, wanneer zy des winters uit Afrika wierden
overgevoerd, handen of voeten door de vorst aan boord verloren, hoewel
de koude niet buiten mate fel, en het scheepsvolk nauwlyks gedwongen
was handschoenen te dragen. Zelfs verzekerde men, dat men hier Zwarten
had gehad, die van de koude in ’t begin eerst zware pynen in de benen
gehad hadden, welken naderhand van zelven afgebroken, en met het
vleesch daarop van ’t lichaam gevallen waren. Zo gebeurt het dan hier
met de menschen, het geen men aan de planten ziet, wanneer zy uit ene
zuidelyke lugtstreek naar ene koude vervoerd worden.
De prys der Zwarte slaven verschilt naar mate van hunnen ouderdom,
hunne gezondheid, en bekwaamheden. Een volwassen Zwart kost van veertig
tot honderd ponden Pensylvanisch geld. Zelfs zyn ’er voorbeelden dat zy
meer dan tweehonderd ponden gegolden hebben. Een jonge of een meisje
van twee of drie jaar kan kwalyk gekoft worden voor minder dan agt of
veertien pond. Niet alleen de Quakers, maar ook anderen, maken somtyds
hunne zwarte slaven vry. Dit geschiedt aldus. Als een Heer enen
getrouwen Zwart heeft, die hem goede diensten heeft gedaan, geeft hy
hem dikwyls zyne vryheid als de Heer sterft. Dog dit is kostbaar, want
men is dan verpligt zorg te dragen voor het onderhoud van den vry
gegevenen wanneer hy oud is, op dat de noodzakelykheid hem niet tot
kwaad doen brenge, of hy tot eens anders laste kome, want deze
vrygelatene Zwarten worden gemeenlyk zeer lui en onverschillig. Dog de
kinderen, die een vrygelaten slaaf gedurende zyne slaverny geteeld
heeft, blyven alle slaven, schoon hun vader vry is. Maar zulken die zy
vry zynde krygen zyn ook vry. De Zwarten worden in Noord Amerika veel
zagter behandeld en beter onderhouden dan in de West Indien. Zy krygen
even zo goed voedsel als de Dienstboden, en genieten in alles de zelve
voordelen, uitgenomen dat zy genoodzaakt zyn al hun leven dienstbaar te
blyven, en anders niets winnen dan het geen hun hunne Meesters uit
goedheid schenken. Dog zy worden ook ten koste hunner Heren gekleed. In
tegendeel worden zy in de West Indien, en vooral in de Spaansche
Eilanden, zeer wreed behandeld. Dus kan men hier enen Zwart geen
zwaarder bedreiging doen dan van hem naar de West Indien te zenden,
indien hy niet beter oppast. Ook heeft men veeltyds ondervonden, dat,
als men omtrent dit volk te toegevend is, zy zo koppig worden dat zy
niet meer willen doen dan hun gelust; zo dat ’er ene strikte tugt
vereischt wordt, indien men ’er wel van zal gediend worden.
[Eerste Zwarten.]
In ’t jaar 1620. werden ’er enige Zwarten in een Hollandsch Schip
overgebragt, en in Virginie koft men ’er twintig van. Dezen houdt men
voor de eersten die herwaards kwamen. Toen de Amerikanen, die in dien
tyd hier veel talryker waren, dit zwarte goed voor ’t eerst zagen,
hielden zy ze voor Duivels, en noemden ze om die reden langen tyd
Manitto, het welk zo wel een Duivel als God betekent. Enigen tyd te
voren, toen zy het eerst een Europisch Schip zagen, dagten zy dat God
zelf in het Schip moest wezen. Dit heb ik van Amerikanen zelfs, die het
van hunne Voorouders gehoord hadden. Om die reden scheen hun de
aankomst der Zwarten alles in wanorder gebragt te hebben. Dog sedert
hebben zy zo ongunstig niet meer van de Zwarten gedagt, want thans
wonen verscheiden’ Zwarten onder hun; en ik zelf heb gezien dat zy en
de Amerikanen somtyds onder malkander huwen.
[De Zwarten worden noit blank.]