De Rogge, de Weit, en de Boekweit worden met den sikkel gemaid, dog de

Haver met de seis. De sikkels, die men hier gebruikt, zyn lang en smal,

en het scherpe is met kleine tandtjes van binnen bezet. De landen

blyven een jaar braak leggen, en gedurende dien tyd weidt er het vee

op.

Zelfs de niet veel vermogende landlieden in dezen oord hebben hunnen

boomgaard, min of meer groot volgens hunnen rykdom. De bomen zyn

gemeenlyk Persike-, Appel- en Kerssebomen.

[Vervolg van de Reis.]

Wy verlieten deze plaats den 24. Nov. een weinig voor den middag, en

vervolgden onze reis, de Zweedsche Kerk te Rakoon voorby, naar Peils

groves. Het land aan beide zyden van den weg is zandig en tamelyk vlak.

Hier en daar ziet men, dog niet dikwyls, enige Landhoeven. Daar waren

grote streken nog enkeld bosch, meest uit verscheiden soorten van Eiken

en uit Hikorybomen bestaande. Egter kon men in deze bosschen zeer wel

voortkomen, zelfs met een rytuig, want men vond ’er weinig laag hout en

stenen in. Dog hier en daar lagen enige bomen, ’t zy door storm geveld,

of uit ouderdom omgevallen, die enige verhindering maakten.

[Waarnemingen omtrent het toenemen van het land.]

Gedurende myn verblyf te Rakoon, nu en den gehelen volgenden winter,

deed ik myn best om van de oude Zweden alle mogelyke onderrigting te

krygen, aangaande het toenemen van het land, en ’t verminderen van het

water in deze oorden. Ik zal hier gewagen wat onderrigtingen ik kreeg.

Ik geef ze zo als ik ze ontvangen heb, met maar weinige aanmerkingen;

dus kan de Lezer daaruit zulke gevolgen trekken als hy wil.

Een Zweed, King genoemd, meer dan vyftig jaren oud, hield zig voor

overtuigd, dat, omtrent dezen tyd, de kleine meertjes, poelen, bronnen

en rivieren minder water hadden dan toen hy een jonge was. Hy kon

verscheiden meren noemen, die men in zyne jeugd met grote schuiten

bevoer, en zelfs in ’t heetste van den zomer water genoeg hadden, dog

nu of geheel of voor het grootste gedeelte droog waren, en die ten

minsten des zomers geen water meer hadden. Hy zelf had by gebrek van

water den visch zien sterven; en het scheen hem toe dat het

tegenwoordig des zomers zo veel niet regende als voorheen. Een man van

zyne bloedvrienden, die omtrent agt mylen van de Dellaware af, op enen

heuvel by een riviertje woonde, had enen put doen graven, en op de

diepte van veertig voet ene menigte van oester en mosselschelpen, van

riet, en stukken van gebrokene takken gevonden. Ik vroeg hoe zy dagten

dat dit alles daar gekomen was, en het antwoord was, dat sommigen

meenden dat alles daar reeds van den zondvloed af zo gelegen had, en

anderen dat het land toenam.

Peter Rambo, een man van digt by de zestig jaar, verzekerde my dat op

verscheiden’ plaatsen te Rakoon, waar men putten, of met een ander

inzigt diep in den grond, gegraven had, men ene menigte van

mosselschelpen en andere voortbrengsels van de zee had gevonden.

Somtyds had men stukken houts ontmoet ter diepte van twintig voet,

waarvan sommigen versteend waren, en anderen ’er uitzagen als verbrand.

Op die diepte vond men eens ene grote lepel. Zoude het verbrande hout

niet zwart geworden zyn door onderaardsche minerale dampen? Dog velen

hebben ’er uit opgemaakt, dat Amerika reeds voor den Zondvloed bewoond

was. Dezelve man verhaalde my verders, dat men ook ticchelstenen diep

in den grond gevonden had. Maar zoude niet de steenkleurige klei,

waaruit de grond hier grotendeels bestaat, hard zynde, voor

ticchelstenen zyn aangezien? Ik heb horen zeggen dat die klei, hard

zynde, veel naar gebakken steen gelykt. Hy zeide ook, dat de rivieren

nog even zo hoog waren als men wist dat zy oit waren geweest; maar in

de kleine meertjes, in poelen en vyvers was merkelyk minder water.

Maons Keen, een andere Zweed van meer dan zeventig jaar, verzekerde,

dat, by het graven van enen put, hy, op de diepte van veertig voet, een

groot stuk kastanjenhout, en wortels en stelen van riet gezien had,

nevens ene kleiagtige aarde, gelyk die welke men gemeenlyk aan het

strand van zeeboezems vindt, daar men zout water heeft. Deze klei had

den zelven reuk en enen zoutagtigen smaak. Hy en verscheiden’ anderen

maakten daaruit op, dat al het land waar Rakoon en Penns-neck leggen

van ouds geheel door de zee bedekt was. Ook was ’er op ene grote diepte

ene spaan, gelyk die der Wilden, gevonden.

Sven Lock en Willem Cobb, beiden meer dan vyftig jaar oud, kwamen

daarin volkomen overeen, dat men op vele plaatsen hieromstreeks by het

graven naar wellen zeer veel riet, het meest verrot, gevonden had ter

diepte van dertig en meer voeten. En ’t werkvolk van Cobb zelven was in

’t graven ter diepte van twintig voet op enen dikken tak gekomen, die

hen belet had voorttegaan, tot dat men hem doorgehakt had. Het hout was

zeer hard. Ook is het zeer gemeen van niet diep in den grond ene

menigte te vinden van niet geheel verrotte bladen van allerlei soort.

By het maken van enen molendyk, enige jaren geleden, op de rivier

waarby de kerk van Rakoon staat, en het doorgraven ten dien einde van

ene bank, vond men dat die meest uit oesterschalen bestond, schoon men

hier meer dan honderdentwintig Eng. mylen van zee is. Zy, nevens alle

de Inwoonders van Rakoon, besloten hieruit, zonder dat men het hun in

’t hoofd gebragt had, dat deze landstreek in oude tyden door de zee

bedekt was geweest. Ook verzekerden zy, dat vele kleine meertjes, die

in hunne jeugd, zelfs in den zomer, vol waters waren, nu des zomers

nauwlyks een beekje uitmaakten, uitgenomen by harde regenvlagen; dog zy

vonden niet dat de rivieren van water verminderd waren.

Aoke Helm, een gryzaard van zeventig jaar, vond by ’t graven van enen

put eerst zand en kleine stenen, en dat ter diepte van agt voeten,

daarna ene bleke en vervolgens ene zwarte klei. Op vyftien voeten vond

hy een stuk hard hout, en verscheiden stukken van vuurstenen. Hy

verhaalde dat hy verscheiden’ plaatsen in de Dellaware kende daar men

in zyn jeugd met schuiten voer, en die nu in kleine Eilandtjes

veranderd waren, waarvan er sommigen byna ene Eng. myl lengte hadden.

Deze Eilandtjes ontstaan uit zandbanken die zig in den stroom

vastzetten, waarop vervolgens het water enige klei aanspoelt, in de

welke biezen beginnen te groeyen, en dus wordt het allengskens tot

land.

By ene zamenkomst van de oudste Zweden uit het kerspel van Rakoon,

kreeg ik het volgende antwoord op de vragen die ik aangaande deze zaak

deed. Waar men hier ook putten graaft vindt mem overal ter diepte van

twintig of dertig voet vele oesterschelpen en Clams. Op vele plaatsen

heeft men by ’t graven ene menigte gevonden van biezen en riet, meest

alles onbeschadigd. Eens heeft men enen gehelen bondel van vlas ontmoet

wel tusschen de twintig en drieentwintig voet onder den grond. Het was

al zo weinig beschadigd als of het eerst onlangs onder de aarde was

geraakt. Alle de menschen stonden verwonderd, kunnende niemant begrypen

hoe het daar gekomen was. Dog ik verbeelde my dat die goede lieden de

ene of de andere Amerikaansche plant, als het wilde Virginische vlas

[150] of het Antirrhinum Canadense, dat veel naar vlas gelykt, voor

vlas aanzagen; en het was ook opmerkelyk dat die bondel omwonden zou

geweest zyn. De Europers op hunne aankomst vonden nergens vlas in

Amerika. Hoe kon ’er dan een bondel van onder de aarde komen? Gebrande

kolen heeft men dikwyls in den grond gevonden. De koster, Erik

Ragnilsson, had ’er velen van gezien. Ook heeft men dikwyls ter diepte

van boven de twintig voeten takken en blokken houts ontmoet. Op sommige

plaatsen had men spanen by de Wilden in gebruik uitgegraven. En uit dit

alles maakten zy op, dat deze landstreek voorheen zee geweest was. Dog

men moet hierby opmerken, dat meest alle die putten op plaatsen

gegraven wierden daar ene nieuwe plantery wierd aangelegd, waar men het

hout eerst had weggehakt, dat ’er misschien verscheiden’ euwen gestaan

had. Uit alle deze aanmerkingen, en nog anderen, die ik in ’t vervolg

’er byvoegen zal, kan men opmaken, dat een groot deel van New Jersey in

overoude tyden een gedeelte was van den bodem der zee, en naderhand

voortgebragt is geworden door de modder, slik en andere stoffen, die de

Dellaware met zig gevoerd heeft. Evenwel maakt het uitstek by Kaap May,

waarvan in ’t vervolg, deze zaak nog meer of min nog twyffelagtig.

[Planten die altyd groen blyven.]

De gewassen die hier zomer en winter hun blad houden zyn.

De Ilex Aquifolium, of Hulst.

De Kalmia Latifolia, de breedbladerige Kalmia.

De Kalmia angustifolia, de smalbladerige Kalmia, een soort van den

eersten.

De Magnolia glauca, de Beverboom. De jonge planten van dezen boom

alleen behouden des winters haar blad, en de ouden niet.

Het Viscum album, het gemene Mistelboompje, wassende gemeenlyk op de

Nyssa aquatica, de Liquidambar styraciflua, den Eik en de Linde, zo dat

de toppen dier bomen ’er des winters gantsch groen van schynen.

De Myrica cerifera of de Talkboom. Dog van dezen behouden maar enige

jonge bomen hun loof, de meesten laten het vallen.

De Sparreboom. [151]

De Denneboom. [152]

De Cupressus thyoides, of de witte Jenever, anders de witte Ceder.

De Juniperus Virginiana, de Rode Jenever, of Ceder.

Verscheiden’ Eiken en andere bomen laten hier in den winter hun blad

vallen, die wat zuidelyker, gelyk in Karolina, het gantsche jaar door

groen blyven.

[Het uitvallen der tanden in Amerika.]

Men heeft opgemerkt dat de Europeanen in Noord Amerika, het zy zy in

Zweden, in Engeland, in Duitschland, of in Holland, of zelfs in Amerika

van Europeaansche ouders geboren zyn, hunne tanden veel vroeger kwyt

raken dan in andere landen; byzonderlyk had dit plaats omtrent de

Vrouwen. Men zag dikwyls meisjes van twintig jaar, die reeds de helft

van hare tanden verloren hadden, zonder hoop te hebben nieuwen te

zullen krygen. Ik heb naar de oorzaak hiervan gezogt, dog ik weet niet

of ik de ware gevonden heb. Velen waren van mening dat de lugt hier te

lande nadelig was voor de tanden, en dit is zeker dat het weder nergens

onbestendiger wezen kan; want een zeer hete dag eindigt dikwyls met ene

scherpe koude, en zo ook omgekeerd. Dog deze veranderlykheid kan het

uitvallen der tanden niet veroorzaken, dewyl [Dog niet by de Wilden.]

dit by de Wilden gene plaats heeft, die, schoon zy in de zelve lugt

leven, altyd witte en schone tanden behouden, gelyk ik zelf gezien, en

ook van vele anderen gehoord heb. Daar zyn ’er die dit aan ’t onmatig

gebruik van vrugten en zoetigheden toeschryven; dog ik heb vele

menschen gekend die hierin geen overdaad begingen, en evenwel hunne

tanden kwyt raakten.

[Of dit komt van het thee drinken.]

Ik begon het thee drinken, dat hier des morgens en des middags

geschiedt, te verdenken, het welk tegenwoordig vooral onder de Vrouwen

zo gemeen is, dat ’er nauwlyks zelfs ene Boerin of arme Vrouw is, die

des morgens geen thee drinke. En in deze mening wierd ik bevestigd op

ene reis, die ik deed in de oorden waar de Wilden nog wonen. De

Generaal Major Johnson verhaalde my toen, dat velen van de Wilden, die

digt by de Europeanen woonden, geleerd hadden thee te drinken, en dat

men opgemerkt had dat zulke Amerikaansche Vrouwlieden, die zig zeer

daaraan gewend hadden, even als de Europische Vrouwen, hare tanden

vroeg kwyt raakten, schoon zy ze voorheen gantsch zuiver hadden gehad.

Integendeel zulken die gene thee gebruikten behielden hare tanden tot

enen hogen ouderdom.

Dog naderhand bevond ik dat het gebruik der thee niet de enige oorzaak

van dit verlies der tanden wezen kon. Verscheiden jonge Vrouwspersonen,

in Europa geboren, klaagden dat zy hare meeste tanden waren kwytgeraakt

zodra zy in Amerika gekomen waren. Ik vroeg, of zy niet dagten dat dit

van het menigvuldig thee drinken kwam, dewyl men weet, dat sterke thee

de tanden als opvreet; dog zy antwoordden dat zy reeds begonnen hadden

hare tanden te verliezen voor dat zy nog thee gedronken hadden. Maar

myn onderzoek voortzettende, vond ik ten laatsten ene genoegzame

oorzaak van dit uitvallen der tanden. Alle [Van het warm eten.] deze

Vrouwen bekenden dat zy zeer gesteld waren om alles zo warm te eten als

het maar mogelyk was. Dit was even het zelve met de andere Vrouwen in

het land, die hare tanden veel vroeger verliezen dan de Mans. Zy

drinken veel meer thee des morgens en des namiddags dan de Mans, wier

bezigheden hun den tyd niet laten van lang aan de theetafel te zitten.

Behalven dat, de Engelsche Mans geven weinig om thee, maar houden meer

van een kom punch. Als de Engelsche Vrouwen thee drinken gieten zy ze

niet in de schoteltjes, maar gebruiken ze zo heet als zy kunnen uit het

kopje. De wilde Vrouwlieden volgen ze daarin na. Integendeel, die

Wilden, wier tanden wit en gaaf zyn, eten of drinken noit iets warm.

Ik vroeg verscheiden van de oude Zweden of hunne Ouders en Landslieden

hier ook hunne tanden zo vroeg verloren hadden, dog zy zeiden van neen.

Bengtson, de Kerkeraad van Philadelphia, verzekerde my, dat zyn vader

op zyn zeventigste jaar persikestenen en noten met zyn tanden kraken

kon, en dit zal tegenwoordig niemant hier op die jaren ondernemen. Dit

bevestigt het geen ik gezegd heb, want in dien tyd was het gebruik der

thee in Noord Amerika onbekend.

[Koortsen.]

Gene ziekte is hier gemeender dan die welke de Engelschen Fever and

ague noemen, ene koude koorts, die of ene alledaagsche, andere- of

derdedaagsche is. Dog het gebeurt dikwyls dat iemant, die ene

derdedaagsche koorts gehad heeft, en ze ene week is kwyt geweest, ene

alledaagsche in de plaats krygt, en als die weg is, na enigen tyd,

weder door ene derdedaagsche wordt aangetast. De koorts begint

gemeenlyk op het laatst van Augustus of het begin van September, en

duurt den herfst en den winter over tot aan de lente, wanneer zy geheel

verdwynt.

De Vreemdelingen worden ’er gemeenlyk het eerste of het twede jaar na

hunne aankomst van aangetast, en veel sterker dan de Inboorlingen, zo

dat zy ’er somtyds aan sterven. Maar als zy ’er de eerste maal

doorkomen, zyn zy ’er gemeenlyk het twede jaar, en somtyds altyd vry

van. Men zegt hier in ’t gemeen dat de Vreemdelingen de koorts krygen

om zig aan de lugt te gewennen. De Inboorlingen van Europische afkomst

hebben op sommigen plaatsen alle jaren een aanval van koorts, dog

sommigen zyn ’er spoedig van af, daar anderen zes maanden lang daaraan

sukkelen, en enigen zelfs tot hunnen dood toe. De Wilden zyn ’er ook

aan onderhevig, dog zo sterk niet als de Europeanen. Geen ouderdom is

’er van bevryd; waar deze koorts heerscht ziet men ’er gryzaards en

kinderen in de wieg, dikwyls niet boven de drie weken oud, van

geplaagd. Dezen herfst was zy hier veel sterker dan naar gewoonte. Zy

maakt de menschen zo bleek als doden en schrikkelyk zwak, dog laat hun

nogthans toe in de tusschentyden hunne bezigheden waartenemen. Het is

zonderling, dat ’er alle jaren sommige streken zyn daar de koorts

regeert, en anderen daar niemant ’er van weet. Ook zyn ’er plaatsen

waar men ’er voorheen niets van plegt te weten, dog daar zy nu

gemeender begint te worden. Vele oude lieden verzekerden eenstemmig dat

de koorts noit zo hevig en aanhoudend was geweest toen zy kinderen

waren als nu. Dog anderen, ook ruim zo oud als de eersten, waren van

gedagte, dat de koorts voorheen naar evenredigheid der Inwoonders wel

zo algemeen en zo sterk geweest was, dog dat men in dien tyd, toen ’er

veel minder menschen waren, en de planteryen zo ver van malkanderen

lagen, daar zo veel agt niet op had kunnen nemen; zo dat het

waarschynlyk is, dat de uitwerkingen der koorts altyd omtrent gelyk

geweest zyn.

[Oorzaken.]

Het is moeilyk de ware oorzaken dezer ziekte te bepalen; daar schynen

’er verscheiden’ te zyn, en die niet altyd dezelven; somtyds, en ik

denk gemeenlyk, lopen ’er verscheiden t’zamen. Ik heb ’er

Geneeskundigen over onderhouden, en zie hier wat zy ’er van dagten.

Sommigen meenden dat de gesteldheid van de lugt in dit land oorzaak is

van deze koorts, dog de meesten beweren dat zy veroorzaakt wordt door

de staande en rottende wateren; en dit schynt de ondervinding te

bekragtigen. Want men heeft opgemerkt, dat zulken die in de nabuurschap

van moerassen en poelen wonen, of op zulke plaatsen waar men een staand

en stinkend water vindt, genoegzaam ieder jaar de koorts krygen, en ’er

veel ligter dan anderen van worden aangetast. En dit gebeurt

voornaamlyk in een jaargetyde, dat de wateren, door de onmatige hette

het meest uitwaassemen, en de lugt met kwade dampen vervullen. Ook is

de koorts zeer sterk op alle lage plaatsen, en waar tweemaal in de

vierentwintig uren het zeewater met het ty opkomt, en zig met het zoete

water vermengt. Des zomers wordt men, over zulke plaatsen reizende,

dikwyls gedwongen zyne neusgaten toetehouden, uit hoofde van den stank,

dien de vermenging van het zoete met het zoute water voortbrengt. Om

deze reden worden de menschen te Penns-neck, en te Salem in New Jersey,

waar de grond de gezegde eigenschappen heeft, jaarlyks veel sterker

door de koorts geplaagd, dan die op hoger gronden wonen. Indien iemant

wonende op hoge landen, waar men vry is van de koorts, naar de lager

landen trekt, kan hy wel staat maken van alle jaren op den gewonen tyd

de koorts te krygen zo lang hy daar blyft wonen. Menschen, die de

frischste kleur hadden, uit de hoger landen naar de lagere verhuizende,

en daar enen tyd lang blyvende vertoeven, hebben alle hunne kleur

verloren, en zyn zo bleek geworden als doden. Dit kan egter de enige

oorzaak van de koorts niet wezen, want ik ben in lage landen geweest,

daar veel staande wateren waren, waar de menschen zeiden zelden van de

koorts gekweld te worden; dog deze plaatsen lagen twee of drie graden

meer noordwaards.

Anderen waren van gevoelen dat het onvoorzigtig en onmatig eten van

vrugten zeer veel de oorzaak was van deze koorts. Dit heeft byzonderlyk

plaats omtrent de Europeanen die eerst overkomen, en nog niet aan de

lugt en de vrugten van Amerika gewend zyn, want zy die hier geboren zyn

kunnen ’er meer van verdragen, en zyn egter niet geheel vry van de

kwade gevolgen der onmatigheid. Ik heb hierover vele Engelschen en

Duitschers uit eigen’ ondervinding horen spreken. Zy bekenden het

dikwyls beproefd te hebben, dat als zy eens of tweemaal nugteren van

een watermeloen aten zy verzekerd konden wezen van binnen weinige dagen

ene koude koorts te hebben. En het is merkwaardig het geen de Franschen

in Kanada my vertelden, dat de koortsen daar minder gemeen waren,

schoon men daar niet minder watermeloenen gebruikte dan in de Engelsche

Volkplantingen, en dat men noit opgemerkt had dat zy koorts

veroorzaakten; maar dat wanneer men in ’t hete van den zomer by de

Illinoizen komt, een Amerikaansch volk, dat op de zelve breedte met

Pensylvanie en New Jersey woont, zy geen watermeloenen eten konden

zonder de aanvallen ener koude koorts te bespeuren, en dat de Wilden

hen ook waarschuwden van zo gevaarlyk ene vrugt niet te eten. Doet ons

dit niet denken dat de groter trap van hette in Pensylvanie en het Land

der Illinoizen, beiden vyf of zes graden zuidelyker dan Kanada gelegen,

die vrugt gevaarlyker maakt? In de Engelsche Volkplantingen heeft ieder

Boer watermeloenen, die men onder ’t hoyen gebruikt, of gedurende het

werken in den oogst, wanneer het volk niets in de maag heeft, om zig in

de hette te verkoelen, gelyk deze sappige vrugt zeer frisch is. Ook eet

men hier in den zomer zeer veel meloenen, komkommers, kawoerden,

squashes, moerbezien, appelen, persiken, kerssen, en ander ooft, al het

welk ook het zyne doet ter bevordering der koorts.

Dog dat de levenswys hier zeer veel aan toebrengt, kan men besluiten

uit de eenparige berigten van oude lieden aangaande de tyden hunner

kindschheid, volgens welke berigten de menschen in die tyden aan zo

vele ongemakken niet onderhevig en zelden ziek waren. Alle de oude

Zweden verklaarden, dat hunne Landslieden die zig hier het eerst

nederzetteden enen hogen ouderdom bereikten, en dat hunne kinderen

omtrent tot die zelve jaren kwamen; dog dat de kleinkinderen en de

kleinkleinkinderen den ouderdom van hunne voorouders niet hadden

bereikt, en zo gezond en sterk op ver na niet geweest waren. Dog de

Zweden leefden hier in ’t begin zeer matig. Zy waren te arm om

brandewyn en rum te kopen, die zy ook zelven niet stookten. Egter

hadden zy somtyds een goed sterk bier. Zy wisten ook genen cyder te

maken, die nu zo gemeen in ’t Land is. Koffi, thee, chokolaat, waaruit

zelfs nu het Landvolk ten dele zyn ontbyt maakt, waren onbekend. De

meesten hadden noit suiker of punch geproefd. De thee, die men nu hier

drinkt, is of zeer verlegen, of met allerlei kruiden vermengd, zodat zy

nauwlyks meer den naam van thee verdient; gevolgelyk kan zy niet dan

ene kwade uitwerking op zulken doen die dezelve in menigte gebruiken;

behalven dat zy niet missen kan van de ingewanden te verslappen, daar

zy ’s morgens en ’s namiddags byna kokend heet gedronken wordt. De

Wilden, afkomelingen van de oorspronglyke bewoonders dezes Lands,

verstrekken tot een bewys van het geen ik zegge. ’T is bekend dat hunne

voorouders, ten tyde van de aankomst der Europeanen, zeer oud wierden;

’t was niets vreemds van ’er lieden onder te vinden die boven de

honderd jaar waren. Zy leefden sober, en dronken niets dan water.

Brandewyn, rum, wyn, en andere sterke dranken waren hun onbekend. Dog

sedert dat de Christenen hun die dranken hebben leren drinken, en zy ze

zo aangenaam gevonden hebben, bereiken zulken die hunne lusten niet

kunnen tegengaan niet de helft van de jaren hunner voorvaderen.

Eindelyk, daar waren ’er die beweerden, dat het uitroeyen van zo vele

welruikende planten, waarmede op de aankomst der Europeanen de bosschen

vol waren, dog die het vee thans vernield heeft, kon worden aangezien

als ene van de grote oorzaken van de voortgangen der koortsen. De

menigte dezer bloemen verspreidde alle morgens en avonden enen

lieflyken geur in de bosschen. Het is derhalven niet vreemd te denken,

dat daardoor de schadelykheid der rottige uitwaassemingen gematigd

werd, zo dat zy zo gevaarlyk in dien tyd niet waren.

[Middelen daar tegen.]

Verscheiden’ geneesmiddelen worden tegens deze kwaal aangewend. De Kina

was voorheen een onfeilbaar middel, dog tegenswoordig doet zy altyd die

uitwerking niet, schoon men ze hier voor zuiver en onvervalscht bekomt.

Vele lieden beschuldigden dit middel van iets kwaads in het lichaam

agter te laten. Dog men heeft gemeenlyk ondervonden, dat als de Kina

goed was en terstonds in ’t begin der koorts gebruikt wierd, eer het

lichaam verzwakt was, zy de koorts altyd verdreef, zo dat de

huiveringen niet weder kwamen, en men gene pynen nog zwaarte in de

leden overhield. Maar als de kwaal was ingeworteld en de Lyders sterk

verslapt had, of dat zy natuurlyk zwak waren, verliet hen de koorts wel

op ’t gebruik der Kina, dog keerde een veertien dagen daarna weder, en

dwong hen ze op nieuws te gebruiken; waarvan het gevolg dikwyls was pyn

en styfheid in de leden en somtyds in de ingewanden, waardoor zy belet

wierden te gaan, welke pyn hun vele jaren bybleef, en dikwyls tot den

dood toe. Deze kwade uitwerking wordt gedeeltelyk aan den koortsbast,

dien men hier zelden onvervalscht bekomt, en gedeeltelyk aan de

onvoorzigtigheid der Lyders onder ’t gebruiken van denzelven

toegeschreven. Een van myne kennissen was zeer ervaren in ’t verdryven

van de koorts door de Kina, welke hy gaf zodra de koorts zig in ’t

lichaam vastgezet had. Dog voor dat hy ze gebruikte nam hy een

zweetmiddel, dewyl hy dit zeer heilzaam gevonden had. En gelyk hier de

koorts veeltyds van dien aard is dat zy niet doet zweten, zelfs niet in

hare hette, moest men door andere middelen de uitwaasseming bevorderen.

Ten dien einde nam de Lyder het middel op den dag van de huivering en

moest dien avond zonder eten zyn. Den volgenden morgen moest hy in ’t

warme bed blyven, veel thee drinken, en wel toegedekt zyn, om sterk te

kunnen uitwaassemen. Dus bleef hy tot dat het zweten ophield, verliet

dan het bed in ene warme kamer, waschte het lichaam met bloed-lauw

water, om het te zuiveren van de vuiligheid door het zweten

veroorzaakt, ten einde die de poren niet mogte verstoppen. De Lyder

wierd daarop afgeveegd, en nam eindelyk de Kina verscheiden’ malen op

den zelven dag in. Dit wierd twee of drie malen herhaald, op de dagen

na dat de zieke de koorts gehad had, en zy verliet hem gemeenlyk zonder

weder te komen, en zonder dat hy ’er in ’t vervolg bleek van zag.

De schors van den wortel des Tulpebooms [153] op de wys der Kina

genomen heeft somtyds de zelve uitwerking.

Reis door Noord Amerika · 第 16 / 50 段