diep onder ’t gebergte doorliepen. Hy was in verscheidenen van dezelven
geweest, en had ’er veel stalactites van verschillende grootte boven
aan in ’t binnenste van de bergen gevonden. Zy waren van verscheiden
kleuren. Dog het byzonderste was, dat hy ’er enigen vond die uiterlyk
van boven tot onder toe als gescheurd waren. Hy had ’er sommige stukken
van naar Londen gezonden, dog had ’er thans geen.
[Reis naar Rakoon.]
Den 20. November ging ik in den morgen, nevens enen Vriend, op een
reisje naar Rakoon in New Jersey, daar vele Zweden waren, die hunne
eigene kerk hebben. Wy moesten drie Eng. mylen afdoen eer wy aan het
Veer kwamen, daar wy over de Dellaware konden gezet worden. Het land
was hier op vele plaatsen zeer laag. De vlaktens wierden by elken vloed
overstroomd, en liepen by de ebbe weer ledig. Evenwel had men zig deze
vlaktens door middel van dyken weten ten nutte te maken. Het waren nu
weilanden. Hier waren vele Waterbeuken aan beide de zyden van den weg
geplant, digt op een, welken in den zomer ene aangename lommer geven,
aangezien de grootte en menigvuldigheid van hunne bladeren. Dit maakt
den weg zeer vermakelyk, gelykenden naar ene lommerryke laan. De
Dellaware is hier omtrent even zo breed als by Philadelphia. Digt by
het Veer waren verscheiden aardige huizen op beide de zyden gebouwd,
waar de Reizigers verfrisschingen krygen kunnen. Op onze uitreis van
Pensylvanie naar New Jersey wierden wy over de Dellaware gezet in een
vaartuig dat den waard aan de zyde van Pensylvanie aanging; maar op
onze terugreis moesten wy dat van den man die aan de overzyde woont
gebruiken. Zo als wy de Rivier over waren bevonden wy ons in ene andere
Provincie, want de Dellaware maakt de grensscheiding uit tusschen
Pensylvanie en New Jersey, zo dat al wat ten westen der Rivier legt tot
het eerst genoemde, en het geen ten oosten is tot het laatst gemelde
gewest behoort. Dog beide de Landschappen hebben verschillende wetten
en verschillende munt.
[Landsdouwe.]
Wy vervolgden onze reis verder, en merkten welhaast op, dat het land
aan die zyde daar wy thans waren gantsch anders ’er uitzag dan aan de
overzyde, want in Pensylvanie bestaat de grond meerder uit klei en
zwarte aarde en is zeer vrugtbaar; maar in New Jersey is hy zandiger en
mager, zo dat de voeten der paarden op vele plaatsen zeer diep in ’t
zand zakten. Digt by de plaats daar wy waren overgezet, een eind wegs
langs den oever, was een tamelyk zwaar Dennebosch. De bomen waren niet
zeer hoog, dog in hunne grootste kragt; tusschen beiden vertoonde zig
hier en daar enig eiken kreupelhout. Maar na dat wy omtrent drie Eng.
mylen verder waren, eindigde het Dennewoud, en wy zagen niet meer van
die bomen voor dat wy by de Kerk van Rakoon kwamen. In alle de delen
van Pensylvanie daar ik geweest ben, heb ik weinig Dennebomen gevonden;
in tegendeel zyn ze menigvuldig in New Jersey, en vooral in het beneden
deel van dat Landschap. Vervolgens zagen wy den gantschen dag geen
ander geboomte dan dat zyn blad laat vallen; meest Eiken van
verscheiden’ soorten en grote hoogte; dog zy stonden overal zo ver van
malkander dat ’er een rytuig tusschen door kon ryden, zynde daar weinig
of gene struiken die het verhinderen konden. De bladeren bedekten thans
den grond ter hoogte van ene hand breedte, het welk de bovenste zwarte
aarde moet doen toenemen. Op vele plaatsen stroomden kleine beekjes.
Het land was gemeenlyk vlak, dog maakte hierendaar enen langzaam
opgaanden heuvel. Grote bergen vertoonden zig niet, en op sommige
plaatsen vonden wy enige stenen, die niet groter dan een vuist waren.
Men zag enige huizen verspreid staan, en op ene plaats alleen lag een
klein dorp. Het land was meer met hout bedekt dan bebouwd, en wy waren
meest altyd in een bosch.
[Riviertjes.]
Dien dag en de volgenden trokken wy verscheiden zogenaamde Kills of
kleine riviertjes over, die langzaam naar de Dellaware uit het land
henen vloeiden. Als het ty in de Dellaware opkwam, zwollen deze
stroompjes ook een eind wegs. Voorheen moeten zy by den vloed veel
breder geweest zyn, dog tegenwoordig worden zy door dyken belet de
naburige weiden te overstromen. Langs alle de rivieren waren hier dyken
gelegd, zo dat het water by den vloed hoger was dan het land. In de
dyken waren schutdeuren, waardoor men het water uit- en inlaten kon. Zy
lagen somtyds aan den buitenkant van den dyk, zo dat het binnenwater
hoger zynde ze open drong, en het buiten water ze toesloot.
Dien avond namen wy onzen intrek by enen Zweed, genoemd Peter Rambo.
[Pynbomen.]
De Pynbomen die wy dezen dag gezien hadden, waren van dat soort dat
dubbelde bladeren en langwerpige zaadhuisjes of pynappelen, met
schubben gedekt, draagt. [144] De Engelschen noemen ze
onderscheidshalven Dennen van New Jersey. Gemeenlyk zitten ’er maar
twee bladen of prikkels in ene schede, gelyk by de Zweedschen. Dog uit
sommige scheden kwamen ’er drie. De zaadhuisjes hadden lange stekels,
zo dat ze kwalyk aanteraken waren. In de verte zien ’er anders deze
Dennen juist zo uit als onze Zweedschen. Uit dezelven werd zeer veel
teer gebrand, waarvan ik hierna breder spreken zal. Zy deugen voor
niets anders, als allen te klein zynde. Als men ze voor palen in de
aarde gebruikt, vergaan zy binnen kort. Zo dra zy geveld worden komen
’er wormen in. Men gebruikt ze egter om te branden in plaatsen daar men
geen ander hout krygen kan. Ook maakte men ’er hier en daar smidskolen
van, gelyk ik in ’t vervolg verhalen zal. Dog ’er is nog iets byzonders
omtrent deze bomen aantemerken, het welk nevens my vele menschen
bevonden hebben. In de grote hette des zomers zoekt het vee hun lommer
veel meer dan dat van den Eik, of andere bomen, wier blad zeer dik is,
en als het de laatsten onder de Dennen gemengd vindt, gaat het altyd
onder de Dennen staan, schoon ’er ene betere lommer onder de anderen
is; en wanneer ’er maar een enkelde van deze bomen te vinden is, loopt
’er zo veel vee onder als ’er onder staan kan. Sommigen wilden hieruit
opmaken dat de harstagtige uitwaassemingen van den Denneboom voordelig
voor het vee zyn, en het meer genegen maken om onder dezelven dan onder
andere bomen te staan.
[Lepelboom of Kalmia.]
De Lepelboom [145] komt noit tot ene grote hoogte. Wy zagen hem dezen
dag op verscheiden’ plaatsen. De Zweden gaven hem dezen naam, omdat de
Wilden, die hier voorheen woonden gewoon waren hunne lepels en spanen
van dit hout te maken. Ik heb zulk een lepel in myn Kabinet, gemaakt
uit dit hout door enen Amerikaan, die op de zelve plaats waar nu
Philadelphia staat verscheiden herten gedood heeft, want in dien tyd
was die plaats geheel bedekt met bomen en kreupelhout. De Engelschen
noemen dezen boom Laurel, om dat zyne bladen zeer veel naar die van den
Laurocerasus gelyken. De Ridder Linnæus heeft, volgens zyne byzondere
vriendschap jegens my, de goedheid gehad, hem den naam te geven van de
breedbladerigen Kalmia. [146] Deze boom tiert het best tegens de
heuvels, vooral aan de noordzyde als ’er een beekje langs loopt; om die
reden kan men staat maken Kalmias te vinden wanneer men op ene steile
plaats komt waar een beekje omtrent loopt. Maar hy staat veeltyds
vermengd onder de beuken. Hoe hoger de Kalmia tegens het noorden op den
heuvel staat te minder groeit zy. Ik heb ze niet alleen in Pensylvanie
en New Jersey, maar ook, dog schaarsch, in New York gezien. Ik vond ze
noit noordelyker dan 42. gr. N. schoon ik ’er zeer oplettede of zy ’er
ook waren. Deze boom behoudt zyne fraye groene bladeren den winter
over; zo dat, wanneer de andere bomen al hun sieraad kwyt zyn, zy de
bosschen met hun groen opluisteren. Omtrent Mai begint hy hier te
bloeyen, en dan betwist hy den rang van schoonheid aan alle de bekende
bomen. De bloemen zyn ontelbaar, en zitten aan grote trossen. Voor dat
zy opengaan hebben zy een schoon rood; maar naderhand verbleekt ze de
zon, zo dat zy geheel wit worden. Sommigen hebben ene rozekleur. Haar
gedaante is zonderling, want zy gelyken veel naar een kroes der Ouden.
Dog de reuk is zo aangenaam niet. Op sommige plaatsen was men gewoon op
kersmis en nieuwjaarsdag de kerken met de takken van dezen boom, die
dan geheel groen zyn, opteschikken.
[Vergiftig.]
Dog deze boom heeft ene andere eigenschap. Zyne bladen zyn een vergift
voor sommige, en een voedsel voor andere dieren. De ondervinding heeft
geleerd, dat, als de schapen ’er van eten, zy of ten eersten sterven,
of zeer ziek worden, en ’er bezwaarlyk van opkomen. De jonge en tedere
schapen sterven van ene kleine hoeveelheid, dog die wat ouder zyn
kunnen wat meer verdragen. Egter is dit voedsel hun dodelyk, wanneer zy
’er wat veel van eten. Het zelve heeft plaats omtrent de kalveren, die
’er ook van sterven, of ten minsten bezwaarlyk ’er afkomen. Het heugt
my dat in den herfst van 1748. sommige kalveren van die bladen gegeten
hadden, zeer ziek wierden, opzwollen, schuim op den mond kregen, en ’t
nauwlyks op de benen houden konden. Men reddede ze egter door ’t
ingeven van buskruid en andere middelen. De schapen zyn het meest aan
’t gevaar bloot gesteld van door deze bladeren in bekoring gebragt te
worden in den winter, want, na lang op stal gehouden te zyn geweest,
zyn zy gretig naar alle groen, vooral als de sneuw nog op het veld
legt. Paarden en Ossen bekomt dit blad ook zeer kwalyk, en schoon ’er
noit een van gestorven is, gelooft men egter in ’t gemeen dat indien zy
’er wat veel van aten zy ’er ook van sterven zouden, want men heeft
opgemerkt, dat als zy ’er maar ene geringe hoeveelheid van aten zy ’er
voor lyden moesten. Daarentegen zyn deze bladeren een voedsel in den
winter voor de Herten, wanneer het veld onder de sneuw legt, en zy
niets anders vinden kunnen. Wanneer men ze dan schiet is hun gedarmte
met dit blad opgevuld, en het is iets wonderlyks dat, als men die
ingewanden den honden geeft, dezelven daar wild en als dronken van
worden, en somtyds ook zo ziek dat het schynt dat zy ’er van zullen
sterven. Dog de menschen hebben geen ongemak van het eten van het
vleesch van zulke herten. Ook zyn deze bladeren in den winter een
voedsel voor zekeren vogel, dien de Zweden in Noord Amerika Hazelhoen
genoemd hebben, die hier den winter over blyft. Als men dan ’er een van
schiet, vindt men den krop vol van deze bladeren.
[Het hout.]
Het hout van de Kalmia is zeer hard, en daarom gebruikt men het om
assen in katrolblokken te maken; dog vooral dient het voor
weversspoelen, waartoe de wevers geen hout hieromstreeks beter houden,
want het is vast, laat zig ligt glad maken en springt niet. De
schrynwerkers en drayers maken ’er ook allerlei werk van, waartoe men
anders gewoon is het beste soort van hout te gebruiken. Byzonderlyk
neemt men daartoe den wortel, dewyl die doorgaans geel is. Het hout is
zo fyn en hard als men ’t zou kunnen wenschen. Uit het middelpunt lopen
verscheiden stralen uit, dog wat ver van malkander. Als men het loof in
’t vuur smyt, spat het als of men ’er zout in gegoid had. Men gebruikt
des winters de takken met de bladeren daaraan om de schoorstenen te
vegen. In ’t jaar 1750. werden de meeste bomen in Pensylvanie van
zekere rupsen kaal geschoren, dog dezen waagden zig niet op de Kalmia.
Enige lieden beweerden dar als ’er des zomers brand in een bosch
ontstond, het vuur zig door dezen boom liet stuiten.
[Mais.]
Zo wel de Zweden als de andere Inwoonders planten zeer veel Mais, niet
alleen voor zig maar ook voor hun vee. Men beweerde dat ’er geen beter
voer voor de varkens was, om dat zy ’er zeer vet van wierden, en hun
vleesch ’er enen beteren smaak door kreeg als van enig ander voedsel.
Ik heb der Koninglyke Zweedsche Maatschappye der Wetenschappen twee
Vertogen over dit soort van graan gegeven, die in hare Verhandelingen
te vinden zyn. [147]
De wielen der karren die men hier gebruikt bestaan uit twee soorten van
hout. Tot de velgen neemt men den Spaanschen, en tot de speken den
Witten Eik.
[Sassafras.]
De Sassafrasboom wies hier overal. De Zweden noemen hem hier
Saltenbras, of Salsenfras. Als men wat van dit hout in ’t vuur werpt,
springt het even als of ’er zout in lag. Men gebruikt het voor palen
aan de tuinen, want het duurt lang in de aarde. Anders denkt men dat
’er nauwlyks een hout te vinden is, dat in de blote lugt zo zeer van de
wormen wordt aangegrepen, als dit, want zy vreten het in korten tyd
door en door. De Zweden zeiden dat de Wilden, die voorheen hier
woonden, ’er schalen van maakten. Als men iets van den boom, of
deszelfs jonge scheuten, afsnydt, en het onder den neus houdt, heeft
het enen sterken dog aangenamen reuk. Sommigen schillen den wortel, en
brouwen de schil in hun bier, om dat zy denken dat dit zeer gezond is.
Men legt de schil ook in brandewyn, of terwyl men hem nog bezig is over
te halen, of naderhand als hy al klaar is, insgelyks voor de
gezondheid.
[Goed tegens de waterzugt.]
Een oude Zweed herinnerde zig nog dat zyne Moeder verscheiden’ menschen
van de waterzugt genezen had, door middel van een afkooksel van den
Sassafraswortel in water, elken morgen genomen, dog te gelyk kopte zy
den lyder op de voeten.
[Gebruikt tegens de weegluizen.]
Wanneer men een stuk lands met hout bewassen bebouwen wil, laat men ’er
gemeenlyk de Sassafrasbomen op, om dat zy sterk in de bladen zyn, en in
de zware hette het vee lommer verschaffen. Vele Zweden waschten met een
afkooksel van de schil des wortels van den Sassafras het vaatwerk uit,
waarin zy Cyder, bier, of brandewyn brouwen wilden, om dat zy zig
verbeeldden dat daardoor de dranken gezonder wierden. Sommigen hadden
de posten hunner bedden van die hout laten maken om de weegluizen te
verdryven, het welk zy meenden dat door zynen sterken reuk dat
ongedierte hinderen zou daarin te nestelen. Zo lang ook dat hout zynen
sterken reuk behoudt had men ’er ene goede uitwerking van bespeurd, dog
naderhand kon men niet merken dat het veel hielp. Enige Engelschen
verhaalden dat het enige jaren geleden te Londen in ’t gebruik was
geweest de bloemen van den Sassafras als thee te drinken, om dat men
het voor zeer gezond hield. Dog toen men begon te bedenken dat deze
drank veel tegens de Venusziekte gebruikt wierd, schafte men het af,
uit vrees van kwade verdenking. In Pensylvanie plagten enige menschen
de spaanders van dit hout in de kasten te leggen, om de motten uit het
wollen goed te houden. De wortel behoudt langen tyd zynen reuk. Ik heb
’er enen gezien die wel vyf of zes jaar in ene lade gelegen had en nog
zeer sterk rook.
Rambo, de Zweed, vertelde dat de Wilden voorheen allerlei leder met den
bast van den kastenjen eik rood plagten te verwen. En enige oude lieden
bragten zig te binnen dat hier in ’t jaar 1697. een zo harde winter
geweest was, dat het ys in de Dellaware twee voeten dikte had gehad.
[Digt en zwaar Gras.]
Aoke Helm was een der voornaamste Zweden in dezen oord, wiens Vader met
den Zweedschen Gouverneur Prinz herwaards gekomen was. Hy was over de
zeventig jaar oud. Deze oude man verhaalde ons dat in zyne kindschheid
in de bosschen een zeer digt gras plegt te wassen, wel twee voeten
hoog, dog dat het thans zo verminderd was, dat het vee werk had genoeg
te vinden, en dat tegenwoordig vier koeyen niet meer melk gaven dan
toen ene, dog de oorzaken van deze verandering zyn ligt te vinden. In
de jeugd van den ouden Helm was het land weinig bebouwd, en men hield
’er nauwlyks het tiende deel van het vee dat men ’er nu houdt, dus had
ene koe toen zo veel [Duur maar een jaar.] voedsel als nu tien.
Verders, het meeste gras duurt hier maar een jaar, en wast niet, gelyk
by ons in Zweden het meeste doet, verscheiden jaren voort uit enen den
zelven wortel. Dus moet men ieder jaar op nieuws gras zayen. Het groot
getal van beesten nu verhindert [Gebrek.] het voortzayen dewyl zy het
gras afeten eer het bloeyen kan. Dus moet men zig niet verwonderen dat
het gras tegenwoordig zo dun staat. Dit maakt dat men, vooral des
winters, op reis verlegen genoeg is met zyne paarden, en dat zo wel in
Pensylvanie en Maryland als in New Jersey, want het gras is daar
gantsch niet overvloedig aan te treffen, dewyl het door het vee
afgeschoren wordt eer het zaad schiet. Maar verder noordwaards, als in
Kanada, heeft men soorten van overblyvend gras genoeg. Zo wyslyk heeft
het de Schepper geschikt. Alle de koude gewesten moesten natuurlyk een
duurzaam gras voortbrengen, dewyl de Inwoonders, wegens den langdurigen
winter, meer hoi voor hun vee behoefden. De zuidelyke landschappen
daarentegen hebben minder van dat soort van gras, vermits het vee den
gehelen winter over in het veld blyven kan. Egter hebben vele
voorzigtige lieden Europisch duurzaam graszaad op hunne weilanden
gestroid, het welk daar zeer wel scheen te slagen.
[Mispelbomen.]
De Persimon, of de by de Zweden zogenaamde Mispelboom [148] wies hier
vry algemeen. Ik heb ’er reeds van gesproken, nogthans zal ik ’er iets
byvoegen. Zyne vrugten begonnen thans ryp te worden, en eetbaar te zyn.
Men at ze nu gelyk ander ooft. Zy zyn zeer zoet en sappig, dog een
weinig t’zamentrekkend. Ik at ’er gemeenlyk zeer [Mispelbier.] veel van
zonder nadeel. Men brouwt van de Mispelen een aangenaam bier, op deze
wys. Laat in den herfst, als de vrugt reeds door de vorst aangedaan is,
kneedt men de vrugt in een deeg van weit of ander meel, maakt ’er
koekjes van, zet ze in den oven, tot dat ze door en door gebakken en
droog zyn. Dan neemt men ze ’er uit. Als men nu aan ’t brouwen gaan
zal, zet men enen pot op ’t vuur vol koud water, en legt ’er enige
koekjes in. Het water warm wordende gaan deze koekjes van een. Men
neemt het dan van ’t vuur, roert het wakker om, zo dat het alles wel
door een gemengd wordt. Dan giet men het alles in een ketel. Dus gaat
men voort tot dat men koeken genoeg week gemaakt heeft. Dan doet men
het mout in den brouwketel, en behandelt het gelyk als bier. Dit bier
wordt voor aangenamer gehouden dan meest alle anderen. Men maakt ook
brandewyn van de mispelen. Dit geschiedt aldus. Men doet ’er ene
genoegzame menigte van in een ketel, en laat ze daar ene week in, of
iets langer, tot dat ze door en door zagt zyn. Dan giet men ’er water
op, en dan moeten zy van zelven gisten, zonder dat men ’er iets by
doet. Vervolgens stookt men ’er op de gewone manier brandewyn van, die
gezegd wordt zeer goed te zyn, vooral als men onder de mispelen enige
zoete wilde druiven doet. Enige mispelen zyn reeds op het einde van
September ryp, dog de meesten later, en velen niet voor November of
December, wanneer de vorst ze aandoen kan. Het hout van dezen boom is
goed voor allerlei schrynwerk. Dog, als het geveld zynde in de vrye
lugt blyft leggen, is het een van de eerste houten die rotten, en in
een jaar tyds deugt ’er niets meer van. Als de Mispelboom eens
geworteld heeft, kan men hem bezwaarlyk uitroeyen, dewyl zy zig te veel
verspreiden. Men zeide my, dat als men een tak afsneed en in de aarde
stak, hy wortel schoot. Dog in zeer harde winters vriezen deze bomen
dikwyls dood, en kunnen, zo wel als de Persikeboom, niet zeer tegens de
koude.
[Kawoerden.]
Vele soorten van Kawoerden en Meloenen worden hier geteeld, zynde
gedeeltelyk reeds by de oude Amerikanen bekend geweest, gedeeltelyk
[Meloenen.] door de Europeanen overgebragt. Van de Kawoerden had men
een soort dat aan het einde krom is, dog anders langwerpig, en dus
wierden zy Crocknacks of Kromhalzen genoemd. Men kan ze byna den
gehelen winter over goed houden. Nog zyn ’er zekere andere Kawoerden
die ook goed blyven. Anderen wederom worden aan stukken gesneden, aan
draden geregen, en te drogen gehangen. Men kookt of stooft ze daarna,
zo als men wil; en zy kunnen het gehele jaar over duren. Men eet en
bereidt hier allerhande soorten van Kawoerden, gelyk by ons. Vele
landlieden hebben ’er gehele velden van.
[Squashes.]
De Squashes zyn een soort van kawoerden, dat de Europeanen van de
Inlanders gekregen hebben, en waarvan ik reeds gesproken heb. Men eet
ze gekookt, alleen of by vleesch. Zy vereischen weinig zorg, want zy
slagen in allerlei gronden. Als men het zaad in den herfst in de aarde
brengt draagt het vrugt in de volgende lente.
[Kalabassen.]
De Kalabassen zyn ook een soort van Kawoerden, die veel geplant dog
niet gegeten worden. Men maakt ’er allerhande keukengereedschap van. Zy
zyn tederder dan de Squashes, en worden hier niet altyd ryp, dog alleen
by warm weder. Om ’er keukengereedschap van te maken, worden zy eerst
wel gedroogd, het zaad en de vleeschige stof, waarin het legt, neemt
men ’er uit, en smyt het weg. De schillen worden van binnen schoon
geschraapt; en dan maakt men ’er allerlei lepels, schotels, en andere
dingen van om eetwaren in te bewaren. Byzonder zyn zy goed om zaden en
planten ’er in over zee te verzenden, want die behouden hunne vrugtbare
kragt veel langer in Kalabassen dan anders. Sommigen plegen de
buitenste schillen der Kalabassen, voor dat zy ze openen, af te
schrapen, daarna te drogen, en dan van binnen schoon te maken; dit
maakt ze zo hard als been. Men kan ze ook afwasschen, zo dat zy hare
witte kleur altyd behouden.
[Boekweit.]
De meeste Landlieden in dezen oord zayen Boekweit. Dit geschiedt in ’t
midden van Juli, want later gezaid zoude zy door de vorst bedorven
worden; en als men ze vroeger zait bloeit zy den gehelen zomer over,
dog de bloemen vallen af zonder zaad te geven. Sommigen ploegen den
grond twee malen waar zy Boekweit zayen willen, dog anderen maar eens,
omtrent ene week voor dat ze zayen. Zodra men gezaid heeft, wordt het
land geëgd. Men heeft ondervonden dat in een nat jaar de Boekweit wel
voortkomt. Zy blyft op het veld tot dat het begint te vriezen. Als de
oogst goed is, krygt men twintig, dertig, ja veertig voor een. Zulken
oogst had de Zweedsche Koster Ragnilson, in wiens huis wy thans ons
verblyf hadden. Men maakt ’er koeken en puddings van. De koeken worden
gemeenlyk des morgens in de pan op een steen gebakken, geboterd, en by
de thee of koffy, in stede van geroost en geboterd brood, gelyk anders
de Engelschen doen, gegeten. De vogels met Boekweit gevoed leggen meer
eyeren. Ook worden ’er de varkens zeer vet van. Het stroo gebruikt men
niet, maar laat het op het veld, of stroit het in de boomgaarden, om
als een soort van mist te dienen, wanneer het rot. Geen dier wil ’er
van eten ten zy in den uitersten nood, als het veld met sneuw bedekt,
en niets anders te vinden is. Hoe gemeen de Boekweit in de Engelsche
Volkplantingen ook is, hebben ’er egter de Franschen in Kanada gene
regte kennis aan.
[Ligtende wormen.]
Wy vonden, den 23. Nov. tegens den avond enige ligt gevende wormen. Hun
lichaam was lynregt, bestaande uit elf geledingen, een weinig puntig
van voren en van agteren. De lengte van den kop tot den staart was vyf
en ene halve meetkundige lyn. De kleur was bruin, en de geledingen als
die der Onisci. De sprieten waren kort en regt. De zes voeten zaten aan
de voorste geledingen. Als de worm liep liet hy het agterste deel op
den grond slepen, en dit hielp zyne beweging. Het uiterste van den
staart bevatte de stof die in ’t donker een groenagtig ligt geeft. De
worm konde ze intrekken, zo dat hy geen ligt gave. Schoon het den
gantschen dag sterk geregend had, kropen zy in menigte onder het
kreupelhout, zo dat de grond als met starren bezaid scheen. In ’t
vervolg zal ik gelegenheid hebben van een ander soort van gekorven
gedierte of vlieg te spreken, die door de lugt vliegende by nagt als
vuurvonken ligt geeft. Zoude wel deze ligtende wormen ene
verscheidenheid wezen van de Lampyris Noctiluca van Linnæus?
[Ilex Aquifolium.]
Het Ilex Aquifolium wies op waterige plaatsen hier en daar in ’t woud.
Men moest dit gewas onder de zeldzamen rekenen. Het blad blyft zomer en
winter groen. De Zweden drogen de bladeren, maken ze tot poeder, koken
ze in dun bier, en gebruiken ze in ’t zydewee.
[Verwstoffen.]
Men verwt hier rood met Braziliehout en met een soort van boommos, en
blauw met Indigo. Om zwart te verwen plukt men de bladen van de wilde
zuring [149] en kookt ze met de stof, welke dan gedroogd en op nieuws
met Campechehout en koperrood gekookt wordt. Dit zwart is zeer
bestendig. Men spint en weeft zelf hier veel van de dagelyksche
klederen, en verwt die in huis. Het vlas wordt van velen gebouwd, en
slaagt wel. Dog de hennip gebruikt men weinig.
[Sikkels en Seissen.]