In verscheiden huizen der Stad liepen veel kleine Mieren, die haar

verblyf of onder den grond of in de holtens der muren hielden. Hare

gehele langte bedroeg ene meetkundige lyn. Zy waren zwart of donker

rood. Zy hielden veel, even gelyk de Mieren in andere landen, van

zoetigheden. De Heer Franklin toonde zig zeer geneigd te geloven, dat

deze diertjes op de ene of de andere wys malkander hunne gedagten

konden doen weten. Hy beriep zig daaromtrent op enige ondervindingen.

Als ene Mier wat suiker of iets anders vindt, loopt zy ten eersten naar

haar hol heen. Nauwlyks heeft zy daar ene wyl vertoefd, of een gantsch

heir komt ’er uit te voorschyn, kruipt naar de gevondene suiker toe, en

vangt terstond aan dezelve by stukken weg te slepen. Ene Mier behoeft

ook maar ene dode vlieg hier of daar aan te treffen, die zy alleen niet

wegslepen kan, of zy ylt naar huis, en na enige ogenblikken ziet men

’er meer voor den dag komen, en ’t gevonden aas met gemene kragten

wegvoeren. Enigen tyd geleden had de Heer Franklin in ene kast een

klein aarden potje met syroop staan gehad, in de welke vele Mieren

ingeslopen waren, die de zoetigheid gretiglyk op aten. Dog hy merkte

het, schudde ze daar uit, en bond den pot met enen dunnen draad aan

enen spyker aan den balk vast. Maar by geval was ’er ene enkelde Mier

ingebleven. Deze vrat zig zat, dog konde niet wegkomen. Zy liep lang,

dog te vergeefs, herom. Eindelyk vond zy den weg langs den draad naar

den balk. Daarvan daan liep zy den wand langs, naar den grond. Nauwlyks

een half uur daarna, kwam een grote zwerm te voorschyn, trok naar de

zoldering en lynregt op den draad aan. Langs den zelven kropen zy weder

in den pot en gingen aan ’t eten. Hier mede hielden zy zo lang aan als

’er wat in was. Ondertusschen liep de ene hoop den draad langs af, en

de andere op.

[Voortekens omtrent het weder.]

Een Man van aanzien, die zig lang in dit Land had opgehouden,

verzekerde, dat hy sedert byna twintig jaren door de ondervinding

opgemerkt had, het geen ook anderen zo vaststelden, dat het aanstaande

weder in den gehelen winter hier gemeenlyk zo is als op den 1. November

ouden styl. Is het dien gehelen dag helder, zo zal ’er dien winter niet

veel sneuw en regen vallen. Maar is het den halven dag klaar en de

andere helft betrokken, zo zal het begin van den winter schoon, dog het

einde en de lente ruw en onaangenaam zyn. Van gelyken aard waren ook de

overige voorspellingen. Op andere plaatsen heb ik ook van diergelyke

voortekens van ’t weder gehoord. [136] Dog gelyk een goed oordeel het

vertrouwen op de zelven vermindert, zo hebben ook de gedane

aantekeningen aangaande het weder getoond hoe dikwyls deze voortekens

gefeild hebben.

[Bronnen.]

Pensylvanie is ryk aan bronnen. Men zal gemeenlyk ten minsten aan enen

kant van elken berg ene bron ontmoeten, waaruit een helder water

voortkomt. Dit water wordt dikwyls naar een klein stenen gebouw geleid,

waar men het stuit, en den grond doet overstromen. Hier bewaart men des

zomers niet alleen de melk, maar verkoelt ’er ook den wyn en andere

dranken in. Vele landhuizen waren ook zo aangelegd dat ’er een klein

stroompje onder de keuken of de voorraadkamer door liep, om het water

by de hand te hebben.

[Vyvers.]

Niet alleen lieden van groot aanzien, maar alle zulken die enig

vermogen bezitten, hebben gemeenlyk by hunne landhuizen vischvyvers,

waarin zy altyd zorg dragen dat de visch varsch water kryge. Om deze

reden waren de vyvers meest digt by ene bron.

[Middel om het gras te doen wassen.]

Ik merkte op verscheiden’ plaatsen van dit gewest op hoe men middel

wist om veel gras op de weilanden te hebben. De weiden leggen meest

tusschen de heuvels en de dalen, waar vele beekjes door stromen. Als de

grond te nat is leidt men het meeste water in gruppen af. Dog om voor

te komen dat de hete zon het gras verdorre, zoekt men alle de naburige

bronnen op, en leidt het water in alle de beekjes, die natuurlyk naar

de laagtens lopen, langs het hoogste van de weiden, uit welken men des

noods langs sloten het water in de vlakte brengt, zo dat alle de

weilanden bewaterd worden. Komt ’er ene wat al te diepe plaats tusschen

in, zo leidt men het water langs ene houten buis daar over heen. En om

het water des te hoger te hebben, heeft men by de bronnen zelven dyken

gemaakt, waar tusschen het zig verzamelen moet, tot dat het die hoogte

verkregen hebbe dat het door juist dien weg lopen moet dien men het

voorgeschreven heeft. Somtyds heeft men zelfs wel ene Eng. myl ver het

water over heuvelen en de tusschen gelegene dalen, door middel van

houten’ buizen, heen, naar zulke plaatsen gebragt, daar men het hebben

wilde. Iemant die het niet gezien heeft kan nauwlyks geloven wat een

schoon gras op die weilanden wast, byzonderlyk digt by die afleidingen,

daar in tegendeel anderen, waarmede men zo niet gehandeld heeft, ’er

bedroefd uitzien. De weiden tusschen de heuvelen leggende hebben meest

alle hoger kanten, dus men het water ligt op de zelve leiden kan. De

weilanden wierden gemeenlyk driemaal iederen zomer gemaid. Dog de zomer

duurt hier zes of zeven maanden.

[Wanneer het loof afvalt.]

De bladeren waren omstreeks het midden van November allen afgevallen,

zo wel van de Eiken als andere bomen, die gewoon zyn hun blad te

wisselen, en bedekten in de bosschen den grond wel zes duim hoog. Deze

menigte van blad schynt de bovenste zwarte aarde zeer te moeten doen

aangroeyen. Egter is zy niet boven de drie of vier duimen dik in de

bosschen, en onder dezelve legt ene steenkleurige klei, gemengd met een

zand van de zelve kleur. Het is zonderling dat een grond, die noit

bebouwd is geworden, met zo gering ene zwarte aarde bedekt is. Dog hier

van in ’t vervolg nader.

[Eekhoorns.]

De Eekhoorns, die hier in de bosschen zeer menigvuldig zyn, zyn van

verscheiden’ soorten. Ik zal de gemeensten nauwkeurig beschryven.

[Grauwe Eekhoorns.]

De Grauwe Eekhoorns zyn overvloedig in Pensylvanie, en de andere delen

van Noord Amerika. Van grootte zyn ze omtrent gelyk de Zweedschen, dog

iets groter, en blyven altyd grauw. De bosschen, vooral in Pensylvanie,

bestaan meest uit bomen die hun blad laten vallen, en in dezen houden

zig de Eekhoorns het liefst op. Catesby heeft hen, onder den naam van

den groten aschgrauwen Virginischen Eekhoorn beschreven, en naar het

leven afgebeeld. [137] De Zweden noemen hem Grao Ickorn, en dit is het

zelve met het Engelsch Grey Squirrel, of Grauwe Eekhoorn. Zy hebben hun

nest merendeels in holle bomen, en brengen ’er mos, stroo, en andere

buigzame dingen naartoe. Hun voedzel is voornaamlyk noten, als

hazelnoten, Chinquapins, kastanjes, walnoten, hikorynoten, en eikels.

Maar de Mais is hun liefste kost. De grond in de bosschen legt in den

herfst vol van eikels en andere noten. Hiervan verzamelen de Eekhoorns

enen goeden voorraad voor den winter, en bewaren ze in gaten, die ze

graven, op verscheiden’ plaatsen, hier en daar wat. Ook dragen zy ’er

veel van naar hunne nesten.

Zo dra de winter komt, en de koude en sneuw hen in hunne nesten

sluiten, blyven zy daar verscheiden’ dagen binnen, en leven van den

voorraad dien zy daar by een gebragt hebben. Zo dra het weder wat

zagter is komen zy voor den dag, en graven een van de gaten open, waar

in hun overige voorraad legt. Daar eten zy ten eersten een deel van op,

en dragen het overige naar het nest op den boom. In de volgende winters

merkten wy dikwyls op, dat als het zagt weder geweest was en ’er ene

strenge koude op stond te volgen, de Eekhoorns een dag of twee sterk

door de bosschen herom liepen, deels om zig regt zat te vreten, en

deels om hunne nesten met enen nieuwen voorraad voor de aanstaande

koude te voorzien, gedurende welke zy t’huis blyven. Wanneer men ze dan

in ene ongewone menigte herom lopen zag, konde men daaruit vry zeker

ene op handen zynde vorst voorspellen.

De Varkens, die hier in ’t veld lopen zo lang ’er geen sneuw legt, om

hunnen kost te zoeken, doen den armen Eekhoorns grote schade, door

hunne magazynen om te wroeten en den voorraad op te vreten. Zo wel de

Wilden als de Europers doen hun best om deze voorraadhuizen te vinden,

dewyl alle de noten die ’er in leggen uitgezogt zyn, en niet alleen

door en door ryp, maar ook niet wormstekig. Zo is het ook met de noten

en eikels, die de Boschmuis [138] in den herfst vergadert. De Zweden

verhalen dat ’er in den langen winter van het jaar 1741. zulke menigte

van sneuw viel, dat de Eekhoorns niet by hunne magazynen komen konden,

zo dat ’er velen van honger sterven moesten.

Ik heb reeds van de schade gesproken die zy op de Maisvelden doen. Zy

doen des te meer kwaads om dat zy niet al het koorn, maar alleen het

binnenste en zoetste eten, en al het overige te gelyk afbyten. Ik heb

eens omtrent het eind van April, dat de Eiken in vollen bloei stonden,

ene menigte Eekhoorns in de bomen gezien, somtyds vyf, zes en meer, op

elken boom, die de bloemsteeltjes, een weinig beneden de bloem afbeten,

en ze op den grond vallen lieten. Of zy ’er iets van aten, of ’er enig

ander gebruik van maakten, kan ik niet zeggen. Maar de grond lag vol

van eikebloeisems, waaraan de steel nog zat. Dit maakt dat de bomen zo

veel eikels, ten nutte der varkens en andere dieren, niet voortbrengen

als zy anders doen zouden.

[Mak gemaakt.]

Van alle de wilde dieren dezes Lands kunnen de Eekhoorns het

gemakkelykst getemd worden, vooral als men ze jong krygt. Ik heb ze zo

mak gezien dat ze de kinderen in de bosschen en overal na liepen, en op

de schouders kwamen zitten. Somtyds gingen zy maar een stuk wegs in ’t

hout mede, en keerden dan terug naar de hokjes die voor hun gemaakt

waaren. Als zy eten, zitten zy op hun agterste, en houden het eten

tusschen de voorpootjes, en den staart in de hoogte. Wanneer men den

makken meer geeft dan ze op kunnen, brengen zy ’t naar hunne koyen, en

bewaren het onder de wol of het ander goed daar zy op leggen. Zy waren

niet bang voor vreemde menschen, en lieten zig van ieder aanraken,

zonder te willen byten. Zy komen somtyds zelfs enen vreemden op den

schoot, en gaan daar leggen slapen. Zy spelen met de katten en de

honden, en eten ook brood.

De Grauwe wilde Eekhoorns houden ook den staart om hoog als zy zitten.

Als zy een mensch zien bewegen zy den staart gedurig, en knarssen op de

tanden, dus zy een vry sterk geluid maken, en het is moeilyk ze te doen

zwygen. Dit maakt, dat zulken die uit gaan om vogels of andere dieren

te schieten dikwyls regt boos op hun worden, dewyl hun geraas hen

ontdekt, en het wild waarschuwt. Schoon een Grauwe Eekhoorn niet zeer

schuw schynt, is hy egter moeilyk te doden, want zodra hy een mensch

ziet, klimt hy op enen boom, en gaat gemeenlyk in ’t topje zitten. Daar

tragt hy zig agter de takken te verbergen om niet gezien te worden, en

schoon de jager onder rondom den boom gaat, doet de Eekhoorn het zelve

al zo schielyk, zo niet schielyker. Vindt hy twee takken die t’zamen

komen, hy gaat ’er tusschen zitten, en klemt zig zo sterk ’er in dat hy

nauwlyks zigtbaar is. Men mag dan den boom schudden, met takken of

stenen goyen, ja zelfs ’er op schieten, hy verroert zig niet. Vindt hy

drie takken die t’zamen komen, zo verschuilt hy ’er zig tusschen, en

dan is hy genoegzaam buiten gevaar. Somtyds ontsnapt hy op enen boom

daar oude eekhoorn- of vogelnesten in zyn, en dan sluipt hy ’er in,

zonder dat men hem ’er uit kan krygen, het zy met smyten, schudden of

schieten; want de Grauwe Eekhoorn springt zelden van den enen boom op

den anderen, ten zy in den uitersten nood. Zy lopen gemeenlyk den

zelven weg langs den boom naar boven en naar beneden, met het hoofd

vooruit. Verscheidenen, die ik in de bosschen schoot, waren vol van

vloyen.

[Talrykheid.]

Ik heb reeds aangemerkt dat ’er tegenswoordig veel meer Eekhoorns zyn

dan voorheen, dog het is aanmerkenswaard dat ’er in sommige jaren een

veel groter getal van Eekhoorns uit de binnenlanden naar Pensylvanie en

de andere Volkplantingen afkomt dan in de anderen. Zy komen gemeenlyk

in den herfst, en hebben het dan zeer druk met in de bosschen noten en

eikels te verzamelen, die zy in holle bomen of hunne magazynen brengen.

Zy zyn zo naarstig in het aanleggen van hunne voorraadhuizen, dat

schoon de noten dat jaar zeer overvloedig geweest zyn, men ’er

bezwaarlyk veel van vinden kan. Men beweerde hier ondervonden te

hebben, dat als ’er zo veel Eekhoorns uit de binnenlanden kwamen de

volgende winter gemeenlyk gestreng was. Dog dit is niet altyd zo, gelyk

ik in den herfst van 1749. bevonden heb, wanneer ’er een groot getal

Eekhoorns in de Volkplantingen afkwam, en egter was de winter niet

harder dan naar gewoonte. Dog het bleek dat hun verhuizen aan de

schaarschheid van noten en eikels in de bovenlanden moest toegeschreven

worden. Om deze reden keren zy gemeenlyk het volgende jaar weder naar

hunne oude woonplaats te rug.

[Hun vleesch.]

[De huid.]

Sommige menschen houden het vleesch van de Eekhoorns voor ene grote

lekkerny, dog anderen maken ’er in ’t geheel geen werk van. De huid

deugt niet veel, alleen snydt men ’er nog wel riemen uit, om dat zy

redelyk tai zyn. Sommigen gebruiken ze om klederen te voeren by gebrek

van iets beters.

[Betoverd door de Ratelslang.]

De Ratelslang verslindt den Eekhoorn dikwyls ongeagt zyne gezwindheid.

Dit handeloze schepsel wil men dat dikwyls zo vlug een dier alleen door

zyne betovering vangt. Ik had noit gelegenheid van het te zien, maar zo

vele geloofwaardige lieden verzekerden my ’er van, verklarende het met

grote opmerkzaamheid zelven gezien te nebben, dat ik my gedwongen vinde

een zo eenparig getuigenis aantenemen. Deze betovering geschiedt op de

volgende wys. De slang legt onder den boom waarop de Eekhoorn zit, hare

ogen zyn op hem gevestigd, en van dat ogenblik af kan hy niet ontkomen.

Hy begint een droevig geschrei, het welk zo kenbaar is dat ieder die

het hoort daaruit weet dat hy van de slang betoverd wordt. De Eekhoorn

loopt enigen tyd den boom wat af en wederom op, dog altyd wat meerder

naar beneden dan naar boven. De slang blyft van onderen hare ogen op

het beestje gevestigd houden, met zulke ene aandagt dat men ’er omtrent

komende een groot geweld kan maken zonder dat zy het eens merke. De

Eekhoorn ondertusschen komt al lager en lager, en springt op ’t laatst

der slange te gemoet, welker bek alreeds open is om hem in te zwelgen.

Het arme beestje loopt dan onder een naar gehuil in den mond der slang,

die, als het niet te groot is, het in eens doorzwelgt. Maar is de proi

te groot om in eens doortegaan, zo belikt de slang het zo lang tot dat

het glad genoeg is om op eenmaal te kunnen doorgeslikt worden. Alle de

merkwaardige omstandigheden van deze betovering heb ik beschreven in de

Verhandelingen der Zweedsche Koninglyke Maatschappy der Wetenschappen

voor het jaar 1753. Dus wil ik hier niet breedvoeriger wezen. De zelve

toverkragt wordt aan de zogenaamde Zwarte Slang ook toegeschreven.

[139]

[Zyn zeer schadelyk.]

De Eekhoorns doen niet alleen ene merkelyke schade in de Mais terwyl zy

op ’t veld staat, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar zelfs wanneer zy

reeds in de schuren is, want, als zy ’er by komen kunnen, zyn zy in

staat in weinige nagten wel ene gantsche ton vol naar hunne holen te

verslepen. Om deze reden heeft de Regering in de meeste Amerikaansche

Volkplantingen ene beloning gezet op den kop van iederen Eekhoorn. Het

schynt onbegrypelyk zulk een geld als ’er in Pensylvanie, alleen van

den 1. Januari 1749. tot den 1. Januari 1750. toe, voor Eekhoorns

koppen betaald is. Toen de Afgevaardigden der Provincie vergaderden

klaagden zy allen dat hun schatkist door alle die beloningen voor

Eekhoorns koppen leeg geraakt was, want ’er stond toen een prys van

drie pence op. In dat jaar waren agtduizend ponden St. Pensylvanisch

geld voor pryzen betaald. Dit is my verzekerd van een man die zelf de

rekeningen had nagezien.

Vele menschen, vooral jonge lieden, lieten al ander ambagt varen, en

gingen naar de bosschen om Eekhoorns te schieten. Dog de Regering heeft

sedert den prys tot de helft verminderd.

[Vliegende Eekhoorns.]

De Vliegende Eekhoorns zyn een byzonder soort, en schynen de zelven te

zyn die men in sommige delen van Finland vindt, en die door de Heer

Linnæus in zyne Fauna Suecica No. 38. Sciurus volans genoemd wordt. Op

zyn hoogst is de Amerikaansche Vliegende Eekhoorn ene verscheidenheid

van den Finlandschen. Catesby [140] heeft hem naar het leven beschreven

en afgetekend. Hy geeft hem den zelven naam. Men vindt dit dier in de

bosschen, dog niet menigvuldig. Zelden ziet men ze by dag, ten zy ze

gedwongen worden door het storen hunner nesten zig te vertonen, want zy

slapen over dag; dog zo dra het begint donker te worden, komen zy te

voorschyn, en lopen byna den gantschen nagt. Zy onthouden zig in holle

bomen; en by het vellen derzelven komen ’er somtyds zeven en meer van

voor den dag. Door middel van een vel met het welk hen de

Voorzienigheid aan hunne beide zyden voorzien heeft, kunnen zy van den

enen boom op den anderen vliegen. Deze vellen spannen zy uit als

vleugels, en trekken ze weder in zo dra zy den naburigen boom bereikt

hebben. Sommige menschen zeggen dat zy altyd horizontaal vliegen, dog

anderen verzekerden dat zy eerst een weinig naar beneden gaan en dan

weer ryzen, wanneer zy omtrent den boom zyn in den welken zy vliegen

willen. Zy kunnen ’t niet verder brengen dan vier of vyf vadem. Van

alle de Eekhoorns zyn dezen ’t gemakkelykst te temmen. De kinderen

nemen ze mede naar school of waar zy ook henen gaan, zonder dat deze

dieren oit zoeken te ontsnappen. Als zy den Eekhoorn wegzetten springt

hy hun ten eersten weder op het lyf, kruipt hun in den boezem, in de

mouwen, of in de ployen van de klederen, en gaat daar leggen slapen.

Zyn voedsel is even het zelve als dat der overige Eekhoorns.

[Aardeekhoorns.]

In de bosschen vindt men een klein soort van Eekhoorns, by de

Engelschen Aardeekhoorns genoemd. Catesby heeft ze beschreven en

afgebeeld [141] onder den naam van Gestreepten Eekhoorn. [142] Deze

woont niet, gelyk de anderen, in holle bomen, maar onder den grond,

daar zy, omtrent als de Konynen, holen graven, waarnaartoe zy de vlugt

nemen wanner zy onraad gewaar worden. Die holen gaan diep in den grond,

en verdelen zig in verscheiden armen, waarvan sommigen ook openingen

boven de aarde hebben, zo dat zy, wanneer het gat daar zy uitgekomen

zyn mogt toegestopt worden, enen anderen weg vinden om te ontvlugten.

Maar in den herfst, wanneer het blad sterk valt, is het waard om hunne

verlegenheid te zien, als zy vervolgd worden, want dan, hunne holen

door de bladeren toegestopt zynde, hebben zy veel werks om ze zo

schielyk te vinden. Dan lopen zy ginds en weder, als of zy den weg

vergeten waren, en schynen niet te kunnen begrypen waar de ingangen van

hunne holen gebleven zyn. Als men ze dan vervolgt, of in de handen

klapt, blyft hun gene andere toevlugt over dan op de bomen te

klouteren, het geen zy anders noit doen. Dit soort is in Pensylvanie

veel talryker dan in de andere Provincien van Noord Amerika, die ik

bezogt heb. Zy zyn gemeenlyk zes duim lang, behalven hunnen krommen

staart, en zeer dun. Het vel is roodagtig bruin, en getekend met vyf

zwarte strepen, ene vlak op den rug en twee aan iedere zyde. Hun aas is

allerlei koorn, rog, garst, weit, mais, eikels, noten en diergelyken.

Zy verzamelen ook in den herfst hunnen wintervoorraad, en bewaren dien

in hunne holen. Als zy op een koornstapel komen doen zy al zo veel

schade als de muizen en ratten. Men heeft dikwyls opgemerkt, dat, als

zy rogge gegeten hadden en dan weit kwamen te vinden, zy de rogge

overgaven om den buik op nieuws met weit te vullen, als zynde meerder

naar hunnen smaak. Als men de Mais op ’t veld inzamelt maken zy hun

werk van de airen aftebyten, en hunne bekken met koorn te vullen, zo

dat hunne wangen geheel opgezet zyn. Met dezen buit haasten zy zig naar

hunne holen.

[Hunne holen.]

Een Zweed, vry laat in ’t najaar enen molendam doende maken, en daartoe

de aarde van enen naburigen heuvel gebruikende, ontmoette een hol van

deze Eekhoorns. Hy volgde den gang dien hy gevonden had, en ontdekte

enen anderen, die ’er, als een tak uit den hoofdstam, uitkwam, en byna

twee voet lang was, aan het einde van den welken hy ene menigte

uitgezogte eikels vond, die het kleine zorgvuldige dier voor den winter

had opgelegd. Kort daarna vond hy enen anderen gang op zyde, gelyk aan

den voorgaanden, dog die enen frayen voorraad van Mais bevattede. Een

volgende diende om Hikorynoten te bewaren, en de laatste gang, die ook

de meest verborgene was, bevatte omtrent twee hoeden vol uitmuntende

kastanjes.

Des winters ziet men deze Eekhoorns zelden, levende zy dan in hunne

holen van den verzamelden voorraad. Evenwel komen zy nog wel eens op

enen moyen dag te voorschyn. Dikwyls graven zy in de kelders, waarin de

landlieden hunne appelen bewaren, die zy dan ten dele opeten, en ten

dele bederven, zo dat ’er weinig van overblyft. In de Mais gaan zy niet

minder ruw te werk. Dog de katten zyn hunne grote vyanden, die ze dood

byten en opvreten, of ze hunnen jongen t’huis brengen. Deze Eekhoorns

worden van gene menschen gegeten; ook gebruikt men hun vel niet.

Dit soort laat zig het minst mak maken; want, schoon zy al zeer jong

gevonden zyn, is het nogthans gevaarlyk ze met de blote hand

aanteraken, dewyl zy zeer scherp byten als men niet oppast. Verscheiden

kinderen, die veel moeite genomen hadden om ze te temmen, zeiden dat zy

gene kans zagen om ze zo mak te maken als de andere soorten. Het best

gaat het nog als men ze krygt nog geheel klein zynde. Vele menschen

hielden ze in koyen terwyl zy nog wild waren, om dat zy ’er zeer aardig

uitzien.

By ene andere gelegenheid zal ik van den zwarten en roodbruinen

Eekhoorn spreken, die ook hier gevonden wordt.

[Voortekens van een Orkaan.]

Den 15. November verhaalde my de Heer Kock een toeval, dat hem

overgekomen was, en te bevestigen scheen dat de orkanen door zekere

tekens van te voren zig aankondigen. Hy zeilde naar de West Indien in

een klein Jagt, en had een oud man aan boord, die langen tyd deze zee

bevaren had. De oude man de diepte peilende riep den stuurman toe, den

Heer Kock te zeggen, dat hy terstonds de boten moest uitzetten met een

genoegzaam getal volks, om het Jagt gedurende de stilte voortteroeyen,

ten einde het Eiland zo schielyk als mogelyk was te bereiken, dat voor

hun lag, dewyl men binnen vierentwintig uren een geweldig orkaan te

wagten had. De Heer Kock vroeg hem waarom hy dit dagt, en de oude man

zeide hem, dat hy by het peilen het lood enige vademen dieper in het

water gezien had dan te voren; dat derhalven het water eensklaps helder

was geworden, het welk hy voor een onfeilbaar teken van een aanstaande

orkaan in zee hield. De Heer Kock zag ook de ongewone klaarheid van het

water. Hy gaf dan onmiddelyk bevel om de boot in ’t water te brengen en

het Jagt voortteroeyen; zo dat zy voor den nagt in behouden haven

kwamen. Dog voordat zy die nog volkomen bereikt hadden, begonnen de

golven al hoger en hoger te gaan, en het water scheen als te koken,

schoon men nog genen wind gewaar werd. Des nagts ontstond het Orkaan en

woedde zo vreeslyk, dat niet alleen ’er vele schepen vergingen, en de

daken werden weggerukt, maar dat zelfs het Jagt van den Heer Kock en

andere schepen, schoon in veilige havens leggende, door het geweldig

opzetten der baren zo ver op ’t land gezet werden, dat ’er verscheiden’

weken verliepen voor dat zy ’er weder af kwamen.

Een oud Hollandsch schipper zeide, dat hy eens enen Hai in de Bai van

New York gevangen had, die opengesneden zynde ene menigte van alen in

zyn’ maag had.

[Oude potten gevonden.]

De Heer Bartram vertoonde my den 18. November een aarden pot, die op

ene plaats gevonden was daar voorheen de Wilden gewoond hadden. De man,

die hem het eerst had opgegraven, bewaarde daar smeer in om zyn’

schoenen en laarzen mede te smeren. De Heer Bartram koft den pot van

hem. Zy was nog onbeschadigd. Ik kon ’er nog verglazing, nog kleur op

onderkennen, maar van buiten had hy veel sieraden, en over ’t geheel

was hy zeer wel gemaakt. Ook vertoonde my de Heer Bartram velerhande

stukken van gebroken aarden vaten, welken de Wilden voorheen

gebruikten. Het was duidelyk aan deze allen te zien dat zy niet van

enkelde klei gemaakt waren, dog dat ’er verscheiden’ andere stoffen

onder gemengd waren, volgens de natuur der plaatsen daar zy waren

gemaakt. Die Wilden, by voorbeeld, die digt aan de zeekust woonden,

stampten oester- en mosselschelpen, en mengden die met de klei.

Anderen, die dieper in het Land hunne woonplaatsen hadden, waar men

bergkrystallen vinden kon, mengden die ook gestampt onder de potaarde.

Dog hoe zy in ’t maken dier potten te werk gingen is gantsch onbekend.

Zeker is het dat zy ze niet hard bakten, want zy waren zo week dat men

ze met een mes kon aan stukken snyden. Egter scheen het werk zeer goed

te zyn, want men vindt nog gehele vaten of stukken in den grond die in

’t geheel niet beschadigd zyn, schoon zy meer dan tagtig jaren onder de

aarde gelegen hebben. Voor dat de Europeanen zig in Noord Amerika

nederzetteden, hadden de Wilden geen ander vaatwerk om hun eten in te

koken dan deze aarden potten van hun eigen maaksel. Dog sedert

derzelver aankomst hebben zy altyd potten, ketels, en ander vaatwerk

van hun gekoft, en zig niet meer bekommerd om die zelven te maken, zo

dat zy deze konst geheel verloren hebben. Dus zyn, zelfs onder de

Wilden, potten van hun eigen maaksel ene grote zeldzaamheid gevonden.

Ik heb ’er van gezien die uit een soort van ’t Talcum van Linnæus

bestonden.

[Leyen.]

De Heer Bartram toonde my ook kleine stukken van ene zwarte Lei, die

overvloedig op sommige plaatsen aan de Rivier Skulkill gevonden wordt.

Men vindt ’er stukken van die vier voet en meer in ’t vierkant zyn. De

kleur en ’t maaksel is het zelve als de Tafellei, [143] uitgenomen dat

die wat dikker is. De Inwoonders omstreeks de Skulkill dekken ’er hunne

daken mede, en de Heer Bartram verzekerde my dat hy een geheel dak

gezien had bestaande uit vier zulke Leyen. De stralen der zonne, de

hette, de koude, en de regen hebben genen invloed op dezen steen.

[Stalactites.]

Reis door Noord Amerika · 第 14 / 50 段