De Rosse Vossen zyn hier schaarsch, en volkomen de zelve met de

Europischen. De Heer Bartram en verscheiden anderen verzekerden my,

dat, volgens het algemene getuigenis der Wilden, dit soort voor

[Oorsprong.] de aankomst der Europeanen hier niet bekend geweest is.

Maar aangaande de wys waarop zy hier gekomen zyn heb ik twederlei

berigt. De Heer Bartram heeft van de Inlanders gehoord, dat deze Vossen

niet lang na de aankomst der Europers, kort na enen zeer kouden winter,

waarin de gehele zee noordwaards aan toegevroren was, het eerst

verschenen. Waaruit men wilde opmaken dat zy misschien uit Groenland of

de noordelyke delen van Asia of Europa over het ys gekomen waren. Dog

de Heer Evans en anderen verzekerden my, dat het volgende berigt

daarvan ook gegeven wierd. Een ryk Heer uit Nieuw Engeland, die een

groot liefhebber van ’t jagen was, bragt een groot getal Vossen uit

Europa over, en liet ze op zyn landgoed lopen, op dat hy het vermaak

van de Vossejagt mogt konnen nemen. [123] Dit zou reeds in het begin

gebeurd zyn dat Nieuw Engeland door de Europeanen bevolkt werd. Van die

Vossen zouden alle de Rosse Vossen, die ’er zyn, afkomstig wezen. Zy

worden nu onder de schadelyke dieren gerekend, want zy vergenoegen zig

niet, gelyk de Grauwen, met gevogelte, maar vreten zelfs de lammeren

op. Om deze reden is ’er in Pensylvanie ene beloning van twee

schellingen beloofd aan hem die enen ouden, en van ene schelling aan

hem die enen jongen vos doodt. In de andere Provincies is het zelve

vastgesteld. Hun vel wordt zeer gezogt en is even zo duur als dat van

de Grauwe Vossen.

[Wolven.]

Daar zyn hier twee verscheidenheden van Wolven, die egter van het zelve

soort schynen te zyn, sommigen zyn geelagtig of helder grauw, en de

anderen zwart of donkerbruin. De oude Zweden verhaalden dat in hunne

kindschheid, en nog meer by de aankomst hunner vaderen, ’er ontzaglyk

vele wolven in het land waren, en dat men alle nagten hun gehuil

hoorde. Ook verscheurden zy dikwyls schapen, varkens en ander

[Kinderziekte onder de Wilden.] klein vee. Omtrent den tyd dat de

Zweden en de Engelschen zig hier neder gezet hadden, wierden ook de

Wilden van de kinderziekte aangetast, ene kwaal die zy van de

Europeanen overerfden, en waarvan zy van te voren niets wisten. Vele

honderden stierven ’er van, en de meeste Wilden van het toen zogenaamde

Nieuw Zweden kwamen ’er door om. Op dien tyd kwamen de Wolven, gelokt

door den stank van zo vele lyken, in zulke menigte te voorschyn, dat zy

alle die lyken verslonden, en zelfs de arme zieke menschen in hunne

hutten aantastten, zo dat het klein getal dat nog gezond was genoeg te

doen had met ze wegtejagen. Maar sedert dien tyd zyn ze verdwenen, zo

dat men ze zelden ziet, en het gebeurt weinig dat zy enig kwaad doen.

Dit schryft men daaraan toe, dat het land nu beter bebouwd wordt, en

dat men ’er velen van doodt. Maar hoger op in ’t Land, waar het zo wel

niet bebouwd wordt, zyn ze nog overvloedig. Op de kusten van

Pensylvanie en New Jersey blyven de schapen ’s nagts over in ’t veld,

zonder dat men voor de Wolven vreest. Egter is ’er ene beloning beloofd

van twintig schellingen in Pensylvanie en van dertig in New Jersey, aan

hem die enen doden Wolf levert, en hy behoudt daarenboven het vel. Daar

zyn voorbeelden dat deze Wolven zo mak als honden gemaakt zyn.

[Wilde Stieren.]

De wilde Stieren houden zig voornaamlyk in de bosschen van Karolina op.

De Inwoonders jagen ’er veeltyds op, en zouten het vleesch in, gelyk

gemeen ossevleesch, en geven het hunnen Dienstboden te eten. Dog de

huid is van weinig nut, hebbende te wyde poren om ze tot schoenen te

gebruiken. De arme menschen egter slapen op deze huiden in plaats van

bedden.

[Planten.]

Het Viscum filamentosum, [124] wordt in Karolina overvloedig gevonden.

De Inwoonders gebruiken het als stroo in de bedden, en tot opschik voor

de paarden. Het vee houdt ’er veel van. Ook is het goed om in te

pakken.

Het Spartium scoparium [125] wies in den tuin van den Heer Bartram, uit

zaad dat hy uit Engeland gekregen had. Hy zeide, dat hy ’er

verscheiden’ planten van had gehad, dog dat ze van de koude gestorven

waren. Evenwel wast het in Zweden in het wild.

[Truffels.]

Ook had die Heer enige Truffels, [126] die hy uit enen zandigen grond

in New Jersey gekregen had, waar zy overvloedig zyn. Hy vertoonde ze

aan zynen Vriend uit Karolina, en vroeg hem of zy de Tukkahoo der

Wilden waren. Dog deze zeide van neen, en voegde ’er by, dat, schoon de

Truffels in Karolina zeer gemeen waren, hy ze egter noit anders dan in

melk tegens den buikloop had zien gebruiken. Maar van de [Tukkahoo.]

Tukkahoo gaf hy ons de volgende beschryving. Zy wast in vele poelen en

moerassen in menigte. De varkens wroeten hare wortels op. De Wilden in

Karolina zoeken ze ook op, terwyl zy door de bosschen zwerven, drogen

ze in de zon, malen ze, en bakken ’er brood van. Zo lang de wortel nog

varsch is heeft hy enen brandigen en wrangen smaak, dog die gaat ’er by

het drogen af. Naar deze eigenschappen te oordelen, zou het de Arum

Virginianum [127] zyn.

Na den maaltyd keerde ik weder naar de Stad.

[Byen.]

Vele Engelschen en Zweden houden hier Byen, die hun jaarlyks een

tamelyk voordeel aanbrengen. Zy slagen hier zeer wel. Het wasch wordt

het meest aan de Kooplieden verkoft, dog de honig gebruiken de

Eigenaars zelven. In ’t algemeen wierd ’er vastgesteld dat de gemene

Byen voor de aankomst der Europeanen niet in Noord Amerika bekend

waren, maar dat de Engelschen ze het eerst hebben medegebragt. Ook

verklaren de Wilden dat hunne ouders noit enige byen, ’t zy in de

bosschen, ’t zy ergens anders gezien hebben, voor dat de Europeanen

hier enigen tyd gevestigd waren geweest. Ook hebben zy ’er genen

anderen naam voor dan die van de Engelsche Vlieg. Tegenswoordig zyn zy

zeer menigvuldig in het Land. Egter heeft men opgemerkt dat de Byen,

wanneer zy zwermen, zig altyd naar het zuiden en noit naar het noorden

verspreiden. Het schynt dat zy de landen de laatste streek uit gelegen

zo goed niet vinden voor haar gestel. Zy kunnen ’t in Kanada niet

houden, en sterven daar allen des winters. Het scheen my toe dat zy in

Amerika wat kleinder waren dan in Zweden. Tot nog toe heeft men ze niet

in de bosschen aan genen kant der Blauwe Bergen gevonden, het welk my

in de gedagte bevestigt dat zy hier onlangs eerst zyn overgebragt. Door

iemant wierd aan den Heer Bartram verhaald, dat hy op zyne reizen in de

bosschen een ander soort van Byen gevonden had, die, in plaats van den

honig en het wasch in huisjes verdeeld te houden, die beiden onder een

vermengd in enen zak by zig droegen. Dog dit berigt vereischt

opheldering en bekragtiging.

[Vermindering van gevogelte.]

Alle de oude lieden in Amerika geboren, die ik over deze zaak

onderhield, stemden hierin overeen, dat ’er tegenswoordig op ver na zo

veel eetbaar gevogelte niet was als voorheen toen zy kinderen waren, en

dat deze vermindering zigtbaar was. Zy zeiden zelfs, dat zy reeds ’er

hunne ouders over hadden horen klagen, in wier jonge jaren de bayen,

rivieren, en poelen van allerhande watervogels, als ganzen, enden, en

diergelyken, vol waren. Dog tegenswoordig ziet men ’er somtyds niet

enen enkelden vogel op. Voor zestig of zeventig jaar kon een enig man

wel tagtig enden op enen morgen schieten, en thans staat men dikwyls te

vergeefs op te passen dat ’er een enige kome. Een negentigjarige Zweed

verzekerde my, dat hy in zyne jeugd eens drieentwintig enden in enen

schoot gedood had. Zulk een geluk zal thans niemant hebben; en men moet

dikwyls enen gantschen dag lopen om ’er twee of drie te zien. De

Kraanvogels [128] kwamen in dien tyd by honderden in ’t voorjaar over,

dog tegenwoordig maar weinig. De wilde Kalkoenen en de Patryzen waren

voorheen met grote troepen in de bosschen. Maar tegenwoordig is men

moede van ’t lopen eer men enen enkelden vogel kan doen opstaan.

Het is niet moeilyk de reden van deze vermindering uittevinden. Voor de

aankomst der Europeanen was het land onbebouwd en vol zware bosschen.

De weinige Wilden, die hier woonden, stoorden de vogels zelden. Zy

dreven genen handel onder zig. Zy kenden nog yzer, nog buskruid. Het

honderdste gedeelte van de vogels, die toen daar zo menigvuldig waren,

was overvloedig om het klein getal Inwoonders te voeden. En wanneer men

daarby bedenkt hoe veel tyds zy besteden moesten om hunne kleine

Maislanden te bebouwen, om te visschen, om op bevers, herten, beren, en

ander wild te jagen, zal men ligt begrypen dat zy weinig om het storen

van ’t gevogelte denken konden. Maar sedert de aankomst van zo vele

Europeanen zyn de zaken geheel veranderd. Het land is wel bevolkt, het

gevogelte is gedeeltelyk gedood, gedeeltelyk verjaagd: in de lente

worden de eyeren, en de oude en de jonge vogels zonder onderscheid,

weggenomen, dewyl ’er gene schikkingen gemaakt zyn die zulks beletten.

En zo ’er al gemaakt waren, zou de geest van vryheid, die hier sterk

heerscht, dezelven weinig doen in agt nemen. Maar schoon het eetbaar

gevogelte zeer verminderd is, zyn ’er anderen die eer vermeerderd zyn.

Dit kan men eigenlyk het meest zeggen van een soort van Krayen, by de

Engelschen Zwarte Vogels [129] en by de Zweden Maisdieven genoemd. Ook

hebben zig de Eekhoorns zeer vermenigvuldigd, welken zo wel als de

evengenoemde vogel op Mais azen, of ten minden ’er zeer op gesteld zyn.

Naar mate nu de bevolking toeneemt, vermeerdert de bouw van de Mais;

gevolglyk wordt het voedsel van dit gedierte vermenigvuldigd. Voeg

hierby, dat men het zelve zelden eet, en dus niet hindert zig te

vermenigvuldigen. Ook zyn ’er nog andere vogels welken men niet eet,

die tegenwoordig byna al zo talryk zyn als zy voor de aankomst der

Europeanen waren. De klagten over ’t verminderen van het eetbare

gevogelte waren door gantsch Noord Amerika gemeen.

[En van den visch.]

Oude lieden hadden met den visch even het zelve als met het gevogelte

zien gebeuren. In hunne jeugd waren de bayen, rivieren, en poelen zo

vol van visch dat men in enen trek ’s morgens vroeg gedaan zo veel ving

als een paard slepen kon. Maar tegenwoordig zyn de zaken geheel

veranderd; men vischt dikwyls met al zyn want enen gantschen nagt voor

genoegzaam niets. De oorzaken van deze vermindering in den visch zyn

gedeeltelyk dezelven als die van de vermindering van het gevogelte,

visschende men nu geduriger en op meerderhande wyzen dan te voren. De

talryke molens op de beekjes en rivieren brengen hier toe ook iets by,

want men heeft opgemerkt dat de visch de rivieren opzwemt om zyne kuit

in stille wateren te schieten, en dat als hy werken ontmoet die zynen

voortgang stuiten, hy terug keert en nimmer wederkomt. Dit verzekerde

my een ryk man van Boston. In een zeker water van zyn’ vader plegt men

des winters en byna ook den gehelen zomer door een zeker soort van

Haringen te vangen, dog sedert dat men enen molen op dat water gezet

had, waren zy niet meer te bespeuren. Dus klaagde men hier overal over

’t verlopen van den visch. Het zelve zeiden sommige oude lieden ook van

de Oesters te New York, want schoon die daar steeds in ene aanmerkelyke

menigte gevangen worden, en zy zo vet en lekker zyn als men ze wenschen

kan, zeggen alle de oestervangers dat zy grotelyks alle jaren

verminderen. De waarschynlykste reden hiervan is het onophoudelyke

vangen van dezelven.

[Waarnemingen aangaande den visch.]

De Heer Franklin verhaalde my dat in den oord van Nieuw Engeland, daar

zyn vader gewoond had, twee rivieren in zee vielen, waarvan in de ene

zeer veel haring gevangen wierd en in de andere niet een. Egter waren

de plaatsen daar deze rivieren zig in zee stortten niet ver van

malkander. Men had opgemerkt, dat, wanneer de haring in de lente kwam

om zyne kuit te schieten, hy altyd de ene en noit de andere rivier

opzwom. Dit deed den ouden Heer Franklin lust krygen te beproeven of hy

niet zou kunnen maken dat zy ook in de andere kwamen. Met dit inzigt

zettede hy zyn’ netten uit toen zy kwamen om op te zwemmen en ving ’er

enigen. Hy nam ’er de kuit uit, en bragt die zorgvuldig in de andere

rivier over. De kuit kwam uit, en sedert heeft men veel meer haringen

alle jaren in dat water gevangen dan in het ander, en dit blyft nog zo.

Dit geeft aanleiding om te denken, dat de visch altyd gaarne daar zyn

kuit schiet waar hy zelf is uitgebroeid, en waar hy het eerst in ’t

water komt, als ware hy aan die plaatsen gewend.

De volgende waarneming is ook opmerkenswaard. Niemant heeft voorheen

gehoord dat men by Kaap Hinlopen kabeljauwen ving; men ving ze altyd

aan den mond der Dellaware, dog tegenwoordig zyn zy op de eerstgenoemde

plaats menigvuldig. En hieruit zou men kunnen opmaken, dat de visch ook

dikwyls uit eigen’ beweging van verblyf verandert.

[Verhaal aangaande Groenland.]

Een Schipper, die in Groenland geweest was, verzekerde volgens zyne

eigene ondervinding, dat ten noorden de 70. gr. de hette veel sterker

was dan meer zuidwaards. Hieruit besloot hy dat de hette onder den Pool

nog veel geweldiger zyn moest, dewyl de zon daar nog langer zonder

ondergaan blyft schynen. Het zelve met de zelve gevolgtrekking had de

Heer Franklin ook van de Schippers te Boston gehoord, die in de

noordelykste gewesten van ons halfrond geweest waren. Maar nog

wonderbaarder is het geen hy verstond van Kapitein Henry Atkins, die

nog te Boston woont. Enigen tyd op de kusten van Nieuw Engeland ene

slegte vangst gehad hebbende, zeilde hy meer noordwaards tot op de

hoogte van Groenland. Op ’t laatst kwam hy zo ver, dat hy menschen vond

die noit Europeanen gezien hadden, en het geen nog vreemder luidt, die

geen kennis in ’t geheel van het gebruik van ’t vuur hadden, en, zo zy

al die kennis gehad hadden, zouden zy ’er niets aan hebben gehad, dewyl

’er geen hout in dat land was. Dit volk at den visch en het vleesch

geheel rauw. De Kapitein ruilde van deze menschen enige zeer zeldzame

vellen voor sommige kleinigheden. Hy heeft op het sterkste betuigd dat

dit volk het vuur niet kende. Reeds is het bekend dat ver op naar ’t

Noorden nog bomen, nog struiken, nog enig hout te vinden zyn. Maar het

is niet waarschynlyk, dat de Inwoonders van zulk een land den traan der

visschen en het vet der dieren niet in hunne lampen branden en

gebruiken zouden om hun eten te koken en hunne hutten in den winter te

verwarmen, byzonderlyk ook om gedurende hunnen winterschen nagt van

enige maanden ligt te hebben. Zoude buiten dit zulk ene duisternis wel

te verdragen zyn?

[Het Moose-deer.]

In verscheiden’ geschriften leeft men van een zeer groot dier, dat men

in Nieuw Engeland en andere plaatsen van Noord Amerika vinden zou. In

Ierland graaft men somtyds lange en getakte hoorns uit den grond; en

geen mensch in de wereld kent een dier dat zulke hoorns heeft. Dit

heeft velen lieden aanleiding gegeven om te denken, dat zy van het in

Noord Amerika zo berugte Moose-deer waren, welk dier voorheen in dat

Eiland zou moeten geweest zyn. Zelfs heeft men ’er uit opgemaakt dat

Ierland voorheen aan Amerika vast geweest is, of ten minsten dat ene

keten van Eilanden, die nu weg zyn, ene verbindtenis tusschen die twee

gewesten gemaakt heeft. Dit deed my onderzoek doen, of een dier met zo

grote hoorns, als men het Moose-deer geeft, oit in deze gewesten gezien

was. De Heer Bartram had veel onderzoeks hier naar gedaan, dog niemant

kon hem enig geloofwaardig berigt hier omtrent geven, en dus was hy van

gedagte dat ’er zulk een dier niet was. De Heer Franklin verhaalde, dat

hy, nog een jonge zynde, twee beesten gezien had die men Moose-deer

noemde; dog het stond hem zeer wel voor dat zy van zulk ene grootte

niet waren als zy moesten zyn geweest, indien de hoorns in Ierland

gevonden voor hun gepast zouden geweest zyn: de twee beesten, die hy

zag, wierden naar Boston gebragt, om ze van daar aan Koningin Anna te

zenden. De hoogte was als die van een groot paard, dog de kop en de

hoorns waren hoger. De Heer Dudley heeft ene beschryving gegeven van

het Moose-deer dat men in Noord Amerika vindt. [130] In Kanada zynde

vernam ik dikwyls by de Franschen, of men daar oit zo groot een dier

gezien had als sommigen zeggen dat ’er in Noord Amerika zyn, en met zo

verschrikkelyke hoorns als ’er in Ierland gegraven worden. Dog zy

hadden ’er noit van gehoord, veel min ’er gezien. Sommigen deden ’er

by, dat indien ’er zulk een dier was zy het noodzaakelyk zouden hebben

moeten [Is waarschynlyk de Eland.] zien, dewyl zy de bosschen zoo veel

doorkruisten. Men vindt hier Elanden, die van het zelve soort zyn als

de Zweedschen, of ene verscheidenheid van dezelven. Van dezen worden

’er dikwyls enigen gevangen die zwaarder zyn dan naar gewoonte; en hier

van daan zal misschien het spreukje van het grote dier met de grote

hoorns gekomen zyn. Deze Eland wordt door de Franschen in Kanada

Original geheten, welken naam zy van de Wilden ontleend hebben.

Misschien meent Dudley in zyne beschryving van het Moose-deer niets

anders dan deze zware Elanden. [131]

[Een zeldzame steen.]

De Heer Franklin vereerde my een stuk van enen steen dien men, om dat

hy het vuur zo wel weerstaat, in Nieuw Engeland gebruikt om ’er

smeltovens van te maken. Hy bestaat uit een mengsel van Slangesteen of

Lapis ollaris en Asbest. Het grootste deel is een blauwe Slangesteen,

vet en glad in ’t aanraken, en gemakkelyk om te snyden en te bewerken.

Hier en daar zyn enige glinsterende starretjes, gelyk in dien Asbest

wiens vezels uit het middelste als uit een middelpunt voorkomen. [132]

Dezen steen houwt men niet uit de rotsen, maar vindt hem hier en daar

op ’t land.

[Zeepsteen.]

Een andere steen wordt van sommige Zweden Zeepsteen [133] genoemd, om

dat men hem gebruikt om vlakken uit de klederen te doen. Men zou hem in

’t Latyn Saxum talcosum particulis spataceis granatisque immixtis

noemen. Ene nadere beschryving zal ik in een ander werk geven. Nu voeg

ik ’er maar by, dat de grondkleur bleek groen is met sommige donker

blauwe vlakken, en somtyds met enigen die in ’t groene vallen. Hy is

zeer glad op ’t gevoel en als gegolfd, en laat zig gemakkelyk zagen en

snyden, maar wordt dan niet zeer gelyk. Ik heb ’er van gezien die een

vadem en meer lang waren, breed naar evenredigheid, en gemeenlyk van

zes duim tot een voet dik. Ik kan niets van zyne oorspronglyke grootte

zeggen; ik ben noit op de plaats geweest daar zy gegraven worden, en

heb ze maar te Philadelphia gezien, waar zy gebragt worden alreeds

gesneden zynde. De talkdeeltjes zyn in dezen steen omtrent dertigmaal

zo veel als de anderen. Men vindt hem op vele plaatsen in het Land, by

voorbeeld in de nabuurschap van Chester in Pensylvanie. De Engelschen

noemen hem ook Zeepsteen. [134]

Deze steen wordt voornamelyk op deze wys gebruikt. Eerst dient hy om

vlakken uit de klederen te doen. Dog hier toe is de gehele steen niet

even goed, want tusschen zyne heldere deeltjes zitten enige donkeren,

die geheel uit Slangesteen bestaan, en gemakkelyk met een mes kunnen

gesneden worden. Wat van dezen lossen steen tot stof geschraapt en op

een smeervlak gestroid, ’t zy in zyde of andere stof, trekt het vet tot

zig, en afgewreven zynde neemt het de vlak met zig weg. En gelyk deze

steen ook zeer tegen ’t vuur bestand is, maken de Landlieden ’er hunne

haarden van, vooral de plaats daar het vuur legt, en de hette ’t

grootst is, want hy houdt het sterkst vuur uit. Als men genoeg van

dezen steen vinden kan maakt men ’er de stoepen van in plaats van

gebakken’ stenen, die men ’er anders toe neemt.

De muren om de hoven, tuinen, en begraafplaatsen, die gemeenlyk van

gebakken stenen gemetseld worden, overdekt men met deze steenen, om dat

zy zo wel tegens zon, lugt, regen en wind bestand zyn, en niet

veranderen maar de ticchels bewaren. Om deze reden maakt men gemeenlyk

de deurposten, waarin de hengsels vatten, en de posten van de kelder

vensters van dezen steen; in verscheidene openbare gebouwen is ’er de

gehele benedenmuur van gemaakt, en in andere huizen worden ’er de

hoeken mede opgetrokken.

[Zout.]

Het zout dat in de Engelsche Noord Amerikaansche Volkplantingen

gebruikt wordt, haalt men uit de West Indien. De Wilden hebben op

sommige plaatsen Zoutbronnen, uit welker water zy zout koken. In ’t

vervolg zal ik gelegenheid hebben om enigen derzelven te beschryven. De

Heer Franklin was van gedagte, dat men in Pensylvanie gemakkelyker uit

het zeewater een goed zout maken zou kunnen dan in Nieuw Engeland, waar

het somtyds geschiedt, schoon deszelfs legging meer noordelyk is.

[Looderts.]

Men heeft in Pensylvanie een Looderts ontdekt, dog het was in te

geringe menigte dan dat iemant ’er gebruik van zou hebben willen

[Zeilstenen.] maken. Men heeft ’er ook Zeilstenen van ene tamelyke

deugd gevonden, en ik bezit ’er zelf verscheiden’ stukken van.

[Yzer.]

Yzer wordt in Pensylvanie en de andere Engelsche Provincies in zulke

menigte gevonden, dat men ’er geheel Europa mede zou kunnen voorzien,

en misschien wel de gehele wereld. Het erts is hier veel ligter te

bewerken dan in Zweden; want op vele plaatsen kan men met een byl, een

koevoet, en een houten beitel even zo ligt het erts los maken, als men

by ons een kuil in ene harde aarde graaft. Zy weten op vele plaatsen

niets van te boren, te doen springen, te branden. Daarby is het erts

zeer smeltbaar. Van dit yzer wordt zulk een voorraad gewonnen, dat niet

alleen de talryke bewoonders dezer Volkplantingen daar genoeg van

hebben, maar dat ’er ook zeer veel van jaarlyks naar de Amerikaansche

Eilanden gezonden wordt. Zelfs heeft men sedert enigen tyd begonnen

daar mede op Europa te handelen. Dit yzer wordt beter dan enig ander

voor de schepen gehouden, wordende veel minder dan het Zweedsche door

het zoute water weggevreten. Enigen zyn van mening dat zy, ongeagt de

vragt, hun yzer in Engeland beter koop leveren kunnen dan enig ander

volk, vooral wanneer het land nog meer bebouwd, en daar door de

daglonen minder zwaar wezen zullen.

[Bergvlas.]

De Amiantus fibris separabilibus molliusculis van den Bisschop

Browallius wordt in Pensylvanie tamelyk veel gevonden. [135] Sommige

stukken zyn zeer zagt, anderen wederom vry tai. De Heer Franklin had,

toen hy meer dan twintig jaren geleden ene reis naar Engeland deed, ene

beurs van Amiant gehad, en die aan Sir Hans Sloane vereerd. Ook heb ik

papier gezien dat van dezen steen gemaakt was. Ik bewaar ’er enige

stukken van in myn Kabinet. De Heer Franklin had van anderen gehoord,

dat als men een stuk van dezen steen des winters in de lugt, aan de

koude en ’t nat bloot gesteld, laat leggen, hy daardoor gemakkelyk te

spinnen wordt; dog hy wist niet hoe ver men hier staat op maken kon. By

die gelegenheid verhaalde hy een kortswylig voorval dat hy ’er mede

gehad had. Hy had ’er enige stukken van op den papiermolen gegeven om

’er een vel papier van te maken. Toen hem dit gebragt werd, vouwde hy

’t in malkander, wierp het in ’t vuur, zeggende den man die ’t bragt

dat hy een wonderwerk zien zoude. Deze, onkundig van de eigenschap

dezer stof, was over deze vertoning zeer verwonderd. De Heer Franklin

lag hem de zaak, dog niet volkomen, uit. Terwyl hy eens uit de kamer

gegaan was, kwamen ’er enigen van zyne kennissen binnen, die terstond

het papier kenden. De goede ambagtsman dagt hun iets zeer wonderlyks te

verhalen. Hy vertelde hun dan dat hy een vel papier zo kondig toebereid

had dat het in ’t vuur niet brandde. Zy hielden zig als of zy het voor

onmogelyk hielden. Dog hy beweerde de zaak des te yveriger. Eindelyk

kwam het tot ene weddenschap. Dog terwyl hy het vuur wat aanstookte

besmeerden de anderen het papier behendig met vet. De man smeet het

gerust in ’t vuur, en op het ogenblik was het in volle vlam. Hy stond

zonder een woord te kunnen zeggen, terwyl de anderen hun lacchen niet

inhouden konden. Zy ontdekten hem daarop het gantsche geheim.

[Mieren.]

Reis door Noord Amerika · 第 13 / 50 段