van de Afgezondenen uit alle de oorden van de Provincie. Men kan deze
Vergadering aanzien als een klein soort van Parlement of Ryksdag. Hier
wordt alles het welvaren van ’t gewest rakende in overweging genomen.
[Gouverneurs.] De Gouverneur beroept de Vergadering en doet ze scheiden
naar goedvinden. Dit is ene magt waarvan hy zig bedient wanneer hy of
verdere overwegingen onnodig, of de Vergadering niet eens gezind genoeg
oordeelt; dog het gebeurt ook dikwyls genoeg dat hy, door eigenzin of
eigenbelang bewogen, deze magt ten nadeele der Provincie gebruikt.
Somtyds heeft het gewest enen Gouverneur gehad, die met de Ingezetenen
in zulke onenigheid geraakte, dat de Afgevaardigden naderhand uit spyt
en wraaklust zig tegens alles kanteden wat hy voorstelde, het ware dan
voordelig of niet. In zulke gevallen plegt de Gouverneur de Vergadering
te ontbinden, en ene andere te beroepen, welke hy evenwel binnen korten
tyd weder ontbond zo dra hy bemerkte dat de leden niet wel gezind
waren. Op deze wys wist hy het hun zo moede te maken door de kosten die
zy zo dikwyls gedwongen waren te doen, dat zy op ’t laatst blyde waren
zig met hem te mogen verenigen in hunne pogingen ten besten van ’t
gewest. Maar daar zyn ook Gouverneurs geweest die de Vergadering
beriepen en ontbonden alleen om dat zy zig niet naar hunnen zin
schikken wilde, of hare toestemming niet kon geven aan voorslagen, die
misschien gevaarlyk of schadelyk voor de gemene zaak zouden geweest
zyn. De Koning stelt den Gouverneur naar welgevallen aan, dog de
Ingezetenen betalen hem zyn jaargeld. Dus heeft hy groter inkomsten
naar mate hy de gunst der Inwoonders winnen kan. Daar zyn voorbeelden
in deze en andere Provincien van Gouverneurs, die door hunne
onenigheden met de Ingezetenen hun gantsche jaargeld kwyt raakten,
hebbende den Koning geen vermogen om hun dit te doen betalen. Indien
een Gouverneur dan geen goed van zig zelven heeft, kan hy daar door
gedwongen worden zyn ampt nederteleggen, of zig met een zeer gering
inkomen te behelpen, of zig naar den zin der Ingezetenen te schikken.
Dog ’er zyn zekere vaste voordelen, die men hem niet onthouden kan.
Dezen zyn I. dat niemant in de gantsche Provincie ene herberg kan
opzetten zonder verlof van den Gouverneur, het welk men alleen
verkrygen kan mits betalende ene zekere erkentenis volgens de
omstandigheden. Sommige Gouverneurs, aan welken de Ingezetenen
weigerden hun jaargeld te betalen, zogten derhalven die schade te
boeten door ’t verdubbelen van het getal der herbergiers. II. Weinige
lieden, die staan te trouwen, willen hunne geboden van den preekstoel
afgelezen hebben, uitgenomen zulken die zeer arm zyn; maar verkrygen
een verlof van den Gouverneur, waarby de Predikanten, Hervormde of
Luthersche, magt krygen zulke personen, die dat verlof vertonen, te
trouwen. Dit verlof nu is den Gouverneur ene halve Guinea waard. En
deze vergunningen door de gehele Provincie belopen ene aanmerkelyke
som. III. De Gouverneur tekent alle paspoorten, en byzonder de
zeepassen; en dit geeft hem een ander middel ter goedmaking zyner
verteringen. Nog zyn ’er enige kleinder voordelen, die ik voorby zal
gaan.
[Wetten.]
De Vergadering is gewoon de oude wetten te overzien, en des noods
nieuwen te maken. Ook regelt zy den loop van ’t geld, en andere zaken
daar toe betrekkelyk. Want men moet aanmerken dat ieder van de
Volkplantingen onafhanglyk van de anderen is, en hare eigene munt en
eigene wetten heeft; zo dat zy als een land op zig zelf bestaande kan
worden aangezien. Hiervan daan komt het dat in oorlogstyden de zaken
vry langzaam, ongeregeld en slap worden bestierd; want de Provincies
zyn niet alleen somtyds oneens, maar de inzigten der Gouverneurs en der
Vergaderingen van de byzondere gewesten zyn ook dikwyls strydende; zo
dat het ligt gebeurt, dat, terwyl men twist over het geen best en het
beste koop zoude zyn in ’t voeren van den oorlog, de vyand kans heeft
de ene plaats na de [Oorlogen.] andere wegtenemen. Ook is het dikwyls
gebeurd, dat, terwyl de ene Provincie door den vyand geplaagd werd, de
anderen stil en werkeloos zaten, als of haar dit alles niets aanging.
Somtyds duurde het twee of drie jaren eer zy het eens waren of men ene
Volkplanting die aangetast werd ondersteunen zoude, en het is gebeurd
dat het besluit viel van neen. Zelfs zyn ’er voorbeelden van
Provincies, die niet alleen onzydig bleven in enen kryg tusschen ene
andere Provincie en enen uitheemschen vyand, maar die zelfs voortgingen
enen aanmerkelyken handel met den vyand te dryven.
Door deze verdeeldheden hebben de Franschen in Kanada, die maar een
hand vol volks in vergelyking van de Engelschen in Amerika waren,
gelegenheid gehad merkelyke voordelen op de laatsten te behalen. Want
uit het getal en de magt der Engelschen oordelende zoude men zeggen,
dat het hun ligt vallen moest de Franschen in Amerika te overmeesteren.
[118]
[Staatkundige aanmerking.]
Evenwel is het ene zaak van groot belang voor de kroon van Engeland,
dat deze Volkplantingen zo na aan een land onder het bestier van
Frankryk gelegen zyn als Kanada. Daar is reden van te denken dat het
den Koning noit ernst was om de Franschen daar uittejagen. De Engelsche
Volkplantingen zyn zo magtig geworden dat zy met Groot Brittanje zelf
om den voorrang dingen. Om dan het evenwigt van den handel naar den
kant van het Ryk op den duur te doen overslaan, en ter bereiking van
verscheiden andere oogmerken, is het verboden, Handwerken in Amerika
aanteleggen; goud- of zilvermynen te zoeken, ten zy men het gevonden
goud of zilver regelregt naar Engeland zende; op enige plaats handel te
dryven die niet onder ’t gebied van Groot Brittanje staat, enige zekere
plaatsen maar uitgenomen: en vreemde schepen mogen niet in de
Amerikaansche havens komen. Deze en diergelyke bepalingen maken dat de
Amerikaansche Engelschen minder liefde voor hun oorspronglyk Vaderland
krygen, en deze onverschilligheid wordt vergroot door de menigte van
vreemdelingen, als Duitschers, Hollanders en Franschen, die hier
gevestigd zyn. Voeg hierby dat vele menschen noit te vreden zyn met het
gene zy bezitten, hoe aanzienlyk dat ook zy, altyd meerder willende
winnen, en naar verandering hakende; en dat hunne al te grote vryheid
en weelde hen tot onbandigheid brengt.
Engelschen, zelfs die uit Europa herwaards overgekomen waren, hebben my
verteld, dat binnen dertig of vyftig jaar de Volkplantingen in Amerika
magt genoeg hebben zullen om enen staat op zig zelven te maken, en
volkomen onafhanglyk van Oud Engeland te zyn. Maar gelyk de gehele kust
open legt, en de binnenlanden door de Franschen ontrust worden, dwingen
deze gevaarlyke vyanden in oorlogstyden de Volkplantingen hare
verbindtenissen met haar Vaderland te onderhouden. De Engelsche
Regering heeft derhalven ene genoegzame reden van de Franschen in
Kanada als het geschiktste middel aantezien om de Volkplantingen by
haren pligt te houden. Maar ik ben reeds te ver van myn stuk
afgedwaald; ik keer derhalven weder naar New York.
[Afwyking der Naald.]
De afwyking der Naald is in die Stad door Philip Well, eersten
Ingenieur van New York, in het jaar 1686. bevonden 8. gr. 45. min. W.
Maar in 1723. was zy maar 7. gr. 20. min. volgens de waarnemingen van
den Gouverneur Burnet. Waaruit wy besluiten mogen, dat in agtendertig
jaren de Naald omtrent 1. gr. en 25. min. dat is omtrent 2. min. ieder
jaar, nader aan het ware noorden komt. De Heer Alexander, een man van
veel kennis in de Starre- en Wiskunde, verzekerde my uit verscheiden
waarnemingen, dat in het jaar 1750. den 18. September de afwyking
gerekend wierd te zyn 6. gr. 22. min.
[Drukkeryen.]
Daar zyn twee Drukkeryen in de Stad; en alle week komen ’er Engelsche
koeranten uit, die het nieuws van de gehele wereld bevatten.
[Winters.]
De winter is hier veel gestrenger dan in Pensylvanie, en byna zo hard
als in sommige delen van Zweden, dog hy duurt niet zo lang als by ons;
de lente begint hier vroeg en de herfst laat. Des Zomers is de hette
onmatig. De meloenen zyn op het open veld reeds ryp in ’t begin van
Augustus, daar wy ze onder glazen en op hete bedden nauwlyks op dien
tyd tot rypheid brengen kunnen. Ik kan de koude van den winter niet
juist bepalen, zynde alle de waarnemingen gemaakt volgens Thermometers
die in huis hingen, en die de buitenlugt niet aanraken kon. De sneeuw
blyft enige maanden leggen; en men bedient zig hier van sleden, gelyk
in Zweden, dog men maakt ze wat te groot. De Rivier Hudson is omtrent
aan haren mond ene Eng. myl breed. Het verschil tusschen het hoogste en
’t laagste water is daar tusschen de zes en zeven voet. Het water is
zeer brak; en met dat al blyft het ys daar niet alleen ene, maar
dikwyls verscheiden maanden zitten. Het is somtyds meer dan twee voet
dik.
[Muggen.]
De Muggen zyn hier dikwyls zeer lastig. Zy komen met het hoi naar de
Stad, dat op de lage landen gewonnen wordt, die geheel en al van het
zoute water doortrokken zyn; of volgen het vee, als het ’s avonds
t’huis komt. Ik heb in my zelven en in anderen ondervonden hoe zeer dit
kleine gedierte iemant in enen nagt mismaken kan. [Watermeloenen.] De
watermeloenen, die men digt by Stad aankweekt, groeyen zeer weelderig.
Zy zyn uitmuntend en beter dan ergens anders in Noord Amerika, schoon
zy op ’t openveld geplant worden, en zonder op een warm bed gestaan te
hebben. Ik zag in September 1750. ene watermeloen aan het huis van den
Gouverneur Clinton, die 47. Eng. ponden woog, en by enen Koopman alhier
ene die 42. pond zwaar was. Egter hield men deze twee voor onder de
grootsten te behoren die men hier kon aantreffen.
[Sachems.]
In ’t jaar 1710. reisden van hier vyf Koningen, anders Sachems, van de
Iroquoizen naar Engeland, om Koningin Anna tot een verbond met hun
tegens de Franschen te bewegen. Ik zal my niet ophouden met hunne
namen, kleding, het onthaal dat zy aan het Hof kregen, hunne gesprekken
met de Koningin; dit alles is uit andere boeken bekend. De Koningen of
Sachems der Wilden hebben gemeenlyk geen groter gezag over hun dan een
Schout in zyn gebied, en veeltyds nog minder. Op myne reizen door hun
Land had ik noit gelegenheid myne opwagting by enen dezer Sachems te
gaan maken, want die Heren kwamen onverzogt uit eigen beweging het
eerst aan myn verblyf, op hoop van een glas brandewyns of twee te
krygen, daar zy boven alles veel werks van maken.
[Hollanders te New York.]
De eerste Volkplanters in New York waren de Hollanders. Wanneer de Stad
en haar regtsgebied door de Engelschen ingenomen, en in verruiling
tegens Suriname by den vrede afgestaan werd, bleef het den ouden
Ingezetenen vry te New York te blyven en alle de voorregten en vryheden
te genieten, die zy van te voren bezeten hadden, of met alle hunne
goederen te vertrekken. De meesten verkozen het eerste; en dit is de
reden dat het grootste getal van de Ingezetenen dezer Stad en Provincie
Hollanders zyn, die, byzonderlyk de oude lieden, nog hunne moedertaal
spreken, schoon zy allengskens hunne zeden beginnen te veranderen,
vooral in de Stad en daar digt by, want de jonge lieden spreken meest
Engelsch, gaan in de Engelsche kerk, en zouden het zelfs kwalyk nemen,
als men ze Hollanders en niet Engelschen noemde.
[New York minder bevolkt dan Pensylvanie.]
Schoon de Provincie van New York lang voor Pensylvanie door Europers is
bewoond geweest, is egter die laatste Provincie veel meer bevolkt. Men
kan dit niet toeschryven aan de natuur van den grond, want die is te
New York zeer goed, maar zie hier wat men wil dat de reden hier van is.
Onder de Regering van Koningin Anna, omtrent het jaar 1709. kwamen vele
Duitschers herwaards en verwierven land om zig neertezetten. Na dat zy
hier enigen tyd gewoond, huizen en kerken gebouwd, en koornlanden en
weiden aangelegd hadden, wierden hunne vryheden verkort, en men
ontzette ze, onder verschillende voorgevens, van een gedeelte hunner
bezittingen. Dit maakte hen gaande. Zy keerden ten laatsten geweld met
geweld, en sloegen de zulken die hen van hun eigendom beroven wilden.
Dog de Regering nam dit zo euvel op, dat de yverigsten uit de
Duitschers by den kop gevat, hard gehandeld en zwaar gestraft werden.
Dit verbitterde de overigen zo zeer, dat de meesten hunne huizen en
goederen verlieten, en naar Pensylvanie weken, waar zy zeer wel
ontvangen wierden, en ene aanzienlyke uitgestrektheid lands verwierven,
nevens vele voorregten, die altyd duren moesten. Hiermede niet voldaan,
schreven zy aan hunne nabestaanden en vrienden in New York, en raadden
hen van, zo zy oit naar Amerika dagten overtekomen, niet naar New York
te gaan, waar de regering niet deugde. Deze raad had zulk enen invloed,
dat de Duitschers, waarvan ’er in ’t vervolg een zeer groot getal naar
Amerika gingen, altyd New York vermydden, en allen zig naar Pensylvanie
begaven. Somtyds gebeurde het dat zy gedwongen waren met schepen naar
New York geschikt over te komen, dog zy waren nauwlyks daar aangeland,
of zy haastten zig naar Pensylvanie te gaan, in ’t aanzien van alle de
Inwoonders van New York.
Dog ’er kan nog ene twede oorzaak gegeven worden van het gebrek aan
volk in New York. Toen de Hollanders by den vrede met Engeland de
vryheid kregen van alle hunne voorregten zonder de minste bepaling te
blyven genieten, nam ieder van hun een zeer groot stuk lands in bezit,
en verscheidenen van de hoofden der magtigste huisgezinnen maakten zig
meester van ene uitgestrektheid lands, die groot genoeg zou geweest zyn
voor een geheel kerspel. En daar de meesten van hun zeer ryk waren,
bewoog hen de nyd dien zy jegens de Engelschen hadden, om hunne landen
niet dan tot enen buitensporigen prys aan dezelven te willen verkopen,
het welk hunne nakomelingen stiptelyk zyn nagevolgd. Dus hebben de
Engelschen en andere Vreemdelingen weinig aanmoediging om zig hier
nedertezetten. Integendeel hebben zy in de andere Provincien
gelegenheid genoeg om landeryen beter koop te krygen, en met groter
veiligheid voor hun zelven. Dus is het geen wonder dat zo vele delen
van New York onbebouwd leggen en naar woestenyen gelyken. Dit voorbeeld
toont aan hoe zeer een misslag in de regering de bevolking benadelen
kan.
[Vertrek van New York naar Philadelpia.]
Den 3. November gingen wy omtrent den middag weder van New York op
reis, en onzen togt vervolgende kwamen wy den 5. te Philadelphia aan.
[Appelen vroeger ryp in Pensylvanie dan in New York.]
In den omtrek dier Stad had het volk al ene maand geleden hunnen Cyder
gemaakt, waartoe zy genoodzaakt waren omdat de appelen zo ryp waren dat
zy afvielen. Maar op onze reis door New York zagen wy de menschen daar
eerst aan bezig. Dit is een duidelyk bewys dat de appelen in
Pensylvanie eerder ryp worden dan in New York; maar of dit van den
grond, of van de groter hette in Pensylvanie, of van ene andere oorzaak
komt, kan ik niet zeggen. Dog het zo vroeg maken van den Cyder heeft
geen het minste voordeel in; integendeel, de ondervinding heeft geleerd
dat het beter is hem later in ’t jaar te maken, wordende de grote hette
gehouden de gisting te beletten.
[Polecat.]
Daar is een viervoetig dier zeer gemeen, niet alleen in Pensylvanie,
maar ook in andere gewesten van Zuid en Noord Amerika, by de Engelschen
Polecat [119] genoemd. In New York noemen zy het gemeenlyk Skunk. De
Zweden heten het Fiskatte, om zynen vreeslyken stank. De Franschen in
Kanada geven het den naam van het stinkend dier of het Duivelskind.
[120] Enigen heten het ook Pekan. De Heer Catesby [121] heeft het
beschreven, en naar het leven afgebeeld. Dit dier gelykt veel naar den
Marter, is omtrent van dezelve grootte en gemeenlyk zwart. Op den rug
heeft het ene streep die in de langte loopt, en twee anderen op ieder
zyde, die met de eerste gelykwydig lopen. Somtyds, dog zeer zelden,
ziet men ’er die geheel wit zyn. Op onze terugreis naar Philadelphia
zagen wy ’er een dat door de honden doodgebeten was. En naderhand had
ik vele gelegenheden van het te zien, en van zyne eigenschappen te
horen spreken. Het houdt zyne jongen zo wel in holle bomen als in gaten
onder den grond. Het klimt zeer vlug op de bomen, is een groot vyand
van ’t gevogelte, breekt de eijeren en vreet de kiekens op, en als het
in een hoenderhok kan komen vernielt het al wat ’er in is.
[Zyn stank.]
Dit dier heeft ene eigenschap waardoor het vooral bekend is. Wanneer
het door menschen of honden vervolgd wordt, loopt het zo schielyk als
het kan weg, of kloutert op enen boom, maar als het zo bezet is dat het
niet ontsnappen kan, verdedigt het zig met zyn pis. Sommigen denken dat
het dit doet met zynen staart te bepissen, en dan denzelven zo schielyk
en met zo veel kragt te slingeren dat de pis naar alle kanten ’er
uitvliegt; maar anderen zyn van mening dat het zyn pis zonder het
behulp van den staart zo ver zenden kan. Voor my ik vind het eerste het
waarschynlykst; want sommige geloofwaardige lieden hebben my verzekerd
dat, schoon zy meer dan agttien voet van het dier afstonden, hunne
aangezigten geheel en al nat geworden zyn. Zyn pis heeft zulk enen
stank dat ’er niets by kan vergeleken worden, omtrent gelyk, dog veel
sterker, als het Geranium Robertianum van Linnæus. Wanneer men omtrent
hem komt als hy zyn’ stank laat ruiken kan men enigen tyd nauwlyks adem
halen, en het is of men stikken zou. Heeft men het ongeluk de pis in
het oog te krygen, zo loopt men gevaar dat te verliezen. Vele honden,
die op de jagt den Polecat yverig vervolgen, lopen weg zodra zy nat
gemaakt worden; evenwel als zy van ’t regte ras zyn, zullen zy ’t niet
opgeven, voor dat ze hem gevangen en doodgebeten hebben; dog zy zyn
genoodzaakt nu en dan hunne neuzen in den grond te steken om adem te
scheppen.
Een kleed, dat door dit dier is nat gemaakt, behoudt den stank meer dan
ene maand, ten zy men het vierentwintig uren onder varsche aarde leggen
late, want dan gaat ’er de reuk grotendeels af. Als men de pis op zyne
handen of het aangezigt gekregen heeft, wryft men die ook met losse
aarde, en sommigen hebben hunne handen een uur lang in den grond
gehouden. Wasschen helpt zo schielyk niet. Een zeker Man van aanzien,
door den Polecat nat gemaakt, stonk zo schrikkelyk, dat, toen hy in
huis kwam, de menschen ’er uitliepen, of hem den ingang weigerden.
Honden, die op de jagt der Polecatten geweest zyn, stinken enige dagen
daarna nog zo dat men ze in huis niet verdragen kan. Te Philadelphia
zag ik eens op enen marktdag enen hoop volks met stenen naar enen hond
goyen, die waarschynlyk het ongeluk gehad had van dit dier te na
gekomen te zyn. De Reizigers worden dikwyls in de bosschen van dien
reuk gekweld, zo dat men somtyds den neus moet toehouden. Als de wind
van de plaats komt daar de Polecat geweest is, by nagt of in grote
stilte, is de stank des te geweldiger.
In den winter van 1749. kwam een Polecat, gelokt door den reuk van een
dood lam, digt by een huis daar ik dien nagt sliep. De honden het dier
terstond nazettende, gebruikte het zyne gewoonlyke wapenen om zig van
hun te ontslaan. Het gelukte; de honden hadden genen lust hunne jagt te
vervolgen. Hy maakte zulk een stank, dat, schoon ik op enigen afstand
’er van daan was, ik ’er byna van stikte, en het vee vond hem ook zo
onaangenaam dat het begon te bulken. Allengskens verdween hy egter.
Tegens het einde van dat jaar kwam een dezer dieren in onzen kelder,
dog men vernam genen stank, want dien geeft hy niet van zig ten zy in
nood. De Keukenmeid evenwel merkte enige dagen agter malkander dat ’er
van het vleesch gegeten was, en, denkende dat het de kat gedaan had,
stopte zy de toegangen toe. Maar den volgenden nagt wierd zy wakker van
een ysselyk geweld in den kelder. Zy ging ’er naar toe, en, schoon het
donker was, zag zy een dier met twee glinsterende ogen, die als vuur
schenen te branden. Zy greep egter moed, en sloeg het dood. Dog toen
het beest regt benauwd begon te worden, vervulde het den kelder met
enen zo afschuwelyken reuk, dat niet alleen de Meid gedurende enige
dagen ’er ziek van was, maar dat ook brood, vleesch en andere eetwaren,
die in den kelder stonden, ’er zo van doordrongen werden, dat men het
alles weg werpen moest.
Uit een voorval dat een myner kennissen te New York had, maak ik op,
dat de Polecat of niet altyd zeer schuw is, of dat hy zeer sterk slapen
moet. Deze Man, op enen zomeravond in de schemering uit het bosch
komende, meende dat hy ene plant voor zig zag staan, en, die willende
afplukken, wierd hy op eenmaal van den Polecat bepist, die op den grond
zat en zynen staart om hoog hield. Dit had den Man doen denken dat het
ene plant was. Hy had vele moeite zig van dien geur te ontdoen.
[Mak gemaakt.]
Schoon deze dieren zo onaangenaam een gezelschap kunnen zyn, plegen dog
somtyds de Engelschen, Zweden, Franschen en Wilden ze te temmen. Zy
volgen dan hunne Meesters gelyk als honden, en bedienen zig noit van
hunne wapenen, ten zy men ze slaat of bang maakt. De Wilden eten hem.
Maar wanneer zy hem de huid aftrekken, snyden zy ’er de blaas uit, om
voortekomen dat het vleesch een kwaden [Zyn vleesch.] smaak kryge. Ik
heb ook Engelschen en Franschen gesproken, die verzekerden ’er van
gegeten te hebben, en dat het niet kwalyk smaakte. Zy vergeleken het by
’t vleesch van een speenvarkentje. De Europers [De Huid.] gebruiken de
huid, die grof en langhairig is, niet, maar de Wilden bereiden ze,
latende ’er het hair aan, en maken ’er tabaksbeurzen van, die zy voor
het lyf dragen.
[Byzonderheden aangaande de Karolina.]
Den 6. November tegen den avond ging ik naar het landgoed van den Heer
Bartram. Ik vond iemant by hem die in Karolina woonde, en my
verscheiden’ byzonderheden aangaande dat Land mededeelde, waarvan ik
’er enigen ga gewagen.
[Voortbrengsels. Teer.]
Teer, Pek en Ryst zyn de voornaamste voortbrengsels van dat gewest. De
grond is zeer zandig, en dus wassen ’er vele pyn- en dennebomen,
waaruit men de Teer maakt. Men neemt daar gemeenlyk zulke bomen toe die
van zelven dood gegaan zyn. Men weet daar niet, gelyk in Oost Bothnie,
de bomen tot het Teerbranden op zulk ene wys te gebruiken, dat men ’er
den bast op ene, en somtyds aan verscheiden’ zyden, eerst afschilt. Op
sommige plaatsen in Karolina neemt men hier toe ook de takken. Het
branden en koken geschiedt, gelyk my de man het beschreef, op de zelve
wys als in Finland. De Pek wordt uit de Teer op deze wys gemaakt. Men
graaft enen kuil, en besmeert dien van binnen met klei, hier giet men
de Teer in, en maakt ’er een vuur rondom, dat men brandende houdt tot
dat de Teer de stevigheid van de Pek verkregen heeft. Daar wierden in
Noord Amerika twee soorten van Teer gemaakt. Het eerste is de gemene
Teer, dezelve daar ik zo even van gesproken heb, en die uit de stammen,
de takken en de wortelen van zulke dennebomen gemaakt wordt, die al van
zelven sterk uitgedroogd waren, het welk in dit Land de gebruiklykste
wys is. Het andere soort maakt men dus. Men schilt de bomen aan enen
kant en laat ze zo een jaar staan, gedurende het welk de harst uit de
scheuren voor den dag komt. Dan velt men den boom, en brandt hem tot
Teer. En dit is de Groene Teer; niet dat zy groen van kleur is, want de
beide soorten hebben byna dezelve kleur, maar omdat zy uit groene bomen
gemaakt wordt, daar men de gemene Teer uit dorre bomen brandt. Het
branden geschiedt even als in Finland. Men gebruikt alleen de
zogenaamde Zwarte Dennen, want de Witten zyn hier niet goed toe.
Daarentegen zyn zy voor masten en planten uitmuntend. De groene Teer is
duurder dan de gemene. Men klaagt reeds overal dat de Dennebosschen op
deze wys geheel vernield worden.
[Ryst.]
De Ryst wordt in Karolina sterk geplant. Zy slaagt het best op
moerassige gronden, die onder water gezet kunnen worden, en rypt daar
het vroegst. Waar men zulk enen grond niet vinden kan moet men enen
drogen nemen, dog daar is de Ryst zo goed niet. De grond moet noit
gemist worden. In Karolina wordt de Ryst in het midden van April gezaid
en is ryp in September. Men plant ze op ryen gelyk de erwten, en moet
omtrent vyftien duim tusschen de ryen open laten. Zo dra de plant
opkomt zet men ’t land onder water. Dit bevordert niet alleen het
groeyen van de Ryst, maar doodt ook al het onkruid, zo dat ’er niet
behoeft gewied te worden. Het stroo van de Ryst wordt voor een
uitmuntend voedsel voor het vee gehouden, dat het ook gaarn eet. De
Ryst vereischt ene hete lugtstreek, en daarom wil zy in Virginie niet
opnemen, en nog minder in Pensylvanie; de winters zyn in die gewesten
te koud en de zomers te kort. Men weet in Karolina niet hoe van de Ryst
Arrak te maken. Zuid Karolina brengt de meeste Ryst, en Noord Karolina
de meeste Teer voort.
[Oesterschalen in den grond.]
De zelve Man verhaalde ook, dat hy onder in enen put vele
oesterschelpen gevonden had, wel zeventig Eng. mylen van de zee en vier
van ene rivier. Zy lagen op ene diepte van veertien voeten. Het water
van den put was brakagtig, dog dat van de rivier zoet. By het zetten
van enen zaagmolen, anderhalve myl van ene rivier, had hy eerst zand,
en toen klei gevonden, die vol zat van oesterschalen. Daar onder vond
hy vele sneppen van zeevogels, zo als hy ze noemde, die al geheel
versteend waren. Dit zyn vermoedelyk Glossopetræ geweest.
[Vossen.]
Men vindt in de Engelsche Volkplantingen twee soorten van Vossen, het
ene grauw en het andere ros. Maar in ’t vervolg zal ik nog van anderen
spreken, die men somtyds in Kanada verneemt. [Grauwe Vossen.] De grauwe
Vossen heeft men hier altyd. Zy zyn in Pensylvanie en de zuidelyke
Provincien gemeen, maar vry zeldzaam in de noordelyken, waarom de
Franschen in Kanada ze Virginische Vossen noemen. Zy doen geen kwaad
aan de lammeren, maar roven het gevogelte weg als zy maar kunnen. Egter
schynt men ze niet voor een zeer schadelyk dier te houden, want ’er
staat gene beloning op het doden derzelven. De Hoedemakers zoeken hunne
vellen sterk, en gebruiken het hair. Ook voert men ’er klederen mede.
Het vet gebruikt men tegens allerlei pyn in de leden. Men wil dat zy zo
hard niet lopen kunnen als de rossen. Zy worden somtyds tam gemaakt,
dog men houdt ze altyd vast gebonden. De Heer Catesby heeft dit soort
van Vossen beschreven en met zyne kleuren natuurlyk afgebeeld. [122]
Een van deze vellen kost in Pensylvanie twee schellingen en zes pence.
[Rosse Vossen.]