Eens of tweemaal in ’t jaar wordt te New York ene vergadering gehouden

van de Afgezondenen uit alle de oorden van de Provincie. Men kan deze

Vergadering aanzien als een klein soort van Parlement of Ryksdag. Hier

wordt alles het welvaren van ’t gewest rakende in overweging genomen.

[Gouverneurs.] De Gouverneur beroept de Vergadering en doet ze scheiden

naar goedvinden. Dit is ene magt waarvan hy zig bedient wanneer hy of

verdere overwegingen onnodig, of de Vergadering niet eens gezind genoeg

oordeelt; dog het gebeurt ook dikwyls genoeg dat hy, door eigenzin of

eigenbelang bewogen, deze magt ten nadeele der Provincie gebruikt.

Somtyds heeft het gewest enen Gouverneur gehad, die met de Ingezetenen

in zulke onenigheid geraakte, dat de Afgevaardigden naderhand uit spyt

en wraaklust zig tegens alles kanteden wat hy voorstelde, het ware dan

voordelig of niet. In zulke gevallen plegt de Gouverneur de Vergadering

te ontbinden, en ene andere te beroepen, welke hy evenwel binnen korten

tyd weder ontbond zo dra hy bemerkte dat de leden niet wel gezind

waren. Op deze wys wist hy het hun zo moede te maken door de kosten die

zy zo dikwyls gedwongen waren te doen, dat zy op ’t laatst blyde waren

zig met hem te mogen verenigen in hunne pogingen ten besten van ’t

gewest. Maar daar zyn ook Gouverneurs geweest die de Vergadering

beriepen en ontbonden alleen om dat zy zig niet naar hunnen zin

schikken wilde, of hare toestemming niet kon geven aan voorslagen, die

misschien gevaarlyk of schadelyk voor de gemene zaak zouden geweest

zyn. De Koning stelt den Gouverneur naar welgevallen aan, dog de

Ingezetenen betalen hem zyn jaargeld. Dus heeft hy groter inkomsten

naar mate hy de gunst der Inwoonders winnen kan. Daar zyn voorbeelden

in deze en andere Provincien van Gouverneurs, die door hunne

onenigheden met de Ingezetenen hun gantsche jaargeld kwyt raakten,

hebbende den Koning geen vermogen om hun dit te doen betalen. Indien

een Gouverneur dan geen goed van zig zelven heeft, kan hy daar door

gedwongen worden zyn ampt nederteleggen, of zig met een zeer gering

inkomen te behelpen, of zig naar den zin der Ingezetenen te schikken.

Dog ’er zyn zekere vaste voordelen, die men hem niet onthouden kan.

Dezen zyn I. dat niemant in de gantsche Provincie ene herberg kan

opzetten zonder verlof van den Gouverneur, het welk men alleen

verkrygen kan mits betalende ene zekere erkentenis volgens de

omstandigheden. Sommige Gouverneurs, aan welken de Ingezetenen

weigerden hun jaargeld te betalen, zogten derhalven die schade te

boeten door ’t verdubbelen van het getal der herbergiers. II. Weinige

lieden, die staan te trouwen, willen hunne geboden van den preekstoel

afgelezen hebben, uitgenomen zulken die zeer arm zyn; maar verkrygen

een verlof van den Gouverneur, waarby de Predikanten, Hervormde of

Luthersche, magt krygen zulke personen, die dat verlof vertonen, te

trouwen. Dit verlof nu is den Gouverneur ene halve Guinea waard. En

deze vergunningen door de gehele Provincie belopen ene aanmerkelyke

som. III. De Gouverneur tekent alle paspoorten, en byzonder de

zeepassen; en dit geeft hem een ander middel ter goedmaking zyner

verteringen. Nog zyn ’er enige kleinder voordelen, die ik voorby zal

gaan.

[Wetten.]

De Vergadering is gewoon de oude wetten te overzien, en des noods

nieuwen te maken. Ook regelt zy den loop van ’t geld, en andere zaken

daar toe betrekkelyk. Want men moet aanmerken dat ieder van de

Volkplantingen onafhanglyk van de anderen is, en hare eigene munt en

eigene wetten heeft; zo dat zy als een land op zig zelf bestaande kan

worden aangezien. Hiervan daan komt het dat in oorlogstyden de zaken

vry langzaam, ongeregeld en slap worden bestierd; want de Provincies

zyn niet alleen somtyds oneens, maar de inzigten der Gouverneurs en der

Vergaderingen van de byzondere gewesten zyn ook dikwyls strydende; zo

dat het ligt gebeurt, dat, terwyl men twist over het geen best en het

beste koop zoude zyn in ’t voeren van den oorlog, de vyand kans heeft

de ene plaats na de [Oorlogen.] andere wegtenemen. Ook is het dikwyls

gebeurd, dat, terwyl de ene Provincie door den vyand geplaagd werd, de

anderen stil en werkeloos zaten, als of haar dit alles niets aanging.

Somtyds duurde het twee of drie jaren eer zy het eens waren of men ene

Volkplanting die aangetast werd ondersteunen zoude, en het is gebeurd

dat het besluit viel van neen. Zelfs zyn ’er voorbeelden van

Provincies, die niet alleen onzydig bleven in enen kryg tusschen ene

andere Provincie en enen uitheemschen vyand, maar die zelfs voortgingen

enen aanmerkelyken handel met den vyand te dryven.

Door deze verdeeldheden hebben de Franschen in Kanada, die maar een

hand vol volks in vergelyking van de Engelschen in Amerika waren,

gelegenheid gehad merkelyke voordelen op de laatsten te behalen. Want

uit het getal en de magt der Engelschen oordelende zoude men zeggen,

dat het hun ligt vallen moest de Franschen in Amerika te overmeesteren.

[118]

[Staatkundige aanmerking.]

Evenwel is het ene zaak van groot belang voor de kroon van Engeland,

dat deze Volkplantingen zo na aan een land onder het bestier van

Frankryk gelegen zyn als Kanada. Daar is reden van te denken dat het

den Koning noit ernst was om de Franschen daar uittejagen. De Engelsche

Volkplantingen zyn zo magtig geworden dat zy met Groot Brittanje zelf

om den voorrang dingen. Om dan het evenwigt van den handel naar den

kant van het Ryk op den duur te doen overslaan, en ter bereiking van

verscheiden andere oogmerken, is het verboden, Handwerken in Amerika

aanteleggen; goud- of zilvermynen te zoeken, ten zy men het gevonden

goud of zilver regelregt naar Engeland zende; op enige plaats handel te

dryven die niet onder ’t gebied van Groot Brittanje staat, enige zekere

plaatsen maar uitgenomen: en vreemde schepen mogen niet in de

Amerikaansche havens komen. Deze en diergelyke bepalingen maken dat de

Amerikaansche Engelschen minder liefde voor hun oorspronglyk Vaderland

krygen, en deze onverschilligheid wordt vergroot door de menigte van

vreemdelingen, als Duitschers, Hollanders en Franschen, die hier

gevestigd zyn. Voeg hierby dat vele menschen noit te vreden zyn met het

gene zy bezitten, hoe aanzienlyk dat ook zy, altyd meerder willende

winnen, en naar verandering hakende; en dat hunne al te grote vryheid

en weelde hen tot onbandigheid brengt.

Engelschen, zelfs die uit Europa herwaards overgekomen waren, hebben my

verteld, dat binnen dertig of vyftig jaar de Volkplantingen in Amerika

magt genoeg hebben zullen om enen staat op zig zelven te maken, en

volkomen onafhanglyk van Oud Engeland te zyn. Maar gelyk de gehele kust

open legt, en de binnenlanden door de Franschen ontrust worden, dwingen

deze gevaarlyke vyanden in oorlogstyden de Volkplantingen hare

verbindtenissen met haar Vaderland te onderhouden. De Engelsche

Regering heeft derhalven ene genoegzame reden van de Franschen in

Kanada als het geschiktste middel aantezien om de Volkplantingen by

haren pligt te houden. Maar ik ben reeds te ver van myn stuk

afgedwaald; ik keer derhalven weder naar New York.

[Afwyking der Naald.]

De afwyking der Naald is in die Stad door Philip Well, eersten

Ingenieur van New York, in het jaar 1686. bevonden 8. gr. 45. min. W.

Maar in 1723. was zy maar 7. gr. 20. min. volgens de waarnemingen van

den Gouverneur Burnet. Waaruit wy besluiten mogen, dat in agtendertig

jaren de Naald omtrent 1. gr. en 25. min. dat is omtrent 2. min. ieder

jaar, nader aan het ware noorden komt. De Heer Alexander, een man van

veel kennis in de Starre- en Wiskunde, verzekerde my uit verscheiden

waarnemingen, dat in het jaar 1750. den 18. September de afwyking

gerekend wierd te zyn 6. gr. 22. min.

[Drukkeryen.]

Daar zyn twee Drukkeryen in de Stad; en alle week komen ’er Engelsche

koeranten uit, die het nieuws van de gehele wereld bevatten.

[Winters.]

De winter is hier veel gestrenger dan in Pensylvanie, en byna zo hard

als in sommige delen van Zweden, dog hy duurt niet zo lang als by ons;

de lente begint hier vroeg en de herfst laat. Des Zomers is de hette

onmatig. De meloenen zyn op het open veld reeds ryp in ’t begin van

Augustus, daar wy ze onder glazen en op hete bedden nauwlyks op dien

tyd tot rypheid brengen kunnen. Ik kan de koude van den winter niet

juist bepalen, zynde alle de waarnemingen gemaakt volgens Thermometers

die in huis hingen, en die de buitenlugt niet aanraken kon. De sneeuw

blyft enige maanden leggen; en men bedient zig hier van sleden, gelyk

in Zweden, dog men maakt ze wat te groot. De Rivier Hudson is omtrent

aan haren mond ene Eng. myl breed. Het verschil tusschen het hoogste en

’t laagste water is daar tusschen de zes en zeven voet. Het water is

zeer brak; en met dat al blyft het ys daar niet alleen ene, maar

dikwyls verscheiden maanden zitten. Het is somtyds meer dan twee voet

dik.

[Muggen.]

De Muggen zyn hier dikwyls zeer lastig. Zy komen met het hoi naar de

Stad, dat op de lage landen gewonnen wordt, die geheel en al van het

zoute water doortrokken zyn; of volgen het vee, als het ’s avonds

t’huis komt. Ik heb in my zelven en in anderen ondervonden hoe zeer dit

kleine gedierte iemant in enen nagt mismaken kan. [Watermeloenen.] De

watermeloenen, die men digt by Stad aankweekt, groeyen zeer weelderig.

Zy zyn uitmuntend en beter dan ergens anders in Noord Amerika, schoon

zy op ’t openveld geplant worden, en zonder op een warm bed gestaan te

hebben. Ik zag in September 1750. ene watermeloen aan het huis van den

Gouverneur Clinton, die 47. Eng. ponden woog, en by enen Koopman alhier

ene die 42. pond zwaar was. Egter hield men deze twee voor onder de

grootsten te behoren die men hier kon aantreffen.

[Sachems.]

In ’t jaar 1710. reisden van hier vyf Koningen, anders Sachems, van de

Iroquoizen naar Engeland, om Koningin Anna tot een verbond met hun

tegens de Franschen te bewegen. Ik zal my niet ophouden met hunne

namen, kleding, het onthaal dat zy aan het Hof kregen, hunne gesprekken

met de Koningin; dit alles is uit andere boeken bekend. De Koningen of

Sachems der Wilden hebben gemeenlyk geen groter gezag over hun dan een

Schout in zyn gebied, en veeltyds nog minder. Op myne reizen door hun

Land had ik noit gelegenheid myne opwagting by enen dezer Sachems te

gaan maken, want die Heren kwamen onverzogt uit eigen beweging het

eerst aan myn verblyf, op hoop van een glas brandewyns of twee te

krygen, daar zy boven alles veel werks van maken.

[Hollanders te New York.]

De eerste Volkplanters in New York waren de Hollanders. Wanneer de Stad

en haar regtsgebied door de Engelschen ingenomen, en in verruiling

tegens Suriname by den vrede afgestaan werd, bleef het den ouden

Ingezetenen vry te New York te blyven en alle de voorregten en vryheden

te genieten, die zy van te voren bezeten hadden, of met alle hunne

goederen te vertrekken. De meesten verkozen het eerste; en dit is de

reden dat het grootste getal van de Ingezetenen dezer Stad en Provincie

Hollanders zyn, die, byzonderlyk de oude lieden, nog hunne moedertaal

spreken, schoon zy allengskens hunne zeden beginnen te veranderen,

vooral in de Stad en daar digt by, want de jonge lieden spreken meest

Engelsch, gaan in de Engelsche kerk, en zouden het zelfs kwalyk nemen,

als men ze Hollanders en niet Engelschen noemde.

[New York minder bevolkt dan Pensylvanie.]

Schoon de Provincie van New York lang voor Pensylvanie door Europers is

bewoond geweest, is egter die laatste Provincie veel meer bevolkt. Men

kan dit niet toeschryven aan de natuur van den grond, want die is te

New York zeer goed, maar zie hier wat men wil dat de reden hier van is.

Onder de Regering van Koningin Anna, omtrent het jaar 1709. kwamen vele

Duitschers herwaards en verwierven land om zig neertezetten. Na dat zy

hier enigen tyd gewoond, huizen en kerken gebouwd, en koornlanden en

weiden aangelegd hadden, wierden hunne vryheden verkort, en men

ontzette ze, onder verschillende voorgevens, van een gedeelte hunner

bezittingen. Dit maakte hen gaande. Zy keerden ten laatsten geweld met

geweld, en sloegen de zulken die hen van hun eigendom beroven wilden.

Dog de Regering nam dit zo euvel op, dat de yverigsten uit de

Duitschers by den kop gevat, hard gehandeld en zwaar gestraft werden.

Dit verbitterde de overigen zo zeer, dat de meesten hunne huizen en

goederen verlieten, en naar Pensylvanie weken, waar zy zeer wel

ontvangen wierden, en ene aanzienlyke uitgestrektheid lands verwierven,

nevens vele voorregten, die altyd duren moesten. Hiermede niet voldaan,

schreven zy aan hunne nabestaanden en vrienden in New York, en raadden

hen van, zo zy oit naar Amerika dagten overtekomen, niet naar New York

te gaan, waar de regering niet deugde. Deze raad had zulk enen invloed,

dat de Duitschers, waarvan ’er in ’t vervolg een zeer groot getal naar

Amerika gingen, altyd New York vermydden, en allen zig naar Pensylvanie

begaven. Somtyds gebeurde het dat zy gedwongen waren met schepen naar

New York geschikt over te komen, dog zy waren nauwlyks daar aangeland,

of zy haastten zig naar Pensylvanie te gaan, in ’t aanzien van alle de

Inwoonders van New York.

Dog ’er kan nog ene twede oorzaak gegeven worden van het gebrek aan

volk in New York. Toen de Hollanders by den vrede met Engeland de

vryheid kregen van alle hunne voorregten zonder de minste bepaling te

blyven genieten, nam ieder van hun een zeer groot stuk lands in bezit,

en verscheidenen van de hoofden der magtigste huisgezinnen maakten zig

meester van ene uitgestrektheid lands, die groot genoeg zou geweest zyn

voor een geheel kerspel. En daar de meesten van hun zeer ryk waren,

bewoog hen de nyd dien zy jegens de Engelschen hadden, om hunne landen

niet dan tot enen buitensporigen prys aan dezelven te willen verkopen,

het welk hunne nakomelingen stiptelyk zyn nagevolgd. Dus hebben de

Engelschen en andere Vreemdelingen weinig aanmoediging om zig hier

nedertezetten. Integendeel hebben zy in de andere Provincien

gelegenheid genoeg om landeryen beter koop te krygen, en met groter

veiligheid voor hun zelven. Dus is het geen wonder dat zo vele delen

van New York onbebouwd leggen en naar woestenyen gelyken. Dit voorbeeld

toont aan hoe zeer een misslag in de regering de bevolking benadelen

kan.

[Vertrek van New York naar Philadelpia.]

Den 3. November gingen wy omtrent den middag weder van New York op

reis, en onzen togt vervolgende kwamen wy den 5. te Philadelphia aan.

[Appelen vroeger ryp in Pensylvanie dan in New York.]

In den omtrek dier Stad had het volk al ene maand geleden hunnen Cyder

gemaakt, waartoe zy genoodzaakt waren omdat de appelen zo ryp waren dat

zy afvielen. Maar op onze reis door New York zagen wy de menschen daar

eerst aan bezig. Dit is een duidelyk bewys dat de appelen in

Pensylvanie eerder ryp worden dan in New York; maar of dit van den

grond, of van de groter hette in Pensylvanie, of van ene andere oorzaak

komt, kan ik niet zeggen. Dog het zo vroeg maken van den Cyder heeft

geen het minste voordeel in; integendeel, de ondervinding heeft geleerd

dat het beter is hem later in ’t jaar te maken, wordende de grote hette

gehouden de gisting te beletten.

[Polecat.]

Daar is een viervoetig dier zeer gemeen, niet alleen in Pensylvanie,

maar ook in andere gewesten van Zuid en Noord Amerika, by de Engelschen

Polecat [119] genoemd. In New York noemen zy het gemeenlyk Skunk. De

Zweden heten het Fiskatte, om zynen vreeslyken stank. De Franschen in

Kanada geven het den naam van het stinkend dier of het Duivelskind.

[120] Enigen heten het ook Pekan. De Heer Catesby [121] heeft het

beschreven, en naar het leven afgebeeld. Dit dier gelykt veel naar den

Marter, is omtrent van dezelve grootte en gemeenlyk zwart. Op den rug

heeft het ene streep die in de langte loopt, en twee anderen op ieder

zyde, die met de eerste gelykwydig lopen. Somtyds, dog zeer zelden,

ziet men ’er die geheel wit zyn. Op onze terugreis naar Philadelphia

zagen wy ’er een dat door de honden doodgebeten was. En naderhand had

ik vele gelegenheden van het te zien, en van zyne eigenschappen te

horen spreken. Het houdt zyne jongen zo wel in holle bomen als in gaten

onder den grond. Het klimt zeer vlug op de bomen, is een groot vyand

van ’t gevogelte, breekt de eijeren en vreet de kiekens op, en als het

in een hoenderhok kan komen vernielt het al wat ’er in is.

[Zyn stank.]

Dit dier heeft ene eigenschap waardoor het vooral bekend is. Wanneer

het door menschen of honden vervolgd wordt, loopt het zo schielyk als

het kan weg, of kloutert op enen boom, maar als het zo bezet is dat het

niet ontsnappen kan, verdedigt het zig met zyn pis. Sommigen denken dat

het dit doet met zynen staart te bepissen, en dan denzelven zo schielyk

en met zo veel kragt te slingeren dat de pis naar alle kanten ’er

uitvliegt; maar anderen zyn van mening dat het zyn pis zonder het

behulp van den staart zo ver zenden kan. Voor my ik vind het eerste het

waarschynlykst; want sommige geloofwaardige lieden hebben my verzekerd

dat, schoon zy meer dan agttien voet van het dier afstonden, hunne

aangezigten geheel en al nat geworden zyn. Zyn pis heeft zulk enen

stank dat ’er niets by kan vergeleken worden, omtrent gelyk, dog veel

sterker, als het Geranium Robertianum van Linnæus. Wanneer men omtrent

hem komt als hy zyn’ stank laat ruiken kan men enigen tyd nauwlyks adem

halen, en het is of men stikken zou. Heeft men het ongeluk de pis in

het oog te krygen, zo loopt men gevaar dat te verliezen. Vele honden,

die op de jagt den Polecat yverig vervolgen, lopen weg zodra zy nat

gemaakt worden; evenwel als zy van ’t regte ras zyn, zullen zy ’t niet

opgeven, voor dat ze hem gevangen en doodgebeten hebben; dog zy zyn

genoodzaakt nu en dan hunne neuzen in den grond te steken om adem te

scheppen.

Een kleed, dat door dit dier is nat gemaakt, behoudt den stank meer dan

ene maand, ten zy men het vierentwintig uren onder varsche aarde leggen

late, want dan gaat ’er de reuk grotendeels af. Als men de pis op zyne

handen of het aangezigt gekregen heeft, wryft men die ook met losse

aarde, en sommigen hebben hunne handen een uur lang in den grond

gehouden. Wasschen helpt zo schielyk niet. Een zeker Man van aanzien,

door den Polecat nat gemaakt, stonk zo schrikkelyk, dat, toen hy in

huis kwam, de menschen ’er uitliepen, of hem den ingang weigerden.

Honden, die op de jagt der Polecatten geweest zyn, stinken enige dagen

daarna nog zo dat men ze in huis niet verdragen kan. Te Philadelphia

zag ik eens op enen marktdag enen hoop volks met stenen naar enen hond

goyen, die waarschynlyk het ongeluk gehad had van dit dier te na

gekomen te zyn. De Reizigers worden dikwyls in de bosschen van dien

reuk gekweld, zo dat men somtyds den neus moet toehouden. Als de wind

van de plaats komt daar de Polecat geweest is, by nagt of in grote

stilte, is de stank des te geweldiger.

In den winter van 1749. kwam een Polecat, gelokt door den reuk van een

dood lam, digt by een huis daar ik dien nagt sliep. De honden het dier

terstond nazettende, gebruikte het zyne gewoonlyke wapenen om zig van

hun te ontslaan. Het gelukte; de honden hadden genen lust hunne jagt te

vervolgen. Hy maakte zulk een stank, dat, schoon ik op enigen afstand

’er van daan was, ik ’er byna van stikte, en het vee vond hem ook zo

onaangenaam dat het begon te bulken. Allengskens verdween hy egter.

Tegens het einde van dat jaar kwam een dezer dieren in onzen kelder,

dog men vernam genen stank, want dien geeft hy niet van zig ten zy in

nood. De Keukenmeid evenwel merkte enige dagen agter malkander dat ’er

van het vleesch gegeten was, en, denkende dat het de kat gedaan had,

stopte zy de toegangen toe. Maar den volgenden nagt wierd zy wakker van

een ysselyk geweld in den kelder. Zy ging ’er naar toe, en, schoon het

donker was, zag zy een dier met twee glinsterende ogen, die als vuur

schenen te branden. Zy greep egter moed, en sloeg het dood. Dog toen

het beest regt benauwd begon te worden, vervulde het den kelder met

enen zo afschuwelyken reuk, dat niet alleen de Meid gedurende enige

dagen ’er ziek van was, maar dat ook brood, vleesch en andere eetwaren,

die in den kelder stonden, ’er zo van doordrongen werden, dat men het

alles weg werpen moest.

Uit een voorval dat een myner kennissen te New York had, maak ik op,

dat de Polecat of niet altyd zeer schuw is, of dat hy zeer sterk slapen

moet. Deze Man, op enen zomeravond in de schemering uit het bosch

komende, meende dat hy ene plant voor zig zag staan, en, die willende

afplukken, wierd hy op eenmaal van den Polecat bepist, die op den grond

zat en zynen staart om hoog hield. Dit had den Man doen denken dat het

ene plant was. Hy had vele moeite zig van dien geur te ontdoen.

[Mak gemaakt.]

Schoon deze dieren zo onaangenaam een gezelschap kunnen zyn, plegen dog

somtyds de Engelschen, Zweden, Franschen en Wilden ze te temmen. Zy

volgen dan hunne Meesters gelyk als honden, en bedienen zig noit van

hunne wapenen, ten zy men ze slaat of bang maakt. De Wilden eten hem.

Maar wanneer zy hem de huid aftrekken, snyden zy ’er de blaas uit, om

voortekomen dat het vleesch een kwaden [Zyn vleesch.] smaak kryge. Ik

heb ook Engelschen en Franschen gesproken, die verzekerden ’er van

gegeten te hebben, en dat het niet kwalyk smaakte. Zy vergeleken het by

’t vleesch van een speenvarkentje. De Europers [De Huid.] gebruiken de

huid, die grof en langhairig is, niet, maar de Wilden bereiden ze,

latende ’er het hair aan, en maken ’er tabaksbeurzen van, die zy voor

het lyf dragen.

[Byzonderheden aangaande de Karolina.]

Den 6. November tegen den avond ging ik naar het landgoed van den Heer

Bartram. Ik vond iemant by hem die in Karolina woonde, en my

verscheiden’ byzonderheden aangaande dat Land mededeelde, waarvan ik

’er enigen ga gewagen.

[Voortbrengsels. Teer.]

Teer, Pek en Ryst zyn de voornaamste voortbrengsels van dat gewest. De

grond is zeer zandig, en dus wassen ’er vele pyn- en dennebomen,

waaruit men de Teer maakt. Men neemt daar gemeenlyk zulke bomen toe die

van zelven dood gegaan zyn. Men weet daar niet, gelyk in Oost Bothnie,

de bomen tot het Teerbranden op zulk ene wys te gebruiken, dat men ’er

den bast op ene, en somtyds aan verscheiden’ zyden, eerst afschilt. Op

sommige plaatsen in Karolina neemt men hier toe ook de takken. Het

branden en koken geschiedt, gelyk my de man het beschreef, op de zelve

wys als in Finland. De Pek wordt uit de Teer op deze wys gemaakt. Men

graaft enen kuil, en besmeert dien van binnen met klei, hier giet men

de Teer in, en maakt ’er een vuur rondom, dat men brandende houdt tot

dat de Teer de stevigheid van de Pek verkregen heeft. Daar wierden in

Noord Amerika twee soorten van Teer gemaakt. Het eerste is de gemene

Teer, dezelve daar ik zo even van gesproken heb, en die uit de stammen,

de takken en de wortelen van zulke dennebomen gemaakt wordt, die al van

zelven sterk uitgedroogd waren, het welk in dit Land de gebruiklykste

wys is. Het andere soort maakt men dus. Men schilt de bomen aan enen

kant en laat ze zo een jaar staan, gedurende het welk de harst uit de

scheuren voor den dag komt. Dan velt men den boom, en brandt hem tot

Teer. En dit is de Groene Teer; niet dat zy groen van kleur is, want de

beide soorten hebben byna dezelve kleur, maar omdat zy uit groene bomen

gemaakt wordt, daar men de gemene Teer uit dorre bomen brandt. Het

branden geschiedt even als in Finland. Men gebruikt alleen de

zogenaamde Zwarte Dennen, want de Witten zyn hier niet goed toe.

Daarentegen zyn zy voor masten en planten uitmuntend. De groene Teer is

duurder dan de gemene. Men klaagt reeds overal dat de Dennebosschen op

deze wys geheel vernield worden.

[Ryst.]

De Ryst wordt in Karolina sterk geplant. Zy slaagt het best op

moerassige gronden, die onder water gezet kunnen worden, en rypt daar

het vroegst. Waar men zulk enen grond niet vinden kan moet men enen

drogen nemen, dog daar is de Ryst zo goed niet. De grond moet noit

gemist worden. In Karolina wordt de Ryst in het midden van April gezaid

en is ryp in September. Men plant ze op ryen gelyk de erwten, en moet

omtrent vyftien duim tusschen de ryen open laten. Zo dra de plant

opkomt zet men ’t land onder water. Dit bevordert niet alleen het

groeyen van de Ryst, maar doodt ook al het onkruid, zo dat ’er niet

behoeft gewied te worden. Het stroo van de Ryst wordt voor een

uitmuntend voedsel voor het vee gehouden, dat het ook gaarn eet. De

Ryst vereischt ene hete lugtstreek, en daarom wil zy in Virginie niet

opnemen, en nog minder in Pensylvanie; de winters zyn in die gewesten

te koud en de zomers te kort. Men weet in Karolina niet hoe van de Ryst

Arrak te maken. Zuid Karolina brengt de meeste Ryst, en Noord Karolina

de meeste Teer voort.

[Oesterschalen in den grond.]

De zelve Man verhaalde ook, dat hy onder in enen put vele

oesterschelpen gevonden had, wel zeventig Eng. mylen van de zee en vier

van ene rivier. Zy lagen op ene diepte van veertien voeten. Het water

van den put was brakagtig, dog dat van de rivier zoet. By het zetten

van enen zaagmolen, anderhalve myl van ene rivier, had hy eerst zand,

en toen klei gevonden, die vol zat van oesterschalen. Daar onder vond

hy vele sneppen van zeevogels, zo als hy ze noemde, die al geheel

versteend waren. Dit zyn vermoedelyk Glossopetræ geweest.

[Vossen.]

Men vindt in de Engelsche Volkplantingen twee soorten van Vossen, het

ene grauw en het andere ros. Maar in ’t vervolg zal ik nog van anderen

spreken, die men somtyds in Kanada verneemt. [Grauwe Vossen.] De grauwe

Vossen heeft men hier altyd. Zy zyn in Pensylvanie en de zuidelyke

Provincien gemeen, maar vry zeldzaam in de noordelyken, waarom de

Franschen in Kanada ze Virginische Vossen noemen. Zy doen geen kwaad

aan de lammeren, maar roven het gevogelte weg als zy maar kunnen. Egter

schynt men ze niet voor een zeer schadelyk dier te houden, want ’er

staat gene beloning op het doden derzelven. De Hoedemakers zoeken hunne

vellen sterk, en gebruiken het hair. Ook voert men ’er klederen mede.

Het vet gebruikt men tegens allerlei pyn in de leden. Men wil dat zy zo

hard niet lopen kunnen als de rossen. Zy worden somtyds tam gemaakt,

dog men houdt ze altyd vast gebonden. De Heer Catesby heeft dit soort

van Vossen beschreven en met zyne kleuren natuurlyk afgebeeld. [122]

Een van deze vellen kost in Pensylvanie twee schellingen en zes pence.

[Rosse Vossen.]

Reis door Noord Amerika · 第 12 / 50 段