De Kooplieden zenden om dezen tyd vele dus ingemaakte Oesters hier van

daan naar de West Indien, waar by zy gemeenlyk ene aanzienlyke winst

doen, want Oesters die hun hier ene schelling kosten verkopen zy den

meesten tyd voor een pistool, of zesmaal zo veel als zy hun gekost

hebben, en somtyds nog meer. De Oesters op deze wys ingemaakt zyn zeer

lekker, en kunnen ook gebraden worden.

Ene andere manier van ze intemaken bestaat hierin. Men doet ze uit de

schalen, braadt ze in een pan met boter, doet ze in een glazen of

aarden vat, en giet ’er de gesmolten boter op, zo dat ze wel bedekt

leggen, en er geen lugt bykome. Op deze wys ingelegt zyn zy even goed

om te eten als op de voorgaande, en worden ook naar de West Indien en

andere oorden verzonden.

Men at ze hier ook rauw, met azyn en peper, dog zelden. Meest braadt

men ze in ene pan met boter, of in de schalen zelven op kolen. Ook

kookt men ze in hun eigen water, dat zy in overvloed van zig geven, zo

dra zy in de warmte komen. En men hield ze dan veel lekkerder als

wanneer men ze in ander water kookte. Zy gingen hier voor ene gezonde

spys. Arme menschen eten ze het gehele jaar door met een weinig broods.

De Oesters worden voornaamlyk op enen modderigen grond gevangen. Zy zyn

zo talryk niet op het zand, en men vindt hier zelden rots of steen op

den bodem der zee. De Oesterschelpen worden op grote hopen verzameld en

tot kalk gebrand. Wy zagen vele zulke hopen by de Landhoeven leggen,

die niet ver van zee waren; en omstreeks New York zagen wy de Boeren ze

geheel en ongebroken op het land ryden, dat met weit bezaid was. De zee

verschaft ’er hier ene schrikkelyke menigte van.

De Wilden, die voor de aankomst der Europers aan de zeekusten woonden,

leefden voornaamlyk van oesters en mosselen. Nog vangen zy ze

vlytiglyk, wanneer ze op plaatsen komen daar oesters zyn, en verkopen

ze dieper in het land aan de andere Wilden. Dit is de reden dat men op

die plaatsen daar men weet dat zy voorheen gewoond hebben ongemeen vele

oester- en mosselschelpen op hopen vindt. En dit moet ons omzigtig

maken in te beweren dat op alle plaatsen, digt by zee, of dieper

landswaards in, waar men zulke hopen ontmoet, dezelven daar gelegen

hebben sedert de tyden dat de zee over die landen stroomde.

[Kreeften.]

Zeekreeften worden hier ook overvloedig gevonden, en byna op dezelve

wys als de Oesters ingemaakt en verzonden. Ik heb dikwyls horen

verhalen dat de kust van New York al reeds lang door de Europeanen

bewoond was, zonder dat ’er kreeften te vinden waren, zo dat zy uit

Nieuw Engeland, daar ze overvloedig waren, in grote vischkorven

derwaards wierden gebragt. Maar het gebeurde eens dat een dezer korven

by Helgate kwam te breken, omtrent tien Eng. mylen van New York, en

alle de Kreeften raakten vry. Sedert dien tyd zyn zy hier zo

vermenigvuldigd, dat ze in den grootsten overvloed gevangen worden.

[Koude Koorts.]

Een soort van koude koorts, door de Engelschen Fever and ague genoemd,

is zeer gemeen in velen van de Engelsche Volkplantingen. Dog in

sommigen weet men ’er niets van. Ik zal in ’t vervolg de eigenschappen

dezer ziekte nader beschryven. Verscheidenen van de aanzienlykste

Ingezetenen van New York verzekerden my, dat deze ziekte daar ver na zo

gemeen niet is als in Pensylvanie, waar ’er tien tegen een in New York

van worden aangetast. Om die reden waren ze van mening, dat deze ziekte

veroorzaakt werd door de dampen van staande wateren, poelen, en

rivieren; en dus konden de landschappen aan de kust gelegen zo ligt ’er

niet van worden aangedaan. Evenwel wierd het gulzig eten van meloenen,

watermeloenen, persiken, en andere sappige vrugten, ook gehouden den

voortgang van deze ziekte veel te bevorderen; en vele voorbeelden

bevestigden deze mening. De Kina wierd ’er een goed middel tegen

gerekend. Egter wierd zy dikwyls gevonden ene verkeerde werking te

doen, ’t zy dan dat ze verbasterd was, ’t zy dat men ze op ene

verkeerde wys gebruikt had. De Heer David van Horne, een Koopman,

vertelde my, dat hy zig en vele andere menschen van de koorts genezen

had met de bladen der Tuinsaly. [111] Hy stampte ze in een vyzel, en

drukte ’er het sap uit; dit deed hy zo lang tot dat hy ’er een lepel

vol van had, en mengde ’er dan wat citroensap onder. Dit gebruikte hy

tegens dat de huivering begon; en na dat het drie of vier malen genomen

was, kwam de koorts niet weder.

[Eikenbast.]

De bast van den witten Eik wierd voor het beste middel tegens den loop

gehouden. Men maakt hem tot poeder. My wierd van sommigen verzekerd,

dat ’er gevallen waren waarin niets had willen helpen, en waar in dit

middel ene zekere en spoedige genezing veroorzaakt had. In New York

gebruikte men dezen bast ook om wol bruin te verwen, zo dat zy naar

thee bohea gelykt, en in de zon niet verschiet. Onder de ontelbare

schelpen en hoorns die men op ’t strand vindt, zyn ’er die veel

[Clams.] naar een menschenoor gelyken. De Engelschen noemen ze Clams.

Zy zyn zeer dik, wit, uitgenomen alleen het spitse eind, dat van binnen

en van buiten blauw is, trekkende wat naar het violet en het purper.

Men vindt ze in groten overvloed op de kust van New York, Long Island,

en andere plaatsen. De schaal besluit een vry groot dier, het welk,

niet alleen de Wilden, maar ook de Europers gaarn eten.

Met dezen schelpvisch dryft men enen aanmerkelyken handel onder de

Wilden binnen ’s lands. Toen deze menschen nog op de kusten woonden,

konden zy zelven hunne Clams vangen, waaruit hun voedsel voornamelyk

bestond; maar tegenswoordig doen dit de Hollanders en de Engelschen,

die op Long Island en andere zeeplaatsen wonen. Zo dra de schelp

gevangen is neemt men ’er den visch uit, rygt hem aan een draad, en

hangt hem dus in de lugt om in de zon te drogen. Dit gedaan zynde,

wordt hy in vaten gelegd en naar Albany gezonden, waar de Wilden deze

waar kopen, die zy voor een hunner beste geregten houden. Behalven de

Europeanen komen velen van de Inlanders jaarlyks op de zee kust om

Clams te vangen.

[Wampum der Wilden.]

De Wilden gebruiken deze schelpen in plaats van geld, en maken ’er hun

zo genaamd Wampum van. Hunne Vrouwen hangen ze ook om als zy opgeschikt

willen wezen. De Wampums worden eigenlyk van het violet der schelp

gemaakt, want de blauwagtige stukken hebben by hun ene veel grotere

waarde dan de witten. Een Reiziger, wel voorzien van deze schelpen, kan

’er ene aanmerkelyke winst mede doen onder de Inlanders; maar als hy

geld, goud of zilver medeneemt, zal hy voorzeker verliezen, want de

Wilden, die verder binnen ’s lands wonen, agten deze metalen weinig of

niet, gelyk ik dikwyls heb opgemerkt. Voorheen maakten zy hunne Wampums

zelven, schoon niet zonder veel moeite, maar tegenswoordig worden zy

meest van de Europeanen gemaakt. Byzonderlyk doen dit die van Albany,

en winnen ’er aanmerkelyk veel by. In ’t vervolg denk ik de wys waarop

de Wampums gemaakt worden te beschryven.

[Joden.]

Behalven de verschillende sekten van Christenen, wonen ’er vele Joden

in New York, die daar grote voorregten bezitten. Zy hebben ene

Synagoge, bezitten huizen en buitenplaatsen in eigendom, en mogen

winkel doen in de Stad. Ook hebben ze verscheiden schepen, die ze

bevragten. In een woord, zy genieten de zelve voorregten als de overige

Ingezetenen.

Gedurende myn verblyf te New York, zo wel deze reis als de twee

volgende jaren, ben ik dikmaals met Joden in gezelschap geweest, en

vernam onder anderen dat dit volk noit enige spys voor zig op zaturdag

bereidde, maar dat altyd den dag te voren deed, en dat zy ’s winters

den gantschen zaturdag over vuur aanhielden. Zy eten gemeenlyk geen

spek; egter wierd my door verscheiden’ geloofwaardige menschen

verhaald, dat zy op reis zynde, en wel vooral de jonge Joden, gene

zwarigheid maakten die, of enige andere spys, die hun wierd voorgezet,

te gebruiken, zelfs in tegenwoordigheid van Christenen. Ik was voor de

twedemaal den 2. November in hunne Synagoge, en wierd elke reis op ene

byzondere plaats gezet, die voor de Christenen geschikt is. Een jonge

Rabbi verrigtte den godsdienst ten dele in ’t Hebreuwsch en ten dele in

’t Rabbynsch. De mans en de vrouwen waren allen op zyn Engelsch

gekleed; de eersten hielden allen den hoed op. De galeryen waren voor

de vrouwen. De mans wierpen by het bidden enen witten doek over het

hoofd, het welk misschien enen Zak wilde verbeelden. Maar ik merkte dat

de rykeren enen kostbaarderen doek hadden dan de anderen. Velen van de

mans hadden Hebreeuwsche boeken, waaruit zy by beurten zongen en lazen.

De Rabbi stond in ’t midden der Synagoge, met het aangezigt naar het

oosten gekeerd; maar hy rabbelde zodanig dat het byna onmogelyk moet

geweest zyn hem te verstaan. [112]

[De Stad New York.]

New York, de Hoofdstad der Provincie van dien naam, legt op 40. gr. 40.

minn. N. en 74. gr. 4. min. W. van Lond. omtrent 97. Eng. mylen van

Philadelphia. Hare legging is zeer voordelig voor den handel, want de

Stad staat op een punt dat door twee bayen wordt gemaakt, in ene van

dewelken de Rivier Hudson, niet ver van de Stad, zig uitstort. Dus is

New York aan drie kanten van water omringd. De grond, waarop de Stad

gebouwd is, is op sommige plaatsen effen en op andere heuvelagtig. De

plaats wordt gerekend zeer gezond te zyn.

[Gestigt door de Hollanders.]

De Stad wierd het eerst door de Hollanders aangelegd, in ’t jaar, gelyk

men zegt, 1623. toen zy meester van het land waren. Zy noemden ze Nieuw

Amsterdam, en het land zelf Nieuw Nederland. De Engelschen maakten ’er

zig meester van in ’t jaar 1664. en behielden het uit hoofde van het

volgende verbond van vrede. Zy noemden het land en de Stad beiden New

York. In grootte komt de Stad zeer na by Boston en Philadelphia. Maar

in fraiheid, rykdom, en handel, betwist zy die plaatsen den voorrang.

Tegenwoordig zal zy anderhalf maal zo groot als Gothenburg in Zweden

zyn.

De straten lopen zo lynregt niet als te Philadelphia, en hebben somtyds

aanmerkelyke bogten. Egter zyn zy ruim, wel bebouwd, en geplaveid,

uitgenomen op sommige hoge plaatsen, waar dat niet nodig was. Op de

voornaamste straten staan bomen, die des zomers een groot aanzien en

ene lieflyke lommer geven. Dit doet de Stad als naar enen tuin gelyken.

De bomen die het talrykst zyn zyn de Waterbeuken, [113] welken door hun

zwaar blad veel schaduw geven, en de Sprinkhaanboom, [114] wien zyne

schone bladeren en de aangename reuk van zyne bloemen zeer geschikt

maken om in ene Stad digt by de huizen en in tuinen geplant te worden.

Ook stonden ’er Linden en Olmen op de straten, dog minder in getal. Zy

waren in ’t gemeen om den anderen geplant.

[Boomkikkers.]

Behalven allerhande vogelen, die des zomers zig in de bomen onthouden,

vindt men ’er een soort van Kikker in groten overvloed in. [115] Zy

maken een schrikkelyk geweld des avonds en des nagts, vooral na enen

heten dag en als men regen verwagt, zo dat zy ’t gezang der vogelen als

verdoven. Dikwyls schreuwen zy zo sterk dat een mensch moeite heeft van

zig te doen verstaan.

[Huizen.]

De meeste huizen zyn van gebakken’ steen, in ’t algemeen sterk en net,

en verscheiden verdiepingen hoog. Sommigen hadden, volgens de oude

bouworder, de gevels naar de straat gekeerd, maar dit was anders by de

nieuweren. Vele huizen hadden op het dak een balkon, waarop de menschen

’s avonds gewoon waren te zitten, en van waar men een aangenaam gezigt

over de Stad, de naburige wateren, en de overleggende kust heeft. De

daken zyn gemeenlyk met pannen of berden van wit dennenhout, [116] dat

hier te lande wast, gedekt. De Inwoonders zyn van gevoelen, dat zulk

een dak al zo duurzaam is als een dat van wit Cederhout [117] gemaakt

is, gelyk in Pensylvanie geschiedt. De muren zyn van binnen gewit, en

ik zag nergens behangsels, waarvan men hier weinig schynt te weten. De

muren waren geheel bedekt met printen en kleine schilderytjes. Op beide

zyden van den schoorsteen waren gemeenlyk een soort van kasten; de

muren onder de vensters waren meest beschoten, en ’er waren zitbanken

by. De kasten en al het houtwerk waren gemeenlyk blauwagtig grauw

geschilderd.

[Kerken.]

Daar zyn verscheiden Kerken in de Stad, die aanmerking verdienen. De

Engelsche Kerk, gebouwd in ’t jaar 1695. in het westen der Stad, is van

steen, en heeft toren en klokken. De Nieuwe Hollandsche Kerk, insgelyks

van steen, is vry groot, en heeft enen toren met een uurwyzer, het

enige dat in de Stad is. Zy staat noord en zuid. Men heeft hier in het

aanleggen van Kerken naar gene streken zig gerigt. In deze Kerk zyn nog

altaar, nog sakristy, nog koor, nog kaarskronen, nog schilderyen. De

Oude Hollandsche Kerk, insgelyks van steen, is zo groot niet als de

Nieuwe. Zy was van binnen beschilderd, dog zonder beelden, en met een

klein orgel versierd, dat haar de Gouverneur Burnet vereerd heeft. De

mans zitten meest op de gallery en de vrouwen beneden.

De Presbyteriaansche Kerk is tamelyk groot, en eerst onlangs gebouwd.

Zy is van steen, en heeft enen toren met ene klok. Nog vindt men ’er

ene Duitsche Luthersche Kerk, ene Duitsche Hervormde Kerk, ene Fransche

Kerk voor de Protestantsche Vlugtelingen, ene Quaker vergaderplaats;

waarby men de Joodsche Synagoge nog voegen kan.

[Fort George.]

Aan den zeekant op de spits der landengte legt een tamelyk goed

kasteel, het Fort George genoemd, het welk de gantsche haven bestrykt,

en de Stad ten minsten voor enen onverwagten aanval verdedigen kan. Ten

noorden tegens het strand aan is zy door palissades bevestigd, die

egter, daar men in lang genen vyand te dugten heeft gehad, grotendeels

in slegten staat zyn.

[Water.]

In de Stad zelve is geen goed water te vinden, maar digt ’er by is ene

schone bron, waaruit de Inwoonders hun water voor de thee en de keuken

halen. Sommigen evenwel, die minder kiesch zyn, bedienen zig van het

water uit de putten in de Stad, schoon het zeer slegt is. Dit gebrek

van goed water is lastig voor de vreemde paarden die in de Stad komen,

want zy lusten het water niet dat men daar vindt.

[De Haven.]

De Haven is vry goed. De schepen kunnen met hunne volle lading vlak

tegens de brug aan leggen. Het water is zeer brak, dewyl de zee gedurig

in de Haven komt, en daar door vriest zy niet toe, ten zy in zeer koude

winters. Dit is een groot voordeel voor den handel, het welk

Philadelphia niet heeft. De Haven is bevryd van alle orkanen uit het

zuidoosten, door Long Island, dat vlak over de Stad legt. Dus hebben de

schepen alleen de zuidwester stormen te vrezen, want aan dien kant is

de Haven open. Dog de ingang heeft enige gebreken, onder anderen dit

dat ’er geen oorlogschip kan inkomen, want schoon zy vry diep is, is

’er egter voor zo diep gaande vaartuigen geen water genoeg. Somtyds is

het ook wel zware koopvaardyschepen gebeurd, door het sterk gaan der

golven, wanneer zy tusschen de zelven in nederzakten, eventjes grond te

raken, schoon zonder kwade gevolgen. Buiten dat, de ingang is nauw, en

vele schepen zyn daar vergaan, om dat ze ligt op ene bank geraken

kunnen, als zy gene goede lootsen hebben. Oude lieden, die lang den

ingang dier haven bevaren hadden, verzekerden my, dat hy nog dieper,

nog ondieper, nog smalder nog breder was dan voorheen.

Het verschil van ty by hoogst en laagst water is hier omtrent zes Eng.

voeten. Maar op zekere tyden van de maand, wanneer de vloed het hoogst

is, stygt hy tot zeven voet boven de laagste ebbe.

[Handel.]

New York is misschien de Stad die van gantsch Noord Amerika den

sterksten handel dryft. Boston en Philadelphia komen haar zeer naby.

New York strekt haren handel zeer ver uit, en men wil dat zy meer

schepen naar Londen zendt dan Philadelphia. Men voert van hier naar die

Hoofdstad alle de pelteryen, die men van de Wilden koopt, suiker,

Mahogany, Brazilie, en ander verwhout, Rum, en andere West Indische

waren, nevens al het geld dat men uit de West Indien getrokken heeft.

Alle jaren worden hier schepen gebouwd om te Londen verkoft te worden,

en men heeft in de laatste jaren zeer veel yzers derwaards gezonden.

Van Londen brengt men hier in, stoffen en allerhande Engelsche

Handwerken en andere vreemde waren. Engeland, en inzonderheid Londen

wint ontzaglyk by den handel op Noord Amerika; want niet alleenlyk New

York, maar alle de Engelschen Steden op het vaste land voeren zo veel

goed uit Engeland in, dat al het geld, nevens alle de waren die hier

uit andere gewesten komen, naar Engeland moet, om het geen men hier

trekt te betalen, en dit alles is daartoe nog niet voldoende. Hieruit

blykt hoe veel ene wel geregelde Volkplanting tot de welvaert van hare

Moederplaats toebrengt.

New York zendt vele schepen naar de West Indien met koorn, meel,

bischuit, houtwerk, timmerhout, planken, vleesch, visch, boter en

andere eetwaren. Ook gaan ’er velen naar Boston, in Nieuw Engeland, met

koorn en meel, die van daar vleesch, boter, timmerhout, verscheiden’

soorten van visch, en andere waren terug ontvangen, welken zy verder

naar de West Indien voeren. Daar nemen zy somtyds rum in, die op die

plaatsen in groten overvloed gestookt wordt, en verkopen die hier met

groot voordeel. Ook varen ’er somtyds geladen Jagten tusschen New York

en Philadelphia over en weder; hetgeen alleen, gelyk uit de Koeranten

blykt, geschiedt, om dat sommige waren op de ene plaats duurder zyn dan

op de andere. Jaarlyks zendt men ook schepen naar Ierland beladen met

West Indische waren, maar vooral met Lynzaad, dat hier gewonnen wordt.

Men heeft my verzekerd dat ’er sommige jaren meer dan tien schepen mede

geladen naar Ierland gegaan zyn, om dat het vlas daar gezegd wordt geen

goed zaad te geven. Maar het is waarschynlyk dat de ware reden is, dat

men in Ierland, om des te beter vlas te hebben, niet wagt tot dat de

plant ryp is, en derhalven vreemd zaad moet laten komen. En dus is die

een der hoofdtakken van den handel geworden.

Somtyds worden de goederen die naar de West Indien gaan met gereed geld

betaald, en somtyds in waren, die of eerst naar New York gebragt, of

regelregt naar Engeland of Holland gezonden worden. Als dan een schip

op de terugreis gene waren medenemen, of niemant het bevragten wil, zo

vaart het naar Newcastle in Engeland, en neemt in plaats van ballast

steenkolen in, die hier wel betaald worden. Ook gebruikt men ze in vele

huizen, in de keuken en in de kamers, dewyl zy beter koop geschat

worden dan het hout. New York dryft ook enigen handel op Zuid Karolina,

waar het koorn, meel, suiker, rum, en andere goederen naar toe zendt,

en van waar het ryst wederom terug ontvangt, het welk genoegzaam het

enige is dat uit Zuid Karolina verzonden wordt.

De waren waarin de Provincie van New York handel dryft zyn niet zeer

menigvuldig. De voornaamsten zyn, pelteryen, die te Oswego van de

Wilden gekoft worden, vele planken, die meest van Albany komen,

timmerhout en vaatwerk, dat van omstreeks de Rivier Hudson gehaald

wordt, en eindelyk weit, meel, garst, haver, en ander graan, dat men

van New Jersey en uit de Provincie zelve krygt. Ik heb Jagten gezien

van Nieuw Brunswyk, geladen met weit, die los in ’t schip lag, en met

meel in tonnen gepakt, gelyk ook met ene menigte van lynzaad. De

Provincie van New York levert ook enig vleesch en andere eetwaren, die

men verzendt, dog in gene menigte. Ook is de voorraad van erwten die

van Albany komt niet aanzienlyker. Maar des te meer yzer kan men

verzenden, want men vindt het op verscheiden’ plaatsen van dit

Landschap in overvloed en tamelyk goed. De overige voortbrengsels

hebben niet veel om ’t lyf.

[Wyn.]

De meeste wyn, dien men hier en in de andere Volkplantingen van Noord

Amerika gebruikt, komt van Madera, en is sterk en heet.

[Handwerken.]

Hier zyn nog gene Handwerken, die naam verdienen, aangelegd. Men krygt

alles van Londen.

[De Hudson.]

De Rivier Hudson brengt den handel van New York veel voordeels aan. Zy

is omtrent honderd en vyftig Eng. mylen landwaards in bevaarbaar, en

valt niet ver van de Stad naar het westen in de Bai. Gedurende agt

maanden van het jaar is de Rivier vol van Jagten, en andere grote en

kleine vaartuigen, naar New York gaande of ’er van daan terug kerende,

beladen met inlandsche of vreemde waren.

[Schepen.]

Ik kan niet juist bepalen hoe groot het getal der schepen is die

jaarlyks hier aankomen of afvaren. Maar ik heb in de Pensylvanische

Koerant gevonden, dat van den 1. December 1729. tot den 1. December

1730. twee honderd en elf schepen in de haven van New York gekomen, en

twee honderd twee en twintig daar uit gevaren waren. En sedert dien tyd

is de handel zeer sterk toegenomen.

[Markten.]

Tweemaal in de week komen de Boeren te New York te markt, omtrent op de

zelve wys als te Philadelphia, alleen maar met dit onderscheid dat hier

de markt op verscheiden plaatsen gehouden wordt.

[De Gouverneur.]

De Gouverneur van New York heeft zyn Paleis in het Fort. Onder de genen

die met deze post bekleed geweest zyn, verdient William Burnet ene

euwigdurende gedagtenis. Hy was een zoon van den beroemden Thomas

Burnet, en scheen de geleerdheid van zynen Vader overgeerfd te hebben.

Maar zyne grootste verdienste bestond in zynen aanhoudenden yver voor

de welvaart van dit gewest. Het volk van New York houdt hem voor den

besten Gouverneur, dien zy oit gehad hebben, en denken zyne bewezene

diensten niet genoeg te kunnen pryzen. De veelvuldige starrekundige

waarnemingen, die hy hier maakte, zyn in verscheiden’ Engelsche werken

te vinden. In ’t jaar 1727. by de komst van George den II. tot den

troon van Groot Britanje, wierd hy aangesteld tot Gouverneur van Nieuw

Engeland. In gevolge hier van verliet hy New York en begaf zig naar

Boston, waar hy in 1729. overleed.

[Parlementen.]

Reis door Noord Amerika · 第 11 / 50 段