Zy maken hunne nesten altyd midden op den tak van enen boom; en dezen

zyn zo klein dat men ze van den grond niet zien kan, en dat men in den

boom moet klimmen als men ze bekyken wil. Dus wordt het voor ene

zeldzaamheid gehouden wanneer een nestje by toeval gevonden wordt, des

te meer daar de bomen hier zo zwaar in ’t blad zyn. Het nest is ook een

van de kleinsten die van vogels gemaakt worden. Ik heb ’er een dat

geheel rond is, van binnen van een zagt bruin dons, dat op de bladen

van het mannelyke Wolkruid [103] verzameld schynt te wezen, die dikwyls

met een zagt dons bezet zyn. Die plant is hier menigvuldig. Het nestje

wordt van buiten met een groenagtig grauw mos bedekt, diergelyk men op

alle oude bomen ziet. Het heeft over ’t kruis nauwlyks enen halven duim

boven aan, en onder enen halven. Men weet egter dat de Humming bird ook

uit vlas, hennip, mos, hair, en andere buigzame dingen zyn nest maakt.

Men wil dat zy twee eyeren leggen, elk zo groot als ene erwt.

Ik besteedde den 25. October en den volgenden dag met alle myne

verzamelde zaden in te pakken, dewyl ik gelegenheid had ze naar

Engeland te zenden. Van daar gingen zy verder naar Zweden.

[Reis naar New York.]

Den 27. in den ogtendstond ging ik op een klein togtje naar New York,

in gezelschap van den Heer Kock, met inzigt om het Land te zien, en te

vernemen welke de veiligste weg ware om naar Kanada te gaan, door de

wildernissen die men tusschen de Engelsche Volkplantingen en dat

Landschap vindt.

[De weg.]

De weg dien wy langs reden was aan beide zyden vry wel bewoond door

Engelschen, Duitschers en andere Europeanen. Wy zagen vlaktens en

hoogtens van onderscheiden uitgestrektheid. Bergen en stenen zag ik

nergens, enige keyen uitgenomen. By elke Landhoeve genoegzaam was een

grote boomgaard van Perzik- en Appelbomen, waarvan sommigen nog vol

vrugten zaten.

[Heiningen.]

De heiningen waren op vele plaatsen zo laag dat het vee ’er gemakkelyk

overheen springen kon; om dit voortekomen dragen de varkens houten

jukken, ene gewoonte die ik al aangemerkt heb over alle de Engelsche

Volkplantingen algemeen te zyn. De paarden hadden aan den hals een stuk

houts, waaronder een haak aan vast was, die in de heining bleef zitten

als het paard zyne voorste voeten opligtte om ’er over te springen; dog

ik twyffel of deze uitvinding wel goed is voor de paarden zelven. Hun

wierd ook het overspringen belet door een stuk houts, waar van het ene

eind aan enen der voorvoeten en het ander aan enen der agtervoeten was

vast gemaakt, waardoor zy gedwongen wierden, zeer langzaam te gaan en

volstrekt verhinderd te springen. Het kwam my voor dat dit stuk houts

de paarden aan velerlei gevaren bloot stelde.

[Stenen bruggen.]

Digt by Nieuw Frankfort reden wy over ene kleine stenen brug, en wat

verder, agt of negen Eng. mylen van Philadelphia, over nog ene andere.

Tot nog toe zyn ’er gene mylpalen in het Land opgeregt, en men rekent

de afstanden by gissing. Wat later werden wy aan een Veer over enen

stroom gezet, waar wy drie pence voor ieder mensch met zyn paard

betaalden.

[Mockingbird.]

Op ene plaats daar wy pleisterden hadden de menschen enen Mockingbird

in ene koi. Hy wordt hier voor den besten zanger uit de vogels

gehouden. Zyne vederen zyn niet frai. In dit jaargetyde zingt hy niet.

De Heer Catesby heeft, in zyne natuurlyke Historie van Karolina, dezen

vogel ook naar het leven afgebeeld en beschreven. [104] Men zegt, dat

hy zyn nest in ’t kreupelhout en de bomen maakt; dog daarin zo

eigenzinnig is dat als iemant ’er by komt en de eijeren bekykt, hy het

nest verlaat en noit weder komt. De Jongen vorderen veel oppassens. Als

men ze der Moeder ontneemt en in ene koi zet, komt zy ze daar drie of

vier malen ’s daags voeren; maar eindelyk geen kans ziende om ze ’er

uit te krygen zo verlaat zy ze; en dan sterven de Jongen dikwyls,

vermoedelyk om dat zy aan ’t voeder niet kunnen wennen dat hun de

menschen geven. Maar het volk verbeeldt zig dat de Moeder ze, wanneer

zy ze voor de laatste reis voert, weet te vergeven, om ze des te eer

uit hunne slaverny en rampzaligheid te verlossen. Deze vogels blyven

hier den gehelen zomer over, maar verhuizen tegens den herfst naar het

zuiden. Men noemt ze Mockingbirds of Spotvogels, om dat ze het geluid

van byna alle de vogels weten na te doen. Hun eigen zang is uitmuntend,

vol van veranderingen van toon, zo dat vele menschen ze voor de beste

zangvogels der wereld houden. Zeker is het dat ’er weinigen zyn die

tegen hun aan kunnen, en dit is het dat ze tamelyk duur maakt.

[New Bristol.]

Omtrent den middag kwamen wy te New Bristol, een klein vlek in

Pensylvanie, op de Dellaware, omtrent vyftien Eng. mylen van

Philadelphia. De meeste huizen zyn van steen en staan op hun zelven. De

Inwoonders dryven enen kleinen handel, dog de meesten laten hunne waren

van Philadelphia komen. Aan de overzyde der Rivier, omtrent

[Burlington.] vlak over New Bristol legt de Stad Burlington, waar de

Gouverneur van New Jersey zyn verblyf houdt.

[Schrale grond.]

Wy hadden nu Landhuizen aan beide zyden van den weg, en kwamen in ene

laan aan weerszyden met palen afgezet, die tamelyk grote koornvelden

omgaven. Daarop volgde een bosch, en vier Eng. mylen ver zagen wy niets

dan hout en enen mageren bodem, waarop de Lupinus perennis in overvloed

wast. Ik was zeer verblyd ene plant zo wel op zo magere gronden te zien

tieren, en begon zelfs te overleggen of men deze ontdekking niet ten

nutte maken konde. Dog ik had naderhand het verdriet van te vinden dat

het vee deze plant niet eten wil, schoon zy ’er zeer groen en frisch

uitziet en malsch op het gevoel is. Misschien zal ’er een middel

uittevinden zyn om ze het vee smakelyk te maken. Des avonds kwamen wy

te Trenton, na dat wy aan een Veer de Dellaware waren overgezet.

[Trenton.]

Trenton is een lang smal vlek, wat van de Dellaware af, en leggende in

ene zandige vlakte. Het behoort tot New Jersey, en wordt gerekend

dertig Eng. mylen van Philadelphia te leggen. Daar zyn twee kleine

kerken, ene voor de Bisschoppelyken en de andere voor de

Presbyterianen. De huizen zyn gedeeltelyk van steen gebouwd, dog de

meesten van hout, gemeenlyk twee verdiepingen hoog, hebbende enen

kelder en ene keuken daar naast onder den grond. Zy staan tamelyk ver

van malkander, aan den enen kant aan de straat en aan den anderen aan

tuinen van verschillende grootte. In elken tuin is een put. De plaats

wordt voor zeer gezond gehouden. Onze Waard vertelde ons dat twee en

twintig jaren geleden, wanneer hy zig hier eerst nederzettede, ’er

nauwlyks meer dan een huis was, maar sedert dien tyd is Trenton zo

toegenomen, dat ’er nu omtrent honderd huizen zyn. De huizen zyn van

binnen in verscheiden’ vertrekken door plankenbeschotten verdeeld. De

Inwoonders dryven enen kleinen handel in waren die zy van Philadelphia

krygen; maar hun voornaamste voordeel komt van de menigte van reizigers

die van Philadelphia naar New York en terug gaan, want zy worden

gemeenlyk met Trentonsche Jagten van Philadelphia te Trenton, of van

daar naar Philadelphia gebragt. Maar van Trenton verder naar Nieuw

Brunswyk gaat men met wagens, die elken dag op die plaats ryden. Velen

van de Ingezetenen bestaan ook van het overvoeren van goederen, die

alle dagen in menigte of van Philadelphia naar New York, of van New

York naar Philadelphia gezonden worden. Tusschen Philadelphia en

Trenton geschiedt dit te water, dog tusschen Trenton en Nieuw Brunswyk

te land; het welk gemeenlyk door menschen van Trenton verrigt wordt.

Op de Jagten tusschen Philadelphia en Trenton betaalt men ene schelling

en zes pence Pensylvanisch geld voor ieder mensch, buiten zyn pakkadie.

Ieder Reiziger moet voor zyn eten en drinken zorgen, of een vast

gesteld geld betalen. Tusschen Trenton en Nieuw Brunswyk is de vragt

twee schellingen zes pence, de pakkadie daar buiten.

[Landsdouwe.]

Wy zetteden den 28. in den morgen onze reis voort. Het land was meest

effen, hier en daar egter vertoonden zig enige languitgestrekte

hoogtens. Men vond enig hout, dog het meeste veld was zonder geboomte,

maar nergens zag ik in Amerika, de steden uitgezonderd, het land zo

bevolkt. Egter verzekerde my een oud man, die hieromstreeks woonde, en

ons een deel van den weg verzelde, dat het hem zeer wel heugde dat ’er

tusschen Trenton en Nieuw Brunswyk maar drie Landhoeven waren; en dit

was, dagt hy, nu omtrent vyftig jaar geleden. Den gehelen dag byna

hadden wy uitgestrekte koornvelden aan weerskanten van den weg, en

gemeenlyk daalde de grond tegens het zuiden. By elke Landhoeve is een

schone boomgaard vol van Perzik- en Appelbomen, en in sommigen waren de

vrugten in zulk ene menigte afgevallen dat zy den grond genoegzaam

geheel bedekten. Overal mogten wy onze hoeden en zakken, zo veel wy

wilden, vullen. Kerssebomen stonden ’er op den weg, by de Landhoeven en

elders.

[Schuren.]

De Schuren waren hier op ene byzondere wys gebouwd. Het gebouw was zo

groot als byna ene kleine kerk. Het dak was vry hoog, gedekt met

planken, aan beide zyden afhellende, dog niet steil. De muren waren

niet veel hoger dan een volwassen manspersoon, maar de breedte van ’t

gebouw was aanmerkelyk. In ’t midden was de dorschvloer, en daarboven,

of op de zolder, leggen zy het ongedorschte koorn, het stroo, of andere

dingen. Aan enen kant waren stallingen voor de paarden en de koeyen.

Het kleine vee had ook zyne byzondere stalling. Aan beide de einden

waren grote deuren, zo dat men de ene in en de andere uit kon ryden.

Dit soort van schuren hebben vooral de Hollanders en de Duitschers

[105]. En men moet aanmerken dat tusschen Trenton en New York weinig

Engelschen, maar vele Duitschers, dog vooral Hollanders wonen, welken

laatsten hier zeer talryk zyn.

[De Wilden.]

Eer ik verder ga, moet ik iets aanmerken rakende de zogenaamde Wilden

of Inboorlingen van Amerika, want sommige Lezers denken veelligt, gelyk

vele menschen van myne kennis, dat geheel Noord Amerika byna bewoond

wordt van wilde en heidensche Volken, en zouden het vreemd vinden dat

ik van dezelven zo weinig gewag make. Anderen wederom zullen zig

verbeelden, dat, wanneer ik in myne dagverhalen zeg dat het land wel

bebouwd is, en dat op vele plaatsen huizen van steen of hout zyn,

waarom heen koornvelden, tuinen, en boomgaarden leggen, ik van de

bezittingen der oorspronglyke Amerikanen spreke. Om dit misverstand

voor te komen, merk ik aan, dat het Land, byzonderlyk langs de kust, in

de Engelsche Volkplantingen, door Europeanen bewoond wordt, die op

sommige plaatsen reeds zo talryk zyn, dat weinige delen van Europa meer

volks bevatten. De Wilden hebben het Land aan de Europeanen verkoft, en

zyn landwaards in geweken. Op de meeste plaatsen moet men honderd en

twintig Eng. mylen [106] ver van de kust reizen eer men aan de eerste

woningen der Wilden komt. Men kan langer dan een half jaar te

Philadelphia en in andere zeesteden geweest zyn, zonder enen enkelden

Wilden gezien te hebben. In ’t vervolg zal ik omstandiger van hun

spreken, gelyk ook van hunnen godsdienst, zeden en huishouding. Thans

keer ik weder tot myn verhaal.

[Kleur van den grond.]

Omtrent negen Eng. mylen van Trenton begint de grond van kleur te

veranderen, tot hiertoe bestaan hebbende uit ene helder grauwe klei. Nu

wierd hy roodagtig bruin, somtyds purperagtig, en somtyds van een kleur

als Braziliehout. Deze kleur kwam van enen roden kalksteen, die veel

geleek naar dien welken men vind op den berg Kinnekulle in West

Gothland, en ene byzondere bedding in de rots maakt. Dus schynt de

Amerikaansche rode kalksteen maar ene verscheidenheid van den

Zweedschen te wezen. Hy lag in beddingen van twee of drie vingers dik,

dog was deelbaar in verscheiden dunner schyven, welker oppervlakte

zelden gelyk was maar gemeenlyk oneffen. De beddingen zelven waren

dikwyls door horizontale scheuren afgesneden. Wanneer deze stenen aan

de lugt bloot gesteld worden, vallen zy allengskens, eerst in stukken,

en naderhand tot stof. De menschen hieromstreeks wisten ’er geen

gebruik van te maken. De grond boven deze stenen is somtyds ryk en

somtyds schraal. Op de meeste plaatsen daar men gegraven had kon men

merken dat het grootste deel der omgeworpene aarde uit dit soort van

steengrond bestond. Wy hadden deze roodagtige aarde overal tot digt by

Nieuw Brunswyk, waar zy overvloedig is. De oever der Rivier vertoonde

op vele plaatsen niets dan beddingen van kalksteen, die niet

horizontaal, dog meer of min naar beneden liepen.

[Princetown.]

Omtrent ’s morgens te tien uren kwamen wy te Princetown, een vlek

gelegen in ene vlakte. De meeste huizen zyn van hout, en staan niet

bymalkander, maar hebben tuinen en weiden tusschen beiden. Dit oord

wierd eerder door Europeanen bewoond dan Pensylvanie; en dit is de

reden dat de bosschen meer weg gehakt zyn, en dat het land meer bebouwd

is, zo dat men denken zoude in Europa te zyn.

Wy waren voornemens voorttereizen, dog een zware aanhoudende regen

dwong ons hier tot den volgenden morgen te blyven.

[Landsdouwe.]

Wy vertrokken den 29. October weder. Het land was tamelyk wel bevolkt.

Schoon wy thans grote bosschen zagen, bestonden zy allen uit bomen die

hun blad laten vallen, en ik zag niet enen boom van het Dennegeslagt,

tot dat ik te Nieuw Brunswyk kwam. De grond was effen, en scheen overal

juist niet de rykste te zyn. Op sommige plaatsen waren kleine hoogtens,

die zig ongevoelig in de vlaktens verloren, welken gemeenlyk door

beekjes doorsneden werden. Byna elke Landhoeve had haren boomgaard. De

huizen waren meest van hout, en op enigen afstand van de zelven stonden

de bakovens, meest van klei gemaakt.

[Rockhill.]

Op enen heuvel, die met hout bewassen en Rockhill genoemd was, lagen

enige stukken van rots, zo zwaar dat drie man werk zouden gehad hebben

ze naar beneden te rollen. Maar behalven dezen waren ’er weinig grote

stenen in het Land te vinden, want de meesten die wy zagen konden ligt

door een man worden opgetild. Op ene andere plaats ontdekten wy vele

kleine keizelsteentjes, dog ontmoetten gene bergen of rotsen.

[Nieuw Brunswyk.]

Omtrent den middag kwamen wy te Nieuw Brunswyk aan, een frai klein

steedje in de Provincie van New Jersey, in ene vally op de westzyde der

Rivier Rareton. Men kan het, om zyne lage legging, niet zien, voor dat

men boven op den berg is, die ’er vlak by legt. De Stad legt zuid en

noord, langs de Rivier. De Duitsche Ingezetenen hebben twee kerken, ene

van steen, en de andere van hout. De Engelsche kerk is ook van hout;

dog de Presbyterianen waren bezig ’er ene van steen te bouwen. Het

Raadhuis heeft een goed aanzien. Sommige huizen zyn van gebakken’

steen, dog de meesten zyn van hout, of ten minsten van hout en steen te

zamen. De houten huizen zyn los opgeslagen, bestaande uit planken, die

van binnen met latten aan malkander vast zyn. Zulken die uit hout en

steen t’zamen bestaan, hebben alleen stenen muren aan de straat, het

overige is maar van planken. Dit zou enen Reiziger, die maar schielyk

doorrydt, ligt doen denken dat alles van steen was. De huizen waren

gedekt met houten berden. Voor elke deur is ene stoep van enige trappen

hoog, met bankjes op zyde, waar de menschen ’s avonds een lugtje

scheppen en de voorbygangers zien. De Stad heeft alleen maar ene straat

in de lengte, en aan haar noordeinde ene dwarsstraat, beiden tamelyk

lang.

[De Rareton.]

De Rivier Rareton vliet digt by de Stad voorby, en is diep genoeg voor

grote Jagten. De breedte by de Stad is een musketschoot. De vloed komt

tot enige mylen boven het steedtje. De Jagten worden in de langte by de

brug geplaatst. De Rivier heeft hoge en steile oevers, dog by de Stad

zyn zy laag. Ene van de straten [Hollanders.] wordt byna alleen van

Hollanders bewoond, die hier van Albany gekomen zyn, waarom zy

Albanystreet genoemd wordt. Deze Hollanders houden alleen maar

gezelschap onder malkander, en komen zelden of noit by de andere

Inwoonders. Nieuw Brunswyk behoort tot New Jersey; dog de meeste zo

niet al de handel, dien het dryft, is op New York, dat ’er omtrent

veertig Eng. mylen van daan legt. Men zendt daar koorn en meel in

menigte, brood, veel lynzaad, planken, houten vaatwerk en allerhande

timmerwerk naar toe. Vele kleine Jagten gaan dagelyks van de ene plaats

naar de andere. De Inwoonders winnen ook veel van de Reizigers, die

alle uren door het plaatsje trekken.

[Grond. Stenen.]

De steile oevers der Rivier bestaan uit den roden Kalksteen, dien ik

alreeds beschreven heb. Men kan hier duidelyk zien dat de beddingen

niet horizontaal leggen, maar benedenwaards gaan, vooral tegens het

zuiden. De lugt had den steen hier grotelyks ontbonden. Ik vroeg of men

’er geen gebruik van maken kon, en vernam dat hy tot het bouwen van

huizen niets deugde, want, schoon hy hard en duurzaam onder den grond

is, valt hy in stukken en tot gruis als men hem opgraaft en aan de lugt

bloot stelt. Een der Inwoonders had beproefd ’er een huis van te

bouwen, dog de buitenmuren begonnen schielyk zo te vergaan dat hy ’er

planken overheen moest doen slaan, om te beletten dat zyn gantsche muur

in stukken viel. Men wil dat de steen ene goede mist op het land maakt,

en om die reden stroit men hem tot gruis geworden over de akkers,

waardoor men zegt dat het onkruid sterft. Men gebruikt hem hier toe op

de akkers en in de tuinen. [107]

[Vervolg der Reize.]

Tegen den avond vervolgden wy onze reis, en wierden over de Rareton

gezet. In enen drogen zomer en by ebbende zee kan men zonder gevaar den

stroom doorryden. Aan de overzyde was de Rode Jeneverboom vry

overvloedig. Het land was wel bewoond en de grond keizelagtig.

Wy zagen op verscheiden plaatsen Poulepintades op enen vry verren

afstand van de huizen in ’t veld.

Omtrent agt Eng. mylen van Nieuw Brunswyk scheidde zig de weg. Wy

sloegen links in. De weg aan de regterhand loopt naar Amboy, de

voornaamste zeeplaats van New Jersey. Het land had een betoverend

aanzien, men zag heuvelen en dalen, en alles zeer wel bebouwd. Van de

hoogtens had men het gezigt over landhoeven, boomgaarden, koornvelden,

bosschen, meren, eilanden, wegen en weilanden.

De grond was op de meeste plaatsen roodagtig. Ik twyffel niet of ’er

waren lagen van den gemelden kalksteen onder. Somtyds zag ’er de aarde

uit als Cinnabererts.

[Woodbridge.]

Woodbridge is een klein dorp, bestaande uit weinig huizen, en gelegen

in ene vlakte. Wy hielden hier stil om onze paarden wat te laten

rusten. De meeste huizen waren van hout, de muren van planken, die aan

een eind rond en allen op dezelve ry leggende van dezelve langte waren.

Sommige huizen hadden een Italiaansch dak, dog de meesten waren met

gevels. De daken waren meest met houten berden gedekt. Putten en

schepemmers werden meest overal gevonden.

[Elizabeth-town.]

Elizabeth-town is ene kleine Stad, omtrent twintig Eng. mylen van Nieuw

Brunswyk. Wy kwamen daar even na het ondergaan der zon aan. De huizen

staan verstroid, dog zyn wel gebouwd, gemeenlyk van planken, met daken

van houten berden, waarmede ook de muren overdekt zyn. Ook waren ’er

enige stenen gebouwen. Een kleine stroom loopt door de Stad van het

westen naar het oosten, de welke by de eb byna droog is, maar met den

vloed kleine Jagten voeren kan. Hier zyn twee fraye kerken, die ’er

veel beter uitzien dan ’er ene in geheel Philadelphia doet. Die van de

Engelsche kerk was van steen, had enen toren met klokken, en ene

leuning rondom, van waar men over het omgelegen land ziet. De

vergaderplaats der Presbyterianen was van hout, dog had enen toren en

klokken, en was, gelyk de andere huizen, met houten berden gedekt. Het

Raadhuis zag ’er ook wel uit, en had ook enen toren met ene klok. De

oever der Rivier was rood van wegens den kalksteen. In en rondom de

Stad zyn vele tuinen en boomgaarden, en men kan met waarheid zeggen dat

Elizabeth-town in enen tuin legt, zynde de grond rondom effen en wel

bebouwd.

De ganzen op enige plaatsen, daar wy dezen en den volgenden dag

doortrokken, hadden drie of vier stokjes, van omtrent een voet lang,

kruislings om den hals, ten einde ze te beletten door de half gebroken

beheiningen te kruipen; het welk ze ’er regt grappig deed uitzien.

Wy namen ons verblyf dien nagt in ene herberg, Elizabeth-town Point

geheten, omtrent twee Eng. mylen van de Stad gelegen, zynde het laatste

huis aan dezen kant ’t welk tot New Jersey behoort. De man, die de

herberg met het Veer daar by gepagt had, zeide ons dat hy daar ’s jaars

honderd en tien pond Pensylvanisch geld voor betaalde.

[Voortreize.]

Den 30. October waren wy reisvaardig by het opgaan der zon. Digt by de

herberg, daar wy dien nagt doorgebragt hadden, wierden wy ene Rivier in

een half verrot vaartuig overgezet. Deze Rivier kwam ver van ’s binnens

lands, en kleine schepen konden ze ligtelyk opzeilen, het welk een

groot voordeel aan de Inwoonders van het naby gelegen land aanbragt, en

hun gelegenheid gaf van hunne waren gemakkelyk naar New York te zenden.

Zelfs diende zy hun om handel op de West Indien te dryven. De landeryen

aan weerskanten der Rivier waren laag en bestonden uit weiden. Maar men

kon ’er geen ander hoi winnen als dat op moerassige gronden wast, want

by den vloed worden deze weilanden somtyds onder water gezet. Men zegt

dat de menschen en het vee hier des zomers door ontelbare menigtens van

muggen geplaagd worden. Dit wierd aan de laagheid en moerassigheid van

den grond toegeschreven, waarin de muggen hare eitjes leggen, die door

de warmte worden uitgebroeid.

[Staten Eiland. New York.]

Zo dra wy den stroom over waren bevonden wy ons op Staten Eiland, dat

geheel en al van zout water omringd is. Hier begint de Provincie van

New York. De meesten der Ingezetenen alhier waren Hollanders, of zulken

die zig hier hadden nedergezet terwyl de Hollanders hier meester waren.

Dog tegenwoordig waren zy verspreid onder de Engelschen en andere

Europeanen, en spraken voor het groter deel Engelsch. Het gezigt over

het land was zeer aangenaam, wordende niet zeer door bosschen

belemmerd, en vertonende vele bebouwde landen. De heuvels en dalen

gingen hier voort malkanderen aftewisselen.

[Landhoeven.]

De Landhoeven lagen digt by een. De meeste huizen waren van hout, dog

sommigen van steen. Iedere Hoeve had haren boomgaard van appelbomen,

wier vrugten reeds meest geplukt waren. Ik zag hier by ieder huis,

gelyk op de gehele reis, ene [Cyderperssen.] Cyderpers, die op de ene

of de andere wys gemaakt was. Het volk was bezig met de appelen te

perssen, of had onlangs geleden daar mede gedaan gekregen. Sommigen

gebruikten een wiel, gemaakt van dikke eiken’ planken, het welk om enen

yzeren as door een paard getrokken werd, omtrent op de zelve wys als

men wouw maakt, [108] met dit onderscheid alleen, dat het wiel hier

over planken loopt. De Kerssebomen stonden rondom de heiningen om de

koornvelden.

De koornlanden waren uitmuntend wel gelegen, en met Weit of Rogge

bezaid. Zy hadden gene sloten rondom, maar alleen watervoren, op zyn

Engelsch, meer of min van malkander gelegen.

Wy zagen ergens enen watermolen zo aangelegd, dat wanneer het vloed was

het water in enen vyver liep, maar als het ebde ging het verlaat open,

en de molen wierd van het water rond gedreven.

[De Stad New York.]

Om agt uren in den morgen kwamen wy op ene plaats daar wy het water

over moesten om te New York te komen. Wy lieten de paarden daar, en

gingen in een Jagt. Wy hadden negen Eng. mylen afteleggen; egter waren

wy al te elf uren te New York. Wy zagen een soort van wilde endvogels

in menigte op het water. Het volk noemde ze Blauwbekken [109]. Zy

schenen onze Pylstaarten [110] te zyn. Zy waren zeer schuw. Op het

strand zagen wy schone in de schuinte leggende koornvelden, die gantsch

groen waren van het opkomende koorn. Wy zagen verscheiden’ visschers in

schuitjes bezig met oesters van den bodem der zee optehalen, ten welken

einde zy zig van harken met lange yzeren inwaards gebogene tanden

bedienden. Zy gebruikten deze werktuigen of maar een alleen, of twee

aan malkander gebonden, op zulk ene wys dat de tanden op malkander

kwamen.

[Oesters.]

Omtrent New York wordt ene grote menigte uitmuntende Oesters gevonden,

wiergelyken men, en voor de grootte, en voor den smaak, op weinige

plaatsen vindt. Men maakt ze in, en zendt ze naar de West Indien en

andere oorden. Het inmaken geschiedt op deze wys. Zo dra de Oesters

gevangen zyn, maakt men ze open, en wast den visch schoon af. Dan giet

men wat waters in een pot, waarin men de Oesters ene wyl kookt, daarna

op een schotel legt, tot dat ze enigzins droog zyn. Vervolgens neemt

men wat speceryen, wat peper, en zo veel azyn, als men oordeelt

noodzakelyk te zyn. Dit mengt men met de helft van het vogt waarin de

Oesters gekookt zyn, en hangt het over ’t vuur. Men moet by ’t koken

wel op het schuimen passen. Eindelyk giet men het al te zamen in een

glazen of aarden vat, doet ’er de Oesters in en maakt het wel toe, dat

’er geen lugt by kome. Op deze wys kunnen de Oesters een geheel jaar

goed blyven, en naar ver gelegen plaatsen verzonden worden.

Reis door Noord Amerika · 第 10 / 50 段