schone doorschynende groene kleur krygt. Deze talk is duurder dan de
gemene talk, maar beter koop dan wasch. Te Philadelphia gaf men ene
schelling voor het pond, daar de gemene talk maar ene halve, dog wasch
twee schellingen kost. Van dezen talk maakt men hier te lande op vele
plaatsen kaarssen, waar men egter wat gemenen talk onder doet. Dit
soort van kaarssen breekt niet ligt en smelt zo niet in den zomer als
de anderen, brandt byna beter en langer, en geeft zulk enen damp niet,
maar zy laten veel eer enen aangenamen reuk na wanneer zy worden
uitgedaan.
Een oude Zweed van een en negentig jaar verhaalde my dat zyne
Landslieden voorheen dit soort van kaarssen plegten te gebruiken.
Tegenwoordig gebruikt men dezen talk zo veel niet, indien men beestevet
krygen kan, om dat het zo veel moeite kost de bessen te verzamelen. Dog
de arme menschen, die in oorden wonen waar deze bessen veel wassen, en
niet veel vee hebben om te slagten, gebruiken dezen talk voor kaarssen.
Ook maakt men van het vet van deze plant ene zeep, die aangenaam ruikt,
en zeer goed is om den baard te scheren. Nog maken ’er de Heelmeesters
pleisters van. Een Koopman van Philadelphia zond eens ene menigte van
deze kaarssen naar de Roomschgezinde Landen in Amerika, denkende ene
goede winst ’er op te hebben; dog de Geestelyken wilden ze niet nemen.
Een oude Zweed zeide dat de Wilden voorheen den wortel van deze plant
gebruikten tegens de tandpyn, en dat hy zelf, den wortel, in stukken
gesneden, rond om den tand gelegd hebbende, veel baat by dit middel
gevonden had. Een andere Zweed verhaalde dat de schil van den wortel
hem geholpen had. In Karolina maakt men van dezen talk niet alleen
kaarssen maar ook zegellak.
[Penny Royal.]
Penny Royal is de Engelsche naam van een gewas, dat enen zonderlingen
sterken reuk heeft, en in overvloed op droge plaatsen groeit. De
Kruidkenners noemen het Melissa pulegioides [84] of Cunila pulegioides.
Men houdt het zeer gezond om als thee gedronken te worden in
verkoudheden, als bevorderende de doorwaasseming. Ook wil men dat deze
plant op enige plaats des lichaams, waar men pyn gevoelt, gelegd,
dezelve verdryft.
[Koopwaren van Nieuw Engeland.]
De Waren die men gewoon is uit Nieuw Engeland naar Londen te zenden zyn
de volgenden. Allerlei Visch by Terre Neuve, anders Newfoundland, of
elders gevangen; Traanolie, van verscheiden’ soorten, Walvischbaarden,
Teer, Pek, Masten, nieuwe Schepen, enige Pelteryen, en somtyds enig
hout. De Engelsche Eilanden in Amerika, als Jamaik, en de Barbados,
trekken uit Nieuw Engeland, Visch, Vleesch, Boter, Kaas, Talk, Paarden,
Vee, allerlei Houtwerk, als kuipen, emmers, tobben en diergelyken; en
zenden terug Rum, Suiker, Syroop, en andere voortbrengsels, of ook wel
baar geld. Het meeste hiervan, byzonderlyk van ’t geld, gaat verder
naar Londen, om de goederen te betalen die men van daar ontvangen
heeft.
[Elzen.]
De Elzen wiessen hier in overvloed op natte en lage plaatsen, en zelfs
somtyds nog al op vry hoge gronden, dog kwamen noit tot de hoogte der
Europische Elzen, en stonden gemeenlyk als struiken van een of twee
vadem langte. De Heer Bartram en anderen, die veel in deze gewesten
gereisd hadden, verhaalden my, dat hoe meer men naar het zuiden trekt
de Elzen zo veel te kleinder worden, dog dat zy meer noordelyk hooger
en dikker waren. Ik vond zelf naderhand dat de Elzen in Kanada die van
Zweden niet veel weken. Men gebruikt ’er den bast van om rood en bruin
te verwen. Een Amerikaansche Zweed vertelde my, dat hy zig eens in het
been tot op het gebeente toe gehouwen hebbende, zo dat de wonde zeer
gevaarlyk was, hy zig daarvan genezen had door de kwetsuur met water te
wassen, waarin hy den elzebast had laten koken.
[Nagtschaduw.]
De Phytocalla decandra [85] wordt Poke by de Engelschen genoemd. Als
men het sap der bessen op papier of iets diergelyks laat springen,
wordt het een hoog purper, zo schoon als men ergens in de wereld die
kleur kan maken; en het is jammer dat men nog geen middel weet om te
beletten dat deze verw op linnen of wol ten eersten verschiet. De Heer
Bartram had eens zynen voet tegens enen steen gestoten zo dat hy ’er
zeer pynlyk van was, en had ’er een blad van deze plant opgelegd met
dit gevolg dat hy zeer spoedig genezen was. De bessen worden om dezen
tyd door de vogels gegeten. De Engelschen en Zweden eten de bladeren in
’t voorjaar; als zy eerst uitkomen en nog malsch zyn, klaargemaakt,
gelyk wy de Kool of de Spinaad doen. Somtyds bereiden zy ze als wy de
Kool, wanneer de stelen al wat langer zyn geworden, en nemen alleen
maar de topjes, die malsch en niet stokkig zyn. Maar als men ze als
Spinaad wil gebruiken moet men zorgvuldig zyn, dewyl als men de plant
eet na dat de bladen al wreed geworden zyn, men ligt zyn laatsten
maaltyd doen kan, want dan heeft de plant ene geweldig buikopenende
kragt. Ik heb menschen gekend die dit byna den dood gedaan had. Maar de
bessen worden in den herfst zonder nadeel van de kinderen gegeten.
[Verwen.]
Linnen en wollen goed wordt met den bast van de Hikory geel geverwd.
Het zelve geschiedt met dien van den zwarten Eik. [86] De bloemen en
bladen van de Impatiens noli tangere [87] verwen ook alle wollen
stoffen schoon geel.
[Collinsonia.]
De Collinsonia Canadensis wordt in kreupelbosschen op goede gronden
overvloedig gevonden. De Heer Bartram, die het Land zeer wel kende,
hield zig verzekerd dat Pensylvanie en alle de plaatsen van Amerika,
die onder de zelve lugtstreek leggen, het ware en regte land voor deze
plant is. Verder naar het zuiden vond hy, nog de Heren Clayton en
Mitchel, ze noit, schoon die laatsten zeer nauwkeurige waarnemingen in
Virginie en een gedeelte van Maryland gedaan hebben. En uit eigene
ondervinding wist hy dat zy in de noordelyke gedeeltens niet wast. Ik
heb ze noit noordelyker dan op 43. gr. 15. min. N. gevonden. De tyd van
’t jaar dat zy in Pensylvanie opkomt is zo laat, dat haar zaad maar
juist den tyd heeft van ryp te worden, en dus schynt zy verder
noordwaards onmogelyk te kunnen slagen. De Heer Bartram was de eerste
die dit gewas ontdekte. Hy zond het naar Europa. De Heer Jussieu,
gedurende zyn verblyf te Londen, en naderhand de Heer Linnæus, noemden
het Collinsonia, naar den beroemden Peter Collinson, een Londensch
Koopman, en Lid van de Koninglyke Maatschappy in Engeland en Zweden. Hy
verdiende de eer wel, dat ’er ene plant naar hem genoemd werd, want ’er
zyn weinig menschen die de Natuurlyke Historie en alle nuttige
Wetenschappen met zulk enen yver getragt hebben te bevorderen, of die
zo veel gedaan hebben als hy om allerhande soorten van planten te
verzamelen, aantekweken, en te doen kennen. De Collinsonia heeft enen
byzonderen reuk, die aangenaam, dog zeer sterk is. Ik had ’er altyd
zware hoofdpyn van als ik voorby ene plaats ging daar zy menigvuldig
was, vooral als zy in bloem stond. De Heer Bartram kende ene betere
hoedanigheid dan deze in dit gewas, namelyk van een uitmuntend middel
te zyn tegens allerlei pyn in de leden en verkoudheden, door de leden
met de plant te wryven. En de Heer Koenraad Weiser, een Tolk van de
taal der Wilden, had hem ene nog wonderbaarder genezing verhaald. Hy
was eens onder een troep van Amerikanen, waarvan ’er een door ene
Ratelslang gebeten was, en door de Wilden reeds opgegeven werd. Dog hy
beproefde de Collinsonia te koken en den gewonden te drinken te geven,
het welk hem behield. Wat meer noordelyk en in New York wordt deze
plant Paardekruid [88] geheten, om dat de paarden ze in de lente eten,
voor dat ’er nog andere kruiden opgekomen zyn.
[Toeneming van het land.]
Ik vroeg den Heer Franklin en anderen, die het Land wel kenden, of zy
’er enige tekens ontmoet hadden waaruit men opmaken kon, dat voorheen
sommige plaatsen, die nu land waren, onder water gestaan hebben, en ik
kreeg het volgende antwoord.
Wanneer men van hier zuidwaards reist komt men op ene plaats waar de
grote weg zeer diep tusschen twee bergen doorgaat. Aan beide de zyden
ziet men niets als oester- en mosselschelpen, in ene oneindige menigte
boven malkander leggende, schoon het vele mylen van de zee af is.
Wanneer men in de Stad om putten te maken of om huizen te bouwen
graaft, vindt men de aarde in verscheiden’ beddingen boven malkander
leggen. Op ene diepte van viertien voet of meer ontmoet men klootronde
stenen, die van buiten zo glad zyn als die welken aan zee op het strand
leggen, en daar zo glad worden door het schuren der baren. Als men
verders door gegraven en op de diepte van agttien of meer voeten
gekomen is, ontdekt men op sommige plaatsen modder, diergelyken als de
zee op ’t strand smyt, en als gemeenlyk op den bodem der zee en der
rivieren legt. En deze modder is vol van takken, bladeren, riet,
houtskolen, en andere dingen.
Somtyds is het gebeurd dat de huizen zeer schielyk aan ene zyde
begonnen te zakken, zo dat men genoodzaakt was ze aftebreken. Dieper
gravende, om enen vasten grond te vinden, kwam men op dat zelve soort
van modder vol van hout, wortels en diergelyken.
Zyn nu deze redenen niet gewigtig genoeg om te doen besluiten, dat die
plaatsen in Philadelphia, die nu viertien en meer voeten onder den
grond zyn, voorheen de bodem der zee waren, en dat by verscheiden
toevallen, zand, aarde en andere dingen daar op geraakt zyn? Of dat de
Dellaware voor dezen breder was dan thans, of haren loop veranderd
heeft? Dit laatste doet zy nog tegenwoordig dikwyls, daarzy den oever
aan den enen kant afkabbelt en aan den anderen vergroot. En Zweden en
Engelschen wezen my verscheiden plaatsen waar dit geschied was.
[Bloeyende planten.]
Den 18. October kon ik niet boven tien soorten van planten vinden, die
nog in bloeisem stonden. Dezen waren de Gentiana, twee soorten van
Asters, de Solidago Virga aurea, een soort van Hieracium, de Oxalis
corniculata, de Digitalis purpurea, de Hamamelis Virginiana, het
Achillea Millefolium, en het Leontodon Taraxacum. Alle andere planten
hadden hare bloemen al laten vallen. Verscheiden bomen, vooral die
vroeg in de lente bloeyen, hadden reeds zo dikke knoppen gezet, dat men
ze openende alle de delen der bevrugtiging, als de kelk, de
bloembladen, de helmstyltjes, en ’t stampertje, [89] onderkennen kon.
Dus was het gemakkelyk het geslagt te bepalen waartoe deze bomen
behoorden. Zodanige waren de Rode Ahorn [90] en de Zomer Laurier [91]
en anderen. Dus bereidde zig de natuur, met den aanvang van het
aangename weder in het aanstaande jaar, wederom bloemen voorttebrengen.
De knoppen waren tegenwoordig geheel hard, en alle derzelver delen op
een gepakt, om voor de koude beveiligd te wezen.
[Walnoten.]
De zwarte Walnootboom had zyne meeste bladeren al laten vallen, en
velen waren al geheel kaal. De Walnoten zelven waren ook afgevallen, en
hare groene schil verwde de handen zwart als men ze behandelde, zo dat
men lang werk had eer ze weer schoon waren.
[Cornus florida.]
De Cornus florida werd by de Engelschen Dogwood genaamd, en was
overvloedig in de bosschen. Hy maakt ene schone vertoning wanneer hy in
de lente vol witte bloemen staat. Het hout is zeer hard, en men maakt
’er weverspoelen, en ander schrynwerk van. Wanneer het gebeurt, dat het
vee in de lente uit zwakheid neer valt, binden de Boeren het een stuk
van dezen boom om den hals, zig verbeeldende dat dit helpen zal.
De Tulpeboom staat hier overal in de bosschen. De kruidkundigen noemen
hem Liriodendron Tulipifera, om dat zyne bloemen en in grootte en in
gedaante en zelfs enigsins in kleur naar den Tulp gelyken. De Zweden
noemden hem den Kanoboom, [92] om dat men ’er veel kanoos van maakt. De
Engelschen in Pensylvanie heten hem Poplar. Men houdt hem voor den
grootsten en zwaarsten boom van Noord Amerika. Evenwel wyken hem daar
de Witte Eik en de Den weinig. Hy strydt met de zwaarsten van de
Europische bomen om den voorrang. Het is zeer aangenaam tegen ’t einde
van Mai enen der zwaarste bomen geheel en al veertien dagen lang met
bloemen bedekt te zien, die zo groot zyn als Tulpen, en ’er de gedaante
en kleur ook meer of min van hebben. De bladen hebben ook iets
byzonders, waarom de Engelschen den boom het Oude wyvehembd noemen, om
dat zy ’er in hunne verbeelding enige gelykenis tusschen menen te
bespeuren.
Men gebruikt het hout van dezen boom voor kanoos, delen, planken,
blokken, schotels, borden, lepels, deurposten, en schrynwerk. Ik heb
ene vry grote koornschuur gezien, welken geheel en al van enen enkelden
boom, tot delen gezaagd, gemaakt was. Sommige schrynwerkers houden
dezen boom beter dan den Eik, om dat die ligt buigt, dat de eerste noit
doet en zig gemakkelyk laat bewerken. Dog anderen agten hem weinig. Het
is zeker dat dit hout in het weder zo zeer krimpt, dat ’er grote reten
in de planken komen, en in nat weder zwelt hy zo dat hy byna barsten
moet, en nauwlyks is hier een hout bekend dat zo sterk krimpt en zwelt.
Maar de schrynwerkers, die ’er veel in werken, zeggen dat ’er twee
soorten van zyn; dog dit zyn eigenlyk maar twee Verscheidenheden,
waarvan de ene met den tyd van binnen geel wordt, en de andere wit is.
De eerste zegt men een losser hout te hebben. De bast laat zig, gelyk
Marieglas, in dunne blaadtjes splyten, die veel naar bast gelyken. Men
wil dat de bladeren gekneusd en tegens het voorhoofd gelegd goed zyn
tegens hoofdpyn. Men geeft ook de schillen van den bast tot poeder
gestampt den paarden droog tegens de wormen in. Sommigen beweren dat de
wortelen even zo goed tegens de koorts zyn als de Kina. De boom wast in
alle soorten van gronden, maar al te grote nattigheid is hem niet goed.
[Beverboom.]
De Beverboom, by Linnæus Magnolia glauca, zo door de Engelschen geheten
om dat de Bevers de schors van dezen boom gaarn eten, wordt gevonden op
verscheiden plaatsen van Pensylvanie en New Jersey, in enen schralen
moerassigen grond, of in natte weilanden. Enige Zweden geven hem ook
enen anderen naam, en sommige Engelschen heten hem wel ook Swamp
Sassafras en Witte Laurier. Deze bomen laten hun loof vroeg in den
herfst vallen, uitgenomen enige jonge bomen, die het den gantschen
winter blyven behouden. Ik heb ze zelden ten noorden van Pensylvanie
gevonden, waar ze op ’t laatst van Mai beginnen te bloeyen. De reuk der
bloeisems is uitmuntend, en doet zig met enen gunstigen wind byna ene
Eng. myl ver ruiken. De gantsche lugt wordt ’er van vervuld. Men kan
niet beschryven hoe aangenaam het op dien tyd, vooral tegen den avond,
in de bosschen is te reizen. De bloemen blyven drie weken op den boom,
en zelfs meer naar dat de grond is, en al dien tyd verspreiden zy dien
aangenamen geur. De bessen zien ’er ook zeer smakelyk uit als ze ryp
zyn. Zy hebben een schoon rood, en hangen aan trossen met dunne
steeltjes. De deugden van dit middel worden zeer verheven, en men pryst
het in teringen aan. De bast op brandewyn gezet, of in andere vogten
gekookt, wordt gezegd niet alleen borstkwalen, maar ook allerhande
inwendige pynen en steektens te genezen; ook zou hy den buikloop
stoppen. In verkoudheden gebruikt men de takken van den Beverboom in
water gekookt. Volgens de vertelling van enen Zweed, was een van zyne
kennissen, een oud man, die een open gat in zyn been had, dat hy te
vergeefs door andere middelen getragt had te genezen, door enen
Amerikaan op deze wys geholpen. Hy brandde wat van dit hout tot kolen,
stampte dit tot poeder, mengde dat met varsch spek, en streek ’er de
gaten verscheiden’ malen mede. Dit droogde de gaten op, die van te
voren altyd open geweest waren, en de man had sedert altyd gezonde
benen. Men gebruikt dit hout ook tot schrynwerk.
[Dieren die mak gemaakt kunnen worden.]
Omtrent de Dieren, welken men in de bosschen van Noord Amerika vindt,
heeft men bevonden dat de volgenden tamelyk mak gemaakt kunnen worden,
zo dat zy weinig van de Huisdieren verschillen.
[Wilde Stieren.]
De wilde Stieren en Koeyen worden in Karolina en andere plaatsen, die
zuidelyker dan Pensylvanie leggen, gevonden. De Kalveren van deze
beesten onder het makke vee opgebragt waren volkomen tam, maar egter
dartel, zo dat ’er gene betuiningen digt genoeg voor hun waren als zy
’er door wilden; want zy waren zo sterk van nek dat zy de palen met
hunne hoorns omversmeten; en zodra zy enen doorgang gemaakt hadden
volgde al het ander vee. Zy teelden met het tamme vee voort, en ’er
kwam als ware het een nieuw soort van. [93]
[Reën.]
De Amerikaansche Reën lieten zig ook mak maken, gelyk ik ’er velen
gezien heb. Een Landman in New Jersey had ’er ene, die hy jong zynde
gevangen had, en welke nu zo mak was dat zy by dag in ’t bosch ging
weiden en ’s avonds t’huis kwam, dikwyls ene wilde Ree mede brengende,
en haren Heer gelegenheid gevende die te schieten. Vele lieden houden
jonge makke Reën, en gebruiken ze om andere Reën te vangen, of om de
wilden, vooral in den bronstyd, met zig naar huis te brengen.
[Bevers.]
De Bevers zyn dikwyls zo tam geworden dat zy op de vischvangst gingen,
en den visch dien zy gevangen hadden den menschen bragten. Dit gebeurt
dikwyls met Otters, waarvan ik ’er gezien heb die hunne Meesters
naliepen als honden. Als de Meester in ene schuit ging, sprong de Otter
in ’t water, en kwam dikwyls kort daarna met enen visch in den bek
boven. De Opossum kan ook zo tam gemaakt worden, dat hy de menschen als
een hond naloopt.
[De Rakkoon.]
De Rakkoon, dien de Zweden Sjupp noemen, kan men met den tyd zo mak
maken, dat hy als een Huisdier langs de straat loopt, maar het is
onmogelyk van hem zyn stelen te ontleren. ’s Nagts kruipt hy in de
hoenderhokken en byt ’er alles dood. Suiker en andere zoetigheden moet
men zorgvuldig voor hem verbergen, en de kasten en dozen wel sluiten,
of hy sluipt ’er in, en snoept alles op. Dit maakt dat de Vrouwen alle
dagen klagten tegens hem te doen hebben, en om deze reden willen vele
menschen dit gedierte niet hebben.
[Eekhoorns.]
De kinderen maken de grauwe en de vliegende Eekhoorns zo mak, dat zy
hun op de schouders springen, en hen overal volgen.
[Kalkoenen.]
In de bosschen vindt men ook wilde Kalkoenen, die van de makken maar
daarin verschillen dat ze groter zyn, en een roodagtiger, dog ook
lekkerder vleesch hebben. Als men de eyeren dezer wilde Kalkoenen onder
een makke hen laat uitbroeyen, worden de kiekens ook mak, schoon het
wel eens gebeurt dat zy groot wordende wegvliegen, waarom men hun de
vleugels als ze klein zyn knakt. Maar de makgemaakte kalkoenen zyn
gemeenlyk kwaadaardiger dan de tammen. De Inlanders maken hun werk van
ze te temmen en by hunne hutten te houden.
[Ganzen.]
Wilde Ganzen weet men ook mak te maken. Wanneer zy eerst in ’t voorjaar
overkomen, en zig een wyl ophouden, want zy broeijen niet in
Pensylvanie, schiet men ze in de vleugels, als het gelukken wil. Dan
roeit men ’er naar toe en vangt ze. Men houdt ze vervolgens enigen tyd
binnen. Op deze wys worden zy dikwyls zo mak, dat men ze daarna ’s
morgens kan uitlaten, en zy ’s avonds wederkomen. Dog uit voorzorg
kortwiekt men ze. Ik heb van dit soort van Ganzen gezien, die de
Eigenaar zeide reeds twaalf jaren gehad te hebben. Dog, schoon hy ’er
agt van had, had hy ze noit met de anderen zien paren, of eyeren
leggen.
[Veldhoenders. Duiven.]
Men kan de Patryzen, die hier ook menigvuldig zyn, ook zo temmen dat zy
met de kippen lopen, en komen om gevoerd te worden wanneer men ze
roept. Ook heb ik wilde Duiven gezien, die zo mak geworden waren, dat
ze met de tammen uitvlogen en wederom kwamen. Sommige winters is ’er
ene schrikkelyke menigte van wilde Duiven in Pensylvanie.
[De Hommelvogel, of het Bloemzuigertje.]
Van alle de zeldzame Vogels van Noord Amerika is deze de merkwaardigste
dien de Engelschen Humming bird [94] noemen. Verscheiden’ redenen doen
my denken dat men op weinig plaatsen zyns gelyken vinden zal. De Zweden
en sommige Engelschen noemen hem den Koningsvogel. [95] De Heer Catesby
heeft hem met zyne natuurlyke kleuren en in zyne volle grootte
afgebeeld en beschreven. [96] Hy is niet groter dan een grote Hommel,
en gevolglyk is hy een van de kleinste vogeltjes der wereld, zo ’er al
een kleinder soort ergens te vinden is. [97] Zyne vederen zyn van de
allerschoonste kleuren, de meesten groen, anderen grauw, enigen maken
enen glinsterenden roden kring om den hals. De staart glimt, en
verandert van groen in koperkleur. Deze vogeltjes komen hier in ’t
voorjaar, tegens dat het begint warm te worden. Zy maken hun nest in
den zomer, dog verhuizen tegens den herfst naar de zuidelyker landen.
Zy bestaan louter van de zoete sappen der bloemen, die zy met hunne
lange bekjes opzuigen. Van alle de bloemen houden zy het meest van die
welken diep zyn en enen langen hals [98] hebben, en ik heb opgemerkt
dat zy het meest op de Impatiens en de Monarda met karmozyne bloemen
vliegen. Men kan verzekerd zyn van den gehelen zomer velen van die moye
vogeltjes voor zyn venster te hebben, als men ’er een bed met allerlei
soorten van bloemen onderplant. Het is zeker een vermakelyk gezigt,
deze kleine zeer levendige schepseltjes van de bloemen op en af, gelyk
Byen te zien vliegen, en ’er den honing met hunne lange smalle bekjes
uit te halen. De bloemen der Monarda zitten rondom den steel by iederen
knoop, [99] gelyk aan onze gemene Munte, [100] bastaard Hennip, [101]
Leonurus, en Lamium. Het is dan zeer vermakelyk hen hunne bekjes in
elke bloem rondom den steel te zien steken. Zo dra zy het sap van de
ene bloem ophebben vlodderen zy naar de naaste. Iemant, die het noit
gezien heeft, zou kwalyk kunnen geloven in hoe kort enen tyd zy hunne
snepjes in alle de bloemen van ene plant gehad hebben; en als die diep
zyn, schynt ’er het vogeltje met zyn halve lyf in te kruipen.
Zo lang zy bezig zyn te zuigen gaan zy noit op de bloem zitten, maar
vlodderen altyd gelyk Byen, steken de pootjes agterwaards, en bewegen
de vlerkjes zo gezwind, dat men ’er kwalyk een oog op houden kan.
Gedurende dat vlodderen maken zy een gebrom gelyk als Byen. [102] Na
dus ene wyl zonder rusten gevlogen te nebben, vliegen zy op enen
nabystaanden boom of enen paal, om hunne kragten wat te herhalen. Dan
gaan zy weer aan ’t brommen en ’t zuigen. Zy zyn niet zeer schuw. Ik
ben nevens meer menschen op minder dan zes voeten by de plaats geweest
daar ze vlogen, wy spraken t’zamen en bewogen ons, zonder dat wy ze
stoorden. Maar als iemant op hen toeliep vlogen ze, als een pyl, weg.
Wanneer het gebeurde dat ’er verscheidenen van hun op dezelve plaats
neervielen, ontstond ’er een hevig gevegt als zy malkander op de
bloemen aantroffen. Zy vlogen dan met zulke hevigheid tegen elkander
aan, dat men denken zou, dat zy malkander met hunne spitse bekjes
doorrygen moesten. Zy schenen onder ’t vegten in de lugt stil te staan,
zig ophoudende door de onbegrypelyke rasheid waarmede zy hunne vleugels
bewegen. Als de vensters open zyn vliegen zy dikwyls doormalkander in
de kamers in, vegten een weinig, en vlodderen dan weer naar buiten.
Somtyds komen zy op een verwelkte bloem, die geen sap meer heeft, en
dan byten zy ze, als uit boosheid, af, en smyten ze op den grond, als
ware het op dat zy naderhand ’er niet weder door bedrogen worden
zullen. Wanneer ’er velen van deze vogeltjes in enen tuin zyn, plukken
zy zo vele bloemen af dat ’er de grond van als bezaid legt; en men
zoude zeggen dat zy dit uit nyd tegens malkanderen deden.
Gemeenlyk hoort men ze geen ander geluid maken dan het brommen hunner
vleugeltjes; maar wanneer zy in de lugt malkander te keer gaan maken zy
een geschirp gelyk een mos of een kieken. Zy zyn zo klein dat men ze
ligtelyk voor grote hommels of kapellen aanzien zou. Hun vliegen gelykt
naar dat van den hommel, en is ongelooflyk snel. Noit heeft men
opgemerkt dat zy op vrugten of gekorven diertjes azen; de honing der
bloemen schynt hun enig voedsel te zyn. Vele menschen hebben ze om
hunne zonderlinge schoonheid gevangen en in koitjes gezet, maar zy
stierven by gebrek van voedsel. Evenwel gelukte het den Heer Bartram
’er een paar van ene gehele week in ’t leven te houden, door ze water
te geven waarin hy wat suiker had doen smelten, en ik denk dat men ze
op die wys wel enen gehelen winter over in ene broeikas zou kunnen
houden.