Jersey is niets wassen moest. Evenwel stond ’er de Mais ongemeen wel.
Wy zagen ’er gantsche velden van. De aarde was van dat soort waarin de
Tabak byzonderlyk wel tiert, dog lang zo vet niet. De stelen van de
Mais waren gemeenlyk agt voeten hoog. Zy waren vol van bladen. Men had
de Mais als naar gewoonte, op ryen in vierkante vakken geplant, zo dat
’er ene opening van vyf voet en zes duim tusschen ieder kleine hoogte
was, waarop zy stond, zo wel in de lengte als in de breedte. Uit elke
hoogte kwamen drie of vier stelen te voorschyn. Men had ze hier nog
niet tot voer van ’t vee gesneden. Elke steel droeg tot vier airen toe,
die groot en vol van koorn waren. Noit had men zulk enen zandigen grond
beter kunnen gebruiken. Op andere plaatsen was de aarde tusschen de
Mais omgeploegd om Rogge te zaijen, zo dat, als het Turksch koorn
gemaid is, de Rogge op het veld staan blyft.
[Aspersies.]
Wy zagen veel Aspersies in ene losse aarde en op onbebouwde zandvelden
wassen. Zy stonden ook veel tusschen de Mais, en waren vol van bessen.
Dog ik kan niet zeggen of de zaden door den wind uit de naburige tuinen
derwaards gebragt waren. Maar dit is zeker, dat ik ze op andere
plaatsen in Amerika in het wild heb zien wassen.
[Wormkruid.]
Het Wormzaad is ook menigvuldig op de wegen, op enen zandigen grond,
gelyk dien vlak over het Veer van Philadelphia. Ik heb gezegd dat men
dit den kinderen tegens de wormen ingeeft. Dit geschiedt aldus. Men
legt het in brandewyn, neemt het ’er een uur daarna weer uit, laat het
drogen, en geeft het dan de kinderen in met wat zoet gemaakt bier, of
eenigen anderen drank. Sommigen roemden de uitwerking van dit middel
zeer, als dodende de wormen. Dog anderen waren van oordeel dat zy ’er
van vermeerderden. Maar by ondervinding weet ik dat het zeer heilzaam
geweest is.
[Porselein.]
De Porselein wast hier in ’t wild overvloedig, in de blote lugtige
aarde tusschen de Mais in. Zy kruipt daar langs den grond, en hare
stelen zyn vry dik en sappig, schoon het kwalyk te begrypen was hoe zy
in zo droog ene aarde haar voedsel kreeg. Men ziet ze ook in menigte in
dat zelve soort van aarde op andere plaatsen in dit Land wassen.
[Spaansche Netels.]
De Bidens bipinnata, [69] by de Engelschen [70] Spaansche Netels
genoemd, wast hier en daar, omtrent de landhuizen, op de wegen, by de
tuinen, en langs de hagen. Zy bloeide ten dele nog; dog de meeste
planten waren haren bloeisem al kwyt. Als het zaad ryp is wordt het
zeer onaangenaam op zulke plaatsen te gaan daar zy staat, vermits het
aan de kleren blyft zitten en die zwart maakt, en het is moeilyk die
vlakken ’er uit te krygen. Elk zaadtje heeft drie doorns op zyn spits,
en elke doorn heeft ook vele kleine omgebogene hoeken, waardoor het aan
de klederen kleeft.
In de bosschen, en langs de heggen kropen hier en daar enige enkelde
kleine rode Mieren, [71] wier sprieten zo lang waren als hunne
lichamen.
[Philadelphia.]
Tegens den avond keerden wy weer naar Philadelphia.
Op de kust van Pensylvanie vindt men zeer veel schone Oesters. Men
begon nu ze te Philadelphia te koop te brengen. Zy worden gehouden zo
goed te zyn als de New Yorkschen, van de welken ik hierna byzonderlyk
spreken zal. My scheen het egter, dat de laatsten groter en lekkerder
zyn. Men merkt aan, dat zy goed worden tegens den tyd dat de hete
koortsen beginnen optehouden. Daar reden menschen met gantsche karren
vol oesters langs de straten, schreuwden die te koop, daar het anders
hier iets zeldzaams is waren langs de deuren te koop te zien veilen;
dog te Londen is dit gemeen. Men eet hier den meesten tyd de Oesters op
gloeijende kolen gebraden, tot dat de schelpen een weinig opengaan, en
dan eet men den oester met wit tarwenbrood met boter besmeerd. Voorheen
brandde men kalk uit de schelpen, dog thans heeft men ene betere stof
daartoe. Men wees my enige huizen in de Stad die met schelpkalk
gemetseld waren. De muren hadden de eigenschap van twee of drie dagen
voor dat men regenagtig weder krygt, vogtig te worden, zo dat ’er
tamelyk grote droppels aan hangen. Dus dienden zy voor Hygrometers.
[72] Over het zelve ongemak klaagden vele menschen die in huizen
gewoond hadden met schelpkalk gemetseld.
[Erwten.]
Erwten worden ’er in Pensylvanie niet veel gezaid, schoon voorheen,
volgens het geen enige bejaarde Zweden ons verhaalden, ieder Boer een
veld met erwten plegt te hebben. Even zo is het ook in New Jersey en
het zuidelyke van New York. Maar in het noorder gedeelte van New York,
of omtrent Albany, en in alle de gedeeltens van Kanada, die door de
Franschen bewoond worden, zait men ’er veel van, en zy slagen ongemeen
wel. Alleen is men door [Wormen in de Ewrten.] een klein gekorven
diertje in de eerstgenoemde Landschappen genoodzaakt geworden, zo
nuttig een gewas niet meer te kweken. Voorheen was dit diertje weinig
bekend. Het paart in den zomer, omtrent den tyd van het bloeijen der
erwten, en legt dan een eitje in byna iedere kleine erwt. Als de erwten
ryp zyn, zoude men van buiten niet zeggen dat ’er wormen in zitten, dog
men vindt ze als men de erwten doorsnydt. De worm blyft den gehelen
winter en een deel van de lente over in de erwt als men hem laat
begaan, en eet al het binnenste op, zo dat ’er weinig meer dan de schil
overblyft. Ten laatsten verandert de worm in een schaalagtig insekt,
kruipt door een gat, dat hy zelf maakt, uit de erwt, en vliegt weg, om
naar nieuwe erwtelanden te zoeken, ten einde daar te paren en zyn
geslagt voorttezetten.
[Oorsprong daar van.]
Dit schadelyk gedierte heeft zig uit Pensylvanie naar het Noorden
uitgebreid; want New York, waar het nu menigvuldig is, wierd ’er voor
twaalf of vyftien jaren niet van geplaagd, en voor dien tyd teelde men
erwten in overvloed zonder het minste belet. Maar allengskens wierden
deze kleine vyanden zo menigvuldig, dat men van het zaijen van erwten
moest afzien. Men klaagde hierover op vele plaatsen. De Boeren rondom
Albany hadden thans het genoegen dat hunne erwten nog vry waren van dit
Insekt, maar vrezen ’er altyd voor, dewyl het ieder jaar nader aan die
streek komt.
Ik weet niet of dit diertje in Europa voortkomen zou; en ik zou denken
dat onze Zweedsche winters het doden zouden, hoe diep het ook in de
erwt zitte. Maar in New York is het dikwyls al zo koud, en egter
vermeerdert het daar ieder jaar, en nadert allengskens hoe meer het
Noorden. Ik was op het punt van enigen van dit ongedierte in Europa
over te brengen zonder het te weten. Op myn vertrek uit Amerika nam ik
enige erwten mede naar Europa in een papier, welken ’er geheel frisch
en groen uitzagen. Maar toen ik het papier den 1. Augustus 1751. te
Stokholm opende, vond ik al de erwten hol, en zag ’er de koppen der
Insekten uitkyken. Sommigen kropen ’er al uit, dog ik haastte my om hen
te beletten zig te verspreiden. [73] Ik beken, dat, toen ik ze het
eerst zag, ik ’er meer van schrikte dan indien ik enen adder gezien
had, want ik besefte op eens al de schade welke myn lieve Vaderland ’er
van gehad zou hebben, indien maar twee of drie van deze schadelyke
diertjes ontkomen waren. De nakomelingen van verscheiden huisgezinnen,
ja zelfs van gehele volken, zouden reden gehad hebben, my te
verwenschen, als de oorzaak van zo zwaar enen ramp. Ik zond ’er
naderhand enigen, dog wel bewaard, aan den Graaf Tessin en den Ridder
Linnæus, tegelyk met een berigt van hunne schadelykheid. De laatste
dier twee Heren heeft ’er reeds ene beschryving van gegeven in ene
Akademische Verhandeling, onder hem verdedigd. [74] Hy noemt ze daar
den Bruchus van Noord Amerika. [75] Het was iets zonderlings dat ’er
niet ene erwt in het papier gevonden wierd die niet was opgegeten.
Wanneer men in Pensylvanie erwten zait van buiten in het Land gebragt,
zyn die gemeenlyk het eerste jaar van dit gedierte vry, maar het twede
komt het ’er al in. Het is zeer te wenschen, dat de schepen uit New
York en Pensylvanie dit Insekt niet in Europa zullen overbrengen. Men
ziet hier uit wat een veragtelyk gering Insekt vermag, en dat de studie
van het Huishoudelyke en van de eigenschappen der Gekorvenen niet moet
beschouwd worden als maar enkeld tydverdryf en ene nutteloze bezigheid.
[76]
[Rhus radicans.]
De opklimmende Sumach of Rhus radicans is een struik of boom, die zeer
overvloedig in dit Land voortkomt, en heeft dit met den klimop [77]
gemeen, dat hy niet groeit zonder enig steunsel te hebben, het zy enen
boom, enen muur, of ene heg. Ik heb hem tot op de hoogsten der grote
bomen zien klimmen. Zyne takken schoten overal kleine worteltjes, die
zig op den boom hegtten, en, als ware het, ’er indrongen. Als men den
stam afhouwt komt ’er een bleek bruin sap uit, van enen onaangenamen
reuk. Dit sap is zo scherp, dat, als men ’er mede op lynwaat letters of
vlakken maakt, die ’er niet uitgaan, maar des te zwarter worden hoe
meer men het linnen wascht. De kinderen plegen met dit sap hunne namen
op het linnen te tekenen. Als men ’er mede op papier schryft, zo gaan
de letters noit uit, maar worden hoe langer hoe zwarter.
[Vergiftigheid.]
Dit gewas heeft de zelve kwade hoedanigheden als de Vergiftboom, dien
ik boven beschreven heb, van schadelyk te zyn voor sommige menschen en
niet voor anderen; dog de Vergiftboom heeft een sterker vergift.
Evenwel heb ik menschen gezien die al zo sterk opzwellen van dezen
boom. Ik weet ook twee Zusters, waarvan de ene dit gewas behandelen kon
zonder het minste ongemak, schoon de andere ten eersten de
uitwaassemingen ’er van gevoelde, zodra zy omtrent op den afstand van
ene el den boom naderde, en zelfs als zy op ene plaats stond waar de
wind over den boom henen naar toe woei. Dog op my had dit soort van
Sumach noit enige kragt, schoon ik ’er meer als honderd proeven, zelfs
met de zwaarste stammen, mede genomen heb, en het sap zelfs eens in myn
oog sprong, zonder my enig letsel te doen. De huid van de hand van een
ander mensch, welke ik zeer nat met dit sap gemaakt had, wierd weinig
uren daarna zo hard als leder, en vervelde de volgende dagen zo sterk,
dat het was als of ’er gantsche schalen van afvielen.
[De bosschen en ’t hout.]
Den 10. October des morgens vroeg verzelde ik den Heer Kock naar zyn
Landgoed, het welk omtrent negen Eng. mylen noordwaards van
Philadelphia legt.
Schoon de bosschen van Pensylvanie vele Eiken leveren, en men ’er
meerder soorten van vindt dan meer naar het Noorden, bouwt men hier
egter zo veel schepen niet als in de noordelyke Landschappen,
byzonderlyk in Nieuw Engeland. De ondervinding heeft geleerd dat hoe
meerder het hout naar het Noorden wast het des te duurzamer is, en dat
de deugd afneemt naar mate men de warmte nadert. Ook is het zeker dat
de bomen in het zuiden schielyker groeijen, en dikker kringen maken dan
in het Noorden. Daarenboven, die in ’t Zuiden wassen hebben grover
sapbuizen voor den omloop der vogten. Om deze reden bouwt men zo veel
schepen in Pensylvanie niet als in Nieuw Engeland, schoon meerder dan
in Virginie en Maryland. In Karolina bouwt men ’er geen in ’t geheel,
en men laat ze daar uit Nieuw Engeland komen. Die men hier, zelfs uit
de beste Eiken timmert, duren nauwlyks meer dan tien of ten hoogsten
twaalf jaren, en dan zyn zy zo vergaan dat niemant ’er mede in zee
durft steken. Daar komen schippers uit Engeland in Amerika om daar
schepen te doen bouwen. De meesten gaan naar Nieuw Engeland, de
noordelykste Provincie; en zo zy al met schepen naar Philadelphia
geschikt overkomen, gaan zy egter gemeenlyk van daar naar Nieuw
Engeland. De Spanjaards in de West Indien, wil men, dat hunne schepen
van een byzonder soort van Ceders bouwen, die bestand zyn tegens het
water en de verrotting; dog dit soort vindt men niet in de Engelsche
Volkplantingen. Hier zyn meer dan negen verschillende soorten van
Eiken, dog geen van die is zo goed als het ene soort dat wy in Zweden
hebben. Om deze reden kost een schip van Europisch veel meer dan een
van Amerikaansch Eikenhout.
[Beet.]
Velen, die zig hier op het tuinieren toeleiden, hadden, verscheiden
jaren ondervonden dat die Rode Beet, welke voortkwam uit zaad van New
York gekomen, zeer zoet en aangenaam wierd, dog dat zy alle jaar
verminderde als zy uit zaad hier gewonnen werd gekweekt. Men moest dan
ieder jaar zo veel zaad uit New York doen komen als men van noden had.
Ook heeft men opgemerkt, dat gewassen uit Engelsch zaad voortkomende
veel beter zyn, dan die uit zaad in Amerika gewonnen worden gekweekt.
[Radys.]
In den tuin van den Heer Kock was ene Radys [78] in de losse aarde zo
groot geworden, dat zy zeven duimen middellyns had. Ieder verzekerde
dat het iets zeldzaams was ze hier zo dik te zien.
Het gewas, [79] dat gemeenlyk Batatas genoemd wordt, heet men hier
Bermudische Potatoes. Aanzienlyken en gemenen planten ze in hunne
tuinen. Dit geschiedt op dezelve wys als met de gemene Potatoes.
Sommigen zetten ze op bedden. De grond moet een mengsel zyn uit zand en
aarde, niet te vet nog te mager. Men snydt, als men ze planten zal, de
wortelen, gelyk by de andere Potatoes, in kleine stukken, zo nogthans
dat men een uitbotsel of twee aan iedere plant late. Hunne kleur is
gemeenlyk rood van buiten, dog van binnen geel. Zy zyn gemeenlyk groter
dan de gemene Potatoes. De smaak is zoet en aangenaam, zynde, naar myn
gevoelen, de andere Potatoes, de Artisjokken, en zelfs alle andere
bekende wortels daarin met hun niet te vergelyken. Zy smelten
genoegzaam in den mond. Het is niet lang geleden dat zy hier geplant
zyn. Men maakt ze gereed gelyk de andere Potatoes, en eet ze met
dezelven of alleen. Zy groeijen hier zeer schielyk en zeer wel; maer
het moeilykste is ze den winter over goed te houden, want zy kunnen nog
tegens sterke koude, sterke hette, nog vogtigheid. Om die reden bewaart
men ze ’s winters in kasten met zand op ene warme plaats. In
Pensylvanie, daar men gene klappen in de schoorstenen heeft, zet men ze
in ene zandkast op enigen afstand van het vuur, waar zy veilig zyn voor
de vorst en te grote hette. ’T is niet genoeg ze in droog zand in den
kelder te leggen, gelyk gemeenlyk geschiedt met de gemene Potatoes. De
vogtigheid der kelders zou door het zand heen dringen en ze doen
rotten. Het zou waarschynlyk in Zweden wel te doen zyn, van ze in warme
vertrekken den winter over te houden. Maar de zwarigheid is maar alleen
hoe men ze zal overbrengen. By myn vertrek uit Amerika nam ik ’er een
goed getal van mede, en droeg ’er alle mogelyke zorg voor. Dog wy
hadden enen zwaren storm op zee, waardoor het schip zo beschadigd
wierd, dat het sterk water in kreeg, zo dat onze klederen, bedden en
ander goed zo nat waren dat wy ze uitwringen konden. Dus was het geen
wonder dat myn’ Potatoes verrotteden. Dog dewyl ze nu in Portugal,
Spanje, en zelfs in Engeland aangekweekt worden, zal het niet
bezwaarlyk zyn ze in Zweden ook te krygen. De drank, welken de
Spanjaards in hunne Amerikaansche bezittingen uit het sap dezer
Potatoes maken, is niet in gebruik in Pensylvanie [80].
[Papier.]
De Heer Kock heeft enen Papiermolen op een klein beekje, daar allerlei
grof papier gemaakt wordt. Zy wordt ’s jaars voor vyftig pond st.
Pensylvanisch geld verpagt.
[Schaarschheid van Appelen.]
Dit jaar, wierd my verteld, waren de Appelen schaarscher dan naar
gewoonte, het welk door de aanhoudende droogte in de maand van Mai
veroorzaakt was, die de bloeisems had doen verwelken. De hitte was zo
sterk geweest dat zy de planten en het gras op het veld verbrand had.
Het Polytrichum commune, een soort van mos, wast overvloedig in lage en
vogtige Weilanden tusschen de bosschen, en bedekt ze op vele plaatsen,
gelyk ons mos in Zweden doet. Ook was het gemeen op de hoogtens.
[Landbouw.]
De Landbouw was hieromstreeks in enen slegten toestand. Wanneer iemant
een stuk lands koopt, het geen misschien noit is bebouwd geweest, hakt
hy een gedeelte van het hout omver, haalt de wortels uit den grond,
beploegt dien, zait ’er koorn in, en heeft de eerste reis enen
overvloedigen oogst. Dog dat zelve land verscheiden jaren agter een
bebouwd wordende, moet het noodzakelyk zyne vrugtbaarheid verliezen.
Men laat het dan braak leggen, en ontgint een ander stuk. Op deze wys
gaat men voort tot dat men zyne geheele bezitting in koornlanden
veranderd heeft, en put dus den grond uit. Dan komt men weer tot het
eerste stuk lands, dat zig nu volkomen verhaald heeft, bebouwt het zo
lang het iets geven wil, en gaat daarna weder aan een ander.
[Gebrek aan Mist.]
Het is hier onmogelyk veel mist te winnen, om dat men gewoon is het
vee, zomer en winter, dag en nagt, altyd in ’t veld te laten. Maar
wanneer het land enige jaren braak legt groeit ’er velerhande onkruid
op, en dit zet ’er zig zo vast op, dat ’er een geruime tyd vereischt
wordt om het uitteroeyen. Dit is ook de reden dat ’er altyd zo veel
onkruids tusschen het koorn staat. De grote vrugtbaarheid van den
grond, die by de aankomst der Europeanen noit bebouwd geweest was, deed
hen den Landbouw op deze wys veronagtzamen, waarin velen nog blyven
voortgaan. Maar dezen bedenken niet, dat als de grond geheel en al
uitgeput is, ’er een lange tyd en veel arbeids nodig is om dien weder
in staat te brengen; vooral in deze gewesten, die alle zomers door de
hitte zo worden uitgedroogd. De grond der koornlanden bestond uit ene
dunne laag van tuinaarde, zeer vermengd met een soort van steenkleurige
klei, en vele deeltjes van gebroken glinsterende aarde. Deze laatste
kwam van de stenen, die men hier overal op de diepte van een voet
vindt. Deze stukjes deden den grond glinsteren, als ’er de zon op
scheen.
[Glinsterende steen.]
Byna alle de huizen hier omtrent waren van dien steen of van gebakken’
steen, dog de eerste was gemeender. In Germantown, dat twee Eng. mylen
lang is, zag men geen ander muurwerk dan van dien steen. Maar daar zyn
’er verscheiden soorten van. Somtyds bestond hy uit enen zwarten of
gryzen glimmer, lopenden met golvende aderen, die hier en daar tusschen
de kromtens met enen gryzen, lossen en fynen kalksteen opgevuld waren,
welke ligt kon aan stukken gewreven worden. Sommige doorschynende
deeltjes van Quarts waren ’er door verspreid. Dog het glinsterzand
maakte het grootste deel van dien steen uit. Hy was vry gemakkelyk te
bewerken, en kon met yzeren gereedschap in allerlei gedaantens gehouwen
worden. Maar somtyds bestond hy uit enen zwarten glimmer met fyne
korrels, enen witten fynen zandsteen, en enige Quartskorrels, zo dat de
verscheidene delen wel door malkander gemengd waren. Somtyds vertoonden
zig ook brede strepen van den witten kalksteen, zonder enig vermengsel
van glimmer, dog meest waren zy sterk vermengd, en van ene gryze kleur.
Eindelyk vindt men ’er op enige plaatsen die uit geheel fyne en zwarte
glimmerstukken en enen grauwen, lossen en zeer fynen kalksteen
t’zamengesteld zyn. Dezen waren ook gemakkelyk te bewerken.
Deze verscheidenheden van stenen vindt men gemeenlyk by malkander. Men
trof ze byna overal aan als men een weinig diep groef, dog niet in
gelyke menigte en van gelyke deugd. Ook waren ze niet allen even ligt
uit den grond te krygen. Als iemant dan een huis wilde bouwen, vorschte
hy eerst naar waar hy den besten steen kon vinden. Men vindt dien zo
wel op de akkers als op onbebouwde velden, op ene diepte van twee tot
zes voeten. De stukken zyn meer of min groot. Sommigen hielden van agt
tot tien voeten in de langte, twee in de breedte, en enen in de dikte.
Anderen waren veel groter, dog ook enigen kleinder. Zy lagen hier by
beddingen op malkander, van omtrent een voet elk bed in de dikte. De
langte en breedte waren verschillend, dog gemeenlyk zo als ik gezegd
heb. Men moest meest drie of vier voet diep zyn eer men de eerste laag
vond. De losse grond boven de lagen is vol van kleine stukjes van dezen
steen. Deze grond is de steenkleurige aarde, die hier algemeen is, en
uit zand en klei bestaat, schoon ’er het zand de overhand heeft. De
losse stukken glimmer, die zo sterk in het zand glinsteren, schynen van
den steen onder den grond afgebroken te zyn.
[Gebruik daarvan.]
Men moet aanmerken, dat als men dezen steen tot metselen gebruikt men
de platte zyde naar buiten keert. Maar de stenen zyn dikwyls ongelyk
aan alle kanten, en dan maakt men ze gelyk, dat ligt te doen is. Dog
evenwel blyven ze ongelyk in dikte, en kunnen zo net niet op een
gevoegd worden als gebakken’ stenen. Ook breken ’er wel stukken af als
men ze bewerkt, en laten openingen in het buitenste van den muur. Men
vult die met kleine stukken steens en kalk, en overpleistert ze, zo dat
het niet kan gezien worden, ten minsten niet op enigen afstand.
Eindelyk, smeren zy op de buitenkanten der muren kruisgewys lopende
strepen van kalk, zo dat men zeggen zoude dat de muren uit even groten
stenen bestonden, en dat die witte strepen de voegen der stenen waren.
Het binnenste van de muren wordt glad gemaakt en gewit. Men heeft niet
gemerkt dat dit soort van steen het vogt uit de lugt aantrekt. In
Philadelphia en daaromstreeks zyn vele huizen op die wys gebouwd.
De Huizen zyn gemeenlyk op de Engelsche wys gemetseld.
[Dassen.]
Een der Zwarten van den Heer Kock vertoonde my een vel van enen Das,
[81] dien hy gedood had, en ik zag ’er uit dat de Amerikaansche Das de
zelve met den Zweedschen is. Men noemt hem hier Aardvarken. [82]
[De Skulkill.]
Tegens den avond keerde ik naar Philadelphia terug. Den 12. October
gingen wy ’s morgens naar de Skulkill, ten dele om zaden en planten te
verzamelen, en ten dele om allerlei soorten van waarnemingen te doen.
De Skulkill is een smalle stroom, die omtrent vier Eng. mylen ten
zuiden van Philadelphia in de Dellaware valt. Maar hoe smal hy ook is,
loopt hy wel twee honderd Eng. mylen ver, en ontspringt op de westzyde
van de Blauwe bergen. Het is een groot nadeel voor dit Land dat ’er
verscheiden Watervallen in deze Rivier zo digt by Philadelphia zyn,
waardoor zy onbevaarbaar is. Ik ontwierp dezen dag enige beschryvingen
van zulke kruiden daar het vee naar zoekt, en van zulken die het laat
staan.
[Mollen.]
Men ontdekte op de velden hier en daar kleine onderaardsche gangen,
lopende met allerlei bogten. De opening was groot genoeg voor een Mol.
De aarde, die, als het ware, een verwulf ’er boven, en als een kleinen
wal maakte, was omtrent twee duimen hoog, ene goede hand breed, en
omtrent enen duim dik. Ik zag dikwyls deze onderaardsche gangen op de
onbebouwde landen, die zig door de opgeworpen aarde ontdekten, en
inzakten als men ’er optrapte, het welk het wandelen lastig maakte.
Deze gangen worden door een soort van Mol [83] gemaakt, dien ik in een
ander werk nader beschryven zal. Zy azen op wortelen. Het diertje heeft
groter kragt dan anders vele dieren, naar evenredigheid van hunne
grootte, bezitten. Waar het dagt te graven hield het altyd de poten
buitenwaards, gelyk men de riemen in een schuit houdt. Ik leide het myn
neusdoek voor, om te zien wat het ’er mede doen zou, en ik vond dat het
dien in den tyd van ene minuut vol gaten had gemaakt. Ik was
genoodzaakt enige boeken op het deksel van de doos te leggen, waarin
het diertje zat, of anders lag ’er dat ten eersten af. Het was zeer
kwaadaardig, en beet gaten in alles wat het in den weg lag. Ik hield
het enen stalen pennekoker voor, waarin het in ’t eerst zeer vinnig
beet, maar de hardheid daarvan gevoeld hebbende wilde het nog daar nog
ergens anders meer in byten. Deze Mollen maken gene hopen, gelyk de
Europischen, maar alleen zulke gangen, als ik beschreven heb.
[Talkboom.]
Hier wast ene plant, van welker bessen men een soort van wasch of talk
maakt, waarom ze de Zweden Talkstruik noemen. De Engelschen geven ze
den naam van Candleberrytree of Bayberry-bush, en de Ridder Linnæus
heet ze Myrica cerifera. Zy groeit overvloedig in ene droge aarde, en
schynt byzonderlyk in de nabuurschap der zee wel te tieren, want diep
in het land heb ik ze niet gevonden. De bessen groeyen in overvloed op
den vrouwelyken struik, en zien ’er uit als of ’er meel opgestroid was.
Men verzamelt ze laat in den herfst, wanneer ze ryp zyn, smyt ze in een
pot kokend water, zo dat haar smeer smelt, en boven op het water begint
te dryven, het welk men dan met een schuimspaan ’er afneemt, en in een
anderen ketel doet, zo lang tot dat ’er geen talk meer op het water
dryft. Zo dra de talk styf is ziet hy ’er uit als gemene talk of als
wasch, maar heeft ene morssige groene kleur.
[Kaarssen daarvan gemaakt.]