genoemd. Zy zyn volkomen gelyk aan de Muggen in Zweden, alleenlyk wat
kleinder, en de beschryving, die ’er de Ridder Linnæus van, in zyn
Systema Naturæ en zyne Fauna Suecica, geeft, past ook zeer wel op de
Amerikaanschen. Zy komen by dag of by nagt in de huizen, en wanneer men
te bed is beginnen zy haar onaangenaam gebrom, naderen de menschen hoe
langer hoe meer, en zuigen hun op ’t laatst zo veel bloeds af als zy
kunnen. Haar beet veroorzaakt bulten by menschen van een teder gestel.
Als het weder enige dagen koel is geweest verdwynen zy; maar als het
verandert, en vooral na enen regen, vergaderen zy dikwyls in zulk ene
menigte rondom de huizen, dat het verbazend is. De schoorstenen der
Engelschen, die gene klappen hebben, geven den Muggen vryen ingang. By
hete avonden begeleiden zy het vee met grote zwermen van de bosschen
naar de huizen of naar de Stad, en vliegen in de huizen in, als ze maar
kunnen. In ’t heetste van den zomer zyn zy zo menigvuldig op sommige
plaatsen, dat de lugt ’er vol van schynt, vooral omtrent poelen en
staande wateren, gelyk de Rivier Morris in New Jersey. Om die
onaangename gasten door den rook te verdryven, leggen de Inwoonders
vuren voor hunne huizen aan. De oude Zweden, die hier waren, zeiden dat
de Muggen voorheen hier nog veel menigvuldiger geweest waren; dat zy
nog zeer menigvuldig langs het strand zyn, en die van Philadelphia van
een vergiftiger soort zyn dan de anderen. Dit laatste bleek uit de
bulten die zy maakten. In Zweden gevoelde ik noit ander ongemak van
haren beet dan een weinig jeukte terwyl zy nog zogen. Maar als zy my
hier des nagts staken wierd myn aangezigt zodanig met rode vlakken en
bulten toegesteld, dat ik ’er zelf over beschaamd was.
[Betuiningen.]
Ik heb alreeds iets van de Tuinen hier te lande gebruikelyk gezegd, ik
voeg ’er nu by, dat de meeste planken die overdwars gesteld worden, en
waaruit de schuttingen rondom Philadelphia voornamelyk bestaan, van
rood Cederhout zyn, dat hier voor duurzamer dan enig ander gehouden
wordt. Maar wanneer men dat niet vinden kan, neemt men wit of zwart
Eikenhout. Men houdt ook veel van de palen van rood Cederhout te
hebben, of anders gebruikt men wit Eiken- of Kastanjenhout. Dog het
schynt dat dit soort van hout hier niet lang goed in de aarde blyft. Ik
zag palen van Kastanjenhout gemaakt, die pas een jaar oud waren, reeds
van onderen grotendeels vergaan.
[Sassafras.]
De Sassafrasboom [57] groeit hier tamelyk veel, en staat hier en daar
in de bosschen, by de hagen en de tuinen. Op oude akkers, die men
onbebouwd laat leggen, is hy een van de eersten die opkomen, en is zo
menigvuldig als de Berkebomen in Zweden op de gronden van afgebrande
bosschen. [58] De Sassafras wast in ene droge losse aarde van ene bleke
steenkleur, die grotendeels uit zand bestaat, vermengd met een weinig
klei. Die gronden schenen vry mager te zyn. De bergen rondom Gothenburg
zouden op vele plaatsen goed voor dien boom wezen, zo zy nog niet te
vet zyn. Ik zag hem hier in de bosschen onder andere bomen, maar nog
meer op zig zelven langs de heiningen staan. Op beide plaatsen schynt
hy evenwel te tieren. Noit heb ik hem gezien op lage of natte plaatsen.
Men verzamelt hier zyn bladeren, en gebruikt ze als thee. Maar het hout
deugt nergens toe, want het kraakt te sterk in ’t vuur en brandt niet
wel. De boom spreidt zyne wortels zeer ver uit, en uit dezelven
schieten nieuwe spruiten op; dog deze scheuten zyn niet goed om te
verplanten, om dat zy zo weinig vezelen buiten den stamwortel hebben,
dat zy zig in de aarde niet regt vastzetten kunnen. Om den
Sassafrasbomen te planten moet men de bessen gebruiken, dat egter
ongemakkelyk is, om dat ze de vogels al op hebben eer zy half ryp zyn.
De koeyen zyn zeer gesteld op de nieuwe tedere uitspruitsels van dezen
boom, en zoeken ze overal op.
De Vrouwen gebruiken den bast van dezen boom om de wol ene schone
oranjekleur te geven, welke in de zon niet verschiet. Zy gebruiken pis
in plaats van ajuin in ’t verwen; koken de verw in enen koperen ketel,
omdat zy in enen yzeren gekookt zynde zo schoon ene kleur niet geeft.
Ene Vrouw in Virginie had de bessen van den Sassafras gebruikt tegens
ene pyn in enen harer voeten, die zy drie jaar lang zo sterk had gehad
dat ze niet gaan kon. Men raadde haar de bessen in ene pan te braden,
en de pynelyke plaatsen met de daar uit komende olie te stryken. Zy
deed het, dog het deed haar braken. Egter hield zy met het middel aan,
schoon zy, zo dikwyls zy het deed, ’er de zelve uitwerking van gewaar
wierd. De pyn verdween op ’t laatst geheel, en zy wierd volkomen
hersteld.
[Spegten.]
Een zwarte Spegt, met enen roden kop, [59] is menigvuldig in de
bosschen van Pensylvanie, en blyft ’er den winter over, gelyk ik zelf
ondervonden heb. Hy wordt gerekend onder het gevogelte dat de Mais
vernielt, omdat hy zig op de rype airen zet, en ze doorbyt. De Zweden
noemen hem Tillkroka; maar alle andere Spegten, alleen die uitgenomen
die goudgele vleugels hebben, heten zy Hackspikar. Ik zal ze allen te
zamen nauwkeuriger in een byzonder werk beschryven. Alleen merk ik hier
aan, dat byna al de soorten van Spegten zeer nadelig voor de Mais zyn,
wanneer zy begint te rypen. Zy pikken gaten rondom de airen, waardoor
de regen indringt, en het koorn doet rotten.
[Reis naar Wilmington.]
Ik vertrok den 3 October ’s morgens vroeg naar Wilmington, voorheen by
de Zweden Christina genoemd, dertig Eng. mylen zuidwest van
Philadelphia. Drie mylen van Philadelphia wierden wy over de Skulkill
gezet. Het land begint hier onophoudelyk uit heuvelen en dalen te
bestaan. De bergen zyn van alle kanten gloyend, en de dalen worden
gedurig doorsneden van kristallyne beekjes. Het veld is grotendeels
bedekt met geboomte dat ’s winters zyne bladeren laat vallen, want ik
zag nauwlyks enen enkelden boom uit het geslagt der Dennen, uitgenomen
enige weinige rode Ceders. Het hout was hoog, dog van onderen kaal, zo
dat het een frai doorzigt aan het oog verschafte; ook kon men vry
tusschen de bomen doorryden, zelfs op vele plaatsen met wagens, te meer
daar de grond zeer effen was. Op sommige plaatsen zag men kleine vlakke
velden, waar men weiden, en koornlanden had aangelegd. Van de laatsten
waren sommigen bebouwd, anderen niet. Op enige plaatsen stonden
verscheiden huizen digt by malkander, maar de meesten stonden alleen.
Een deel der landen was alreeds met Weit bezaid, op zyn Engelsch,
zonder gruppen, maar met watervoren digt by malkander. Op anderen zag
ik het volk wakker bezig om de Rogge in den grond te brengen. Digt by
ieder huis was een klein veld met Turksch koorn. De Inwoonders in deze
streek waren of Engelschen of Zweden.
[Bomen.]
Ik zag den gehelen dag verscheiden soorten van bomen, Walnootbomen van
meer dan een soort vol van noten, kastanjebomen geheel bedekt met
vrugten; Moerbezie-, Sassafras-, Liquidambar-, Tulp- en andere bomen.
[Wyngaarden.]
Verscheiden’ soorten van wyngaarden groeiden welig, en klommen op tot
in toppen van de bomen, bedekkende de stammen met hunne druiftrossen en
bladeren. Ik zag zelfs enige jonge Eiken, vyf of zes vadem hoog, om de
welken zy zig gewonden hadden. De grond is hier, gelyk meest in deze
streek, een mengsel van zand en klei, bedekt met ene ryke bovenkorst.
De Wyngaarden ziet men meest op bomen, die alleen op de koornvelden
staan, en daar de bosschen ophouden, en de weiden of akkers beginnen;
ook langs de heiningen, waar zy hunne ranken om de bomen slaan die daar
groeyen. Het bovenste droeg zelden vrugten, dewyl de winden dit
verhinderen; maar het onderste is vol van trossen, die onder de bladen
uithangen, en nu byna ryp waren. Zy hadden een aangenaam zuur. De
Boeren verzamelen ze in menigte en verkopen ze in de Steden. Men eet ze
rauw, en zet ze gemeenlyk voor wanneer men bezoek krygt.
[De zwarte vette aarde.]
De vette aarde scheen hier niet zeer diep te zyn, want zy had niet veel
meer dan twee duimen diepte. Ik had gelegenheid dit te zien zo wel op
zulke plaatsen daar gegraven was, als op anderen, waar de regenvlagen
scheuren gemaakt hadden, het welk zeer gemeen hier omtrent was. De
opperste aarde was donker van kleur, en die daarop volgde was bleek, Ik
heb overal, waar ik in Amerika geweest ben, gevonden, dat de dikte der
bovenste vette aarde op ver na niet zo groot is als sommigen rekenen.
En nogthans kan men verzekerd zyn dat zy sedert den zondvloed op
sommige plaatsen niet geroerd is. Ik zal hier van in ’t vervolg nader
spreken [60]. De Datura Stramonium wast omtrent alle de dorpen in
overvloed. Hy wordt groter naar dat de gronden zyn. In ene vette aarde
komt hy tot agt of tien voeten, maar in ene magere zal hy pas zes duim
hoog worden. De Datura nevens de Amerikaansche Nagtschaduw wast hier op
die plaatsen digt by de tuinen, de huizen, en de wegen, waar in Zweden
de Brandnetels en de Ganzevoet groeyen, welke Europische gewassen
zeldzaam in Amerika zyn. Maar de Datura en de Nagtschaduw zyn hier het
grootste onkruid, van de welken men geen nut ter wereld weet te
trekken.
[Rapen.]
Hier en daar zag men een veld met rapen bezaid. Op het midden van den
groten weg wierd ik ene dode zwarte slang gewaar, die vier voet en zes
duim lang, en anderhalven duim dik was. Zy behoorde tot het geslagt der
Adders.
[Kring om de Maan.]
’s Avonds laat verscheen ’er een kring om de Maan. Het volk voorspelde
’er storm of regen, ofwel beiden te gelyk, uit. Hoe kleinder de kring
is des te eer verwagt men slegt weder. Dog niets van dit alles volgde
’er op; maar de kring had koude voorspeld.
[Chermes alni.]
Ik zag dien dag op de Elzebomen in menigte de Chermes alni op de takken
zitten, welken daar door geheel wit, en op enigen afstand geheel
beschimmeld schenen.
[De Landsdouwe.]
Ik vervolgde den 4. October myne reis in den vroegen morgen, en het
land bleef ’er nog al even eens uitzien. Het was een gedurige keten van
tamelyk hoge bergen, ligt van alle zyden te beklimmen, en van dalen
tusschen dezelven. De grond bestond uit ene steenkleurige tuinaarde,
die met klei vermengd was, en hier en daar kleine keizelsteentjes
bevattede. Ik reed somtyds door bosschen van allerlei soorten van hout,
en somtyds tusschen kleine velden door, daar men het hout vernield had,
en die nu tot koornakkers of weiden dienden. De Landhuizen stonden op
hun zelven, somtyds digt by de wegen, somtyds ’er wat van daan, zynde
dan tusschen dezelven en den weg koornvelden of weiden. Sommige huizen
waren van steen, twee verdiepingen hoog, en gedekt met witte
cederplanken. De meesten waren egter van hout, en de scheuren gevuld
met klei. De schoorstenen hadden nergens klappen, waarvan men hier niet
weet. De ovens waren gemeenlyk op enigen afstand van de huizen
gemetseld, en waren somtyds overdekt, somtyds niet. De velden stonden
ten dele met Boekweit, die nog niet gemaid was, ten dele met Mais, ten
dele met Weit, die eerst gezaid was, en ten dele lagen zy braak. De
Wyngaarden klommen tot op de toppen van verscheidene bomen, en hingen
’er aan beide zyden af. Anderen waren bedekt van den vyfbladigen
klimop, [61] die ook zeer hoog opklom. De Smilax laurifolia was altyd
by den klimop, en wond zig met denzelven te gelyk om de bomen. De
bladen van den klimop waren ten dezen tyde meest roodagtig, dog die van
den Wyngaard waren nog groen. De bomen die met deze gewassen omwonden
waren vertoonden zig van verre even gelyk die waarom by ons de Hop
wast. Walnoot- en kastanjebomen kwamen overal voor, en waren vol van
vrugten. De Persimon was ook menigvuldig langs de wegen en in de
bosschen. Zyne vrugten, nog niet bevroren zynde, waren nog niet
eetbaar, dog zy waren overvloedig. Op eenigen afstand van Wilmington
trok ik over ene brug, die over een klein riviertje legt, het welk zig
noordwaards in de Dellaware stort. Voor elken persoon en zyn paard
betaalt men hier twee pence. Ik kwam tegens den middag te Wilmington
aan.
[Wilmimgton.]
Wilmington is een klein Steedtje omtrent dertig Eng. mylen zuidwest van
Philadelphia. Het wierd in ’t jaar 1733. aangelegd. Een deel daarvan
staat op den grond van de Zweedsche Kerk, welke jaarlyks daarvoor enige
inkomsten trekt, waaruit de Predikant zyn jaargeld heeft, en het
overige wordt tot iets anders besteed. De huizen zyn van steen, en zien
’er wel genoeg uit; dog zy staan niet digt by malkander. Tusschen
beiden zyn grote open vlekken. De Quakers hebben hier ene
Vergaderplaats. De Zweedsche Kerk, waarvan straks nader, staat ene
halve Eng. myl buiten de Stad. De Pastory is met de Kerk onder het
zelve dak. Ene kleine Rivier, genoemd Christina-kill, loopt voorby de
plaats, en valt drie mylen lager in de Dellaware. Men wil dat ze in
staat is de zwaarste schepen tot voor de Stad te brengen. Zy is by
haren uitloop in de Dellaware het ondiepst, en nogthans heeft ze daar
twee en enen halven vadem waters. Dog hoger op is zy tot vier vadem
diep. Dus kunnen de grootste schepen met hunne lading by den vloed voor
de Stad komen. Voor Wilmington ziet men zeer duidelyk een groot deel
der Dellaware en de schepen die ’er op zeilen. Aan beide zyden van de
Christina-kill, van de schans af tot haren uitloop in de Dellaware,
leggen lage weilanden, die veel hoi opleveren. De Stad dryft enen
aanmerkelyken handel, en zou groter wezen, indien Philadelphia en
Newcastle, twee Steden die ouder zyn, haar van twee kanten niet zo na
waren.
De Schans op de Christina-kill wierd dezen zomer eerst opgeworpen, op
de tyding dat de Fransche en Spaansche Vrybuiters voornemens waren de
Rivier optezeilen, en ene landing te ondernemen. Zy staat op de zelve
plaats waar de Zweden hunne Schans hadden. By ’t opwerpen dezer
versterking vond men een stuk Zweedsche zilvermunt. Men vereerde het
my. Op de ene zyde stonden de wapenen van het huis van Wasa, met het
omschrift, Christina D. G. De. Re. Sue. en daarnevens het jaargetal
1633. Op de onderste zyde las men de woorden, Moneta Nova Regni Suec.
Ten zelven tyde ontdekte men ook ene menigte van oud yzeren huisraad.
De Schans beslaat uit een plankwerk met enen aarden wal van buiten. Het
kruidmagazyn is een stenen verwulf. By het opwerpen dezer Schans waren
de Quakers, wier beginsels allen kryg afkeuren, even zo yverig aan ’t
werk als de overigen. De vrees van zig ieder ogenblik aangetast te zien
had alle gemoederen ingenomen. Velen van hun maakten zwarigheid hunne
handen aan het werk te slaan, dog bevorderden het door geld te
schieten, en bezorgden alles wat ’er nodig was.
[Vertrek.]
Den 5. October was het myn voornemen de Dellaware overtesteken en my
naar New Jersey te begeven, om dat gewest te zien. Maar alzo ’er geen
veer was keerde ik weer te rug naar Philadelphia. Ik volgde gedeeltelyk
den groten weg, en gedeeltelyk dwaalde ik wat bezyden af, om des te
beter het land te leren kennen, en waarnemingen te doen.
[Mais.]
Het Turksch koorn was op verscheiden’ plaatsen gezaid. Op sommigen had
men de stelen een weinig onder de airen afgesneden, gedroogd en op
smalle dog hoge stapels gelegd, om ’s winters tot voer voor het vee te
dienen. Het onderste gedeelte van den steel had ook bladeren, maar
dewyl die gemeenlyk van zelven drogen, gebruikt men die niet, om dat
’er al de kragt uit is. Dog het bovenste snydt men terwyl het nog groen
is.
[Landsdouwe.]
De dalen tusschen de bergen hebben meest allen beekjes, dog die zyn
niet breed, en wagens en paarden ryden ’er gemakkelyk door. Het water
is zelden meer dan zes duim diep.
[Het loof.]
De bladeren van de meeste bomen waren nog volkomen groen, gelyk die van
den Eik, den Kastanjeboom, de zwarte Walnoten, de Hikory, den Tulp- en
Sassafrasboom. De twee laatste soorten vond men menigvuldig op de zyden
van kleine boschjes op de heuvelen, op de braaklanden, by de hagen en
op de wegen. De Persimon had ook nog zyn loof, schoon sommigen het al
kwyt waren. De bladen van de Amerikaansche Braam waren thans byna
geheel rood, hoewel zy op sommige struiken nog een levendig groen
hadden. De Kornoelje had reeds ook al een mengsel van bruine en bleke
bladeren. Het blad van den Roden Ahorn was gantsch rood.
[Chichester.]
Ik zettede myne reis voort tot Chichester, een Vlek op de Dellaware,
waar een Veer is. Hier worden alle jaren verscheiden kleine vaartuigen
op den koop getimmerd. Men laadt hier ook veel yzer in, dat uit een
yzerwerk komt wat hoger op gelegen.
[Kanoos.]
Kanoos zyn schuiten uit een enkeld stuk houts gemaakt, en worden het
meest van de Landlieden op de Dellaware en kleine rivieren gebruikt.
Ten dien einde holt men enen dikken stam uit; de Rode of Witte Ceder,
de Kastanje, de Witte Eik en de Tulpboom worden hier toe het meest
genomen; maar den Witten en Roden Ceder houdt men voor het best, om dat
dat hout ligt dryft en wel twintig jaren duurt. Dog van dezen is de
Rode Ceder nog de beste. Kanoos van Kastanjenhout gemaakt duren ook vry
lang. Dog die van den Witten Eik zyn nauwlyks langer dan zes jaar goed,
en zinken te diep. De Liquidambar [62] is zwaar genoeg, dog niet goed
om Kanoos te maken, vermits hy ’t water indrinkt. Die van
Tulpebomenhout gemaakt zyn duren nauwlyks zo lang als die van wit
Eikenhout. De grootte der Kanoos is verschillend volgens het gebruik
dat men ’er van wil maken. Zy kunnen zes menschen voeren, die evenwel
heel stil op den grond zitten moeten, om niet om te slaan. De Zweden in
Pensylvanie en New Jersey hebben geen andere schuiten om mede naar
Philadelphia te gaan, het welk zy gemeenlyk tweemaal ’s weeks op de
marktdagen doen, schoon zy verscheiden’ mylen van de Stad afwonen, en
somtyds zware stormen ontmoeten. Egter hoort men niet dat ’er zo veel
ongelukken gebeuren, als men van zulk een vaartuig verwagten zou. Daar
wordt veel voorzigtigheid toe vereischt om ze te regeren als het hard
wait, want zy zyn smal, rond van onderen zonder kiel, en slaan dus
gemakkelyk om. Om die reden waagt men het niet lang op de Dellaware te
blyven als de wind wat sterk opsteekt, maar zoekt het land.
[Tuinkers.]
De gemene Tuinkers [63] wast op vele plaatsen op de wegen naar
Chichester, en komt, naar alle gedagten voort, uit de zaden die uit de
tuinen hierom heen weg gevoerd worden.
[Braam.]
De Amerikaansche Braam is hier in overvloed. Als men een land onbebouwd
laat leggen, is deze plant ene van de eersten die opkomt; zelfs heb ik
ze gezien op landen die alle jaren omgeploegd en bezaid wierden. Waar
zy eens geworteld heeft, kan men ze niet ligt uitroeyen. Een struik
schiet dikwyls vier vadem van den wortel af langs de aarde voort, maakt
dan een nieuwen wortel, zo dat, als men enen struik uittrekt, men aan
deszelfs beide eindens wortels vindt. Op enige oude akkers, die lang
verzuimd zyn, waren zo vele struiken van dit soort, dat het zeer
moeilyk en gevaarlyk was ’er op te wandelen. De bessen worden gegeten
en zyn goed als ze ryp zyn. Men maakt ’er ook enen wyn van, gelyk ik al
gezegd heb. Zy dienen tot niets anders.
[Wormkruid.]
Den 6. October zagen wy veel van het Chenopodium anthelminticum op den
groten weg wassen, ook op den oever der Rivier, maar vooral op deze
plaatsen in een los zand. De Engelschen noemden het Wormzaad [64] of
Jerusalemeik. [65] Het ruikt onaangenaam. In Pensylvanie en New Jersey
geeft men het zaad den kinderen tegens de wormen, en het is hiertoe
uitmuntend. De plant wast daar in ’t wild.
[Boomgaarden.]
Rondom Chichester vindt men vele tuinen, die vol zyn van Appelbomen,
welker takken onder ’t gewigt der vrugten buigen. De meesten zyn
winterappelen, en derhalven waren ze nog geheel zuur. Elke Landhoeve en
boerdery heeft haren tuin. Zy waren tamelyk uitgestrekt, en verschaften
den eigenaar het gehele jaar door groten onderstand in de huishouding.
Ik was dikwyls verwonderd over de schrandere behandeling der Inwoonders
van dit Land. Zo dra hebben zy niet een stuk gronds gekoft, dat nog
woest legt, of zy zorgen jonge Appelbomen te hebben en een tuin te
maken. Dan gaan zy aan het bouwen van een huis, en dan bearbeiden zy
den grond om dien te bezayen. Zy weten dat de bomen enige jaren van
noden hebben voor dat ze vrugt dragen, en daarom planten zy die het
eerst. Ik zag naby de huizen molens, raderen en andere werktuigen om de
appelen te perssen, om ’er vervolgens Cyder van te maken.
[Weg van Chichester naar Philadelphia.]
Van Chichester reisde ik voort naar Philadelphia. De Eiken waren de
talrykste van alle de bomen in de bosschen. Dog daar waren ’er
verscheiden soorten van, allen verschillende van de Europischen. De
varkens liepen nu in grote troepen in de eikebosschen, om de eikels te
zoeken. Elk varken heeft een driekantig houten juk om den hals, om het
te beletten door de tuinen en heiningen te dringen. Dit is de reden dat
men de heiningen zeer ligt en gemakkelyk om op te nemen maakt, zo dat
’er ook weinig hout toe nodig is. In de eikebosschen ziet men ene
menigte van Eekhoorns, ten dele op den grond lopende, en ten dele van
den enen tak op den anderen springende. Om dezen tyd azen zy meest op
de Eikels.
Beuken zag ik zeer weinig, dog die ’er waren zyn juist de zelven als de
Europischen.
[Mieren.]
Ik weet niet enige andere dan de Zwarte Mier in Amerika gezien te
hebben. Zy waren zo zwart als kolen en van twederlei soort, sommigen
zeer klein, gelyk de kleinsten by ons, en anderen van de grootte van
onze gemene Roodbruinen. Ik had tot nog toe gene hoogtens ontdekt die
haar tot nesten dienden, maar alleen ’er enigen zien lopen. In andere
oorden van Amerika heb ik andere soorten van Mieren gezien, gelyk ik op
zyn’ plaats zal aantekenen.
[Hagen.]
Het gemene Ligustrum diende op vele plaatsen voor hagen om de akkers en
boomgaarden. Ook zag ik op deze reis ’er gene anderen als van
Ligustrum, schoon men wel wist dat de doornen daar beter toe zyn. De
Ligustrumhagen worden zeer digt; dog by gebrek van doornen keren zy de
varkens en het ander vee niet wel. En als ’er eens een gat in is, duurt
het ene goede wyl eer dat weer toe is.
[Chester.]
Op den middag kwam ik door Chester, een klein vlek aan de Dellaware, in
de welke daar ene kleine rivier, die door het vlek heen loopt, zig
uitstort. Over deze was ene kleine brug. De huizen staan hier en daar
verstroid. De meesten zyn van steen en twee verdiepingen hoog, enigen
ook van hout. Hier is ene kerk en ene marktplaats.
[Weit.]
De Weit was hier al overal in den grond. Op sommige plaatsen was zy al
schoon opgekomen, zynde reeds vier weken gezaid geweest. De akkers
lagen meest op zyn Engelsch zonder gruppen, maar met watervoren vier of
zes voet van malkander. Op de akkers zag men grote stompen van
omgehouwen bomen, een teken dat dit land eerst onlangs tot bouwland
gemaakt was.
De wortels der bomen liepen hier meest langs den grond, gaande niet
diep in. Dit had ik gelegenheid op verscheiden plaatsen optemerken.
Zelden vond ik enen wortel die boven enen halven voet in den grond
gegaan was, schoon de aarde hier zeer los was.
[Yzer.]
Omtrent twee Eng. mylen van Chester reden wy ene Yzerhut voorby. Zy
kwam twee broeders toe. De oer wordt egter hier niet gegraven, maar wel
dertig of veertig mylen verder gebroken, gesmolten, en vervolgens
herwaards gevoerd. De blaasbalgen waren meest van leder, en, zo wel als
de hamer en de vuurplaats, in vergelyking met de onzen, vry klein.
Alles ging door middel van ’t water. Het yzer werd hier tot staven
gesmeed.
Ik merkte op deze reis, en naderhand zag ik het zelve dikwyls, dat de
paarden veel van appelen houden. Zy verkozen ze ver boven het frissche
gras, als men ze in enen boomgaard, daar afgevallen appelen lagen,
lopen liet. Dog men hieldze hun niet zeer dienstig. En behalven dat,
dit voedsel valt wat duur.
[Geboomte.]
De Roodbloemige Ahorn [66] is hier overvloedig, vooral in moerassige
gronden. Uit zyn hout maakt men borden, spinnewielen, rollen, voeten
voor stoelen en ledikanten, en ander huisraad. Met den bast verwt men
linnen en wol donker blauw. Ten dien einde kookt men dien in water, en
doet wat koperroods, diergelyk de hoede- en schoenmakers gebruiken, in
den ketel, voor dat ’er de stof in komt. Ook maakt men ’er enen goeden
zwarten inkt van. Als men in ’t voorjaar in den boom hakt, zo loopt ’er
een zoet sap uit, gelyk als uit onze Berken. Dit sap gebruikt men hier
niet, maar in Kanada kookt men ’er syroop en suiker uit. Hier vindt men
ene verscheidenheid van dezen boom welken men den Bonten Ahorn noemt,
[67] om dat zyn hout van binnen gespikkeld is. Men gebruikt het veel
tot allerlei schrynwerk, en men zoekt het geen ’er van gemaakt is boven
al ander werk. Het wordt veel duurder betaald dan het geen uit Walnoten
of wilde Kersebomenhout [68] gemaakt is. Dog het kostbaarste huisraad
is het geen van Bont Zwart Walnotenhout gemaakt wordt, want dit is over
’t algemeen zeldzaam. De Bonte Ahorn wordt ook niet veel gevonden. Ook
vindt men ’er wier buitenste gemarmeld is, dog het binnenste niet. Om
die reden hakt men diep in den boom, eer men hem laat vallen, ten einde
te ontdekken of hy van binnen wel geaderd is.
[Reis naar New Jersey.]
Des avonds kwam ik te Philadelphia. Den volgenden ogtend, zynde den 7.
October, zettede ik de Dellaware in een schuit over. Hier was ik in New
Jersey. Men betaalt vier pence voor ’t overvaren van ieder persoon. Het
Land is hier geheel anders gesteld als in Pensylvanie. De Insekten en
planten, welken ik dezen dag ontdekte, denk ik in een ander werk te
beschryven.
[Vrugtbaarheid.]