Men was bezig met een kelder te graven. Ik bemerkte daar de volgende
beddingen. De bovenste lugtige aarde was ene tuinaarde, maar enen
halven voet dik, en donker bruin. Daar onder lag ene klei, sterk met
een zeker zand vermengd, zo dat het meest zand was, ter diepte van agt
voeten. Dit zag ’er steenkleur uit. Daarop volgden kleine
keizelsteentjes, zo groot als een vingerlid, vermengd met grof zand. De
stenen bestonden uit een deel donkeren en uit een deel helderen quarts,
[46] waren van buiten geheel glad en rond, en lagen een halve el hoog.
Eindelyk kwam de met zand vermengde steenkleurige klei weer boven. Hoe
diep deze reikte, kon men niet bepalen. Zoude ook de Rivier zig
voorheen tot hier toe uitgestrekt en de beddingen gemaakt hebben?
[Zeeschelpen in de aarde.]
De Heer Bartram had niet alleen oesterschelpen in menigte op het veld
gevonden, maar had ook mosselschalen en andere schelpen die
ongetwyffeld tot de zee behoren, meer dan honderd Eng. mylen ver van de
zee af aangetroffen. Zelfs had hy ze op de bergen waargenomen, die de
Engelsche planteryen van de woonplaatsen der Wilden afscheiden.
[De Blauwe Bergen.]
Dit gebergte, by de Engelschen de Blauwe Bergen genoemd, is vry hoog en
strekt zig in ene keten uit van het Noorden naar het Zuiden, of van
Kanada naar Karolina. Op sommige plaatsen zyn openingen, die met
voordagt schynen gemaakt te zyn, om aan de grote stromen uit de hoger
landen enen doortogt te geven. De Heer Bartram verzekerde dat de lugt
op deze bergen genoegzaam altyd kouder was dan in de dalen.
De Cassia Chamæcrista wies op de paden door de bosschen, en somtyds ook
op onbebouwde akkers, vooral als zy met klein hout bezet waren. Haar
blad gelykt veel naar die van sensitiva [47], en heeft de zelve
eigenschap, van zig op ’t aanroeren t’zamen te trekken.
De Krayen zyn hier weinig van de Zweedschen onderscheiden; dog haar
geschreuw is zo grof niet, maar wat meer kirrende.
[Reuzepotten.]
Heer Bartram verhaalde, dat hy, op zyne reizen naar de noordelyke
Volkplantingen, by de Rivieren zekere holen in de bergen ontdekt had,
welken, volgens zyne beschryving diergelyke Reuzepotten moeten geweest
zyn, gelyk men in Zweden vindt, en ik ’er enigen van in de
Verhandelingen der Koninglyke Maatschappy beschreven heb. [48] Hy had
over dit onderwerp enige brieven aan de Koninglyke Maatschappy
geschreven. Enigen beweerden dat deze holen door de Wilden gemaakt
waren, om in tyd van oorlog hun koorn en andere goederen te bergen. Dog
dit gevoelen zogt hy te wederleggen. Volgens hem waren zy op deze wys
ontstaan. Wanneer zig des winters het ys vastzet, blyven ’er vele
keizelsteentjes inzitten. Als dan in de lente de sneuw smelt, zo zwelt
het water in de Rivieren zo sterk, dat het hoger komt dan de plaatsen
daar nu deze gaten gevonden worden. Het ys moet gevolgelyk ook zo hoog
komen; en dan gebeurt het dikwyls dat enigen der keizelstenen, die in
het ys vastgevroren waren, uit het ys zelve op den berg vallen, en
daarna door het water in ene kloof of kleine ongelykheid van den grond
gevoerd worden. Het water drait deze steentjes vervolgens in die kloven
rond, en holt ze dus, allengskens hoe meer, uit. Het water slypt te
gelyk, door zyne kringswyze beweging, den steen glad, en helpt het hol
rond maken. ’T is zeker, dat door dit drayen en stoten de steen hiertoe
op het laatst onbekwaam wordt; dog de stroom werpt alle voorjaren weder
andere stenen in derzelver plaats, die even op de zelve weder rond
gedraid worden. Het gene dus van de bergen of de stenen afgeslepen
wordt is een meer of min grof zand, ’t welk door het water, wanneer het
hoog staat, en zyne golven in de holen staat, weg gevoerd wordt. Dit
waren de gedagten van den Heer Bartram. De Londensche Maatschappy had
dezelve goedgekeurd. [49] De aanmerkingen, die ik by myn verblyf te
Landfort in ’t jaar 1743. gemaakt heb, tonen dat ik toen van ’t zelve
gevoelen was. Ik heb het zelve in enen brief aan de Koninglyke
Maatschappy, die onder hare ongedrukte schriften bewaard wordt, verder
ontwikkeld. Evenwel is ’er grote reden om te twyffelen of alle de
holtens van dit soort op deze wys wel ontstaan zyn.
[Moerbeziebomen.]
Van de Moerbeziebomen treft men hier verscheiden soorten aan, die in
Noord en Zuid Amerika in de bosschen wassen. Hier zyn de roden zeer
menigvuldig. De Heer Bartram verzekerde egter dat hy de witten ook in
’t veld gezien had, schoon zy zeldzamer zyn. Ik vroeg, waarom men hier
gene zydefabrieken aanlag, daar hier de moerbeziebomen zo wel tierden;
dog het antwoord was dat de daglonen ’er te duur toe waren. Een
manspersoon wint dagelyks drie Eng. schellingen en meer, en de
vrouwlieden winnen naar evenredigheid. Dus dagt men dat het telen van
allerlei koorn, hennip en vlas, beter betaald werd, en zo veel
oppassens niet vorderde als het kweken van zydewormen. Dat evenwel de
zydewormen hier wel voort willen, en dat deze moerbeziebomen zeer goed
voor hun zyn, bleek uit de proeven door enen Gouverneur van
Konnektikut, dat nog noordelyker dan New York legt, genomen. Deze fokte
zo vele zydewormen aan, dat zy hem met zyn huisgezin van hunne zyde
kleedden.
[Wyngaarden.]
Verscheiden soorten van Wyngaarden wassen hier ook. Zy omwinden op zeer
vele plaatsen de bomen, zo dat zy ze byna geheel bedekken, en ’er aan
de zyden by neer hangen. Dit maakt omtrent de zelve vertoning als
wanneer by ons de hopranken tegens de bomen opklimmen. Ik vroeg ook,
waarom men hier gene wynbergen aanleide en uit de wilde druiven wyn
maakte, dog ik kreeg het zelve antwoord, als omtrent de zydefabrieken.
De menschen willen te duur betaald zyn. Dus was het voordeliger zig op
den akkerbouw boven al toeteleggen. Dog de voornaamste oorzaak is wel
deze, dat de wyn, die uit de Amerikaansche druiven geperst wordt, zuur
en scherp is, en in lang zo aangenaam niet smaakt als de Europische.
[Het Arum.]
De Virginische Kalfsvoet [50] wast op natte plaatsen. De Heer Bartram
verhaalde, dat de Wilden den steel der bloem en de bessen kookten, en
als iets lekkers aten. Zo lang de bessen nog rood zyn zyn zy scherp en
wreed, dog dit gaat ’er in het koken af.
[Sarothra.]
De Sarothra Gentianoides wast overvloedig buiten Philadelphia op de
velden, onder ’t hout, in ene droge zandige aarde. Zy geleek onze
blauwbessestruiken zeer wel als zy eerst beginnen groen te worden en de
spitsen der bladeren nog rood zyn. De Heer Bartram had deze plant aan
Doctor Dillenius gezonden, dog deze wist niet tot welk een soort hy ze
brengen moest. Men wil dat zy wondhelend is, en dit heeft de Heer
Bartram zelf ondervonden, toen hy, eens van ’t paard gevallen en
daarvan geslagen zynde, de beide dyen zwaar gekneusd had. Hy kookte de
Sarothra, en lag ze op de gekneusde plaatsen. De pyn, die in ’t eerst
zeer heftig geweest was, verdween spoedig, en hy was binnen kort
volkomen hersteld.
[Lorkeboom.]
In het Kruidkundig Woordenboek van den Heer Miller gelezen hebbende,
dat de Heer Peter Collinson in zynen hof enen Lorkeboom gehad had van
een byzonder soort, die hem uit Amerika gezonden was, vroeg ik den Heer
Bartram of die boom by hem bekend was. Hy antwoordde my, dat hy zelf
dien boom aan den Heer Collinson gezonden had; dog dat hy in ’t
oostelyke deel van Jersey in ’t wild groeide; dog dat hy hem anders
nergens in de Engelsche Volkplantingen voorgekomen was. Hy is daarin
van de andere Lorkebomen onderscheiden dat zyn zaadhuisjes veel
kleinder zyn. Dog ik heb naderhand dezen boom in grote menigte in
Kanada gezien.
[Appelbomen.]
De Heer Bartram dagt dat de Appelboom uit Europa herwaards overgevoerd
was, dog hy hield de Persik voor ene Amerikaansche vrugt, die daar in
’t wild wast. Anderen daarentegen meenden dat de Europeanen ze mede
gebragt hadden. Dog de Franschen in Kanada zeiden dat de Persiken in
menigte omstreeks de Rivier de Missisippi in ’t wild gevonden wierden.
[De Mispelboom.]
De Persimon der Engelschen, Dyospyrus Virginiana by Linnæus, noemen de
Zweden Mispelboom. Hy wast op de meeste vogtige plaatsen. Ik heb reeds
boven gezegd dat de vrugten van dezen boom, eer dat ze volkomen ryp
zyn, bitter en t’zamentrekkend waren, dog wanneer ze volkomen hare
rypte hebben, het geen niet eer geschiedt dan wanneer de vorst ze
aangedaan heeft, zyn zy zeer aangenaam om te eten. Men eet ze zeldzaam
anders dan rauw. Dog uit een groot boek, behelzende ene beschryving van
Virginie, onder het woord Persimon, kan men zien dat de Mispelen op
meer dan ene wys bereid worden. De Heer Bartram verhaalde, dat men ze
hier tot een schoteltje op het nageregt gebruikte, en dat ’er menschen
waren die ’er enen zeer aangenamen wyn uit maakten. By hem waren ’er
verscheiden op den grond gevallen, die door de zonnestralen byna ryp
geworden waren. Wy proefden ’er enigen van, en ik moet bekennen, dat zy
gelyk hebben die zeggen dat zy aangenaam zyn. Zy verdienen onder de
smakelykste vrugten van dit land gerekend te worden, wanneer de vorst
haar scherpte heeft weggenomen.
[Wolkruid.]
Het Verbascum Thapsus, of grote witte Wolkruid, staat overal in
menigte, op de wegen, aan de tuinen, in droge gronden, op hoge weiden,
die enen zandigen bodem hebben. De Zweden noemden het Tabak der Wilden;
egter erkenden zy niet te weten of de Amerikanen dit kruid als Tabak
gebruikten. De Zweden plegten in hete koortsen de bladeren ’er van om
de armen en voeten der zieken te binden. Men maakte ook een thee van de
bladen tegens den buikloop. Ook zeide my een Zweed, dat men den wortel
in water kookte, en het dan in de wonden van het vee spoot, dat vol van
wormen was, waardoor de wormen stierven en ’er uit vielen. [51]
[Het gras.]
Den 28. Sept. hadden de tusschen de bosschen gelegen, afgemaide
weilanden nog een levendig groen gras. In tegendeel op zulke weiden,
die tegens de hoogtens, in ’t vlakke veld, en zeer voor de zonne bloot
lagen, zag het gras ’er bruin en droog uit. Verscheiden menschen uit
Virginie verhaalden my dat daar, wegens de grote hette, de weiden ’er
meest altyd bruin en verbrand uit zagen. Dus heeft men daar het vermaak
niet, gelyk in Europa, van de weiden met een schoon groen bekleed te
zien.
[Nagtschaduw.]
De Amerikaansche Nachtschaduw [52] wast overvloedig onder het geboomte
en op kleine heuvelen. Hare zwarte bessen waren reeds ryp. Wy bemerkten
dat kleine blauwe vogeltjes, van de grootte als onze Emberiza
citrinella uit de bomen op de Nagtschaduw kwamen vliegen en hare
bladeren aten.
Tegens den avond ging ik naar het Landgoed van den Heer Bartram.
[Gnaphalium.]
Het Gnaphalium margaritaceum staat in verbazende menigte op alle
onbebouwde velden, heuvels, en anders. Men vind deze plant van
verschillende langte naar mate van den grond. Somtyds heeft zy veel en
somtyds weinig takken. De reuk is sterk dog lieflyk. De Engelschen
noemen ze het Euwige leven, [53] om dat hare bloemen, die grotendeels
uit droge, glinsterende, zilveragtige blaadjes [54] bestaan, niet
veranderen als ze gedroogd worden. Deze plant was thans overal in haren
vollen bloei; hoewel ’er waren die al hare bloemen verloren en begonnen
hadden haar zaad te stroijen. De Engelsche vrouwen vergaderden veel van
deze plant, plukten ze met den steel af, en zetteden ze, met andere
schone bloemen, die zy van de velden of uit de tuinen hadden, in
potten, tot een sieraad voor de kamers. In ’t algemeen waren zy daar
zeer op gesteld van den gehelen zomer over, allerlei zo voor het oog
als den reuk aangename bloemen onder of op den schoorsteen, ook wel op
de tafel of in de vensterbanken te hebben. Het Gnaphalium hielden zy
den winter in hare kamers over, om dat de bloemen ’er van niets
veranderen. De Heer Bartram verhaalde my nog een ander gebruik van deze
plant; te weten, men bedient zig van een afkooksel van de bloem en den
steel, of van de plant zelve in enen zak gebonden, om ’er kneuzingen
mede te bestryken.
[Wilde hennip.]
In plaats van vlas gebruiken vele menschen hier een soort van het
Apocynum cannabinum van Linnæus. Men bereidde den steel gelyk het
hennip en het vlas. Men spint het en weeft ’er allerlei goed van. Men
wil dat de Wilden, van overoude tyden af, zakken, vischnetten, en
diergelyke dingen ’er van gemaakt hebben.
[Aanwas van het land.]
Ik vroeg den Heer Bartram of hy ook opgemerkt had of de zee lager
geworden was, en voorheen plaatsen bedekt had die nu land waren. Hy
zeide my, dat naar zyne waarnemingen het grootste deel van dit Land,
vele mylen ver, voorheen moest onder water gestaan hebben. De redenen
voor dit gevoelen waren dezen.
I. In ’t graven op de Blauwe Bergen, die meer dan drie honderd Eng.
mylen van de zee af zyn, had men hier en daar losse mossel-, oester- en
andere schelpen gevonden; welken men insgelyks in de vallyen tusschen
die bergen ontmoet.
II. Men vind daar ook in kalkstenen, vuurstenen en anderen, ene
verbazende menigte van versteende mosselschelpen. Hy verzekerde dat het
nauwlyks te geloven was hoe vele duizenden daarvan in de verschillende
soorten van stenen, waaruit het gebergte bestond, zaten.
III. Even zulke schelpen graaft men geheel en onveranderd op in
Virginie, Maryland, New York en Pensylvanie.
IV. By ’t graven naar wellen, niet alleen te Philadelphia, maar ook op
andere plaatsen, ter diepte van agttien voeten, zyn stammen, wortelen
van bomen, ja zelfs eikenbladeren, voor ’t groter deel nog onverrot
gevonden.
V. De vetste en beste aarde legt hier in de dalen. Dezen worden
gemeenlyk door enen kleinen stroom of ene beek doorsneden. Aan
derzelver afdalende zyde ryst merendeels een berg, die, waar ’er het
water tusschen door vliet, ’er uitziet, als of hy met voordagt zo
doorgraven was. De vallyen waren, dagt de Heer Bartram, voorheen allen
meren geweest, en het water had allengskens de bergen uitgehold, en ’er
zig enen weg door gemaakt. De menigte van modder, dien men in ’t water
vindt, en die eertyds op den grond van het meer gelegen had, was, naar
zyn oordeel de aarde van de tegenwoordige landen, die zulk ene
vrugtbaarheid bezit. Zulke dalen en doorgesneden’ bergen vindt men hier
te lande zeer veel. Dusdanig is de zonderlinge opening tusschen twee
bergen, door de welke een rivier op de grenzen van Pensylvanie en New
York doorstroomt. Men zegt hier schertsgewyze, dat de Duivel die
opening gemaakt heeft om uit het ene landschap in het andere te komen.
VI. Men kan aan de Blauwe Bergen duidelyk bespeuren dat zy voorheen ten
dele onder water zyn geweest, want velen van dezelven zyn op ene
zonderlinge wys afgebroken, dog de hoogsten niet.
VII. Wanneer men de Wilden zegt dat ’er op deze hoge bergen
mosselschelpen gevonden worden, en dat men daaruit opmaakt dat de zee
voor dezen daarover heen gegaan heeft, antwoorden zy, dat dit hun niet
verwonderbaar voorkomt, vermits ’er onder hun ene overlevering is, dat
de zee in oude tyden rondom deze bergen gestaan heeft.
VIII. Het water in de Rivieren en de poelen neemt ook af. Molens, die
zestien jaar geleden op de Rivieren gebouwd waren, en waters genoeg
hadden, hebben nu zo weinig water dat zy niet malen konnen, ten zy na
enen zwaren regen, of in ’t voorjaar als de sneuw smelt. Dit afnemen
van het water komt daarvan daan, dat ’er thans zo veel land bebouwd
wordt, en ’er zo vele bosschen zyn uitgeroeid.
IX. Het strand neemt ook jaarlyks toe. Dit komt van de grote menigte
van zand, ’t welk de golven uit den bodem der zee op het strand werpen.
De Heer Bartram agtte dat het opmerking verdiende, dat de schelpen, die
op de noordelyke gebergtens versteend gevonden worden, van een soort
zyn diergelyken men in de zee op die Poolshoogte vindt, en niet gezien
worden voor dat men in Zuid Karolina komt. Hierin meende hy grond te
vinden om de mening van Dr. Thomas Burnet te verdedigen, dat namelyk de
aarde voor den zondvloed ene andere neiging jegens de zon gehad heeft.
Bewyzen dit ook niet, zeide hy, de zware beenderen, die men in Siberie
vindt en voor Elefants beenderen houdt? Tegenwoordig kunnen die dieren
in zulk een koud land niet in ’t leven blyven. Maar indien volgens
Burnets stelling de zon voorheen gantsch anders ten opzigte der
verscheiden landen van den aardbodem gestaan heeft, kan men ligt
begrypen dat de Elefant in Siberie heeft geleefd. [55] Egter schynt het
dat van dit alles verscheiden oorzaken kunnen worden opgegeven. Hiertoe
behoort de algemene Zondvloed, de aanwas van land, het welk een zuiver
werk van den tyd is, en de veranderingen in den loop der rivieren, die
by het smelten der sneuw of in grote overstromingen hare oude beddingen
verlaten en zig nieuwe maken.
[Reuzepotten.]
Op enigen afstand van het huis van den Heer Bartram loopt een beekje
door het bosch, het welk over ene rots henen stroomt. Hier toonde my
myne opmerkzame Geleider verscheidene kleine zo genaamde Reuzepotten.
En wy konden duidelyk zien dat zy op die wys, welke ik boven beschreven
heb, moeten ontstaan zyn. Want als wy de hand in die holen staken,
bemerkten wy dat ’er vele keizelsteentjes inzaten, die van buiten zo
glad en rond waren als of ze gedraid waren. En diergelyke stenen vonden
wy in elk gat.
[Planten.]
De Heer Bartram toonde my ene menigte van planten die hy in zyn
kruidboek verzameld had. Onder dezelven waren de volgenden, die ook in
de noordelyke delen van Europa wassen, van de welken hy of de gehele
plant bewaard had, of alleen de takken.
De Betula alba, of de gemene Berkeboom.
De Betula nana, een soort van Berk, dat op lage plaatsen tegens de
hoogtens aan wast.
Het Comarum palustre, of Watervyfvingerkruid, groeijende in de weiden
tusschen de heuvelen in New Jersey.
De Gentiana lutea of de Gele Kruiswortel, voortkomende op de velden
digt by de bergen. Hy gelykt veel naar den onzen, maar heeft zo veel
bloemen niet onder elk blad.
De Linnæa borealis; deze wast op de bergen in Kanada. Zy kruipt langs
den grond.
De Myrica Gale; omstreeks de Rivier Susquehanna op natte gronden.
De Potentilla fruticosa, wordende gevonden in moerassige streken en
lage weiden tusschen de Dellaware en de Rivier van New York.
De Trientalis Europæa, wassende op de Catshills.
Het Triglochin maritimum, voortkomende by de zoute bronnen naar den
kant van ’t Land der Vyf Volken.
[Een Grafzerk ontdekt.]
De Heer Bartram vertoonde my enen brief uit Oost Jersey, behelzenden
het volgende verhaal van ene ontdekte Amerikaansche Begraafplaats. In
April 1744. was men in het graven eens kelders op enen groten steen,
gelyk aan een grafzerk, gekomen, welken men ten laatsten met veel
moeite boven gehaald, en vier voeten dieper ene menigte van
menschebeenderen en enen gehelen koek van mais gevonden had. De koek
was nog onbeschadigd, zo dat verscheidenen der omstanders uit
nieuwsgierigheid ’er van proefden. Uit deze omstandigheden besloot men,
dat hier een aanzienlyk persoon uit de Wilden moest begraven wezen.
Want zy zyn gewoon eetwaren en andere dingen, daar de overledenen zeer
veel van gehouden heeft, met hem te begraven. De steen was agt voet
lang, vier voet en enige duimen op de dikste plaatsen breed, en vyftien
duim aan het ene en twaalf aan het andere einde dik. Hy bestond uit een
grof soort van steen, dien men hier vindt. Daar waren gene letters nog
karakters op te zien.
[De Mais en Squashes.]
Het graan dat de Wilden het meest bouwen is de Mais. Zy bebouwen ’er
kleine velden mede. Buiten dat planten zy ook ene menigte van Squashes,
een soort van pompoenen of meloenen, die zy al aangekweekt hebben voor
dat de Europeanen in dit Land waren. De Europische Amerikanen hebben ze
ook in hunne tuinen geplant, die ’er nu vol van zyn. De vrugt is
aangenaam als zy wel klaar gemaakt wordt. Gemeenlyk kookt men ze, stoot
ze aan stukken, en doet ’er wat peper en andere speceryen by. De Wilden
zaijen ook verscheiden soorten van bonen, die zy meest van de
Europeanen gekregen hebben. Maar de erwten, die zy ook bouwen, hebben
zy al gekend voor dat de Europers hier waren. De Squashes behoren tot
de vroege kawoerden. Zy zyn goed, maar duren niet lang. Egter heb ik ze
tot vry diep in den winter zien goed houden.
[Weit en Rogge.]
Omtrent het laatste van September zaide men de Weit en de Rogge, en
deze granen worden gemeenlyk ryp omtrent het einde van Juli. Somtyds
gebeurt het wel dat men ze al in ’t midden van Juni maijen kan, zelfs
zyn ’er voorbeelden dat dit in ’t begin dier maand geschiedde. De
[Garst en Haver.] Garst en Haver wordt in April gezaid; en zy beginnen
gemeenlyk tegens ’t einde van Juli. [Boekweit.] De Boekweit wordt
gezaid in ’t midden of op ’t einde van Juli, en is omtrent het einde
van September, of iets later, in staat van ingeoogst te worden. Indien
men ze vroeger zait geeft zy wel bloemen, dog weinig of geen koorn.
[Vee.]
De Heer Bartram en anderen verzekerden my, dat het meeste rundvee dat
de Engelschen hebben afkomstig is van beesten die zy de Zweden gekoft
hebben, toen die nog in ’t bezit van het land waren. De Engelschen
zelven, wil men, dat ’er maar weinig hebben overgebragt. De Zweden
bragten hun vee herwaards uit hun Land, of koften het van de
Hollanders, die toen hier gevestigd waren.
[Klimop.]
Digt by de Stad zag ik een Klimop of Hedera Helix tegens den muur van
een stenen huis staan, het welk geheel onder het groen der bladeren
onzigtbaar was. Deze plant is zekerlyk uit Europa overgebragt, want ik
heb ’er nergens anders ene van in Amerika gezien. Maar in plaats van
dit gewas zag ik dikwyls wilde Wyngaarden die tegens de muren
opklommen.
[Of de bomen en planten verbasteren als zy het noorden naderen.]
Ik vroeg den Heer Bartram of hy ook opgemerkt had, dat de bomen en
planten verbasteren naar mate ze meer noordwaards gevoerd worden, gelyk
Catesby beweert. Hy antwoordde, dat deze mening waar was, indien men ze
met onderscheid voorstelde. Daar zyn sommige bomen die beter in de
zuidelyke landen voortkomen, en die verminderen naar mate men het
noorden nadert. Wanneer hunne zaden door de vogels by andere toevallen
naar kouder lugtstreken worden overgebragt, worden de bomen hoe langer
hoe kleinder, tot dat zy op ’t laatst in ’t geheel niet meer
voortwillen. Maar daar zyn ook bomen en planten, welken de wyze
Schepper voor de noordelyke landen geschikt heeft, en die daar tot ene
verbazende hoogte wassen. Hoe meer dezen het zuiden naderen zo veel te
meer nemen zy af, tot dat zy op ’t laatst in ’t geheel ophouden te
groeyen. Andere planten eischen ene gematigde lugtstreek; en wanneer zy
meer noord- of zuidwaards gevoerd worden, willen zy niet voort, maar
nemen af. Dus zyn ’er, by voorbeeld, in Pensylvanie bomen die uitermate
wel wassen, dog altyd afnemen naar mate zy verder naar het noorden of
naar het zuiden gevoerd worden.
Ik heb dit naderhand op myne reizen dikwyls bekragtigd gevonden. De
Sassafras, die in Pensylvanie op 40. gr. N. een tamelyk hoge en zware
boom wordt, wast by Oswego en Fort Nicholson, tusschen de 43. en 44.
gr. nauwlyks drie of vier voet hoog, en had nauwlyks de dikte van een
pink. Het zelve had plaats omtrent den Tulpeboom. Deze wordt in
Pensylvanie zo zwaar als onze grootste Eiken, maar by Oswego is hy niet
meer dan twaalf voet hoog en enen arm dik. De Suikerahorn [56] is een
der gemeenste bomen in de bosschen van Kanada, en wordt daar zeer
zwaar. Maar in de zuidelyke Landschappen, als New Jersey en
Pensylvanie, wast hy alleen maar op de noordelyke zyden van de Blauwe
Bergen, en op de steile heuvelen langs de rivieren, welken tegens ’t
noorden gekeerd zyn. Dog hier komen ze niet tot een derde of vierde van
de hoogte die zy in Kanada bereiken. Meer voorbeelden wil ik hier niet
bydoen.
[Muggen.]