grote menigte van Oesterschelpen gevonden wordt, en dat zy ’er zelfs
gantsche bergen van gezien hadden. De plaats zou twee Eng. mylen van
zee af zyn. De eigenaar der zelver brandt ’er kalk uit. De beddingen
dezer schelpen zyn twee vadem en meer diep. Zulke hopen van schelpen
heeft men ook op andere plaatsen, byzonderlyk in New York, by ’t graven
gevonden; en op ene zekere plaats, vele mylen van zee, was men op ene
schrikkelyke menigte van schelpen, ten dele van oesters, ten dele van
andere zeedieren, gekomen. Sommigen waren van oordeel, dat de Wilden
daar voorheen gewoond, en de schelpen der oesters, die ze gebruikt
hadden, op zulke hopen hadden gesmeten. Dog anderen konden niet
begrypen, waarom die in ene zo verbazende menigte alleen op ene plaats
zouden weggeworpen wezen.
[De Wilden.]
Allen stemden daarin over een, dat de Wilden van dit land goedaardige
menschen zyn, indien zy niet worden beledigd. Niemant houdt getrouwer
zyn woord dan zy. Wanneer vreemdelingen, die hunne bondgenoten zyn,
onder hen komen, betonen zy hun meer goedheid en grotere
dienstvaardigheid, dan zy van hunne eigene landsgenoten verwagten
kunnen. De Heer Kock verhaalde my, ten bewyze hunner opregtheid, het
volgende geval. Een Engelsch Koopman voor twee jaar onder de Wilden
reizende, om handel te dryven, wierd daar dood geslagen, zonder dat men
wist van wien. Maar byna een geheel jaar daarna ontdekten de Wilden wie
het uit hun gedaan had. Ten eersten grepen zy den moordenaar; bonden
hem de handen op den rug, en zonden hem onder een geleide naar
Philadelphia aan den Gouverneur. Zy hadden, lieten zy zeggen, enen
booswigt, die zulk een stuk aan enen Engelschman begaan had, niet
langer voor hunnen Landsman kunnen erkennen, en wilden ook niets meer
met hem te doen hebben; dog gaven hem den Gouverneur over, om hem
volgens de Engelsche wetten naar verdienste te straffen. De moordenaar
werd daarop te Philadelphia gehangen.
[Hunne natuurlyke vermogens.]
Hunne natuurlyke scherpzinnigheid blykt uit het volgende, het welk my
vele menschen verzekerd hebben waar te zyn. Wanneer zy afgevaardigden
naar de Engelsche Volkplantingen zenden, om over zaken van gewigt met
den Gouverneur te handelen, gaan zy, zo dra zy tot zyn gehoor gekomen
zyn, op den grond zitten, en horen zyne voorslagen met aandagt aan, die
somtyds een tamelyk groot getal uitmaken. Zy hebben maar een stokje in
de hand, en maken daar met een mes enige tekens op, zonder verder iets
opteschryven. Maar wanneer zy den volgenden dag wederkomen, om hun
antwoord op de gedane voorslagen te geven, beantwoorden zy den
Gouverneur ieder punt, in die order waarin hy ze hun voorgesteld heeft,
zonder ’er een overteslaan, of van de order aftewyken, en dat alles zo
nauwkeurig, als of zy ’er een schriftelyk opstel van gehad hadden.
De Heer Sleidorn verhaalde my nog een voorval, dat my zeer veel
genoegen gaf. Hy had te New York onder andere Wilden een eerwaardig oud
man in ene herberg gevonden. Deze een weinig door den drank verheugd
liet zig in een gesprek met Sleidorn in, en beroemde zig Engelsch te
kunnen spreken en lezen. Sleidorn vroeg hem daarop verlof hem ene vraag
te doen, het welk de oude man geredelyk toestond. Hy vroeg hem toen of
hy wel wist wie zig het eerst had laten besnyden. De gryzaard
antwoordde ten eersten, Vader Abraham. Toen verzogt hy ook ene vraag te
mogen doen. Sleidorn bewilligde, en de vraag was, “wie de eerste Quaker
geweest was.” Sleidorn antwoordde dat de een dezen, en de ander genen
daarvoor hielden. “Neen,” zeide de oude slimme gast, “Mordechai was de
eerste Quaker, want hy wilde den hoed voor Haman niet afnemen.” Velen
van de nog Heidensche Wilden worden gezegd ene verwarde kennis van den
zondvloed te hebben, dog men vindt ze by allen niet, gelyk ik zelf
ondervonden heb.
[Reuzen.]
Daar waren hier menschen die zig voor vast overtuigd hielden, dat ’er
eertyds Reuzen in deze landen moesten gewoond hebben, en zy gaven deze
redenen op voor dat gevoelen. Voor enige jaren had men in ’t delven een
graf gevonden, waarin menschebeenderen van ene ontzaglyke grootte
lagen. Het scheenbeen alleen zou omtrent viertien, en het dybeen ook zo
veel voeten lang geweest zyn De tanden waren naar evenredigheid
geweest. Dog meerder wierden ’er niet gevonden. [Beenderen.] Lieden,
die de Ontleedkunde verstonden en die benen gezien hadden, verzekerden
dat ze van menschen waren. Een van de tanden wierd naar Hamburg aan
enen Verzamelaar van natuurlyke zeldzaamheden gezonden. Onder de
Wilden, die in de nabuurschap, daar deze gebeentens gevonden zyn,
wonen, was een oud zeggen, dat daar omstreeks aan ene Rivier een zeer
groot en sterk man in overoude tyden zig opgehouden had, die de
menschen, die over den stroom wilden, op zynen rug door het water plegt
te dragen, en, schoon het zeer diep was, het door waadde. Elk gaf hem
voor dezen dienst wat Mais of enige vellen. Op deze wys won hy den
kost, en speelde voor veerman van dezen stroom.
[De grond.]
De grond is hier meest zand, hierendaar meer of min met klei vermengd.
Het zand en de klei zyn beiden van ene bleke steenkleur. Op ’t
uiterlyke schynt de aarde niet zeer vet te zyn. Dit bekragtigen ook de
inwoonders. Wanneer een akker drie jaren aan een met het zelve soort
van koorn bezaid wordt, brengt het niets van belang op, indien het niet
wel gemist wordt of een jaar braak leggen blyft. Dog de mist is hier
bezwaarlyk te krygen. Om die reden laat men het liever onbebouwd. In
dien tusschentyd bewast het met allerlei planten en kruiden, en de
landman bebouwt een veld dat enigen tyd braak gelegen heeft, of kiest
van den nog onbebouwd leggenden grond ene nieuwe streek om te
bearbeiden. In beide gevallen kan hy zig enen goeden oogst beloven.
Deze handelwys slaagt hier zeer wel, want de aarde is lugtig, zo dat ze
gemakkelyk kan omgeploegd worden, en ieder landman heeft gemeenlyk ene
grote ruimte in eigendom. De gewoonte, die men hier heeft, van het vee
de winters over in ’t land te laten lopen, maakt dat men niet veel mist
winnen kan.
[Vee.]
Al het vee dat men hier kweekt is oorspronglyk uit Europa. De Wilden
hadden noit enig vee; en nog geven zy ’er niet om. Ook veraardt het vee
hier allengskens, en wordt kleiner. De ossen, paarden, schapen en
varkens zyn in Engeland groter; en ’t zyn dezen evenwel die herwaards
zyn overgebragt. Het eerste geslagt neemt een weinig af, en het derde
of vierde is reeds van die grootte welke hier het vee gemeenlyk heeft.
De lugtsgesteldheid, de grond en het voedzel zullen hier elk het zyne
te zamen toe doen.
[Vroegtydigheid der Inboorlingen.]
Het is ook aanmerkelyk, het geen men eenparig van de Inboorlingen des
Lands zegt, namelyk dat zy gemeenlyk eerder tot hunne rype jaren komen,
eerder verstand krygen, dog ook eerder oud worden, dan in Europa. Het
is hier niet zeldzaam kleine kinderen te zien, die op de gedane vragen
zo levendige en aardige antwoorden weten te geven, dat men ’er niet
genoeg over kan verwonderd staan, ja zo als of zy oude menschen waren.
Dog zy komen noit tot de jaren waartoe de Europeanen wel geraken. En
’er is hier geen voorbeeld dat een inboorling tagtig of negentig jaar
bereikt heeft. Dog ik spreek alleen van zulken die uit Europa
oorspronglyk zyn; want de Wilden, of de eerste inwoonders van het land,
worden dikwyls zeer oud. Maar dit is tegenwoordig onder hen ook
zeldzamer dan voor dezen. Men kan het sterk brandewyn drinken, dat zy
van de Europeanen geleerd hebben, als ene hoofdoorzaak hier van
aanmerken. Die in Europa geboren zynde, zig hier nedergezet hebben,
bereiken ook gemeenlyk hogere jaren, dan die van Europische Ouders hier
te lande geboren zyn. In den laatsten oorlog heeft men ook ondervonden,
dat de menschen in Amerika geboren zo wel de ongemakken van den oorlog,
by belegeringen en lange togten, niet uithouden als die uit Europa
komen, maar in menigte sterven. Zy kunnen zig aan gene vreemde
lugtstreek gewennen. De Vrouwen houden hier ook vroeger op te baren als
in Europa, na haar veertigste of vyfenveertigste jaar zyn zy gemeenlyk
niet meer vrugtbaar, en sommigen reeds na haar dertigste. Ik vernam
naar de oorzaak hiervan, dog men wist ’er de ware niet van aantewyzen.
Enigen schreven dit toe aan den overvloed dien men hier heeft. Anderen
aan de onbestendigheid van het weder, gelovende dat ’er bezwaarlyk een
land in de wereld te vinden is daar het weder op denzelven dag zo
dikwyls verandert als hier. Op de zwaarste hette volgt somtyds binnen
weinige uren ene gevoelige koude. Ja, het weder verandert den zelven
dag dikwyls vier, vyf en zesmalen.
[En der bomen.]
Met de bomen is het hier even eens als met de menschen gelegen. De
Schepen van Amerikaansch hout gebouwd zyn niet te vergelyken met die
welken in Europa getimmerd worden. Dit erkent men eenparig. Een schip
hier gebouwd deugt niet veel meer zo dra ’t een jaar of twaalf oud is;
en vindt men ’er een ouder dat nog bruikbaar is, zo word het voor een
wonder gehouden. Het is niet gemakkelyk de reden hiervan uittevinden.
Enigen gaven de schuld hier van aan het hout, anderen aan de manier van
bouwen, om dat men zig hier meest van nieuw gehakt hout bedient, dat
nog niet volkomen droog is. Ik denk dat beide deze oorzaken
t’zamenlopen, want ik vond eikebomen, die op zyn best twaalf jaren
gehakt waren geweest, welken met enen harden bast overtrokken waren,
onder den welken het hout byna verrot en tot een meel geworden was, zo
dat men ’t tusschen de vingers tot poeder wryven kon. Hoe lang
daarentegen duren onze eiken stammen niet eer zy vermolmen?
Des avonds keerden wy naar Philadelphia terug.
[Hazen.]
Hazen zyn ’er eigenlyk in dit land niet, maar wel een soort van dieren,
die tusschen onze Hazen en de Konynen een middelsoort zyn, en in de
kool- en raaplanden ene schrikkelyke verwoesting aanregten.
[Waarom vele planten hier zo laat bloeijen.]
Velen hebben zig verwonderd, dat de planten, die uit Noord Amerika naar
Europa gevoerd en daar geplant worden, grotendeels zo laat bloeijen, en
zelden rype vrugten voortbrengen voor dat de vorst ze overvalt, daar
het uit de Reisbeschryvingen bekend is, dat in Pensylvanie, en nog meer
in New York, in Nieuw Engeland en in Kanada, de winters wel zo gestreng
als in Zweden, en gestrenger dan in ’t Europisch Engeland zyn. Het
wierd my door verscheiden verstandige lieden opgelegd dit te
onderzoeken; maar in plaats van te antwoorden, wil ik hier enige
aanmerkingen opgeven, die ik over de lugtstreek en de gewassen van
Noord Amerika gemaakt heb, en het mynen Lezer overlaten zelf daar
gevolgen uittetrekken.
Het is waar, dat de winter in Pensylvanie, en nog meer in de
noordelyker Landschappen, al zo gestreng als in Zweden, en bygevolg
veel kouder dan in Engeland en de zuidelyker landen van Europa is. Ik
vond dat in Pensylvanie, het welk nog meer dan twintig graden
zuidelyker legt dan verscheiden landschappen van Zweden, de Thermometer
van den Heer Celsius des winters tot op 24. gr. onder het punt van
vorst viel; en die winter was, zo als men my verzekerde, niet
buitengewoon koud. Dit konde ik daaruit ook opmaken, dat de Dellaware,
ten tyde ik daar was, niet zo sterk toevroor dat men ’er te
Philadelphia over ryden kon, het welk dikwyls genoeg gebeurt. Als men
nu de breedte van de Rivier overweegt, en dat het gewoonlyk verschil
van eb en vloed daar agt voeten bedraagt, zal men ligt beseffen, dat
’er een gestrenge vorst vereischt moet worden om de Dellaware met zo
sterk een ys te bedekken.
Dog het is te gelyk waar, dat, zo de winters hier somtyds hard zyn, zy
niet lang duren. Men kan zeggen dat zy in Pensylvanie zelden meer dan
twee maanden, en somtyds niet boven ene maand aanhouden; want het is
iets zeer ongewoons als zy drie maanden duren, en dan wordt het in de
Koeranten als iets byzonders aangetekend. Digter by den Pool zyn de
winters wat langer, en in de Noordelykste delen zullen zy onze
Zweedschen in lengte niets toegeven. De waarnemingen aangaande het
weder, die ik in myn verblyf in Amerika dagelyks voor alle maanden
gemaakt heb, en die ik hier agter zal invoegen, zullen hier meer ligts
omtrent geven.
Des zomers is de hitte hier doorgaans zwaar en aanhoudend. Ik beken dat
ik den Thermometer te Aobo byna zo hoog heb zien ryzen als in
Pensylvanie, dog dit onderscheid was ’er in, dat, zo de Thermometer van
Celsius in Finland in twee of drie jaren misschien eens tot den 30. gr.
boven het vriespunt ryst, dezelve niet alleen in Pensylvanie, maar ook
in New York, te Albany, en in een groot deel van Kanada, meest
dagelyks, drie maanden lang, tot dien graad, zo nog niet hoger, stygt.
Te Philadelphia is hy in de zomers, die ik daar heb doorgebragt, twee-
of driemaal tot 36. gr. gestegen. Men kan dan zeggen dat in Pensylvanie
een groot deel van April, Mai, en de volgende maanden tot October toe,
aan de maanden van Juni en Juli in Zweden gelyk zyn. Ene zo sterke en
aanhoudende hette moet noodzakelyk grote uitwerkingen voortbrengen. Aan
deze doordringende en langdurige warmte moet men het ook toeschryven
dat de gemene meloenen, de watermeloenen, en de pompoenen van velerlei
soorten op het open veld gezaid worden, en zonder enige bedekking of
glazen in Juli volkomen ryp zyn, dat de kerssen te Philadelphia den 25.
Mai reeds goed zyn, en dat men dikwyls in Pensylvanie de weit in ’t
midden van Juli mait.
De gantsche maand van September, en de halve maand van October, ofwel
geheel October, maken in Pensylvanie het aangenaamste jaargetyde uit.
De vroegere zomermaanden zyn al te heet. Dezen zyn gelyk in warmte aan
onzen Juli en half Augustus. Ook staan in September de meeste gewassen
in den besten bloei, en velen beginnen al diep in die maand eerst te
bloeyen. En ik twyffel niet of dit onvergelyke jaargetyde, geholpen
door enen helderen hemel en enen matiglyk warmen zonneschyn, doet hier
veel toe. Maar schoon de gewassen zo laat eerst beginnen, krygen zy dog
hunne volkomenheid voor dat het grootste deel van October verlopen is.
Dog waarom ze zo laat in den herfst eerst voortkomen, is iets dat ik
niet kan beantwoorden, en vraag veel liever, waarom bloeyen de
Centaurea Jacea, de Gentiana, de Amarella en het Centaureum van Linnæus
in Zweden eerst op het laatst van den zomer? Waarom vertonen het
Leverkruid, [38] de violier, [39] het Daphne Mezereum, en andere
planten zig reeds in de lente in allen haren luister? Het heeft den
Schepper van alle dingen behaagd de zaak dus vast te stellen. Wat weder
het te Philadelphia in die maanden is, kunnen myne waarnemingen
aanwyzen. Ik heb omtrent dezelven alle zorgvuldigheid aangewend, en,
zoveel ik kon, vermyd, den Thermometer op zulke plaatsen te hangen,
waar hem de zonnestralen of lynregt of door weeromkaatsing verwarmen
konden.
Daar zyn nog in Pensylvanie onder de wilde gewassen enigen, die niet
alle jaren hun zaad tot rypheid brengen voor dat de koude invalt.
Hiertoe behoren enige soorten van de Gentiana, van Asteres en anderen.
Dog de wysheid des Scheppers heeft het een naar het ander geschikt.
Byna alle die gewassen welken de eigenschap hebben van zo laat hunne
bloemen voort te brengen zyn overblyvende, [40] of zulken die by gebrek
van zaad door uitspruitsels kunnen voortgeplant worden. Veelligt kan
men egter van deze vertraging in de planten ene natuurlyke oorzaak
opgeven. Voor dat de Europeanen herwaards kwamen werd het Land door
wilde volken bewoond, die geen of weinig land bebouwden, dog zig
voornamelyk van de jagt en de visschery geneerden. De bosschen wierden
dan niet aangeraakt; alleen verteerde het vuur, by toeval in de wouden
ontstoken, ’er een gedeelte van. Ook vonden de eerste hier aanlandende
Europeanen al het land met zware bosschen bedekt. Hieruit volgt, dat,
als men de grote bomen, en de gewassen die in of aan ’t water staan,
uitzondert, de overigen merendeels enige duizend jaren lang in de
schaduw, onder of tusschen ’t geboomte hebben moeten groeyen, en dit
maakt dat zy natuurlyk tot die behoren welken boschryke en
schaduwagtige oorden vereischen. Nu laten de bomen hier in den herfst
hunne bladeren in zulk ene menigte vallen, dat zy den grond onder zig
vier of vyf duim dik bedekken. Dit loof blyft tot diep in den volgenden
zomer leggen eer het vergaat. Het moet dan de planten, die onder het
zelve wassen, zeer vertragen. Daarby berooft het ze van die weinige
zonnestralen, welken ’t geboomte nog doorlaat. Deze omstandigheden
t’zamengenomen maken dat de gewassen veel later bloeyen, dan zy anders
doen zouden. En zou men niet zeggen konnen, dat zy op deze wys de
hebbelykheid aangenomen hebben van zo laat voort te komen, zo dat zy nu
enen langen tyd nodig hebben om zig te gewennen spoediger te groeyen?
Den 24. Sept. bragten wy door met planten te verzamelen, en de
zeldzaamsten in het Kruidboek te leggen.
[Versteend hout.]
Den 25. schonk my de Heer Hesselius een klein stuk versteend hout, dat
men hier in den grond gevonden had. Het was vier duimen lang, enen duim
breed, en drie lynen dik. Men kon zeer duidelyk zien dat het voorheen
hout geweest was, want daar men het glad gemaakt had kon men alle de
langwerpige draden onderkennen, zo dat het scheen een glad gesneden
stuk eiken hout te wezen. Het was een stuk van enen groteren brok. Men
hield het hier voor een stuk Hikory. Ik kreeg naderhand van anderen
meer daar van. De Heer Lewis Evans verhaalde my, dat men op de grenzen
van Virginie in den grond een groot blok van versteenden Hikory
gevonden had, waaraan men de schors nog onderkennen konde, die egter
ook steen geworden was.
[De Heer J. Bartram.]
De Heer John Bartram is een Engelschman die omtrent vier Eng. mylen van
Philadelphia op het land woont. Hy is zeer ervaren in de Natuurkunde en
de Natuurlyke Historie, en schynt voor die wetenschappen regt geboren
te zyn. In zyne jeugd heeft hy gene gelegenheid gehad van regelmatig te
studeren. Maar door zyne vlyt en enen onvermoeiden arbeid is hy, zonder
vreemde wegwyzing, zo ver in het Latyn gekomen, dat hy al de boeken in
die taal lezen en verstaan kan, zelfs die waarin men veel kruidkundige
konstwoorden vindt. Hy heeft gedurende verscheiden jaren dan naar het
ene nu naar het andere gewest van Amerika gereisd, alleen met inzigt om
allerlei weinig bekende planten te verzamelen. Hy heeft ’er sommigen
van in zynen tuin geplant, en vele zaden of frissche wortels naar
Engeland gezonden. Men is hem voor de kennis aan verscheiden’ der
zeldzaamste gewassen verpligt, die hy het eerst gevonden heeft. Dog men
kan hem van traagheid en nalatigheid beschuldigen, daar hy verzuimd
heeft zyne velerhande en aanmerkelyke waarnemingen op ’t papier te
brengen. Zyne vrienden te Londen verzogten hem eens hun een kort begrip
zyner reizen toe te zenden, en zy waren, ’t is waar, met een goed
oogmerk, dog met geen genoegzame omzigtigheid, zeer haastig om het
afgedwongene handschrift ter drukpers te bezorgen. Daardoor benadeelden
zy den Man merkelyk, want, daar hy niet houdt van het geen hy weet
aantetekenen, vond men zyn werk mager in nieuwe ontdekkingen. Dog men
zou hem groot ongelyk doen hem hiernaar te beoordelen. Hy heeft in dat
werk niet het duizendste deel van het geen hy weet, vooral aangaande
Noord Amerika, gezet. Ik ben hem zeer verpligt; want hy bezat de
pryslyke eigenschap van het geen hy wist anderen wel te willen
mededelen. Ik wilde van hem gewagen, op dat men my niet mogt konden
verwyten, dat ik my zelven had willen toeeigenen het geen ik van hem
geleerd heb, en zynen naam verzwygen.
[Mosselen.]
In de kleiputten, ten noordwesten der Stad, waaruit men aarde voor de
tegelbakkery haalt en die thans vol water stonden, wierden vele
Mosselen gevonden. Zy schenen daar door den vloed, langs een beekje dat
in de putten komt, heen gevoerd te zyn, want deze putten zyn maar
onlangs gemaakt. Somtyds gaan de arme jongens uit de Stad in het water
om de mosselen te zoeken, waar voor zy kopers genoeg vinden, alzo zy
voor ene lekkerny gehouden worden.
De Cratægus crus galli van Linnæus is een soort van Hagedoorn, en
wordt, aan sommige oorden daar men de regte Hagedoorn niet heeft, voor
hagen gebruikt. De bessen zyn rood, en hebben de grootte, den smaak en
de gedaante als onze hagedoornbessen. Dog deze boom schynt niet de
beste hagen te geven, want hy was zyn blad al kwyt, schoon de andere
bomen nog allen groen waren. Anders heeft hy ontzaglyk lange doornen,
van wel twee of drie duim. Men maakte ’er een gering gebruik van.
Iedere bes heeft twee korrels.
[De Eiken.]
De Heer Bartram verzekerde my dat de Amerikaansche Eiken op ver na zo
duurzaam niet zyn als de Europischen. Om die reden worden de Schuiten,
die langs de Hudson Rivier de waren van de bovenlanden afvoeren, van
twederlei hout gemaakt. Voor het deel dat altyd onder het water is
neemt men den zwarten Eik; voor het andere dat nu onder dan boven ’t
water is, en des te meer voor het vergaan bloot staat, gebruikt men den
zogenaamden Roden Ceder, [41] welks hout van byna alle de bomen des
lands voor het duurzaamste gehouden wordt. De kiel maakt men deswegens
van zwarten Eik, dewyl dit een tai hout is. Want daar de stroom zeer
vol van stenen is, en de vaartuigen dikwyls stoten, geeft het eikenhout
mede, en bekomt dus zo ligt geen scheuren. De Ceder zou daartoe niet
deugen, om dat hy te hard is en ligt in stukken springen zou. Ook
vergaat het eikenhout zo ligt niet als het altyd onder water blyft.
[Peren.]
Men kan hier in den herfst goede Peren kopen; dog men zeide overal dat
die vrugt in dit Land niet wel slagen wilde.
[De Ratelslang.]
Al wat ik aangaande de Ratelslang by myn verblyf in Amerika heb
opgemerkt, staat in de Verhandelingen van de Koninglyke Zweedsche
Maatschappy der Wetenschappen voor de jaren 1752. en 1753. werwaards ik
den Lezer wyze.
[Beren.]
Beren worden ’er hoger op in het Land in tamelyke menigte gevonden, en
doen dikwyls schade. De Heer Bartram verhaalde my, dat als een Beer
enen Os gevangen heeft, hy hem een gat in de huid byt, en daar zo lang
met al zyn kragten inblaast, tot dat het beest geheel opzwelt en
sterft, want de lugt zet zig tusschen het vleesch en ’t vel kragtig uit
[42]. Een oude Zweed, een man van een en negentig jaren, vertelde dat
in zyne kindschheid hier ongemeen veel Beren geweest zyn, dog zy deden
het vee zelden schade. Als men ’er enen geschoten had leefde men met
zyn vleesch als met dat van een zwyn. Het was zeer goed van smaak. Aan
de Rivier Morris maakt men van het Berevleesch hammen. Tegenwoordig
vindt men omstreeks Philadelphia en in geheel Pensylvanie weinig Beren,
vermits zy allengskens uitgeroeid zyn. In Virginie doodt men ze op
verscheidenerlei wyzen; en hun vleesch eten zo wel de Ryken als de
Armen, om dat men denkt dat het ruim zo goed is als varkens vleesch. Op
vele plaatsen van dat Landschap, waar men gene varkens houden kan, om
dat ’er zoo veel Beren zyn, jaagt men op die dieren, om hun vleesch in
plaats van varkens vleesch te gebruiken. Men wil dat de Amerikaansche
Beren zo boosaardig en gevaarlyk niet zyn als de Europischen.
[Weegbree.]
Den 26. Sept. zagen wy het Weegbree [43] in overvloed op de wegen, in
de weiden en in de boomgaarden wassen. De Heer Bartram had deze plant
op zyn reizen dikwyls aangetroffen. Egter wist hy niet of zy tot de
Amerikaansche gewassen behoorde, dan of ze uit Europa overgebragt was.
Deze twyffeling was daaruit by hem ontstaan, dat de Wilden, die van
oudsher grote kennis hadden gehad van de gewassen des lands, beweerden,
dat voor de komst der Europeanen deze plant in ’t land niet wies. Zy
noemen haar daarom ook den Engelschmans voet; want daar de Europers
heen gingen, zeggen zy, daar wies deze plant in zyne voetstappen.
[Andere gewassen.]
De Ganzevoet met uitgesneden bladeren [44] stond rykelyk in de tuinen,
dog zy was zeldzaam by de huizen, op de wegen, en koornvelden. Dit
schynt te bewyzen, dat zy ook niet oorspronglyk uit Amerika is, maar
met andere zaden uit Europa is overgevoerd. Het zelve denkt men van het
Tanacetum vulgare, ’t welk hier en daar aan de hagen, op de wegen, en
om de huizen wies.
Het gemene Yzerkruid met blauwe bloemen [45] wierd my door den Heer
Bartram getoond, staande niet ver van zyn huis op ene vlakte by
Philadelphia. Dit was de enige plaats waar het in Amerika te vinden is.
En dus moet het te gelyk met andere zaden uit Europa zyn overgekomen.
[Beddingen van aarde.]