Linnæus Rhus noemt. De gemeenste is die met gladde bladeren. [26] De
Engelschen noemen ze Sumach. De bessen, of hare vrugten, zyn rood. Men
gebruikt ze om rood te verwen. Men ziet hier deze plant aan als een
onkruid; want als een akker enige weinige jaren onbebouwd blyft leggen,
groeit zy ’er in menigte op, vermits de vogels de bessen overal heen
verspreiden. Wanneer men het land dan wil omploegen, hinderen de
wortels den ploeg niet weinig. De vrugt blyft den gantschen winter over
op den boom zitten, maar de bladen vallen vroeg in den herfst af, nadat
zy roodagtig geworden zyn. De takken, met de bessen ’er aan gekookt,
geven ene verw als inkt. De kinderen eten de bessen, die zeer zuur, dog
niet ongezond zyn. De boom wordt zelden hoger dan vierde halve el. Als
men den stam doorsnydt vindt men ’er byna niets in dan merg. Ik heb dit
aan velen gedaan, en gevonden dat sommigen meer dan tien, de meesten
meer dan een jaar oud waren. Als men ’er insnydt, komt ’er een geel sap
van tusschen den bast en het hout voort. Een of twee van de buitenste
kringen zyn wit, maar het binnenste is geelagtig groen; ’t is
gemakkelyk ze van malkander te onderkennen. Zy hebben een groot merg,
welks middellyn dikwyls een halven duim is, en meer. Het is bruin, en
zo los, dat het met enen steek uitgestoken kan worden, gelyk in den
Vlierboom. Deze Sumach groeit digt by de heiningen rondom de
koornvelden, dog vooral op braaklanden. Het hout scheen wel te branden,
en geen groot gekraak in ’t vuur te maken.
Den 20. Sept. gingen wy des morgens op de velden en in de bosschen digt
by de Stad wandelen, ten dele om zaden, en ten dele om planten voor
myn’ verzameling te zoeken, het welk onze grootste bezigheid was. Wy
zonden in den herfst dezes jaars een deel onzer verzameling over
Engeland naar Zweden.
[Vergiftboom.]
Een soort van Rhus, gemeen in de moerassen hieromstreeks, werd door de
Engelschen en Zweden den Vergiftboom genoemd. Ook noemde men hem wel
Swamp-sumach [27]. Als men ’er in snydt komt ’er tusschen den bast en
het hout een wit geelagtig sap voor den dag, dat enen lelyken reuk
geeft. Deze boom is bekend, niet om zyne goede hoedanigheden, maar om
zyn vergift, het welk dit zonderlinge heeft, dat, schoon het sommige
menschen kwaad doet, het op anderen gene uitwerking in ’t geheel heeft;
zo dat de een den boom kan behandelen zo als hy maar wil, ’er in
snyden, hem schillen, den bast of het hout tusschen de handen wryven,
het sap op de hand storten, het ruiken, en ’er andere proeven mede
doen, zonder het minste ongemak; daar integendeel een ander den boom
niet durft te behandelen zo lang zyn hout nog frisch is; zelfs kan hy
gene hand aanraken die het hout behandeld heeft, of zig aan den rook
van het brandende hout bloot stellen, zonder daar ten eersten de kwade
uitwerking van gewaar te worden; want zyn aangezigt, zyne handen, en
dikwyls zyn gantsche lichaam zwelt schrikkelyk, en wordt zeer pynelyk.
Somtyds ontstaan ’er vele blazen, welken ’er den lyder doen uitzien als
of hy schurftig was. By sommigen vervelt de opperhuid geheel in weinige
dagen, als of men zig gebrand had. Zelfs kunnen sommige menschen de
plaats niet naderen daar de boom staat, of zig aan den wind bloot
stellen die de uitwaassemingen van den zelven naar hun toejaagt, zonder
hun het ongemak van het zwellen te doen ondervinden. Somtyds wordt hun
aangezigt zo dik, dat zy twee of drie dagen hunne ogen niet openen
kunnen. Ik ken twee broeders, waarvan de een den boom zo veel als hy
maar wil behandelen kan, daar de ander ’er niet omtrent kan komen
zonder te zwellen. Somtyds weet men niet dat men den boom heeft
aangeraakt, of ’er digt by geweest is, voor dat de handen en het
aangezigt het door hun zwellen tonen. Ik heb oude menschen gekend die
banger voor dezen boom waren dan voor enen adder; en ik weet dat iemant
door deze kwade uitwaassemingen zo is gezwollen geweest, dat hy zo styf
was als een paal, en men hem in een laken omkeren moest.
Toen ik in den Winter van 1750. mynen Jungstrom de vergiftige
eigenschappen van dezen boom verhaalde, lachte hy ’er om, en hield het
voor een vertellingje, wordende in zyn gevoelen bevestigd doordien hy
den laatsten herfst den boom dikwyls behandeld, ’er takken afgesneden,
en die lang, om het zaad te bewaren, in zyn hand gedragen, en ’er vele
zaden van in zyn kruidboek gelegd had, zonder het minste ongemak. Hy
wilde dan, als een Wysgeer op zyn’ manier, niets voor waar aannemen,
waarvan hy gene genoegzame bewyzen had, vooral daar zyne ondervinding
voor het tegendeel pleitte. Dog den volgenden Zomer begon zyne
Wysgeerte te wankelen. Zyn’ handen zwollen, zyn’ ogen wierden pynlyk en
begonnen sterk te jeuken, zo dikwyls hy iets van den boom aantastte.
Zelfs had hy dat ongemak niet alleen van dit soort van sumach, maar nog
van dat soort dat zig om de stammen slingert, en op verre na zo
vergiftig niet is als de eerste. [28] Hier door wierd hy van de kragt
des Vergiftbooms zo overtuigd, dat ik op ’t laatst moeite had hem te
bewegen my ’er meer zaad van te verzamelen. Hy bespeurde dit ongemak
niet alleen des zomers als hy zweette, maar ook des winters als hy en
de boom koud waren. Hieruit ziet men dat iemant, schoon hy lang voor
dat vergift onaandoenlyk geweest is, ten laatsten, zo wel als een
zwakkere, daar van kan worden aangedaan.
Ik heb ook op my zelven allerlei proeven met den Vergiftboom genomen,
en niets verzuimd om zelf zyne werking te beproeven. Ik heb my met zyn
sap bestreken, de takken ’er van afgebroken of afgesneden, de schel ’er
afgeplukt, dezelve tusschen de handen gewreven en ’er aan geroken, de
stukken lang in myn’ blote handen gedragen, en dit alles dikwyls
herhaald, en ben egter van alle schadelyke gevolgen vry gebleven,
schoon ik eens ondervond dat het vergift niet gantsch kragteloos op my
was. Ik had namelyk, op enen heten zomerdag, terwyl ik zweette, een
takje van den boom afgesneden, het omtrent een half uur in de hand
gehouden, en ’er onderwylen aangeroken. Ik gevoelde dien dag geen
ongemak, als een weinigje des avonds. Des morgens daar aan bespeurde ik
ene sterke jeukte aan myn’ oogleden en daar rondom, zo dat ik nauwlyks
’er de handen van afhouden konde. Dog het verdween toen ik de ogen
enigen tyd met yskoud water gewasschen had. Myn’ oogleden waren egter
den gehelen dag nog styf. Tegen den avond voelde ik de jeukte een
weinigje; dog den volgenden morgen, toen ik wakker wierd, had ik de
jeukte weer zo sterk als den eersten dag. Ik gebruikte het zelve middel
’er tegen. Evenwel hield het byna ene geheele week aan; myne ogen waren
zeer rood en de leden byna onbeweeglyk. Het ongemak ging daarna geheel
over. Ik streek naderhand ene menigte van het sap om myn’ hand, zo dat
het ’er dik op zat. Drie dagen daarna kwamen ’er kleine blaasjes op te
voorschyn, dog zy verdwenen spoedig zonder nadeel te hebben gedaan.
Meer heb ik van de werkingen van dit wonderlyke gewas niet ondervonden,
en ook geen verlangen gehad om ’er meer proeven mede te doen. Dit had
ik beproefd dat het zyne kragt op my oeffenen konde wanneer ik zweette.
Ik heb noit gehoord dat iemant van dit vergift gestorven is. De pynen
gaan gemeenlyk na enige dagen over. De Wilden waren voorheen gewoon
hunne fluiten van dit hout te maken, om dat het zo groot een merg
heeft. Enigen verzekerden dat een middel tegens de uitwerkingen van dit
hout is, daarvan wat tot kolen te branden, en die met spek gemengd op
de gezwollene plaatsen te leggen. Sommigen zeiden het zelve beproefd te
hebben. Op enige plaatsen roeit men den boom vlytig uit, op dat zyn
vergift de arbeidslieden niet hindere.
[Delfstoffen.]
Ik kreeg dien dag verscheidene stukken uit het Ryk der Delfstoffen, die
in het land verzameld waren, ten geschenke. De volgenden zyn de
aanmerkelykste. Het eerste was een wit en gantsch doorschynend
Bergkrystal. [29] Diergelyk vindt men veel in Pensylvanie in
verscheiden soorten van steen, byzonderlyk in den ligtgrauwen
kalksteen. De stukken zyn meest van de dikte en langte van den pink, en
somtyds volmaakt doorschynend. Dog ik heb ’er ook gekregen die omtrent
een voet lang en zo dik waren als het been van een middelmatig man. Zy
waren zo doorschynend niet als de kleinen.
De Teerlingsche Pyrites [30] van den Bisschop Browallius was van een
zeer regelmatig beloop, dog de grootte was onderscheiden, want in
enigen waren de zyden maar een vierde van een duim, en in de groteren
waren zy twee volle duimen. Sommigen waren zeer glinsterend, zo dat men
zien kon dat zy uit ene zwavelige stof bestonden. Maar in anderen glom
maar ene der zyden, en de anderen waren donker bruin. Dog de meesten
van deze Markasieten hadden die kleur op alle hare zyden. Als men ze
aan stukken sloeg vond men ’er den zuiveren Pyrites in. Men vindt ze
hier digt by de Stad Lancaster, dikwyls boven den grond. Maar gemeenlyk
ontmoet men ze in ’t graven van putten of andersins, op de diepte van
agt en meer voeten. De Heer Hesselius bezat verscheiden’ stukken van
dit soort van stenen, waarvan hy zig in zyn werk bediende. Eerst
brandde hy ze, stampte ze dan tot poeder, en wreef ze vervolgens nog
fynder op de gemene manier; en dit verschafte hem ene schone roodagtige
bruine kleur.
[Marmer.]
Zwarte Keistenen worden hier ook, dog zeldzaam gevonden. Maar het land
levert meer dan een soort van Marmer; byzonderlyk vindt men op den
afstand van enige Eng. mylen van Philadelphia een wit Marmer, met
bleekgrauwe blauwe vlakken. Dit Marmer laat zig wel bewerken, schoon
het niet van het fynste soort is. Men houwt ’er grafzerken, tafels,
schoorsteenmantels en deurramen, vloerstenen, en diergelyke dingen uit.
Ene menigte van deze waar wordt naar verscheiden oorden in Amerika
verzonden.
[Moskovisch glas.]
Het Marieglas [31] vindt men hier op verscheiden plaatsen; en sommige
stukken ’er van zyn tamelyk groot, en zo schoon als het Russische zyn
kan. Ik heb ’er enigen gezien die een halve el en meer lang waren; en
ik bezit ’er die byna negen duimen lang en even zo breed zyn. De Zweden
gebruikten dit natuurlyke glas by hunne eerste aankomst in de vensters.
[Kalksteen.]
Een ligt grauwe en digte Kalksteen, waaruit men enen goeden kalk
brandt, legt op verscheiden plaatsen. Enige stukken daarvan zyn zo vol
van een fyn doorschynend bergkrystal, dat de halve steen byna daaruit
bestaat. Behalven dit brandt men langs de zeekusten nog ene grote
menigte van kalk uit oesterschelpen, en ’s winters brengt men ze hier
naar toe. Deze laatste kalk is zo goed niet om te metselen als de
steenkalk, dog beter om wittepleisteren.
[Steenkolen.]
Steenkolen heeft men nog in Pensylvanie niet gevonden. Men beweert ze
egter verder landwaards in onder de Wilden gezien te hebben.
Daarentegen worden zy hoger op naar ’t noorden omtrent Kaap Breton [32]
in overvloed gevonden.
[Wyn.]
Sommige Vrouwen maken Wyn uit enigen van de vrugten des lands. Daartoe
worden gewoonlyk de rode en witte Aalbessen gebruikt, die men zeer
overvloedig heeft. Een oude Zeeman, die dikwyls in Newfoundland geweest
is, verhaalde dat de rode aalbessen daar in menigte in ’t wild wassen.
Ook perst men wyn uit Aardbessen, die zeer talryk in de bosschen zyn,
dog wat zuurder dan de Zweedschen. Nog gebruikt men daartoe de
Amerikaansche Braam, [33] die overal op de koornvelden in zo grote
menigte als by ons de distelen wast, en zeer aangenaam is. In Maryland
wordt ook een wyn gemaakt uit de wilde Druiven, die daar de bosschen
voortbrengen. Eindelyk gebruikt men hier ook Kerssen en Brambozen toe,
die men vlytig aankweekt. De Wyn dien zy geven is schoon. Ik behoef
niet te beschryven hoe men den Aalbessewyn maakt; die konst verstaat
men in Zweden zelfs beter dan in Amerika.
[Ligustrum.]
Het gemene Ligustrum wast tusschen het lage hout. Dog ik kan niet
bepalen of het een inlandsch gewas, dan of het uit Engeland
overgebragt, en door het verstroijen van het zaad door de vogels gemeen
geworden is. De meeste schuttingen en heiningen om tuinen en akkers zyn
hier van planken en palen. Dog sommigen, bedagt op het sparen van het
hout, hebben hier en daar begonnen hagen te planten, en hier toe nemen
zy ’t Ligustrum, dat zy op ene daartoe opgeworpene hoogte zetten. De
grond is hier klei, met wat zand vermengd, en dus tamelyk ligt. De
ligustrumhagen zyn alleen hier goed daar het vee zeer tam is, want de
varkens moeten hier allen een driekantig juk dragen, en ’t andere vee
is zeer mak. Maar als zy gewoon waren door de heiningen doortebreken,
zouden hagen van dit soort weinig baten. Digt by Philadelphia mogen
gene varkens los lopen.
[Bomen.]
Des namiddags van den 21. Sept. reed ik, met den Koopman Peter Kock,
geboortig van Karlskron in Zweden, naar zyn’ landhoeve, omtrent negen
Eng. mylen van de Stad noordwestwaards. De bomen waren allen van het
soort die hunne bladeren verwisselen; ik ontdekte niet enen enigen
denne- of pynboom; schoon de weg aan beide zyden door bosschen loopt.
De meeste bomen waren Eiken, van verscheiden soorten, waartusschen
egter Kastanjebomen, Walnoot- Kornoelje- Appelbomen, Hickory,
Braamstruiken, en diergelyke gevonden werden. De grond begon hier wat
heuvelagtig te worden. Dan reden wy ene hoogte op en dan weer af, en zo
vervolgens. Bergen en grote stenen troffen wy niet aan, en het hout was
van onderen dun en de grond zo vlak, dat wy ver van ons afzien en
tusschen de bomen doorryden konden, want daar waren geen struwellen. Op
sommige plaatsen, daar de grond opgegraven was, en ook hier en daar
boven op, lagen van die kleine glinsterende stenen, waarvan men hier de
huizen bouwt. Ik denk ze in ’t vervolg te beschryven.
[Landsdouwe.]
Wat verder in het bosch gevorderd zynde, zagen wy gemeenlyk kleine
stukken lands, waar men het hout weggehakt, en ene landhoeve of weide
aangelegd had. De landhoeven waren voor een gedeelte zeer schoon, en
dikwyls ging ’er ene laan van den groten weg naartoe. De huizen waren
allen van dien steen, waarvan wy zo even spraken. Ieder Landman, zelfs
de geringde Daghuurder, heeft om zyne woning enen boomgaard van
appelen, kerssen, persiken, kastanjes, walnoten, en andere schone
vrugten. Daar tusschen zag men ook wynranken. In de dalen stroomden
heldere beekjes. De akkers waren meest gemaid, alleen stond ’er nog wat
Mais, anders Turksch koorn, en Boekweit. De Mais wierd meest, in groter
of kleiner hoeveelheid, digt by de hoeven gevonden; wies frisch, van
zes tot tien voeten hoog, en had boven aan kleine groene blaadtjes.
Boekweit was ’er ook op vele plaatsen gezaid, en zy was ook op sommigen
al ryp. In ’t vervolg zal ik van den aard en het gebruik dezer gewassen
breder handelen.
[Germantown.]
Na zes Eng. mylen ver gereden te zyn kwamen wy te Germantown. Deze Stad
heeft maar ene straat, dog is byna twee Eng. mylen lang. Zy wordt voor
’t grootste deel bewoond door Duitschers, die van tyd tot tyd
overkomen, en zig hier neer zetten, om dat zy hier zulk ene vryheid
genieten als zy bezwaarlyk ergens in de wereld vinden zouden. Zy zyn
meest allen handwerkslieden, en maken alles in zulke menigte en
volkomenheid, dat dit gewest binnen kort weinig meer uit Engeland zal
behoeven te trekken. De huizen waren meest allen van den glinsterenden
steen gebouwd, die naar den kant van Philadelphia overal gevonden
wordt, dog anders zeldzamer is. Sommigen waren evenwel van gebakken
stenen. De meesten waren van twee verdiepingen, anderen nog hoger. De
daken waren met planken van den witten Ceder beschoten. Van gedaante
geleken zy naar de daken in Zweden, maar de hoeken die zy boven aan
maakten waren of scherp, of regt, of stomp, naar mate zy meer of min
hoog waren. Gedeeltelyk maakten zy enen halven agthoek of enen halven
twaalfhoek uit. Sommige daken waren zo gemaakt dat men ’er op kon gaan
wandelen, hebbende ene leuning rondom. Ook hadden sommigen balkons,
waar van men op straat zien kon. De vensters, zelfs omhoog, hadden
luiken. Ieder huis had enen schonen tuin. De Stad heeft drie kerken,
ene Luthersche, ene Hervormde, en ene Quakerkerk. Zy was zo volkryk dat
de straten van volk grimmelden. Ook hebben hier de Mennonieten hunne
vergaderplaats.
Den 22. na den godsdienst by gewoond te hebben, bragt ik den dag door
in het gezelschap van de voornaamste lieden der Stad, die hier lang
gewoond hadden, by wie ik naar de byzonderheden der plaats vernam.
[Putten.]
De Heer Kock had enen fraijen put vlak by zyn landhuis, die uit enen
zandheuvel komt, en water genoeg verschaft voor ene kleine beek. Over
dezen put had hy uit den glinsterenden steen een gebouw doen maken,
geschikt om eetwaren te bewaren. In de beek zelve, die langs het huis
heen liep, stonden kruiken en aarden vaten vol melk, welke zig in ’t
koude water by de grote zomer hette zeer goed houdt. Ik vond in ’t
vervolg nog meer gebouwen boven putten, geschikt om spyzen te bewaren.
[Heiningen.]
Byna alle de heiningen om de koornvelden en de weiden waren hier overal
van planken in de langte geslagen. Maar op ene plaats vond ik ene haag,
die meest van ligustrum was. De heiningen waren niet gemaakt gelyk de
onzen. Men had palen genomen van vier tot zes voeten langte, daar vier
of vyf gaten in geboord, zo dat ’er een tusschenwydte overbleef van
twee voeten of meer. Zulk een paal doet den dienst van twee of drie by
ons. De palen stonden op ene ry in den grond, op twee of drie vadem
afstands. In de gaten lagen de dwarsplanken, die negen duim of een voet
breed waren, en boven malkander tot de hoogte van den paal lagen. Dus
zag ’er zulk ene schutting van verre uit, als onze heiningen om de
Schapen in te sluiten. Ook waren ze niet digter als die, want zy
dienden alleen voor koeijen, paarden en schapen. De varkens worden
omstreeks Philadelphia digt by de hoeven gehouden, en daarom behoeven
de tuiningen niet digter te zyn. Men gebruikte daarvoor gemeenlyk
kastanjenhout, om dat dat zeer lang duurt, en ene schutting daarvan kan
dertig jaren en meer staan. Dog waar men dat hout niet krygen kon,
bediende men zig van eikenhout. Van alle soorten duurt het rode
cederenhout het langste. Het meeste daarvan wordt hier gekoft, want
digt by Philadelphia wast ’er niet genoeg van. Evenwel zyn ’er rondom
die Stad vele tuinen van gemaakt.
[Brandhout.]
Het beste brandhout dat hier valt is de Hikory, een soort van Walnoot.
Het geeft enen sterken gloed. Dog om te omtuinen deugt het niet, om dat
het in de open lugt gauw verrot. Daarna volgen in deugd om te branden
de witte en zwarte Eik. Men zou denken dat te Philadelphia, rondom in
bosschen gelegen, het hout goed koop wezen moet, maar het tegendeel is
waar. Dit komt daarvandaan, dat het hoge hout, ’t welk om de Stad
staat, aan vermogende menschen toebehoort, die om geen geld verlegen
zyn. Zelfs laten zy zo veel niet vallen als voor hun eigen gebruik
vereischt wordt, zo veel te minder zullen zy het anderen verkopen. Zy
sparen de bomen voor het toekomende, wanneer misschien het hout nog
duurder worden zal. Evenwel verkopen zy het aan schrynwerkers,
rademakers, en diergelyke konstenaars, die ’er rykelyk voor betalen.
Men gaf toen voor enen stapel Hikoryhout, van agt voet lang en vier
hoog, agttien Schellingen, Pensylvanisch geld. Voor zulk enen stapel
van eikenhout betaalde men ’er maar twaalf. Die genen, die hout ter
markt bragten, waren boeren die ver af woonden. Men klaagde overal dat
de brand zo veel duurder was dan voorheen. En hiervan zeide men de
oorzaak te wezen, dat de Stad zelve in korten tyd zo aanzienlyk
toegenomen was, dat zy thans vier of zesmaal groter en volkryker is dan
vele menschen in hunne kindschheid ze hadden gezien. Voorts zyn ’er
veel tegelbakkeryen aangelegd, die veel houts verslinden. Ook is het
land meer bebouwd, zo dat ’er gehele bosschen omgehakt zyn, om ’er
koornvelden en landhoeven van te maken. Die landhoeven vernielen ook
veel houts. Eindelyk, ’er zyn verscheiden yzerhutten opgeregt, en dezen
zyn in gedurigen arbeid. Men maakte hier uit op, dat het hout met den
tyd te Philadelphia zeer duur worden moest.
[Braambessewyn.]
De Wyn van braambessen, die zeer aangenaam is, wordt op deze wys
gemaakt. Men perst het sap uit de bessen, en vergadert dat in een vat.
By ene kan daarvan doet men ene kan waters, en mengt het wel. Men doet
’er dan drie pond bruine suiker by, en laat het zo enigen tyd staan. De
drank is dan goed. Wyn van kerssen maakt men op dezelve manier; alleen
moet men oppassen dat de stenen onder ’t perssen niet mede gebroken
worden, want zy geven den wyn enen kwaden smaak.
[Persikebrandewyn.]
Uit de persiken maakt men brandewyn op deze wys. Men snydt de vrugt in
twee stukken en goit den steen weg. De stukken legt men in een vat, en
laat ze ’er drie of vier weken in, zo dat zy regt aan ’t verrotten zyn.
Dan doet men ze in de disteleerketel, en stookt ’er den brandewyn uit,
die daarna nog eens overgehaald wordt. Dog men kan hem genen lieden van
enen fynen smaak voorzetten, maar hy is goed genoeg voor het werkvolk.
Op dezelve wys maakt men brandewyn uit appelen. Hiertoe neemt men
vooral zulken, die afgevallen zyn voor dat ze volkomen ryp waren.
[Nachtschaduw.]
De Amerikaansche Nagtschaduw [34] wast by de landhoeven, op de wegen,
in de hagen, de bosschen, en in ’t open veld hier en daar, in
overvloed. Overal door ’t gehele Land vindt men ze rykelyk. De meesten
hadden zeer schone beziën, die aan trossen groeiden, en ’er zeer wel
uitzagen, schoon zy niet eetbaar zyn. Dog sommigen waren nog eerst in
bloei. Op sommige plaatsen, als in de hagen en by de huizen, klimmen zy
tot twee vadem hoogte. Maar in ’t veld blyven ze altyd laag; dog ik kon
nergens merken dat ’er het vee van gegeten had. Een Duitscher, zynde
een suikerbakker, verhaalde my, dat de verwers de wortelen ’er van
vergaderden, en ’er ene rode verw uit trokken.
[Eekhoorns.]
Men vindt hier verscheiden’ soorten van Eekhoorns. De kleinen [35]
worden veel in koijen gezet, om dat ze zeer aardig zyn, dog zy worden
noit geheel mak. De groten [36] doen den landlieden veel schade op de
akkers, voornamelyk in de mais. Zy klouteren tegen de stelen der mais
op, byten de airen aan stukken, en eten maar alleen de losse en zoete
kern, die in het midden zit. Dikwyls komen zy met enige honderden op
zulk een veld, en dan kunnen zy in enen nagt den gantschen oogst
vernielen. Om deze reden is ieder in Maryland verpligt ’s jaars vier
eekhoorns te brengen, die men den kop afsnydt, welken de Opzigter
behoudt, om bedrog voor te komen. Op andere plaatsen krygt men voor
elken geschoten eekhoorn twee pence. Hun vleesch wordt gegeten en voor
lekkerny gehouden. De huid wordt verkoft, dog niet veel geagt. De
eekhoorns zyn hier de voornaamste spys der ratel- en andere slangen.
Ook was het een algemeen gevoelen hier te lande, dat wanneer de
ratelslang, op den grond leggende, hare ogen op enen eekhoorn gevestigd
hield, deze daardoor als betoverd wierd, en, schoon hy op de bovenste
takken van enen boom zat, langzamerhand naar beneden komen en der
slange in den mond springen zou. Dan likt de slang het diertje ’t
gehele lyf, en maakt het door haar speeksel geheel nat, op dat het haar
des te gemaklyker door de keel glijen mogt. Dit gedaan zynde zwelgt zy
in eens den gehelen eekhoorn door. Na zulk een maal legt de slang als
dood te rusten.
[De Rakkoon of Hespan.]
Het viervoetige dier, dat de Heer Linnæus in de Verhandelingen der
Koninglyke Maatschappy der Wetenschappen onder den naam van
Langgestaarten Beer [37] beschreven heeft, noemt men hier Rakkoon. Het
wordt veel gevonden, en vernielt veel hoenders. Men jaagt het met
honden, wanneer het op enen boom gewoon is te klouteren; in welk geval
iemant het na klimt, en het van de takken afschudt, zo dat het van de
honden wordt doodgebeten. Het vleesch wordt, als ene goede spys,
gegeten. Het been der roede gebruikt men voor tabaksstoppers. De
hoedemakers maken hoeden van het hair, welken byna zo goed zyn als de
beverhoeden. Den staart draagt men ’s winters om den hals, en is dus
ook iets waard. De Rakkoon wordt ook veel van de slangen gegeten.
[Hopen van Schelpen.]