------+------------------++------------------++-------------------

|Vreemde waren, || Engelsche || Somme der twee

|waarvan de regten || Handwerken. || kolommen

|betaald zyn, en || || t’zamengeteld.

|maar de quitanties|| ||

|gevorderd || ||

|worden. || ||

------+-------+----+-----++-------+----+-----++--------+----+-----

Jaren.| L. | S.| D. || L. | S.| D. || L. | S.| D.

1723.| 5199.| 13.| 5. || 10793.| 5.| 1. || 15992.| 19.| 4.

1724.| 9373.| 15.| 8. || 20951.| 0.| 5. || 30324.| 16.| 1.

1725.| 10301.| 12.| 6. || 31908.| 1.| 8. || 42209.| 14.| 2.

1726.| 9371.| 11.| 6. || 28263.| 6.| 2. || 37634.| 17.| 8.

1727.| 10243.| 0.| 7. || 21736.| 10.| 0. || 31979.| 10.| 7.

1728.| 14073.| 13.| 9. || 23405.| 6.| 2. || 37478.| 19.| 11.

1729.| 12948.| 8.| 5. || 16851.| 2.| 5. || 29799.| 10.| 10.

1730.| 15660.| 10.| 11. || 32931.| 16.| 6. || 48592.| 7.| 5.

1731.| 11838.| 17.| 4. || 32421.| 18.| 9. || 44260.| 16.| 1.

1732.| 15240.| 14.| 4. || 26457.| 19.| 3. || 41698.| 13.| 7.

1733.| 13187.| 0.| 8. || 27378.| 7.| 5. || 40565.| 8.| 1.

1734.| 19648.| 15.| 9. || 34743.| 12.| 1. || 54392.| 7.| 10.

1735.| 18078.| 4.| 3. || 30726.| 7.| 1. || 48804.| 11.| 4.

1736.| 23456.| 15.| 11. || 38057.| 2.| 5. || 61513.| 18.| 4.

1737.| 14517.| 4.| 3. || 42173.| 2.| 4. || 56690.| 6.| 7.

1738.| 20320.| 19.| 3. || 41129.| 5.| 0. || 61450.| 4.| 3.

1739.| 9041.| 4.| 5. || 45411.| 7.| 6. || 54452.| 11.| 11.

1740.| 10280.| 2.| 0. || 46471.| 12.| 9. || 56751.| 14.| 9.

1741.| 12977.| 18.| 10. || 78032.| 13.| 1. || 91010.| 11.| 11.

1742.| 14458.| 6.| 3. || 60836.| 17.| 1. || 75295.| 3.| 4.

1743.| 19220.| 1.| 6. || 60120.| 4.| 10. || 79340.| 6.| 4.

1744.| 14681.| 8.| 4. || 47595.| 18.| 2. || 62214.| 6.| 6.

1745.| 13043.| 8.| 8. || 41237.| 2.| 3. || 54280.| 10.| 11.

1746.| 18103.| 12.| 7. || 55595.| 19.| 7. || 73699.| 12.| 2.

1747.| 8585.| 14.| 11. || 73819.| 2.| 8. || 82404.| 17.| 7.

------+-------+----+-----++-------+----+-----++--------+----+-----

Somme 343789.| 16.| 0. ||969049.| 1.| 6. ||1312838.| 17.| 6.

------+-------+----+-----++-------+----+-----++--------+----+-----

Hoe sterk de gehele handel in Pensylvanie is kan men omtrent uit het

getal der grote en kleine Schepen opmaken, die jaarlyks voor de Stad

komen of ’er van afvaren. Ik zal hier maar ene lyst van enige weinige

jaren plaatsen, die ik uit de Koeranten dier Stad getrokken heb. De

Schepen worden gerekend van den 5. Maart van het ene tot den 5. Maart

van het volgende jaar.

’T jaar. Ingekomen Schepen. Uitgevaren Schepen.

1735. 199. 212.

1740. 307. 208.

1741. 292. 309.

1744. 229. 271.

1745. 280. 301.

1746. 273. 293.

Maar het is zeer te vrezen dat de handel van Philadelphia en al de

Engelsche Volkplantingen eer af dan toenemen zal, indien men daar geen

zorg voordraagt. Ik zal dit in ’t vervolg duidelyk aantonen.

De Stad voorziet niet alleen de meeste Inwoonders van Pensylvanie van

de waren die zy van noden hebben, maar ’er komen hier nog dagelyks vele

menschen van New-Jersey, die hier enen sterken handel dryven.

[Markten.]

Ieder jaar, in Mai en November, worden ’er twee grote markten gehouden,

ieder den 16. der maand. Behalven deze grote, zyn ’er nog twee gewone

markten, ’s Woensdags en ’s Zaterdags, wanneer de Boeren van

Pensylvanie en New-Jersey allerhande eetwaren en voortbrengselen des

Lands komen te koop veilen, het welk een groot voordeel voor de Stad

is. Het zou te wenschen zyn dat zulk ene nuttige zaak ook in de

Zweedsche Steden konde ingevoerd worden. Men is hier verzekerd op de

marktdagen alles wat men van de landwaren nodig heeft te zullen vinden.

Dog tusschen beiden zoekt men ’er vergeefs naar.

Men kan hier altyd varsschen voorraad krygen, en om die reden koopt

niemant op eens meer dan wat genoeg zal zyn tot den volgenden marktdag.

Des Zomers is het byna alle dagen markt, want dan kunnen de waren om de

hitte niet lang duren. Daar zyn twee plaatsen in de Stad waar deze

markten gehouden worden, dog de voornaamste is by het Raadhuis. Zy

beginnen ’s morgens om vier of vyf, en eindigen om negen uren.

De Stad legt open; en ’er is geen ander Tolhuis dan de grote Zeetol.

[Gouverneurs.]

De Gouverneur van het gantsche Landschap woont hier. Hy wordt door de

nakomelingen van Pen benoemd, dog kan zyn ampt niet aanvaarden, zonder

door den Koning van Engeland bevestigd te zyn.

De Quakers uit genoegzaam alle de delen van Noord Amerika houden hier

eens in ’t jaar hunne grote vergadering.

[Maatschappy van Wetenschappen.]

In ’t jaar 1743. wierd hier ene Maatschappy van Wetenschappen opgerigt.

Haar voorwerp waren alle de zeldzaamheden uit de drie Ryken der Natuur,

de Wiskunde, Natuurkunde, Scheikunde, Huishoudingskonst, en Handwerken.

Dog de daarop volgende kryg stuitte alle oogmerken van dezen aard; en

sedert heeft men niets van deze natuur op nieuws ondernomen.

[Afwyking der Naald.]

De afwyking der Naald was hier in het jaar 1750. den 30. October O. S.

5. gr. 45. min. West. De waarneming geschiedde volgens de nieuwe

middagslyn, die in den herfst van dat jaar te Philadelphia getrokken

werd, en ene Eng. myl lang was. De ondervinding heeft geleerd dat de

afwyking omtrent in agttien of twintig jaren enen graad vermindert.

[Hoogte van den Barometer.]

Het grootste onderscheid tusschen de hoogte en de laagte van den

Barometer is, volgens de waarnemingen van vele jaren door den Heer

James Logan gedaan, 28″ 59 en 30″ 78. gevonden.

[Boekdrukkeryen.]

Hier zyn drie Boekdrukkeryen; en alle week komen ’er twee Engelsche en

ene Hoog Duitsche Koerant uit.

[Aardbevingen.]

In het jaar 1732. den 5. September O. S. gevoelde men hier, omtrent den

middag, ene ligte aardbeving, de welke men op den zelven tyd ook te

Boston in Nieuw Engeland en te Montreal in Kanada gewaar wierd, welke

plaatsen meer dan zestig Zweedsche mylen van malkander leggen.

[Prins van den Berg Libanon.]

In November 1737. kwam de wel bekende Prins van den Berg Libanon,

Scheich Sedi, te Philadelphia, bezig zynde een groot deel der Engelsche

Volkplantingen te doorreizen. Dat zelve jaar werd ’er wederom ene

aardbeving gevoeld, ’s morgens om elf uren, op den 7. December. Zy

duurde niet boven ene halve minuut. Volgens de Koeranten had men ze op

den zelven tyd ook gevoeld te Newcastle, New-York, New London, Boston,

en andere plaatsen in Nieuw Engeland. Dus had deze zig ook vele mylen

uitgestrekt.

[Graaf van Zinzendorf.]

De Graaf van Zinzendorf landde hier in December 1741. aan, en verbleef

’er tot de volgende Lente. Zyn vreemd gedrag deed velen, zelfs uit de

voornaamste Engelschen, vermoeden, dat zyne harssenen ontsteld waren.

[Inwoonders.]

Ik heb het juiste getal van de Inwoonders van Philadelphia niet konnen

te weten komen. In ’t jaar 1746. rekende men ’er meer dan tien duizend.

Sedert is de Stad ongelooflyk sterk toegenomen. Uit de lysten der

gestorvenen kan ook niets zekers besloten worden, dewyl zy in alle de

Kerken niet juist worden opgemaakt. Ik zal die hier plaatsen welken in

de Koeranten of afzonderlyk zyn uitgegeven.

In ’t Jaar. Gestorven.

1730. 227.

1738. 250.

1739. 350.

1740. 290.

1741. 345.

1742. 409.

1743. 425.

1744. 410.

1745. 420.

1748. 672.

1749. 758.

1750. 716.

Het blykt ook uit deze lysten dat de ziektens, waar hier de meeste

menschen aan sterven, zyn teringen, koortsen, stuipen,

borstontstekingen, bloedvloeyingen, waterzugt.

Het getal der Geborenen kan men niet bepalen, aangezien in enige Kerken

daar geen ordentelyke lysten van worden gemaakt. De Quakers, die hier

het grootste getal uitmaken, dopen hunne Kinderen noit, schoon zy

nauwkeurig genoeg de geborenen aantekenen.

Insgelyks is het onmogelyk uit het getal der gestorvenen naar het getal

der levenden te gissen, om dat ieder jaar de Stad zulk enen toevloed

van vreemden heeft. In den Zomer van het jaar 1749. kwamen ’er byna

twaalf duizend Duitschers over, waarvan ’er velen te Philadelphia zig

nederzetteden. Dat zelve jaar telde men daar de huizen, en bevond het

getal te zyn twee duizend zes en zeventig.

[Verscheidenheid.]

De Stad is nu vol van Ingezetenen, die ten opzigte van hun vaderland,

van hunnen godsdienst, en van hunne neringen geheel verschillend zyn.

Men vindt ’er byna in alle konsten voortreffelyke meesters, en vele

dingen worden hier zo goed gemaakt als in Engeland. Dog Fabrieken,

byzonderlyk van fyne lakens, zyn ’er nog niet. Misschien is hier van de

reden, dat men ze zo gemakkelyk uit Engeland krygen kan, en dat de

Schapen, die in dit Land overgebragt worden, allengskens veraarden.

Aan etenswaren is hier een grote overvloed, en zy zyn redelyk goedkoop.

Men weet hier geen voorbeelden van enen duren tyd.

[Vryheid.]

Een ieder die maar God voor den Schepper, den Onderhouder en Regeerder

aller dingen erkent, en niets strydigs met de algemene rust leert of

onderneemt, heeft vryheid zig hier neder te zetten, en zynen handel te

dryven, hoe vreemd ook zyne beginselen mogen zyn. Niemant wordt om zyne

dwalingen gemoeid, als hy de bovengestelde grenzen maar niet te buiten

gaat. En hy is zo wel, door de wetten, voor zynen persoon en zyne

goederen in veiligheid, en geniet zulk ene vryheid, dat men zeggen kan,

dat een Borger van Philadelphia in zyn huis gelyk een Koning leeft.

[Luister.]

Uit al het geen ik tot nog toe gezegd hebbe, kan men ligtelyk begrypen

hoe deze Stad zo spoedig uit het niet kon opkomen en tot zulk ene

aanzienlykheid geraken, zonder dat ’er enig magtig Vorst ware die ’er

de hand toe leende, het zy door de zulken die ’er hinderlyk in waren te

straffen, of geld te schieten. En evenwel wykt zy voor weinigen, zelfs

van de oudste Steden in Europa, ten opzigt van een schoon voorkomen,

goede inzettingen, aangename legging, natuurlyke voordelen, handel,

rykdommen en vermogen. ’T was niet nodig de menschen te dwingen om hier

te komen wonen; integendeel, vreemden van verschillende talen hebben

hun land, huizen, eigendom en vrienden verlaten, en zig op ene

gevaarlyke zee gewaagd, om hier te komen. Andere landen, schoon al over

lang bevolkt, klagen over gebrek van inwoonders; en Pensylvanie, dat in

’t jaar 1681. niets anders dan ene woesteny was, en nauwlyks vyf

honderd menschen bevatte, wykt nu in getal van bewoonders niet voor

sommige Koningryken van Europa. Het heeft troepen van menschen

opgenomen, die andere landen, tot hunne onherstelbare schade, veragt of

verstoten hadden.

[Oud Overblyfsel.]

Een bedroefd oud houten huis, op ene hoogte digt by de Rivier, wat ten

noorden de Weekacko Kerk, toebehorende aan enen van de Svenssons, wordt

nog als een gedenkteken bewaard van den armoedigen staat dezer plaats,

eer dat de Stad gebouwd was. De oudheid van dit gebouw geeft het een

soort van voorrang boven de andere huizen in de Stad, schoon het het

slegtste van allen is. Deze hut was bewoond, toen nog de herten,

elanden en bevers by ligten dage op de aanstaande markten, straten en

kerkhoven van Philadelphia verkeerden. In dit huis hoorde men reeds het

geluid van ’t spinnewiel, eer men om de handwerken, die hier sedert

geoeffend zyn, dagt, en voor dat Philadelphia zelfs bestond. Maar met

dit alles staat dit huis om te vallen; en binnen weinig jaren zal het

al zo moeilyk zyn te vinden waar het stond, als het onwaarschynelyk was

in den tyd dat het gebouwd wierd, dat ene van de grootste steden van

Amerika in ’t kort daar vlak by staan zoude. Maar laat ons ons

dagverhaal hervatten.

[Een vogel door een slang betoverd.]

Den 7. September verhaalde my de Heer Peter Kock, een Koopman in deze

Stad; dat hy de vorige week zelf gezien had hoe ene slang enen vogel

inzwolg. Deze vogel, om zyn geschreuw de Katvogel genoemd, [17] vloog

van den enen tak op den anderen, en maakte, naar zyn gewoonte, een naar

geluid. Onder den boom, omtrent enen vadem van den stam, lag ene grote

zwarte slang, haren kop gestadig om hoog houdende, kykende naar den

vogel, die gedurig heen en weer vloog, en nu en dan op enen tak ging

zitten. In ’t eerst hield hy zig op de bovenste takken. Allengskens

kwam hy lager en lager, en eindelyk stortte hy zig op den grond neder,

en huppelde naar de plaats daar de slang lag, die terstonds haren bek

opende, den vogel greep en doorzwolg. Dog de Heer Kock overviel en

doodde ze op ’t ogenblik. Men verhaalde my naderhand dat men dit van

dit soort van slangen dikwyls waargenomen heeft. Het zelve is al lang

van de Ratelslang bekend geweest.

Ik wandelde dien dag naar buiten, om naar planten te zoeken. Ik vond

’er verscheiden Europischen zelfs Zweedschen, maar zulken die aan

Amerika alleen eigen zyn, waren de talryksten.

[Bomen en planten.]

De Virginische Ahorn [18] is zeer gemeen op de oevers van de Dellaware.

De Engelschen noemen hem Buttonwood of ook Waterbeuk, welke laatste

naam de gemeenste is. Hy groeit meest maar op lage plaatsen, vooral op

den kant van rivieren of beken, maar kan ligt op droger plaatsen

verplant worden, als ’er de grond maar goed is. En, om dat zyn blad

groot en dik is, plant men hem veel omtrent de huizen en in tuinen, om

’er in de hitte ene aangename schaduw onder te vinden. Met dit inzigt

zet men ’er wel banken onder. Sommigen van de Zweden hadden dozen,

emmers, en diergelyke dingen, gemaakt door de Amerikaansche Wilden uit

den bast van dezen boom. De schors is ene lyn dik. Deze boom groeit ook

in moerassen en vogtige weiden, waar de Esschen en de rode Ahorn

wassen. Hy is gemeenlyk al zo hoog en dik als de Denneboom. Het zaad

blyft ’er tot in de lente op zitten; in ’t midden van April gaan de

huisjes open en verspreiden de zaden. Misschien om dat het zaad niet

eerder ryp is. Deze boom is aanmerkelyk om zyn spoedig groeijen, waarin

hy alle andere bomen overtreft. Daar is zulk ene menigte van op vele

plaatsen in de lage weiden tusschen Philadelphia en het veer te

Gloucester, op beide zyden van den weg, dat men daar des zomers als

door ene digte laan rydt. Ik zag in ’t jaar 1750. den 15. Maart de

knoppen ’er nog aan zitten, en in ’t jaar 1749. begonden zy den 8. Mai

te bloeijen. Men vindt verscheiden van deze bomen te Chelsea by Londen

geplant, die in hoogte en dikte voor den eik niet wyken.

[De Landstreek.]

Den 18. ging ik ’s morgens vroeg met den Zweedschen Schilder, den Heer

Hesselius, naar het Landgoed van den Heer Bartram, vier Eng. mylen ten

zuiden Philadelphia, een weinig bezyden den groten weg naar Maryland,

Virginie en Karolina gelegen. Nu had ik eerst gelegenheid den staat des

Lands te leren kennen, welk ene vlakte was, bedekt met allerhande

soorten van bomen, die hun blad laten vallen. De grond was zand

vermengd met klei, dog het zand had de overhand. Hier en daar zag men

plaatsen waar het hout weggehakt was, bewoond door boeren, die hunne

akkers rondom hunne huizen hadden. De bosschen waren vol moerbezie-

walnoot- kastanje- sassafras- en andere bomen; verscheiden soorten van

wilden Wyngaard slingerden zig tot in de toppen van het hoogste

geboomte. Op andere plaatsen omvlogten zy de heiningen zo sterk, dat

die byna onder de zwaarte bogen. De Persimon, [19] een soort van

Mispelboom, groeide in natte gronden en omstreeks watersprongen. Zyn

kleine appeltjes zagen ’er reeds wel uit, dog zyn niet eetbaar voor dat

ze bevroren zyn, en dan zyn ze zeer smakelyk. De Heer Hesselius

vergaderde ’er sommigen van, en verzogt mynen Jungstrom van de vrugten

des Lands te proeven; dog de goede hals had ’er pas in gebeten, of hy

gevoelde wat eigenschap zy hebben voor dat zy tot hare volle rypheid

gekomen, en door de vorst aangedaan zyn. Zy trokken zyn mond t’zamen,

zo dat hy kwalyk spreken kon. Dit maakte hem ’er zo afkerig van, dat hy

met moeite bewogen worden konde om ’er, gedurende ons verblyf in

Amerika, van te proeven, schoon zy in den herfst en tegens den winter

al hare bitterheid verliezen.

[Bomen en planten.]

Om de nieuwsgierigheid te voldoen van zulken die gaarn weten willen wat

hout in deze gewesten valt, en of men ’er bomen vindt die ook in onze

bosschen wassen, zal ik hier ene korte lyst invoegen van die bomen

welken in de bosschen het digst by Philadelphia, in ’t wild groeijen.

Ik zal dien boom de eerste plaats geven die de menigvuldigste is, en zo

vervolgens, zo dat zulke bomen waarvan men maar enen enkelden, schoon

digt by de Stad, vindt, de laatsten zullen zyn.

1. Quercus alba, de Witte Eik, wast in goede gronden.

2. Quercus rubra, Zwarte of Rode Eik.

3. Quercus Hispanica, de Spaansche Eik, een soort van den voorgaanden.

4. Juglans alba, de Hickory, een soort van walnoot. Men vindt ’er drie

of vier soorten van.

5. Rubus occidentalis, de Amerikaansche Braamstruik.

6. Acer rubrum, de Ahorn met roden bloeisem. Hy wast in moerassige

gronden.

7. Rhus glabra, de gladbladige Sumach. Men vindt deze plant in de

bosschen, en op oude koornvelden.

8. Vitis Labrusca & Vulpina, wilde Wyngaarden van verscheiden soorten.

9. Sambucus Canadensis, de Amerikaansche Vlierboom. Deze groeit langs

de hagen en betuiningen.

10. Quercus Phellos, de Moeras eik.

11. Azalea lutea. Zy wast in de bosschen en op droge plaatsen.

12. Crategus Crus galli. Men vindt hem in de bosschen.

13. Vaccinium, een soort van blauwbessestruik.

14. Quercus prinus, de Kastanje eik. Hy wast op goede gronden.

15. Cornus florida, de Kornoeljeboom. Men vindt hem in allerlei

gronden.

16. Liriodendron Tulipifera, de Tulpeboom. Hy groeit in allerlei aarde.

17. Prunus Virginiana, de wilde Kersseboom.

18. Vaccinium, een Blauwbessestruik. Hy vereischt enen goeden grond.

19. Prinos verticillatus. Hy groeit in moerassen.

20. Platanus occidentalis, de Waterbeuk.

21. Nyssa aquatica, [20] groeijende op de velden en de bergen.

22. Liquidambar styraciflua, staande aan fonteinen.

23. Betula Alnus, de Els, ene verscheidenheid van den Zweedschen. Het

was maar een struik.

24. Fagus Castanea, de Kastanjeboom, voortkomende op koornvelden,

weiden, en in kreupelbosschen.

25. Juglans nigra, de zwarte walnootboom. Hy wast op de zelve plaatsen

als de voorgaande.

26. Rhus radicans, de zig omwindende Sumach. Deze klimt tegens de bomen

op.

27. Acer Negundo, de Ahorn met Esscheloof. Hy groeit op moerassige

plaatsen.

28. Prunus domestica, de wilde Pruimboom.

29. Ulmus Americana, de witte Olm.

30. Prunus Spinosa, de Doornstruik. Deze komt voort op lage gronden.

31. Laurus Sassafras, de Sassafrasboom, groeijende in ene losse met

zand gemengde aarde.

32. Ribes nigrum, een soort van Mispelboom, wassende op lage gronden en

in moerassen.

33. Fraxinus excelsior, de Essche. Deze groeit op lage gronden.

34. Smilax laurifolia, wassende in de bosschen en om de tuinen.

35. Kalmia latifolia. Deze plant groeit tegens de noorder zyden der

bergen.

36. Morus rubra, de Moerbezieboom. Men vindt hem op ’t veld, op de

bergen, en by de huizen.

37. Rhus vernix, de vergiftige Sumach, wassende op vogtige plaatsen.

38. Quercus rubra, de rode Eik; een byzonder soort.

39. Hamamelis Virginica, de toveragtige Hazelaar.

40. Diospyros Virginiana, de Persimon, of Mispelboom.

41. Pyrus coronaria, de Ankerboom.

42. Juniperus Virginiana, de Rode Jeneverboom. Deze groeit op schrale

gronden.

43. Laurus æstivalis, Spicewood by de Engelschen, groeijende overal.

44. Carpinus ostrya, de Steenbeuk, vereischende enen goeden grond.

45. Carpinus betulus, de Haagbeuk, vorderende enen goeden grond.

46. Fagus sylvatica, de Beuk. Deze komt voort op alle gronden.

47. Een soort van Walnootboom, wassende op de bergen by de Rivieren, by

de Zweden genoemd Butternutstrae. [21]

48. Pinus Americana, de Pensylvanische Pynboom, wassende op de

noordelyke zyden der bergen en in de vallyen. [22]

49. Betula lenta, een soort van Berk. Op de oevers der Rivieren.

50. Cephalantus occidentalis. Deze groeit op natte gronden.

51. Pinus Taeda, de Den van New-Jersey. Men vindt hem op dorre heiden.

52. Cercis Canadensis, de Salaadboom. Hy vereischt goede gronden.

53. Robinia pseudacacia, de Krekelboom. Men vindt hem op de

koornvelden.

54. Magnolia glauca, op natte gronden.

55. Tilia Americana, de Linde. In goede aarde.

56. Gleditsia triacanthos. Hy wast in goede aarde.

57. Celtis occidentalis. Op vrye velden.

58. Annona muricata, by de Zweden Papawtrae. Deze wast in ene vrugtbare

aarde.

[De Landsdouwe.]

Wy bezogten enige Zweden, die hier zig in vry voordelige omstandigheden

bevonden. Wy zagen gene andere tekens van den herfst dan dat sommige

vrugten van dat jaargetyde reeds ryp waren, want al de bomen waren nog

zo groen, en de grond nog zo bedekt met bloemen, als in Zweden in den

zomer. Duizenden van kikkers schreuwden den gantschen nagt over in de

poelen en moerassen. De krekels en sprinkhanen maakten ook zulk een

geraas dat men malkander kwalyk verstaan kon. De bomen waren ook vol

van allerlei soorten van vogels, die door de verscheidenheid hunner

vederen het oog streelden, terwyl zy de lugt aan alle kanten van hun

gezang deden weergalmen.

[Boomgaarden.]

De Boomgaarden, die wy voorbykwamen, waren alleen afgesloten met lage

tenen horden, schoon ’er de fynste soorten van vrugten in wiessen. Wy

waren in ’t eerst verwonderd onzen geleider over de heining te zien

henen springen, en sommige vrugten voor ons halen; maar wy waren nog

meer verwonderd, toen wy zagen dat de menschen in den boomgaard dat

niets agtten, en zelfs niet eens naar ons keken. Dog men zeide ons dat

men hier niet zo veel zag op, een weinigje vrugten als in andere

landen, daar zulk een overvloed niet is. Wy ondervonden naderhand dat

de boeren in Zweden en Finland hunne rapen zorgvuldiger bewaarden, dan

men hier de keurigste vrugten doet.

[Dauw.]

Ik merkte den 19. Sept. ’s morgens vroeg wandelende, dat ’er een sterke

dauw gevallen was, want het gras was zo nat als of het geregend had. De

bladen van de bomen en de planten dropen. Ik vond by die gelegenheid

dat de dauw niet alleen boven op, maar ook onder aan de bladeren zat.

Ik beschouwde dan zorgvuldig verscheiden bladeren, zo van de bomen als

van de planten, zo die ver van den grond als die ’er digt aan waren.

Dog ik vond by allen, dat beide de oppervlaktens der bladeren,

uitgenomen die van het Verbascum Thapsus of het witte wollenkruid,

welken, schoon de bovenzyde vry nat was, maar weinig water van onderen

hadden.

[Vrugten.]

By elke landhoeve, al was zy maar van enen gemenen Boer, had men enen

groten of kleinen boomgaard, waarin allerhande vrugten, als persiken,

appelen, peren, kerssen en anderen in overvloed wiessen. De persiken

waren nu byna ryp. Zy zyn zeldzaam in Europa, vooral in Zweden, waar

het niemant dan den ryken gebeuren mag ’er van te proeven. Maar hier

heeft ieder landman enen boomgaard vol persikebomen, die zo vol waren,

dat wy nauwlyks in den boomgaard wandelen konden zonder op de

afgevallen persiken te trappen, waarvan men altyd een gedeelte maar

leggen laat, want men konde zulk ene menigte ’er van niet nuttigen. Een

deel wordt in de Stad verkoft, en de overigen worden gegeten, niet

alleen van de eigenaars, maar ook van anderen, want ieder voorbyganger

mag in den boomgaard komen en ’er zo velen afplukken als hy lust. Zelfs

smyt men hier die schone vrugt voor de varkens.

[Persiken ingemaakt.]

Men bewaart de persiken op de volgende wys voor den winter. Men snydt

de vrugt in vier delen, smyt den steen weg, en rygt de stukken aan enen

draad, hangt ze in de zon, tot dat ze droog zyn. Dan legt men ze in een

aardenvat. Dog dit is de beste manier niet. Anderen doen het op deze

wys, en die is beter. Men snydt, gelyk te voren, de persiken in vier

stukken, rygt ze aan enen draad, of legt ze op een bord in de zon te

drogen. Droog zynde, en hare sappen zynde kwyt geraakt, worden zy in

den oven gezet, na dat ’er zo even het brood is uitgenomen, waar men ze

enen korten tyd in laat. Dan neemt men ze ’er uit, en brengt ze in de

open lugt. Daar na zet men ze nog eens in den oven, en dit wordt zo

dikwyls herhaald, tot dat zy zo droog zyn als zy wezen moeten. Want als

ze op eens in den oven gedroogd wierden; zouden ze rimpelen, en een

deel van hare aangenaamheid verliezen. Men maakt ’er taarten van, of

kookt en maakt ze gereed als de peren en appelen in Europa. Sommige

menschen drogen, en bewaren hier hun appelen op de zelve wys als hun

persiken.

De Persikeboom is hier, gelyk men my zeide, het eerst door de Europers

geplant. Tegenswoordig vereischen zy gene grotere zorg dan een Appel of

Peerboom.

[Andere vrugten.]

In de boomgaarden vindt men zelden andere vrugten dan appelen en

persiken. Perebomen vindt men hier weinig, en zy, die ze hebben, hebben

ze in hunne boomgaarden geplant. Men vindt in de zelven ook

Kerssebomen, dog het meest digt by de huizen of langs de heiningen. De

moerbeziebomen staan op heuveltjes digt by de huizen. De zwarte Walnoot

[23] wast gedeeltelyk op hoogtens en velden digt by de Landhoeven, en

gedeeltelyk langs de heiningen, dog het meest in de bosschen. Buiten

dezen heeft men hier ook gene anderen van dit soort ten gebruike. De

Kastanjebomen had men op de akkers laten staan. Hier en daar stond ’er

ook een enkelde op een schraal land of in een bosch.

[De Okra.]

De Hibiscus esculentus of de Okra, [24] ene bloem, wast in de West

Indien in ’t wild, dog hier wordt ze in de tuinen gekweekt. De vrugt,

die uit ene lange schel bestaat, wordt, terwyl ze nog groen is, in

stukken gesneden, en in soepen gekookt, die ’er zo dik van worden als

bry. Dit geregt wordt by enigen, en vooral by de zwarte slaven, voor

iets lekkers gehouden.

[Spaansche Peper.]

De Spaansche Peper [25] wordt insgelyks in de tuinen geplant. Als de

vrugt ryp is ziet zy ’er meest geheel rood uit. Men gebruikt ze by ’t

gebraad of by gekookt vleesch, waarop men ’er een weinig van stroit, of

in de saus mengt. Men doet ze ook by ingemaakte augurken. Ook snydt en

stampt men de schil, terwyl ze nog zagt is, geheel klein; mengt dat met

zout, en bewaart het in enen pot. Men bestroit ’er gekookt of gebraden

vleesch, of gefruiten visch mede. De vrugt in haar zelve is scherp

gelyk de gemene peper.

[Sumach.]

Reis door Noord Amerika · 第 3 / 50 段