III. NAAR OOSTERHOUT.

Wij verlaten de stad en gaan langs de singels, die de oude veste

omsluiten en nog van de vroegere grachten vergezeld worden. In het

Z.O. der stad ligt het Wilhelminapark, waarop de Boulevard-Mastbosch

uitkomt, met prachtige waterpartijen. Zoo de stad omwandelende,

vinden wij hier op vele plaatsen een nieuwen aanleg op den grond der

vroegere wallen.

Nu vangen wij onze uitstapjes aan buiten de stad. De gewone volgorde

van hen, die Breda bezoeken, kiezen wij niet, omdat onze wandelingen

niet tot deze stad beperkt zijn. Daarom houden wij er ons niet aan, om

eerst het schoone te bezoeken en zoo afdalend, maar stellen wij soms

de mooiste tochtjes uit tot later, om aansluiting te hebben bij onze

verdere reis. Gelijk wij al vroeger opmerkten, is het ook geenszins

ons doel steeds den kortsten en meest gevolgden weg te kiezen.

Eerst gaan wij een uitstapje maken ten N. der stad.

Als men hier niet ver van het station het voetpad langs den grooten weg

naar Terheide volgt en links inslaat, betreedt men een mooie, rechte

laan van hoogopgaande boomen, die door een afwisselend landschap van

tuinen, weiden en bouwlanden loopt. Dat is de Speelhuislaan, die in

een kwartier naar het Speelhuis leidt.

Het Speelhuis, dat hier vroeger stond, is er niet meer, doch in plaats

daarvan vindt men op een heuvel, te midden van geboomte, op een punt,

waar een vijftal wegen straalvormig samenkomen, een boerenwoning, waar

men eenige oogenblikken kan zitten, om wat te gebruiken. Hier stond

vroeger een buitenverblijf, door Prins Maurits in 1620 gesticht, het

Speelhuis geheeten. Het was een jacht- of lusthuis, in het Sterrenbosch

hoog gelegen, achtkantig en met een koepel gedekt, waarop een torentje

stond. In 1824 is dit gebouw afgebroken, maar de plek, in bezit van

het Domein, wordt veel bezocht door de bewoners van Breda.

Wie niet opziet tegen een flinken voetmarsch, kan van hier langs

vriendelijke paden weder noordelijk op den straatweg komen, ongeveer

op de plaats, waar deze langs de Mark loopt. Voorbij de Hooge Brug

zien wij rechts van den weg de Spinola-schans, een herinnering aan

het beleg van Breda in 1624; vervolgens slaan wij het oosten in,

om langs de eenvoudige gehuchten Groot-Munnikhof en Ter-Aalst onzen

weg te nemen door een afwisselende boschstreek op den noordelijken

zoom der zandgronden. Voorbij Ter-Aalst in de richting van Oosterhout

wandelend, bevinden wij ons weldra in een prachtig landschap. Achter

ons de bosschen van Ter-Aalst, eenigszins hoog gelegen, terwijl vóór

ons de golvende velden langzaam afdalen en het stadje Oosterhout,

benevens onderscheidene dorpen, op de bouwlanden verrijzen. Een

breede, woeste boschstreek breidt zich hier uit naar het oosten,

zoo hier en daar oprijzende in landduinen en in het noorden begrensd

door een vruchtbare, dicht bevolkte landstreek.

Wij dwalen hier rond en richten onze schreden naar Oosterhout, dat

zich zoo schilderachtig voordoet van dezen kant en wel de koningin

schijnt van de nederzettingen langs den boschzoom.

Oosterhout is een vriendelijke, nette plaats, die stadsrechten heeft

verkregen in 1809, maar in haar bouw het midden houdt tusschen stad en

dorp. De nijverheid bloeit er door verschillende takken van industrie;

men vindt er een groote margarinefabriek, een groote bierbrouwerij,

leerlooierijen, schoenfabrieken, biljartfabrieken.

In het midden ligt een langwerpig vierkant plein, met vier rijen

linden beplant, de Heuvel, waaraan het raadhuis staat.

Het belangrijkste gebouw van Oosterhout is de oude St. Janskerk

op het marktplein, van twee nieuwe zijbeuken voorzien en met een

prachtig hoofdaltaar. De indrukwekkende Gothische toren der kerk is

niet voltooid en eindigt stomp. Men meent, dat de heer van Breda tot

den opbouw van dezen toren het leem uit zijn heide heeft gegeven, om

de steenen te bakken, op welke plaats daarbij eenige huizen gebouwd

zijn, waardoor er het gehucht Steenoven ontstond.

In Oosterhout vindt men een bekend en goed ingericht hôtel, de

"Koppelpaarden", met een flinken, fraai aangelegden tuin, waar des

zomers velen zich tijdelijk vestigen, om er te genieten van de rustige,

landelijke natuur der omstreken. Hier vertoefde ook Z. M. Koning Willem

III in de moeielijke tijden van 1870 een achttal dagen, om buiten het

hof en de staatsdrukte rust te vinden in het schoon dezer streek. In

de nabijheid vond men voor enkele jaren nog het "Hôtel Hildebrand",

waar Keetje van der Made, "het Brabantsche meisje", woonde, door

Beets geteekend in zijn Camera Obscura. Beets bezocht Keetje nog op

haar 88sten jaardag in 1886 (6 Juli) en bood haar ter herinnering

daaraan een pracht-exemplaar van zijn Camera aan, met een opschrift,

door Hildebrand onderteekend, dat door de familie als een waardig

aandenken bewaard wordt.

Wanneer wij van de Markt een straat naar het zuiden inslaan, komen

wij bij de Slotjes, een stadsgedeelte, dat gewoonlijk "Achter de

Slotjes" genoemd wordt, doch officieel de Ridderstraat heet. Villa's in

prachtig geboomte omringen aan die zijde de plaats met een heerlijke

natuur. Langs het bevallige Vredeoord, vroeger een kostschool, thans

de verblijfplaats van een 40-tal uit Frankrijk verdreven religieusen

van de Benedictijner orde, komen wij aan het oude Norbertijnerklooster

St. Catharinadal. Dit klooster is het oudste klooster van Nederland,

dat ruim 7 eeuwen heeft bestaan, zij het niet altijd op dezelfde

plaats. Oorspronkelijk was het gesticht te Vroenhoven onder Rozendaal

in 1268; het verkreeg, toen de kerk in 1270 aan de H. Catharina werd

toegewijd, den naam St. Catharinadal. Door overstrooming in 1288

werd het klooster zoodanig aangetast, dat de vrome zusters het gebouw

moesten verlaten. Zij vonden een schuilplaats bij Roso van Gaveren,

Heer van Liedekerke en Breda, die vergunning schonk, even buiten deze

stad een klooster te bouwen. Dit klooster, dat bij uitbreiding der

veste binnen de stad kwam te liggen, werd door de heeren van Breda,

voornamelijk door die uit het doorluchtig huis van Nassau, met vele

rechten en voorrechten begunstigd, en aanzienlijke jonkvrouwen der

eerste geslachten vestigden zich in dit klooster. Graaf Jan van Nassau

onderhield eenige jaren het klooster geheel voor eigen kosten en zag

zelf de rekeningen na, om te weten, of het den geestelijken zusters

ook aan iets ontbrak. Hij liet onderscheidene straten en stegen bij

het klooster verleggen, om het gerucht der wereld zoo ver mogelijk

van de muren der stilte verwijderd te houden, en vele rijke geschenken

stond hij het klooster toe.

De beeldenstorm van 23 Aug. 1566 te Breda bracht ook dit klooster

groote nadeelen toe. Prins Willem I nam nu het klooster, dat de gunst

bezat van zijn geslacht, onder zijn bijzondere hoede, beveiligde de

nonnen voor verderen overlast en beval zijn rentmeester, de goederen

van dit klooster te beschermen. Toen Frederik Hendrik in 1637 Breda

veroverd had, nam hij bij bijzonderen brief, als heer van Breda,

het klooster met zijn bewoners in bijzondere bescherming. Toen hij

in 1646 besloot, een illustre school te Breda op te richten, wist hij

met den Proost van het klooster een overeenkomst te sluiten, waarbij

de kloostergebouwen daarvoor werden afgestaan, terwijl het klooster

zou worden overgebracht naar Oosterhout, waar de kloosterlingen vrij

en naar hun regel, onder de voortdurende bescherming van het huis van

Nassau, zouden leven, hoewel zij altijd een toevluchtsoord te Breda

behielden in tijden van nood. Te Oosterhout werd een erf gekocht en

aldaar het tegenwoordige klooster gebouwd, dat evenwel in den loop

der tijden gewijzigd is.

De latere vorsten hebben die bescherming steeds gehandhaafd. In 1672

moest het klooster bij de komst der Franschen tijdelijk ontruimd

worden; de zusters vonden een toevlucht te Breda, doch in 1680 keerden

zij weder naar Oosterhout terug. Zelfs in de jaren 1795 en 1810 werd

de rust der vrouwen van dit klooster niet gestoord en zoo bleef het

bestaan tot den huidigen dag.

Op eenige minuten ten N. van Oosterhout, ten O. van den weg naar de

haven, vindt men een ruïne, bestaande uit twee afgebrokkelde muren,

die samen een hoek vormen, waarschijnlijk het ondergedeelte van een

toren, nog met venster- en schietgaten. De toegang tot dit muurwerk,

zoo schilderachtig gelegen tusschen hoog geboomte en kreupelhout, is

thans afgesloten, om het tegen baldadige verwoesting te beschermen. Een

steen met het opschrift:

"Het huis te Striene of Strijen is in 1290 door Willem van Strijen

gesticht, in 1325 door Willem van Duivenvoorde herbouwd; het was

in de XVIIe eeuw vervallen en werd in 1714 en 1753 grootendeels

gesloopt".

wijst in korte woorden de geschiedenis aan van dit slot. Het oude

Huis van Strijen, ook wel het "Kasteel van Oosterhout" genoemd, was

opgetrokken uit steenen van de grootste soort, zeer sterk door hoog

opgebouwde muren en torens, omringd met wallen en voerde den titel van

"hooge heerlijkheid". Willem van Duivenvoorde had bij het huis een

schoone diergaarde aangelegd, ongeveer 1900 meter lang; later verviel

dit park en in de plaats daarvan vond men later een bosch. Het bosch,

waarin het kasteel stond en dat nog lang om de ruïne gevonden werd, was

bekend als "het Slotbosch", "het Rutselbosch", "het Schotverenbosch"

en "het Schapenbosch". Thans zijn ook de bosschen geheel verdwenen

en staat de ruïne eenzaam en verlaten.

Op den terugweg van Oosterhout naar Breda maken wij gebruik van den

stoomtram, omdat de weg door bosschen, duinen en bouwlanden verder

weinig belangrijks te zien geeft.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 57 / 74 题