Wij verlaten de stad en gaan langs de singels, die de oude veste
omsluiten en nog van de vroegere grachten vergezeld worden. In het
Z.O. der stad ligt het Wilhelminapark, waarop de Boulevard-Mastbosch
uitkomt, met prachtige waterpartijen. Zoo de stad omwandelende,
vinden wij hier op vele plaatsen een nieuwen aanleg op den grond der
vroegere wallen.
Nu vangen wij onze uitstapjes aan buiten de stad. De gewone volgorde
van hen, die Breda bezoeken, kiezen wij niet, omdat onze wandelingen
niet tot deze stad beperkt zijn. Daarom houden wij er ons niet aan, om
eerst het schoone te bezoeken en zoo afdalend, maar stellen wij soms
de mooiste tochtjes uit tot later, om aansluiting te hebben bij onze
verdere reis. Gelijk wij al vroeger opmerkten, is het ook geenszins
ons doel steeds den kortsten en meest gevolgden weg te kiezen.
Eerst gaan wij een uitstapje maken ten N. der stad.
Als men hier niet ver van het station het voetpad langs den grooten weg
naar Terheide volgt en links inslaat, betreedt men een mooie, rechte
laan van hoogopgaande boomen, die door een afwisselend landschap van
tuinen, weiden en bouwlanden loopt. Dat is de Speelhuislaan, die in
een kwartier naar het Speelhuis leidt.
Het Speelhuis, dat hier vroeger stond, is er niet meer, doch in plaats
daarvan vindt men op een heuvel, te midden van geboomte, op een punt,
waar een vijftal wegen straalvormig samenkomen, een boerenwoning, waar
men eenige oogenblikken kan zitten, om wat te gebruiken. Hier stond
vroeger een buitenverblijf, door Prins Maurits in 1620 gesticht, het
Speelhuis geheeten. Het was een jacht- of lusthuis, in het Sterrenbosch
hoog gelegen, achtkantig en met een koepel gedekt, waarop een torentje
stond. In 1824 is dit gebouw afgebroken, maar de plek, in bezit van
het Domein, wordt veel bezocht door de bewoners van Breda.
Wie niet opziet tegen een flinken voetmarsch, kan van hier langs
vriendelijke paden weder noordelijk op den straatweg komen, ongeveer
op de plaats, waar deze langs de Mark loopt. Voorbij de Hooge Brug
zien wij rechts van den weg de Spinola-schans, een herinnering aan
het beleg van Breda in 1624; vervolgens slaan wij het oosten in,
om langs de eenvoudige gehuchten Groot-Munnikhof en Ter-Aalst onzen
weg te nemen door een afwisselende boschstreek op den noordelijken
zoom der zandgronden. Voorbij Ter-Aalst in de richting van Oosterhout
wandelend, bevinden wij ons weldra in een prachtig landschap. Achter
ons de bosschen van Ter-Aalst, eenigszins hoog gelegen, terwijl vóór
ons de golvende velden langzaam afdalen en het stadje Oosterhout,
benevens onderscheidene dorpen, op de bouwlanden verrijzen. Een
breede, woeste boschstreek breidt zich hier uit naar het oosten,
zoo hier en daar oprijzende in landduinen en in het noorden begrensd
door een vruchtbare, dicht bevolkte landstreek.
Wij dwalen hier rond en richten onze schreden naar Oosterhout, dat
zich zoo schilderachtig voordoet van dezen kant en wel de koningin
schijnt van de nederzettingen langs den boschzoom.
Oosterhout is een vriendelijke, nette plaats, die stadsrechten heeft
verkregen in 1809, maar in haar bouw het midden houdt tusschen stad en
dorp. De nijverheid bloeit er door verschillende takken van industrie;
men vindt er een groote margarinefabriek, een groote bierbrouwerij,
leerlooierijen, schoenfabrieken, biljartfabrieken.
In het midden ligt een langwerpig vierkant plein, met vier rijen
linden beplant, de Heuvel, waaraan het raadhuis staat.
Het belangrijkste gebouw van Oosterhout is de oude St. Janskerk
op het marktplein, van twee nieuwe zijbeuken voorzien en met een
prachtig hoofdaltaar. De indrukwekkende Gothische toren der kerk is
niet voltooid en eindigt stomp. Men meent, dat de heer van Breda tot
den opbouw van dezen toren het leem uit zijn heide heeft gegeven, om
de steenen te bakken, op welke plaats daarbij eenige huizen gebouwd
zijn, waardoor er het gehucht Steenoven ontstond.
In Oosterhout vindt men een bekend en goed ingericht hôtel, de
"Koppelpaarden", met een flinken, fraai aangelegden tuin, waar des
zomers velen zich tijdelijk vestigen, om er te genieten van de rustige,
landelijke natuur der omstreken. Hier vertoefde ook Z. M. Koning Willem
III in de moeielijke tijden van 1870 een achttal dagen, om buiten het
hof en de staatsdrukte rust te vinden in het schoon dezer streek. In
de nabijheid vond men voor enkele jaren nog het "Hôtel Hildebrand",
waar Keetje van der Made, "het Brabantsche meisje", woonde, door
Beets geteekend in zijn Camera Obscura. Beets bezocht Keetje nog op
haar 88sten jaardag in 1886 (6 Juli) en bood haar ter herinnering
daaraan een pracht-exemplaar van zijn Camera aan, met een opschrift,
door Hildebrand onderteekend, dat door de familie als een waardig
aandenken bewaard wordt.
Wanneer wij van de Markt een straat naar het zuiden inslaan, komen
wij bij de Slotjes, een stadsgedeelte, dat gewoonlijk "Achter de
Slotjes" genoemd wordt, doch officieel de Ridderstraat heet. Villa's in
prachtig geboomte omringen aan die zijde de plaats met een heerlijke
natuur. Langs het bevallige Vredeoord, vroeger een kostschool, thans
de verblijfplaats van een 40-tal uit Frankrijk verdreven religieusen
van de Benedictijner orde, komen wij aan het oude Norbertijnerklooster
St. Catharinadal. Dit klooster is het oudste klooster van Nederland,
dat ruim 7 eeuwen heeft bestaan, zij het niet altijd op dezelfde
plaats. Oorspronkelijk was het gesticht te Vroenhoven onder Rozendaal
in 1268; het verkreeg, toen de kerk in 1270 aan de H. Catharina werd
toegewijd, den naam St. Catharinadal. Door overstrooming in 1288
werd het klooster zoodanig aangetast, dat de vrome zusters het gebouw
moesten verlaten. Zij vonden een schuilplaats bij Roso van Gaveren,
Heer van Liedekerke en Breda, die vergunning schonk, even buiten deze
stad een klooster te bouwen. Dit klooster, dat bij uitbreiding der
veste binnen de stad kwam te liggen, werd door de heeren van Breda,
voornamelijk door die uit het doorluchtig huis van Nassau, met vele
rechten en voorrechten begunstigd, en aanzienlijke jonkvrouwen der
eerste geslachten vestigden zich in dit klooster. Graaf Jan van Nassau
onderhield eenige jaren het klooster geheel voor eigen kosten en zag
zelf de rekeningen na, om te weten, of het den geestelijken zusters
ook aan iets ontbrak. Hij liet onderscheidene straten en stegen bij
het klooster verleggen, om het gerucht der wereld zoo ver mogelijk
van de muren der stilte verwijderd te houden, en vele rijke geschenken
stond hij het klooster toe.
De beeldenstorm van 23 Aug. 1566 te Breda bracht ook dit klooster
groote nadeelen toe. Prins Willem I nam nu het klooster, dat de gunst
bezat van zijn geslacht, onder zijn bijzondere hoede, beveiligde de
nonnen voor verderen overlast en beval zijn rentmeester, de goederen
van dit klooster te beschermen. Toen Frederik Hendrik in 1637 Breda
veroverd had, nam hij bij bijzonderen brief, als heer van Breda,
het klooster met zijn bewoners in bijzondere bescherming. Toen hij
in 1646 besloot, een illustre school te Breda op te richten, wist hij
met den Proost van het klooster een overeenkomst te sluiten, waarbij
de kloostergebouwen daarvoor werden afgestaan, terwijl het klooster
zou worden overgebracht naar Oosterhout, waar de kloosterlingen vrij
en naar hun regel, onder de voortdurende bescherming van het huis van
Nassau, zouden leven, hoewel zij altijd een toevluchtsoord te Breda
behielden in tijden van nood. Te Oosterhout werd een erf gekocht en
aldaar het tegenwoordige klooster gebouwd, dat evenwel in den loop
der tijden gewijzigd is.
De latere vorsten hebben die bescherming steeds gehandhaafd. In 1672
moest het klooster bij de komst der Franschen tijdelijk ontruimd
worden; de zusters vonden een toevlucht te Breda, doch in 1680 keerden
zij weder naar Oosterhout terug. Zelfs in de jaren 1795 en 1810 werd
de rust der vrouwen van dit klooster niet gestoord en zoo bleef het
bestaan tot den huidigen dag.
Op eenige minuten ten N. van Oosterhout, ten O. van den weg naar de
haven, vindt men een ruïne, bestaande uit twee afgebrokkelde muren,
die samen een hoek vormen, waarschijnlijk het ondergedeelte van een
toren, nog met venster- en schietgaten. De toegang tot dit muurwerk,
zoo schilderachtig gelegen tusschen hoog geboomte en kreupelhout, is
thans afgesloten, om het tegen baldadige verwoesting te beschermen. Een
steen met het opschrift:
"Het huis te Striene of Strijen is in 1290 door Willem van Strijen
gesticht, in 1325 door Willem van Duivenvoorde herbouwd; het was
in de XVIIe eeuw vervallen en werd in 1714 en 1753 grootendeels
gesloopt".
wijst in korte woorden de geschiedenis aan van dit slot. Het oude
Huis van Strijen, ook wel het "Kasteel van Oosterhout" genoemd, was
opgetrokken uit steenen van de grootste soort, zeer sterk door hoog
opgebouwde muren en torens, omringd met wallen en voerde den titel van
"hooge heerlijkheid". Willem van Duivenvoorde had bij het huis een
schoone diergaarde aangelegd, ongeveer 1900 meter lang; later verviel
dit park en in de plaats daarvan vond men later een bosch. Het bosch,
waarin het kasteel stond en dat nog lang om de ruïne gevonden werd, was
bekend als "het Slotbosch", "het Rutselbosch", "het Schotverenbosch"
en "het Schapenbosch". Thans zijn ook de bosschen geheel verdwenen
en staat de ruïne eenzaam en verlaten.
Op den terugweg van Oosterhout naar Breda maken wij gebruik van den
stoomtram, omdat de weg door bosschen, duinen en bouwlanden verder
weinig belangrijks te zien geeft.