Wij bevinden ons weder in Breda, maar zullen in de stad niet langer
vertoeven. De paardentram voert ons op gemakkelijke wijze naar
Ginneken. Deze weg heeft zijn landelijkheid bijna geheel verloren en
is een schier aaneengebouwde straat van villatjes en nette huizen
geworden. Zoo bereiken wij het dorp Ginneken, hoofdzakelijk langs
de straat gebouwd. De Markt is een flink dorpsplein, waar bij een
kerkhof, vriendelijk achter zware kastanjes, de Protestantsche kerk
zich verheft, met klimop begroeid. Op het kerkhof vóór de kerk vindt
men een monument, opgericht ter eere van onze in 1832 in de Citadel
van Antwerpen gesneuvelde landgenooten. Hun overblijfselen werden
in 1871, door de bemoeiing van Koning Willem III en met toestemming
van Koning Leopold II, hier begraven en in 1874 werd het gedenkteeken
in tegenwoordigheid van den Koning onthuld. Achter de kerk wijst een
eenvoudige zerk de laatste rustplaats aan van generaal Chassé.
Toen Spinola in 1624 Breda belegerde, werd deze kerk, die een
voorraadschuur der Spanjaarden was, op last van Prins Maurits in
brand gestoken. Het beleg werd er echter niet door opgebroken.
Voorbij de kerk komen wij spoedig bij de Duivelsbrug, in den volksmond
"de Brug" genoemd, en daarnaast vindt men thans een modern ingericht
hôtel. Voor een twintigtal jaren stond hier nog slechts een eenvoudige
boerenherberg, die al een zekeren naam had, en thans is het een veel
bezochte plek.
Onwillekeurig vraagt men zich af, waarnaar deze brug, zoo vriendelijk
in het lommer verscholen en zoo kalm de rustige Mark met haar
pittoreske boorden overbruggend, een naam verkregen heeft, die
gedurende alle eeuwen aan iets ijselijks doet denken?
Terwijl de historie hierop geen antwoord geeft, vult een legende
die leemte aan. De duivel zou namelijk in een donkeren nacht de klok
uit den toren te Ginneken weggevoerd en dit middel der Christenheid,
om ten gebede te roepen, in de Mark geworpen hebben, op de plaats,
waar nu de brug ligt.
Nog een ander verhaal is aan de legende van de Duivelsbrug
verbonden. Op een kasteel nabij Ginneken zou in de 14e eeuw een
zekere Raso Van Gaveren, heer van Liedekerke, gewoond hebben. Zijn
schoone dochter Catharina beminde Walther Van Ulvenhout, een fier en
jeugdig edelman, en de liefde was wederkeerig. Doch Walther behoorde
tot een geslacht, dat vijandig was aan dat der Van Gaverens, en de
vader wilde niet toestaan, dat zijn dochter haar hand schonk aan den
zoon van een vijand. Hij dwong zijn dochter daarom in een klooster te
gaan. Doch zelfs hier weerstonden de zware muren niet de krachtige
liefde van Walther, die Catharina op een nacht wist te ontvoeren en
naar een kapel in het bosch bracht. Daar werd de priester gewekt en
aangezocht, om hen in den echt te verbinden. Toen de priester weigerde,
greep Walther het klokketouw en begon de klok der kapel te luiden als
een sein voor zijn landsknechten, die wachtten, om bij tegenstreven te
helpen den priester te dwingen. Doch zoodra dit geschiedde, bemoeide
de booze zelf zich met de zaak, en toen de landsknechten waren
toegesneld, zagen zij, dat de kapel reeds in puin was gevallen, dat
de priester ontzet voor het altaar was neergebogen, terwijl Catharina
bewusteloos lag. Van onder de puinhoopen haalden zij het misvormde
lijk van hun heer te voorschijn. De klok, die nog niet gewijd was
en zoolang onder de macht van den Satan stond, was verdwenen. De
booze was op het gelui toegesneld, had de galmgaten doen scheuren en
de muren doen splijten. Zoo had hij de klok medegevoerd, maar zich
achtervolgd wanende, stortte hij zich onder woest geschater daarmede
in de rivier de Mark. Aldus luidt een ander verhaal van de Duivelsbrug.
Niemand verontrust zich thans meer over die gebeurtenis, en even
gezellig en prettig, alsof er niets ijselijks geschied is, zit men
aan de Duivelsbrug zijn potteke bier te drinken op een schoonen
zomeravond. Maar
wie bij onweer of orkaan
De Duivelsbrug moet overgaan,
Die stopt zijn vingers in de ooren
En roept zijn heilige aan,
schertst Heye omtrent deze brug.
Het is een heerlijk zitje, met het uitzicht over de lage graslanden
aan de Mark, waar de rivier zoo spelend door slingert, een breede
vallei vormend tusschen de heuvels van groen, welke het Ulvenhoutsche
bosch in het oosten en het Mastbosch in het westen doen oprijzen.
En daar vóór ons rijst op korten afstand het kasteel Bouvigne met
zijn witte muren en slanken hoektoren op uit de grachten, die het
omringen. Dit is het eenige van de vele landhuizen en kasteeltjes,
die vroeger langs de Mark stonden, dat niet gesloopt is. Men vond
hier o.a. nog het kasteel van Daasdonck, in de wandeling het
Ladderkasteeltje genoemd, dat in 1832 afgebrand is en gesloopt
werd. Het tegenwoordig kasteel Bouvigne is in 1613 in de plaats van
een vervallen adellijk slot gebouwd en werd in 1614 gekocht door Prins
Filips Willem. Frederik Hendrik had bij het beleg van Breda in 1637 in
de hoeve achter het kasteel zijn hoofdkwartier, en een goed deel van
het tegenwoordige Mastbosch werd toen door zijn omwalde legerplaats
ingenomen. Een breede beukenlaan voert naar den toegang van het slot,
door een flinke poort afgesloten.
Wij staan hier bij de Duivelsbrug aan den voorkant van het
Mastbosch. De breede, belommerde weg, die er langs loopt, is aan den
eenen kant door onderscheidene villa's en hôtels begrensd; men vindt
er een koudwatergeneesinrichting volgens de methode Kneipp. Een tram
over den Boulevard en een miniatuurtram van Ginneken voeren tot den
besten toegang van het Mastbosch.
Het Mastbosch vormt het aantrekkingspunt van Breda. Het heeft zijn
naam te danken aan de mastboomen, waarmede het grootendeels beplant
is. Een overlevering wil, dat het eerste gedeelte zou ontstaan zijn
uit één enkelen boom, in de heide opgeslagen, welke de vader werd
van een grootere boschgroep. In hoever dit waarheid is, valt niet
te zeggen; dat enkele boomen of planten zich tot een gezellige groep
uitbreiden, ziet men meer. Doch dit weten wij wel, dat in 1505 Hendrik,
Graaf van Nassau, zaad uit Noorwegen deed komen en hier een bosch
aanplantte. De sparreboomen, die uit het gezaaide zaad voortkwamen,
stonden onregelmatig verspreid en daar tusschendoor werden lanen
uitgehakt. Later werd het bosch herhaaldelijk uitgebreid en opnieuw
aangeplant tot den tegenwoordigen omvang van 600 H.A. De gedaante
en het karakter van het bosch werden wel door kunst gewijzigd, maar
toch bleef het een stuk frissche natuur, van heerlijke dennengeur
vervuld, in alle richtingen met paden en lanen doorsneden, waar de
zon prachtige lichteffecten toovert en de grijze beukenstammen en
knoestige eiken een rijke afwisseling bieden met het rechtlijnige
der steile, roodbruine mastboomen.
Aan het eind van den Boulevard Breda-Mastbosch loopt een voetpad
het bosch in en brengt den wandelaar, na een vijftal minuten, aan de
Bouvigne-dreef en daar begint, nabij den breeden, zandigen toegangsweg
tot het schietterrein, het zoogenaamde Duel-laantje, waardoor men
een der schoonste gedeelten van het bosch kan bereiken. Door dit
lommerrijke laantje en aan het eind een zandweg overstekend, komt men
aan het "Eeuwige laantje", dat onder dichte schaduw in rechte lijn
tot in 't hart van het Mastbosch voert en op onderscheidene plaatsen
het bosch in zijn volle pracht te aanschouwen geeft.
Heerlijk is het, hier van tijd tot tijd neer te zitten, om volop in
te ademen de heerlijke geuren, en te genieten de rust van het woud.
Boschreuke, boomreuke,
balsem aan 't hert;
dragen en schragen aan balke en aan berd:
kappen en kerven
en vellen omver;
ruischend en bruischend ge-
wir en gewer,
zie 'k, daar al zittende--of
hoore ik--in 't mos,
ruw is het leven en
vrij in den bosch!
Guido Gezelle.
Een woeste, wilde heide, in volkomen natuurstaat, met haar
eigenaardigen, wild opgeschoten plantengroei en haar schakeeringen
van licht en bruin, vormt het terrein der schietbanen. En als wij het
bosch in zuidelijke richting doorkruisen en aan den rand van het woud
komen, zien wij daar vóór ons de Galdersche heide, waarop zoo hier
en daar vierkante plekken aangelegde boschgrond verrijzen, terwijl
overigens de bruine heide zich uitstrekt tot den verren horizon,
afgewisseld door ondiepe veenmoerassen, in enkele diepere kommen
donkere meertjes of vennen vormend.
O, horizons van stille landlijkheid,
Hoe lieflijk zijt gij voor 't vermoeide oog,
Hoe heb ik vaak getuurd van uit het droog,
Warm heikruid, naar uw dennen, wijd verspreid.
Op een savane, geelheibruin, omrijd
Door boschtheaters, beurend hoog
Hun hoogsten top: 't was, of daar minder woog
Wat als een steen vaak op het harte leit.
Albert Rehm.
Wij keeren van de heide aan den zoom van het woud terug, langs de
Langedreef in de lengte door het bosch, en komen eindelijk aan
een vriendelijke, open plek, waar, beschut tegen hevige winden,
de schilderachtige Boschwachterswoning verrijst met een café. Laten
wij hier in deze heerlijke natuur nog eenige oogenblikken toeven,
om de indrukken van het Mastbosch vast te doen worden in onze ziel.