Breda, hoewel niet de hoofdstad, is ongetwijfeld voor vreemdelingen
de meest aantrekkelijke en ook de meest bezochte stad van
Noord-Brabant. Evenals Haarlem en Den Haag in Holland, Arnhem,
Nijmegen en Apeldoorn in Gelderland centrale punten zijn, waar het
vreemdelingenverkeer zich op richt, is Breda dit in het zuiden. Niet
alleen vormt Breda met zijn omstreken een oord, waar men gaarne enkele
dagen doorbrengt, maar tevens kiezen velen hier of in den omtrek
voor goed hun woonplaats, als de moeitevolle levenstaak is volbracht,
en men in de Brabantsche lucht een welverdiende rust hoopt te smaken.
Daardoor is Breda sedert tal van jaren van een Noord-Brabantsche stad
in een nationale nederzetting veranderd, waar bewoners, afkomstig uit
schier alle provinciën van Nederland, zich hebben gevestigd, hetzij
tijdelijk of voor goed. Als men de resultaten der volkstelling nagaat,
blijkt het, dat in geen andere plaats van Noord-Brabant zoovelen
wonen, die uit andere provinciën geboortig zijn, als hier. Door
die samenstrooming van bewoners uit alle oorden is de toeneming der
bevolking dan ook zeer aanzienlijk, zonder dat de nijverheid of andere
nieuwe en zich uitbreidende bronnen van bestaan daarvan de oorzaak
waren. Het aantal bewoners der gemeente Breda is daardoor van 8200
in 1796, tot 14700 in 1850 en tot 26000 in 1900 toegenomen. Doch deze
cijfers geven geenszins de werkelijke toeneming van de bevolking der
nederzetting aan, want de gemeente Breda heeft nauwe grenzen en buiten
het gemeentegebied heeft de toenemende bevolking zich gevestigd in de
gemeenten Teteringen, Ginneken en Prinsenhage, zoodat de aansluitende
stadsgedeelten niet tot één gemeente behooren.
Al spoedig kan men bij het doorwandelen van Breda dan ook bemerken,
dat er twee stadsgedeelten te onderscheiden zijn: de oude stad, met
een karakteristiek, grootendeels Brabantsch uiterlijk, en een nieuwe
stad, met karakterloozen bouw als overal, die door modernen aanleg en
nieuwe huizen het oude Breda omgordt aan schier alle zijden, en zich
bovenal met een lange, aaneensluitende straat naar Ginneken uitbreidt,
terwijl evenwijdig daarmede een nieuwe boulevard naar het Mastbosch
in aanbouw is.
De oude stad vormt een centraal gedeelte, in bijna cirkelvormige
gedaante gebouwd, zooals de meeste oude vestingen; de nieuwe stad
vormt stadsgedeelten van onregelmatige gedaante, zich nu hier, dan
daar meer uitbreidend, al naar de omstandigheden dit bevorderen.
Breda heeft zijn ontstaan te danken aan de samenkomst van Mark en
Weerijs, die, hier vereenigd, een breeder water vormen, dat misschien
oudtijds breede Aa genoemd werd, en den naam gegeven heeft aan de
nederzetting, welke hier ontstond als locaal handelscentrum. Het
water beneden dit punt van vereeniging, de Mark, gaf gemeenschap met
de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche wateren en tot Breda kon men er goed
opvaren, terwijl hoogerop het verkeer per as moest plaats hebben. Zoo
vormde deze plek een overgang van het verkeer te water tot dat te
land en omgekeerd, een doorgangsplaats, en de bedrijvigheid, hierdoor
ontstaan, alsmede het samenkomen der wegen, leverde voordeelen, welke
hier al vroeg een stad deden opbloeien. Het kasteel, dat in den tijd
der Noormannen tusschen 840-845 door de Denen hier gebouwd zou zijn,
vormde een bescherming der bewoners, welke er zich gevestigd hadden,
en men meent, dat reeds in 888 Breda een stad zou zijn geworden,
doordien Witger IV, de zevende graaf van Strijen, het kasteel en de
huizen door een muur omringde. Ofschoon hieromtrent geen voldoende
zekerheid bestaat, kan men wel als zeker aannemen, dat in 1252 Breda
stadsrechten verkreeg.
Jan van Polanen, Heer van de Lek, werd in 1350 door koop eigenaar
van het Land-van-Breda en begon de stad met hooge muren te omringen,
welk werk eerst in 1410 werd voltrokken en waardoor de stad een bijna
ronde gedaante verkreeg. Het toen ingesloten gedeelte vormt nog de
eigenlijke binnenstad, een naam, die er voor bewaard bleef. Doch de
toenemende burgerij kon weldra geen voldoende plaats vinden binnen
deze muren; er ontstonden om de stad kleine voorsteden, en in 1531
werd, door toedoen van Hendrik van Nassau, besloten, de versterkingen
uit te breiden. De nieuwe wal was in 1536 gereed, waarna de oude
versterkingen werden afgebroken. De vestingwerken werden telkens nog
gewijzigd; in 1578 werden onder Prins Willem I in plaats van ronde
torens bolwerken aangelegd en onder Prins Willem III werd Breda door
den beroemden vestingbouwkundige Menno van Coehoorn van nieuwe wallen
en versterkingen op staatskosten voorzien. Zoo verkreeg de stad de
gedaante, die zij in het eerste gedeelte der 19e eeuw nog bezat. In
1865 werden de verdedigingswerken nog hersteld, doch na den aanleg
der Staatsspoorwegen is Breda als vesting opgeheven en in plaats
daarvan werd de stad met vriendelijke singels omringd.
Al is Breda geen vesting meer, toch is het door en door een militaire
stad gebleven. Dit karakter heeft zij naast het garnizoen te danken
aan de Militaire Akademie, waar reeds honderden officieren van
het Nederlandsche leger hun opleiding ontvingen en van wie velen,
na het erlangen van het otium, wederkeeren in deze streek, om in
de herinnering aan het vroolijk verleden daar hun levensavond door
te brengen. Breda toch is een aangename plaats, waar de blijmoedige
zin der burgers in overeenstemming is met den levenslust der jeugd,
en daardoor heerscht er steeds een goede verstandhouding tusschen
burgers en militairen.
Het aanzienlijkste gebouw van het oude Breda was het kasteel, aan
de noordzijde der stad gelegen, naast de rivier de Mark. Het oude
slot, dat hier in het Reigerbosch gestaan had, werd in 1350 door Jan
van Polanen door een nieuw vervangen. Ook dit kasteel bestaat niet
meer. Doch het kasteel, met welks bouw Hendrik van Nassau in 1556
een aanvang maakte en dat eerst onder Prins Willem III voltooid werd,
vindt men er tegenwoordig nog.
Dat kasteel werd bewoond door de heeren van Breda.
Breda toch was vanouds een heerlijkheid, die, gelijk wij zeiden, in
1403 aan het stamhuis der graven van Nassau uit de Lahn gouw kwam,
welk geslacht zich weldra tot de vermogendste familie der Nederlanden
verhief. De graven van Nassau, die in het Land-van-Breda den titel
van baronnen voerden, zijn geweest: Engelbert, Hendrik, Reinier of
René, Willem (de Zwijger), Filips Willem, Maurits, Frederik Hendrik,
Willem II, Willem III, Willem Karel Hendrik Friso, Willem IV en Willem
V. Bij de omwenteling van 1795 kwam de baronie van Breda bij 's lands
domeinen, doch de wet van 26 Mei 1816 bepaalde, dat de goederen en de
rentambten van Breda, Niervaart, Oosterhout, Steenbergen, Zevenbergen
en de Zwaluwe in eigendom moesten komen van Prins Frederik der
Nederlanden, om die voor zich en zijn wettige mannelijke nakomelingen
te bezitten. Thans zijn die eigendommen aan den Staat gekomen.
Het kasteel van Breda werd in 1795, toen men over de particuliere
bezittingen van het Huis van Oranje willekeurig beschikte, tijdelijk
gebruikt tot een verblijfplaats voor zieke en krijgsgevangen soldaten,
vervolgens tot een hospitaal, terwijl de kostbare sieraden van het
kasteel--en daaronder waren prachtige tapijten, met goud en zijde
doorweven, waarop men graven en gravinnen van Nassau levensgroot te
paard zag afgebeeld--publiek werden verkocht. Na de herstelling onzer
onafhankelijkheid besloot Koning Willem I dit gebouw te bestemmen
voor een militaire akademie. Als zoodanig werd het den 24en Nov. 1828
ingewijd. Het 75-jarig bestaan dezer inrichting werd in 1903 met veel
feestelijkheid gevierd.
Als men Breda van het station binnenkomt, voert de kortste weg langs
de Willemsstraat, een nieuw stadsgedeelte, door het Valkenberg. Het
Valkenberg was eens de oude slottuin; tegenwoordig is het eigendom
van de gemeente. Het vormt een vriendelijk plantsoen, dat nieuw is
aangelegd en met zijn vijver en fontein, zijn rustieke brug, zijn
schoone bloem- en grasperken en trotsch geboomte een aangenamen indruk
maakt bij het binnentreden der stad.
Het Valkenberg heeft zijn naam verkregen naar een bewaarplaats der
valken en andere gedierten, die hier bewaard werden in den tijd,
toen de valken voor de jacht werden gebruikt. Langs een fraaie brug,
die in 1807 is afgebroken, kwam men over de gracht van dit voorplein
in den hof tuin. Graaf Hendrik van Nassau deed deze warande, volgens
den smaak van dien tijd, tot regelmatige bloem- en grasperken, met
beelden versierd, vervormen, en onder Prins Willem V werd zij opnieuw
aangelegd met afwisselende slingerpaden, beplant met onderscheidene
soorten van heesters. Van het geboomte uit dien tijd is nog een
gedeelte overgebleven in het tegenwoordige park.
Van het Valkenberg komen wij in de Katharinastraat en op korten afstand
staan wij voor het kasteelplein, vanwaar een brug toegang geeft tot de
Militaire Akademie, het voormalig kasteel. Al heeft het kasteel zijn
uiterlijke gedaante hoofdzakelijk bewaard, in het inwendige herinnert
weinig meer aan de pracht, waarmede het schitterde, toen het door de
Oranje-vorsten bewoond werd en gasten als Karel V, de Hertog van Alva,
Isabella en Karel II van Engeland (als balling) hier werden ontvangen.
Door een voorpoort met flink ijzeren hek komt men op een groote plaats,
eertijds met lindeboomen beplant, en ter linkerzijde verrijst het
binnenkasteel of hoofdgebouw. De gracht, die het vroeger omringde,
is bij de laatste verbouwing gedempt.
Het hoofdgebouw vormt een regelmatig vierkant, met een ruim, open
plein in het midden, dat de vier vleugels van elkander scheidt. Het
heeft, behalve de kelders, de hoogte van drie verdiepingen, die in
een menigte kamers zijn verdeeld. Het plein of de binnenplaats is
aan drie zijden door een open galerij omringd, op welker pilaren
een aantal Romeinsche keizers en voorname mannen der oudheid zijn
afgebeeld. Vroeger had de achtervleugel van het gebouw een driedubbele
galerij, welke van achteren door een muur gesloten was en waarvoor
een trap van arduinsteen, troonsgewijze overdekt met een verhemelte,
dat op onderscheidene pilaren van Dorische bouworde rustte, naar
den hoofdingang leidde. Langs deze trap kwam men in een groote,
gekoepelde zaal, op pilaren gevestigd, die de geheele rechterzijde
van het gebouw besloeg. Thans is de galerij in den achtervleugel
tot eetzaal ingericht; de trap is geheel weggenomen en de gekoepelde
zaal, door een zoldering in tweeën gescheiden, dient tot zaal voor
uitspanning en slaapzaal. In de amusementszaal vindt men portretten van
het Vorstelijk Huis en een van Héraugières, den dapperen aanvoerder der
soldaten in het turfschip, een verzameling wapenen en wapenrustingen
uit alle tijden, een collectie Indische wapenen enz.
Tusschen twee lage torens, den Grenaat- en den Duivetoren, ligt het
bekende "Spanjaardsgat", de overblijfselen van de Waterpoort, waar in
1520 het turfschip met de dappere soldaten werd doorgelaten, die een
aanslag op het kasteel zouden wagen. Lulofs bezong deze gebeurtenis,
naar aanleiding van een Latijnsch vers woordspelende:
Niet te onrecht zal verbaasd de vreemde op Holland wijzen,
Ziet hij, hoe 't eigen grond tot vuur en brandstof bruikt,
Maar meer verbaasd zal nog de vreemdling Holland prijzen,
Ziet hij, hoe 't met dien grond de macht des vijands fnuikt.
De stoutmoedige aanslag op het kasteel geleek veel op
roekeloosheid. Toen het turfschip, dat het kasteel van de noodige
brandstof voor den winter zou voorzien, des avonds laat binnen was
gekomen en de handige turfschipper Adriaan van Bergen het lossen
wist te doen eindigen en door een goed drinkgeld de bezetting na een
stevigen dronk in een vasten slaap lag, was de groote onderneming
voorbereid, waardoor het slot werd verrast.
Toen het slot aldus in handen der onzen was gevallen, kwam ook de
stad aan de Staten. Hoewel Breda in 1625 zich weder moest overgeven
aan de Spanjaarden, wist Frederik Hendrik het in 1637 te heroveren,
en sedert bleven het kasteel en de stad aan het Noorden verbonden.
Wij gaan thans de oude stad nader bezien.
Het belangrijkste gebouw van Breda is de Groote kerk met haar toren,
die aan de Groote markt verrijst. Het jaartal van den bouw der kerk
weet men niet met zekerheid, doch waarschijnlijk kan men dit omstreeks
1388 stellen. Deze kerk was eerst aan de H. Barbara, de patrones der
stad, gewijd, later aan de H. Maagd, waarnaar zij "Lieve Vrouwekerk"
werd genoemd. Zij was niet alleen de stadsparochiekerk, maar tevens een
collegiale kerk, waarin een kapittel van twaalf kanunniken benevens
een Deken was gesticht. Toen na de laatste verovering van Breda door
Frederik Hendrik, in 1637, deze kerk overging tot de Hervormden,
is het kapittel vernietigd en zijn de daarbij behoorende goederen
bij de domeinen van den Prins ingelijfd, om ze te doen strekken tot
onderhoud van predikanten, enz.
De kerk is een prachtig Gothisch gebouw, 77 M. lang, in transept en
koor 39 M. breed en het schip 22 M. Het ruim der kerk was omringd door
14 kapellen, waarin, benevens het ruim der kerk, vóór den overgang tot
de Hervormden, 55 altaren stonden met rijke inkomsten tot onderhoud.
Het inwendige der kerk vertoont nog de lijnen van den schoonen
bouw, maar de vroegere rijkdom en schoonheid zijn verdwenen. De
muurschilderingen van het gewelf en de wanden, de eerste in 1537 door
den schilder Yaiant vervaardigd, zijn onder witkalk verborgen. In
den laatsten tijd werden van de muurschilderingen weer vele aan het
licht gebracht en zij trekken in steeds klimmende mate de aandacht
der kunstbewonderaars. De eerst ontdekte groote voorstelling van de
"Blijde Boodschap", op den buitenmuur van het noordelijk transcept,
is onder leiding van Dr. P. J. H. Cuypers door kunstschilders
gerestaureerd. Nauwgezet heeft men het oude behouden, zooals het zich
voordeed, zonder eenige retouche of bijwerking. Alleen door aanvulling
van scheurtjes en schilfers en het fixeeren van losse gedeelten in de
kleur der omgeving is men er in geslaagd, het tableau weder tot een
geheel te brengen. In de bijgewerkte omgeving maakt de schilderij een
treffenden indruk en bekoort zij in hooge mate door haar eigenaardige
conceptie, de sobere kleuren en de rust van het geheel.
Behalve dit schoone fresco is later nog een schildering ontdekt aan
een der pilaren van het koor, die, nu verder ontbloot van de dikke
kalklagen, een zeldzaam fraai geschilderde voorstelling doet zien
van den Apostel Jacobus. De halve omtrek van den ronden pilaar is van
boven de koorbanken tot aan het kapiteel beschilderd met buitengewoon
mooie kleuren.
Bij de bezichtiging der kerk wijden wij onze aandacht aan het fraaie
koperen koorhek, in 1412 door Graaf Engelbrecht I geschonken. De
prachtige, hoewel erg geschonden doopvont is door Jos. de Backer,
uit Antwerpen, in 1540 gegoten. Verder ziet men er fraaie grafzerken,
waaronder eene, van koper vervaardigd, een zeldzaam produkt van
oude kunst, hoewel zeer beschadigd, waarvan een gipsafgietsel in het
Rijks-Museum te Amsterdam gevonden wordt.
De belangrijkste monumenten der kerk zijn de graftomben. Die van
Jan van Polanen en zijn beide vrouwen en van Jan II zijn zeer
geschonden. De tombe van Engelbrecht I, den graaf zelf met zijn
gemalin, Johanna van Polanen, en zijn zoon Jan met diens gemalin, Maria
van Loon, voorstellende, knielende voor de H. Maagd en het kind Jezus,
werd op last van en voor rekening van Koning Willem III gerestaureerd.
Daar tegenover is de kapel der H. Maagd of het koor der heeren
van Breda. Hendrik van Nassau liet hier ter eere van zijn oom en
weldoener, Graaf Engelbert II, overl. 1504, en van diens gemalin,
Limburg van Baden, een graftombe plaatsen, die groote beroemdheid
heeft. Men wil, dat de vermaarde Italiaansche kunstenaar Michael
Angelo die zou vervaardigd hebben; anderen noemen echter Bolonius. De
Graaf en zijn gade liggen op een verheven zerk van toetssteen en
daarboven vindt men een zware tafel van denzelfden steen, gedragen
door vier mansbeelden van albast of van Oostersch, doorschijnend
marmer. Van deze vier figuren, op een knie liggende, stellen twee
C. Julius Caesar en M. Attilius Regulus voor, terwijl de beide andere
figuren waarschijnlijk twee Grieken zijn, vermoedelijk Miltiades en
Themistocles; anderen spreken van Hannibal en Alexander den Groote. Op
genoemde tafel ligt in marmer gebeiteld het wapentuig van den Graaf.
Voor niet langen tijd kwam nog een oud grafmonument in deze kerk aan
het licht bij het wegbreken van een houten vloer. Dit grafmonument,
dat niet geheel onbekend was, maar nu weer te voorschijn kwam,
is geplaatst in een speciaal daarvoor gemaakte, geprofileerde nis,
welke segmentvormig is afgedekt, in het midden 2,98 M. hoog. Deze nis
bevindt zich onder het in den buitenmuur aangebrachte lichtvenster. Aan
den bouwtrant van nis en monument is het te zien, dat beide uit de
tweede helft der 15e eeuw dagteekenen, en verder blijkt, dat de nis
niet bij den bouw der kerk, maar later werd aangebracht. In de nis nu
zien wij het monument, bestaande uit een sarcophaag met een daarachter
geplaatste tombe.
Op den deksteen der sarcophaag, die 2,05 M. lang en 0,54 M. breed
is, bevindt zich in liggende houding een mansbeeld, lang 1,75 M.,
dat met den ondersteen één geheel uitmaakt. Het beeld stelt een op
den rug liggenden doode voor, uitgestrekt op een gevlochten mat,
waar overheen een dunne doek of lijkwade; het hoofd rust op de nog
gedeeltelijk opgerolde mat, terwijl voorhoofd en haren bedekt zijn
met een doek, die van achteren is dichtgeknoopt. De lijkwade bedekt
gedeeltelijk den linkerschouder en de lendenen. De onderbeenen van
het beeld zijn verdwenen; het geheele monument is deerlijk geschonden
en de beeldengroepen uit de nissen zijn verdwenen. Niet zooals bij
de meeste grafmonumenten zijn de handen gevouwen of omhoog gericht,
doch de rechterarm ligt gestrekt langs het lichaam en de linker over
het dijbeen plat neer.
Men heeft er naar gezocht, wie hier begraven kon zijn? Enkelen
dachten aan den bouwmeester der kerk; Jhr. de Stuers veronderstelt
echter, dat die het niet kan zijn: de weelde en kostbaarheid van het
monument sluiten dit uit. Hij geeft de volgende verklaring van dit
gedenkteeken. Oudtijds was het de gewoonte, om heel groote heeren
tweemalen af te beelden: eenmaal levend en geknield en vervolgens
daaronder dood, naakt, liggend. Het te Breda gevonden graf was
kennelijk op dezelfde wijze ingericht. Boven het thans ontdekte
liggende beeld is een plaat geweest, waarop een knielende figuur,
die de nis vulde. Jhr. de Stuers vermoedt, dat het bekende praalgraf
van Engelbert II en diens vrouw oorspronkelijk op dezelfde manier
de knielende beelden dier personen vertoond heeft, geplaatst op de
steenen tafel, door vier beelden getorst. Onder die tafel liggen
hun lijken afgebeeld. Deze dispositie past geheel in de destijds
aangenomen inrichting van een praalgraf. Daardoor alleen worden de
steenen tafel en de ingespannen houding der vier dragende beelden
verklaard. De vraag blijft nog open, als deze veronderstelling juist
is, of de knielende beelden ooit zijn voltooid geweest of dat ze door
beeldstormers zijn vernield?
De toren der kerk is een mooi bouwstuk, rijk aan verheven lijnen
en bevallige versieringen. Vroeger verrees hier een andere toren,
die tegelijk met de kerk gebouwd was, doch den 16en Febr. 1457
bij een zwaren storm is ingestort. In 1468 begon men aan den bouw
van den tegenwoordigen toren, die op het einde van 1513 voltooid
was. In 1694 werd de toren door den bliksem getroffen, waardoor een
gedeelte vernield werd, doch korten tijd daarna werd hij, vooral door
medewerking van den stadhouder Willem III, met een verandering aan het
bovenwerk, hersteld. De hoogte bedraagt 94 meter; van zijn top heeft
men schilderachtige vergezichten over de afwisselende omstreken van
Breda. In het laatst der 19e eeuw is deze toren op kosten van kerk,
gemeente, provincie en Rijk gerestaureerd. De oude klokken, die door
den brand gesmolten waren, werden na den brand door nieuwe vervangen
en in 1723 werd een welluidend klokkenspel in den toren geplaatst.
Wij bevinden ons bij de Groote Markt te Breda, een gezellig
plein; vooral op de marktdagen, als de eenvoudige boerinnen uit
de baronie hier hun produkten van tuin of stal aanvoeren, is 't
er schilderachtig. De Boterhal aan de markt geeft dan een eenigen
blik in het Noord-Brabantsche volksleven. Daar staan die vrouwen in
hun sobere, eenvoudige kleeding, maar door haar kleurschakeering
toch zoo schilderachtig, met de mandjes vóór zich, eieren, boter,
groenten, enz. ten verkoop aanbiedend. Mannen ziet men er weinig;
het ter markt brengen dezer produkten geschiedt in Noord-Brabant
meest door de vrouwen, die soms verre afstanden te voet afleggen met
de mand aan den arm, om in de stad eenig "geld te maken". Er heerscht
in de Boterhal, trots het loven en bieden, geen onaangenaam rumoer,
maar een gemoedelijke toon, die den volksaard kenmerkt. Hier ziet
men, wat in Holland schier onbekend is, waar alles aan huis bezorgd
wordt, de burgerjuffrouwen en dienstboden nog ter markt gaan, om hun
benoodigden inslag op te doen voor de huishouding.
Toen H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes in het najaar van
1894 een bezoek brachten aan Breda en de burgerij H. M. een souvenir
aan dit bezoek wenschte aan te bieden, vond men niets beter daartoe
geëigend dan een schilderij van Krabbé, voorstellende een gezicht op
de Boterhal.
Het gebouw der Boterhal dagteekent van 1613. Aanvankelijk diende het
voor vleeschhal, terwijl verschillende gilden in den ruimen bovenbouw
kamers bezaten voor het houden van vergaderingen. Ook het St. Jorisgild
had er een kamer, en ter herinnering daaraan prijkt in de uitgebogen
kroonlijst een draak, bestrijdende St. Joris. De artistieke poort,
die den ingang der hal vormt, is gekroond door het stadswapen,
geflankeerd door twee grimmige leeuwen.
Breda doorwandelende, maakt de stad een aangenamen indruk. Op de
enkele pleinen zien wij tijdens de marktdagen, eigenaardig, dat de
boerenkarren, zwaargebouwde huifkarren, er alleen staan, met het
paard er aan vastgebonden. Een dergelijken eenvoud zoekt men in de
noordelijke provinciën tevergeefs. De flinke winkelhuizen in menige
straat der oude stad wijzen aan, dat hier een welvarende burgerij
woont. En als wij aan den buitenkant wandelen, in de nieuwe gedeelten,
waar geheele straten van flinke, goed ingerichte burgerhuizen de oude
stad omringen, komen wij spoedig tot de overtuiging, dat zich te Breda
een aanzienlijke burgerij heeft gevestigd, zonder van groote rijkdommen
te kunnen spreken. Het militaire leven der stad geeft een gezellige
stoffeering aan de straten met een eenigszins grootsteedsch karakter.
Vooral op de karnavalsdagen is het druk te Breda; dan bemerkt men,
dat deze stad min of meer een zuidelijk karakter heeft. Ook al
zijn de bewoners uit alle streken des lands hier samengestroomd,
toch doen blijkbaar allen gaarne mede aan het Bredasche pretmaken,
dat zich kenmerkt door opgewektheid, gulheid en echten levenslust.
Alleen in Breda en Den Bosch mag in Noord-Brabant het karnaval op de
gebruikelijke wijze gevierd worden door optochten van gemaskerden,
allerlei grappen en dwaasheden op de straat, waarvoor men zich zonder
masker wel zou wachten. Buiten die twee plaatsen wordt nergens in de
provincie het masker op de openbare straat toegelaten en heeft men
ook maar zelden gecostumeerde feesten binnenshuis. Vandaar dan ook,
dat velen uit Tilburg, Eindhoven, Helmond en van allerlei kleine
plaatsen op de karnavalsdagen naar deze twee steden gaan, om zich
daar te vermaken.
Breda is door het eigenaardig karakter en de geschiedenis der
plaats een stad geworden met tal van vereenigingen, gezelschappen,
clubs, enz. van verschillenden aard en strekking, die niet alleen
de gezelligheid, opgewektheid en feestelijkheid telkens bevorderen,
maar ook ten doel hebben, de wetenschap, kunst en menschenliefde tot
een hooger peil te brengen.
De tijd veroorlooft niet, ons langer in Breda op te houden; wij kunnen
niet stilstaan bij het Raadhuis, bij onderscheidene Katholieke kerken,
enz. Alleen willen wij nog even een blik werpen op het hoekhuis van
de Ginnekenstraat en het Van Coothplein, thans een hôtel en café,
waar het geboortehuis stond van wijlen Generaal P. J. v. Ham, den
dapperen held van Lombok.