OVER HET EILAND.

Na een bezoek gebracht te hebben aan de steden van Walcheren, willen

wij nog enkele dorpen van het eiland bezoeken. Wij doen dit hier met

vlugge schreden, niet omdat de bekoorlijkheden geen nadere beschouwing

waard zijn, maar dewijl onze ruimte beperkt is.

Van Middelburg gaan wij een tochtje maken naar het zuiden over

Abeele, een uitspanningsplaats, naar Oost- en West-Souburg langs den

zoogenaamden "Ouden Vlissingenschen weg". Deze breede weg, met hoog

opgaand geboomte, heeft door zijn vriendelijke kijkjes op gehuchten en

dorpen een groote aantrekkelijkheid. Thans is deze weg betrekkelijk

rustig. Doch in den goeden, ouden tijd kon het hier rumoerig en druk

zijn door het verkeer van handelaars en wandelaars, het geratel van

rijtuigen, vrachtwagens en diligences, om de beide handelssteden te

verbinden. Dat drukke handelsverkeer is opgehouden, maar toch heeft

er nog een geregelde betrekking tusschen beide steden plaats en in

den zomer bezoekt menig Middelburger Vlissingen, om daar de zeelucht

te genieten.

Oost- en West-Souburg, vriendelijke dorpen met flink geboomte aan

de straat, leveren weinig anders merkwaardigs op dan het monument

op het graf van Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde, den

dichter van het Wilhelmus van Nassouwe, den kloeken strijder naast

Willem van Oranje voor staatkundige en geloofsvrijheid. Op initiatief

van eenige Antwerpensche heeren is dit gedenkteeken er geplaatst,

dat op 3 Sept. 1872 plechtig is onthuld en aan het gemeentebestuur

overgedragen. Het bestaat uit een zuil met het opschrift: "Aan

Marnix". Op 17 Dec. 1898 bij den 300-jarigen gedenkdag van Marnix' dood

legde een deputatie van Antwerpensche burgers, met den burgemeester

Jan van Rijswijk aan het hoofd, een bronzen lauwertak aan den voet van

dit monument. Zoo vereert men in Antwerpen den vroegeren burgemeester

dier stad.

Marnix heeft te West-Souburg verblijf gehouden op het Kasteel van

West-Souburg, ook naar hem later Kasteel van Aldegonde geheeten, dat in

1780 is afgebroken. Het was een groot gebouw, geschikt tot vorstelijk

verblijf. Keizer Maximiliaan hield zich hier op in 1478 en Karel V in

1518, toen zij nog aartshertogen waren en in Walcheren kwamen, om er

's lands hulde te ontvangen. Ook in 1556 vertoefde Karel V alhier

een tijd, toen hij, na afstand gedaan te hebben van de regeering,

een goeden wind afwachtte, om de reis naar Spanje te ondernemen. Hier

werd door Karel V den 7en Sept. de brief verleend, bij welken hij

het bestuur over het Keizerrijk aan zijn broer Ferdinand overdroeg.

Marnix van St. Aldegonde was eigenaar van dit kasteel en vestigde

er zich gedurende tien jaren zijns levens. Hij heeft hier in

1591 de overzetting der psalmen uit het Hebreeuwsch in vloeiend

Nederlandsch voltooid. Nog werd in de twee laatste jaren zijns levens

zijn woonplaatst naar Leiden overgebracht, waarheen hij door de

Algemeene Staten was geroepen, om mede te werken aan de overzetting

des bijbels. Hier overleed hij den 15en van Wintermaand 1598, doch hij

werd te Souburg begraven. Tot zijn nagedachtenis werd een Latijnsch

grafschrift vervaardigd, dat in het Nederlandsch luidt:

Waar kon met zooveel roems, waar, Marnix! even veilig,

Uw jongste rustplaats zijn als binnen Leydens wal?

Dat Leyden, dat als gij, en Mars en Pallas heilig,

In beider gloriewerk geen weêrgae vinden zal.

Van hier kunnen wij verder een bezoek brengen aan het dorp Ritthem,

een echt Walcherensch dorp, schilderachtig tusschen het geboomte

gelegen, met een merkwaardige kerk uit de 15e eeuw.

Een andere weg van Middelburg naar Vlissingen loopt over

Koudekerke. Deze wint het in pittoresk en vriendelijk landschapschoon

nog van den vorigen. De flink aangelegde, met populieren belommerde

straatweg loopt eerst tusschen tuinen door naar het buiten

Toorenvliedt, een vierkant gebouw met een koepelvormig, houten

torentje, te midden van bosschen. Verderop verrijst het buiten

Vijvervliedt en daarna het zwaar geboomte van het Huis Ter-Hooge,

een landgoed, in de 14e eeuw aangelegd en met een kasteel bebouwd

door een der edelen uit het huis der Van Borselens, dat met zijn

twee vierkante torens, van onderen dicht met klimop begroeid, en

met zijn breed grasveld aan de voorzijde, waarop enkele beuken en

andere boomen zich trotsch verheffen, een werkelijk vorstelijken

indruk maakt. Het oude slot, rondom in het water gelegen, stond hoog

in aanzien. De aartshertogen Maximiliaan en Filips van Oostenrijk

gaven ten gunste van Adriaan van Borsele, eersten heer van Ter-Hooge,

onderscheidene privilegiën aan dit slot. Een daarvan was dat van 1485,

volgens welk recht alle misdadigers, welk kwaad zij ook begaan hadden,

behalve Majesteitschennis, op het plein buiten het kasteel, met een

ringmuur omtrokken, een vrijplaats mochten hebben. Aan dit slot was

ook de vrijheid verbonden, om het eigen bier te mogen brouwen, zonder

daarvoor eenige schatting aan de graaflijkheid te betalen. Het had

verder het recht van vrije jacht van "hair en pluim" en van visscherij.

Door graslanden, waarboven van verre in het westen de duinen zich

verheffen, voorbij het buiten Steenhove, bereiken wij het vriendelijke

dorp Koudekerke, met een klein kerkje, door geboomte omringd, in 't

midden van het dorp op een plein gebouwd. Rondom de kerk vindt men

de begraafplaatsen van onderscheidene Engelschen, die in het begin

der 19e eeuw op Walcheren het leven lieten.

Van hier gaan wij over het dorp Biggekerke onzen tocht voortzetten

naar het dorp Zoutelande. Voor een groot deel is de weg door hagen van

hakhout ingesloten en vóór ons zien wij de duinen op niet grooten

afstand verrijzen uit het vlakke land. De huizen met hun groen

geschilderde vensterluiken, in het midden wit, geven een kleurig

uiterlijk aan het landschap. Biggekerke bestaat uit een straat met

huizen en tuintjes er vóór, en verder uit een kom met een oud kerkje

en hoog torentje. Kort daarna bereiken wij vervolgens Zoutelande.

Het boomlooze dorpje Zoutelande, met zijn roode pannen daken, waarboven

kerk en toren uitsteken, ligt schilderachtig tegen de duinen. Sober,

uiterst eenvoudig is het plaatsje; het heeft naar 't uiterlijk niet

die netheid, welke men in andere dorpen vindt. Zoutelande is van

zeer oude dagteekening en bezit nog een herinnering aan dat verre

verleden. Wij wijzen op de put met zijn zuiver en heerlijk water,

die aan Willebrord, den grooten Angelsaksischen evangelieprediker

wordt toegeschreven. Of men hier misschien aan een heilige bron der

oudste bewoners heeft te denken, die later gekerstend werd met de

intrede van het Christendom? De put is overdekt, om het instuiven te

beletten; rondom den put groeit helm in het aangewaaide duinzand.

Zoutelande was oorspronkelijk weinig meer dan een aanwas bij

Werendijke, dat zich weleer tot aan de kust uitstrekte en een kerk

had, aan den apostel Jacobus gewijd, benevens een klooster, dat

"'s Hemels poorte" (Porta Coeli) heette. Het behoorde, evenals de

Abdij van Rijnsburg, tot de orde der Benedictijnen en was wellicht

een stift voor adellijke jonkvrouwen. Doch voorspoedig schijnt het

dit klooster niet te zijn gegaan; het is thans totaal verdwenen. Men

meent, dat het gestaan heeft op de gronden, waar thans de hofstede

"Groot Werendijke" gevonden wordt.

Nadat de visscherij in Zoutelande voor korten tijd geheel te niet

ging, is het eenige middel van bestaan voor de bewoners de landbouw,

met eenige veeteelt.

Wij trekken verder en langs Boudewijnskerke bereiken wij den uithoek

van Zeeland, West-Kapelle.

Vóór wij het dorp bereiken, zien wij een hoogen, zwaar gebouwden,

vierkanten toren van Gothische orde, doch zonder spits, op een

verlaten kerkhof verrijzen, door wild struikgewas omringd en met enkele

lage huisjes in de nabijheid. Dat is de vuurtoren van West-Kapelle,

die hier op den westelijken uithoek des lands een geschikte plaats

heeft. Een steenen wenteltrap voert naar het plat van den ongeveer

38 meter hoogen toren. Omstreeks 1470 werd deze toren gebouwd als

kerktoren; in 1818 werd hij als vuurtoren ingericht. De kerk, welke

hiermede verbonden was, is in 1831 door brand vernield en niet weer

opgebouwd. Zoo staat de toren alleen, door de kerk verlaten. Maar

door het prachtig kunstlicht, dat zijn stralen uitzendt tot op een

afstand van bijna 8 uren, is de oude toren een nuttige baak voor hen,

die zwerven op de zilte wateren nabij deze gevaarlijke kust.

Het dorp West-Kapelle ligt op den uithoek van Walcheren, tegen den

dijk, doch waar in de oudheid de duinen aan den buitenkant een breeder

voorland vormden. Wij merkten reeds elders op, dat de duinen door de

Noordzee zijn afgeslagen in historischen tijd. Aan den binnenkant

van het duin werd hier in de oudheid een nederzetting gevestigd,

die al bestond, vóór het Christendom er gepredikt werd. In den tijd,

toen Willebrord hier een afgodsbeeld zou verbrijzeld hebben, was het

dorp reeds welbevolkt en in 1233 had de plaats beperkte stadsrechten

en werd zij een smalstad. In den grafelijken tijd had zij levendige

scheepvaart en visscherij. Doch de zee, die dezen onverdedigden

zandhoek meer en meer aantastte, noodzaakte de bevolking in 1470 de

kerk verder landwaarts te zetten. De plaats nam daardoor af in omvang

en ook in beteekenis; handel en scheepvaart verminderen en het stedeke

werd een vlek, hoofdzakelijk in de lengte langs een straat gebouwd.

De bewoners van West-Kapelle onderscheiden zich door hun ronde

gezichten en iets donkerder haren van de overige bewoners van

Walcheren, alsmede door hun kleeding. Dat zich hier Noorsche visschers

gevestigd hebben in 't grijs verleden, die tamelijk op zichzelf bleven

staan, schijnt niet onaannemelijk. Thans wonen hier meest dijkwerkers,

maar voor dezen valt het te bejammeren, dat de dijk sterker is dan

ooit. Als dijkwerkers gewoon onder den invloed der woeste zee te staan

en tegen het water te strijden, hebben zij iets ruws in hun voorkomen,

iets ongegeneerds, maar tevens brengen die levensomstandigheden hen

tot eenvoud. Ook de vrouw, in kleine gebouwen gehuisvest, die de zorg

voor een meestal talrijk kroost op zich neemt, heeft niet aan weelde te

denken en deze ontbreekt dan ook in haar kleeding. Ook zij is gewoon

de ongenade van het weder te trotseeren, waardoor haar brood wordt

verschaft, en zij is er in opgevoed, om, als de man het water niet

verlaten kan, hem bij te staan, al ware het maar door hem voedsel en

dranken te brengen. De kleeding zullen wij niet beschrijven; wij wijzen

er enkel op, dat het haar iets verder uit de muts te voorschijn komt;

de vrouwen hebben, gelijk men zegt, een grooter "streeksel".

Als wij door het dorp zijn gewandeld, verheft zich daar vóór ons de

zware West-Kapelsche dijk, de welsprekende uitdrukking der Zeeuwsche

kracht, die tot den Oceaan zegt: tot hiertoe en niet verder! Als wij

denken aan de groote schatten, den arbeid, den tijd en het overleg,

aan dit dijkgewrocht besteed, "dan rijst in het onbevangen oordeel

het nuttige boven het ijdele".

Plaats u op dien dijk bij het eerste morgenkrieken, als het groote

hemellicht oprijst boven de eilanden en wateren van Zeeland. Zie

het dan een tooneel beschijnen van welvaart en leven: akkers met

paardenboonen, koolzaad, meekrap en allerlei veldvruchten bezet;

weilanden, met rundvee uitgedost; smaakvolle landgoederen; prachtige

olmen, die de dijken versieren; schoone steden en dorpen. En dat dit

landschap daar zoo idyllisch rustig en onbezorgd nederligt, heeft

het te danken aan dezen dijk, zonder welken Walcheren een land van

woeste schorren zou uitmaken.

Het zwaartepunt van West-Kapelle is tegenwoordig de zeedijk; hij werd

in 1540 wegens den afslag der duinen, met vergunning van keizer Karel

V aangelegd. Het nog overgebleven duin werd afgevlakt, aan de zeezijde

met zulk een flauwe helling, dat men bij het opgaan de stijging bijna

niet kan bemerken; de helling aan de landzijde is sterker. Deze dijk

heeft een lengte van ongeveer 4300 meter en sluit zich op beide einden

bij de duinen aan; zijn kruin ligt in het westen 5-5.25 M. boven

hoog water. Vele jaren werd er niet minder dan f 75,000 kosten tot

onderhoud van dezen dijk besteed, welks zekerheid voor Walcherens

behoud onmisbaar is. Sterk moet de dijk zijn, want geen punt van

onze kust is meer aan de woede der golven blootgesteld dan dit. Bij

den stormvloed van 1775 werden zelfs steenen van 3000 en 4000 pond

op de kruin van den dijk geworpen. Op den dijk staat een windmolen,

die er de volle kracht der luchtbeweging opvangt.

Langs den binnenkant van het duin kunnen wij over een goeden grintweg

Domburg bereiken. Eerst loopt de weg over den dijk, later door de

schrale duingronden, welke hier nog de bosschen missen, die men ten

noorden van Domburg vindt. Wij hebben dien weg genoemd, maar willen

hem niet kiezen voor de wandeling, die wij in gedachten maken. Wij

keeren terug naar Middelburg, om vandaar den tocht opnieuw te beginnen.

Van hier kan men twee wegen kiezen naar Domburg. De eene loopt

voorbij het gehucht Buttinge, met de ruïne eener kerk, die reeds

lang gesloopt is evenals het oud-adellijke huis Ravenstein, naar

Grijpskerke. Bij dit dorp ziet men de hofstede Munnikenhof, gesticht

door de abten van Middelburg, eens de tijdelijke verblijfplaats van

Jacob Cats. Grijpskerke is een fraai dorp. Als wij van hier den weg

vervolgen naar Oost-Kapelle, zien wij rechts nog het huis Molenbaix,

waar Hugo de Groot vertoefde, toen hij naar de hand van Maria van

Reigersberg dong. Verder wordt de weg zeer vriendelijk en voorbij

het landgoed Molenwijk bereiken wij Oost-Kapelle. Wij nemen thans

den anderen weg, die het meest wordt gekozen.

In bevallige kronkelingen slingert de weg van Middelburg over

Brigdamme, St. Laurens, Serooskerke en Oost-Kapelle naar Domburg,

een afstand van drie uren wandelen. Deze weg was reeds in het begin

der 17e eeuw bestraat. Vermogende magistraten en handelaren uit

Middelburg hadden aan dien weg onderscheidene buitens en om die

beter te kunnen bereiken, werd de straatweg gelegd. De meeste dier

buitens zijn thans verdwenen; alleen herinneren de zware gemetselde

of hardsteenen pilasters der poorten van de flinke boerenhuizen, met

namen als Klarebeek, Swanenburgh, Rijnsburg e. a. er aan, dat hier

en daar eens de toegang was tot een aanzienlijke buitenplaats. Doch

al zijn de buitens verdwenen, het blijft een schilderachtige weg,

die ons echt Walcheren doet zien.

Langs het gehucht Brigdamme, met de ruïne eener in 1562 verbrande

kapel, die aan St. Brigatta gewijd was, en langs het kleine dorp

St. Laurens, welks aanzienlijk, uit de 13e eeuw dagteekenend slot

Popkensburg, dat in de laatste helft der 19e eeuw gesloopt is,

bereiken wij Serooskerke, een welvarend dorp aan een kruispunt van

wegen, langs de straat gebouwd en met onderscheidene buitenplaatsen

in den omtrek. Een zijweg voert van hier naar het hoogste gedeelte

van Walcheren, waar het dorp Vrouwepolder ligt, en langs een grintweg

komt men verder aan de Oranjezon, een vriendelijke uitspanning in de

noordelijkste duinen van Walcheren, die hier met bosch bedekt zijn

en een schilderachtige afwisseling bieden.

De hoofdweg loopt verder langs "Vrede Rust", een nieuw fraai, aangelegd

buiten, voorbij Ipenoord, met zwaar hout en mooie waterpartijen,

en langs Zeeduin, een aanzienlijk landgoed, door een zware poort

aangewezen, naar Oost-Kapelle.

Een flinke hoofdstraat doorsnijdt het dorp, waaruit een zware toren

zich verheft. Oost-Kapelle was vroeger een heerlijkheid, bijna geheel

in eigendom van de Abten van Middelburg, die het als onsterfelijk

leen bezaten. Ook de riddermatige hofsteden Duinbeek en Westhoven

alhier waren tot de Hervorming eigendommen van de Abdij; na 1574

werden deze goederen meestal verkocht.

Oost-Kapelle is mede een der mooiste dorpen van Walcheren, in een

heerlijke streek, niet ver van de duinen en met onderscheidene

boschrijke buitens in de nabijheid. Wij noemden reeds Ipenoord en

Zeeduin; wij wijzen verder op Schoonoord, Westhoven, Duinvliet,

Overduin, Eikenoord, Duinbeek en Berkenbosch, welker bosschen en

duinen tal van schilderachtige gezichtspunten openen. De boschrijke

duinzoom ten noorden van Domburg heet de Manteling.

De belangrijkste van deze buitens zijn Overduin en Westhoven. Op

het eerste, het eigendom der familie De Jonge van Ellemeet, werd in

1862 Koning Willem III op vorstelijke wijze ontvangen; hier was de

eigenaar in 1873, de gastheer van een schaar letterkundigen, bij het

Taal- en Letterkundig Congres te Middelburg vereenigd, en Beets zong

in de Oranjerie van dit buiten den gastheer toe:

Dat de Overduinsche bloemhof bloei',

Zijn boomgaard ryke vracht doe plukken,

Het kunsttrezoor er overvloei'

Van altijd nieuwe meesterstukken;

Zijn Eigenaar aan 't zilvren haar

Op 't hoofd, zoo ongebogen,

Nog lang den gloed van 't leven paar',

Dat tintelt in zijn oogen.

Bij zooveel keurigs, zooveel schats,

Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde,

Verhoog' nog steeds iets nieuws van Cats

Van zijn verzameling [27] de waarde;

Cats' hooge leeftijd, blijde moed

En hoop op beter leven,

Meer waard dan al der wereld goed,

Zij rijklijk hem gegeven.

Historisch meer beroemd en vooral bekend door Mevr. Bosboom-Toussaints

geschiedkundigen roman van dien naam, is Westhoven, een kasteel,

waarvan de eerste stichting onzeker is. Sommigen meenen, dat het een

grenssterkte is geweest tegen de Noormannen, of misschien wel door

dezen gesticht, om hun veroveringen op Walcheren te verzekeren. Men wil

ook, dat dit kasteel den Tempeliers tot woonplaats verstrekt heeft, en

als dat juist is, moet de stichting tusschen 1118-1314 hebben plaats

gevonden. Het kasteel zou vervolgens het eigendom geweest zijn van

het geslacht der heeren Van Borsele van Brigdamme, en bij een zoen

over een doodslag, gepleegd door Boudewijn van Borsele van Brigdamme,

omstreeks 1358 aan den Abt van Middelburg gekomen zijn.

Westhoven verstrekte vervolgens tot lustplaats aan de rijke prelaten

van Middelburg, die hier een groot deel van den zomer doorbrachten

en er niet zelden vorsten en andere hooge personen, die Walcheren

bezochten, als gasten ontvingen. Hier zag men als zoodanig verschijnen

in 1500 hertog Filips van Oostenrijk, verder prinses vrouwe Johanna

en in 1515 hertog Karel van Oostenrijk, die later, in 1540, toen hij

keizer was, dit kasteel nog weer bezocht. De toenmalige Abt, Floris

van Schoonhoven, heeft het kasteel veel verbeterd en verfraaid.

Na de Hervorming werd dit kasteel verkocht in 1579; "met zijne

vervalle huijsinge, grachten, boomgaarden en bosschen" enz. werd

daarvan eigenaar Jonkheer Heinrich Balfour voor ± f 10,000. De

geschiedenis der verwisseling van bezitters zullen wij niet verder

volgen, doch wij gaan de plaats bezien en zullen enkel bij eenige

historische personen stilstaan, die hier een bezoek brachten.

Niet ver voorbij het dorp, op den weg naar Domburg, voert een laan

naar het kasteel, dat, door grachten omsloten, zijn gekanteelde muren

en torens doet verrijzen te midden der bosschen van de Manteling. Wij

staan voor den toegang, waar een breedgetakte linde het voorplein

overschaduwt. Deze nog elk voorjaar weder verjongende boom is misschien

de oudste levende bewoner van Walcheren; hij was eertijds aan de

Heilige Maagd gewijd, en werd zeker door een der Abten geplant als een

hulde aan zijn heilige beschermvrouw. Heel wat geschiedenissen heeft

de linde aan haar voet zien afspelen. Toen Karel V hier in Juli 1540 de

gastvrijheid genoot van den rijken abt Filips van Schoonhoven, geurden

haar bloesems reeds heerlijk. Hier kwam bijna een halve eeuw later

Louise de Coligny, die destijds het Prinsenhof te Vlissingen bewoonde,

dikwijls met den toenmaligen eigenaar, Loiseleur de Villiers, den

toestand van het benarde vaderland en de sluwe plannen van Leicester

bespreken. De Staten van Zeeland, die tijdens de kerkgeschillen er

over dachten, in deze provincie een Hoogeschool te stichten, hadden

daarvoor het oog op Westhoven gevestigd. En op dit buiten beraamde,

twee eeuwen later Joh. Adr. van der Perre met zijn huisprediker, den

lateren hoogleeraar J. H. van der Palm, in den opgewonden tijd van

toewijding en verlichting in het laatst der 18e eeuw, zijn plan om in

Middelburg een museum te stichten tot verspreiding van degelijke,

bruikbare kennis en volksgeluk. In 1894 zag Westhoven ook onze

jeugdige Koningin Wilhelmina hier binnentreden en was het getuige

van de geestdrift, waarmede de Zeeuwen de vorstin ontvingen.

Thans wordt dit schoone buiten door de mildheid der eigenares,

Mevr. de Wed. de Bruijn-Boddaert, aan een schoon doel gewijd. Het

strekt gedurende de zomermaanden tot een herstellingsoord voor

behoeftige kinderen van Walcheren.

De rijweg door de Manteling achter Westhoven, Berkenbosch en Duinbeek

slingert zich schilderachtig over de met knoestig bosch dicht

begroeide duinheuvelen. Wie een flinke wandeling van Domburg uit wil

maken en niet tegen een drietal uren afstands opziet, verzuime niet,

die naar de Oranjezon te kiezen, door de Manteling heen en terug

over de landgoederen Overduin en Zeeduin. Verrukkelijke gezichten,

een voortdurende afwisseling van natuurtooneelen biedt deze tocht

aan. Achter Westhoven en Berkenbosch vooral kronkelt de weg zich

rijzend en dalend, nu over een vrij hoogen heuvel, aan de eene zijde

begrensd door het kreupelhout der duinen en aan den anderen kant

door een even dicht begroeide diepte, dan weer door een belommerde

vallei. Al naarmate men de zee meer nadert, wordt het bosch lager en

ruwer; de takken wringen zich zonderling door elkander en de strijd

tegen den zeewind spreekt uit elken knoestigen, gebogen vorm. En daar

buiten ligt het naakte duin met zijn geelwitte randen langs de zee.

Van Westhoven gaan wij voorbij de bosschen van Duinvliet en enkele

villa's, en weldra zien wij het stille, vredige dorp Domburg voor

ons liggen aan den binnenkant der duinen, terwijl op het duin

onderscheidene villa's en gebouwen verstrooid staan.

Blonde duinen, weest gegroet!

Scheidsmuur tusschen land en stroomen,

Blauwe golven, groene boomen,

Samenkomende aan uw voet!

'k Zie ter rechterzijde, op 't strand,

Wentlen zich de wilde baren;

En ter slinke rijpen d' airen,

Wachtende op des maaiers hand.

Grootsche tweeklank, die hier klinkt!

Ginds 't gebruis der groote waatren,

Die een dondrend loflied klaatren;

Hier de jeugd, die 't oogstlied zingt.

O! wat liefelijk akkoord

Vormt die twee verscheiden galmen

Tot den heerlijksten der psalmen

Voor den Bouwheer van dit oord!

Hasebroek.

Domburg is een nederzetting van zeer hoogen ouderdom. Wanneer zich

hier menschen gevestigd hebben, valt niet te zeggen, maar opgegraven

oudheden bewijzen, dat dit reeds in den heidenschen tijd was. In

1647 werd bij buiten gewoon laag water hier op het strand in zee

gevonden het overblijfsel van een tempelvloer en daarbij fragmenten

van beelden en een aantal zoogenaamde geloftesteenen, gewijd aan

de godin Nehalennia, die op vele plaatsen werd vereerd. Ook in 1870

werden er nog geloftesteenen opgegraven. Van 1687-1817 ontgroef men

hier ook ruw bewerkte doodkisten met een aantal geraamten, waarbij

gevonden werden urnen en andere voorwerpen van huiselijken aard,

stijgbeugels, messen, sleutels, ringen, naalden enz., die in het

Museum te Middelburg bewaard worden.

Dit alles wijst er op, dat de zee hier het land heeft afgeslagen, maar

tevens, dat er in zeer oude tijden een bedrijvige plaats moet hebben

bestaan, die een levendigen handel dreef. De opgegraven Romeinsche doch

voornamelijk de Frankische en Angel-Saksische munten toonen eveneens

een handelsverkeer en ontwikkeling der plaats aan in dien tijd. Ook

later nog was Domburg in aanzien; in 1223 wordt het een Poorte genoemd

en waren de inwoners "poorters". Het was een "smalstad", die wel

stedelijke voorrechten bezat, doch niet alle stedelijke rechten. De

ontwikkeling van de stad ging echter niet verder; de plaats verviel

en in 1452 werd Domburg door Filips den Goede als heerlijkheid

verkocht. Sedert was Domburg slechts een eenvoudig boerendorp.

Een nieuw tijdperk ving voor Domburg aan, toen het in 1837 een

badplaats werd. Door een gift van koning Willem I en de bijdragen

van onderscheidene Middelburgers werd het eerste badhuis gesticht,

waarvoor de eerste steen gelegd werd op 1 Maart 1837. Het gebouw

bestond uit een groote zaal, vervolgens uit een kamer, ingericht voor

warme zeebaden, terwijl aan de noordzijde een vertrek alleen bestemd

was voor zwakken of vermoeiden.

Toch was het bezoek aanvankelijk nog hoofdzakelijk bepaald tot

bewoners van het eiland. In het jaar 1842 werden er ongeveer bij

de duizend baden gebruikt. Maar een schrijver van dien tijd zegt,

dat er de gezelligheid nog gemist werd.

In plaats van het oude, eenvoudige gebouwtje is in 1889 een grooter

en meer comfortabel badhuis gebouwd. Het staat op het duin vooruit,

met eenige villa's meer op den achtergrond. Van deze hoogte heeft

men, dikwijls half in nevels verborgen, het gezicht op de duinen van

Schouwen, waarboven de lichttoren uitsteekt, die, met het vuurschip

op den gevaarlijken Banjaard, den zeeman op de wateren aan deze kust

waarschuwend den weg wijst.

De duinen bij Domburg hebben heerlijke gedeelten, waar alle

schakeeringen en tinten van zee, lucht en land in één blik worden

omvat. Hier komen ons de zangen van Helene Swarth voor den geest,

als zij de blanke duinen met haar dichteroog ziet:

De zilvren wolken zijn als cherubijnen,

Die spelemeien in de blauwe lucht.

In teeder amethyst van mistgordijnen

Wijkt, ver in zee, de laatste meeuwenvlucht.

Ik lig in duin en zie de zon verdwijnen,

En luister naar het ruischen van den zucht

Der blanke zee, waar pareltinten kwijnen,

Die nooit kan slapen en die eeuwig ducht.

Hoewel waarschijnlijk niet met door dit landschap, heeft toch Edward

B. Koster soortgelijke indrukken gehad, toen hij het voorjaar en de

duinen bezong:

Hel-gele duinen en hel-blauwe lucht,

't Dorpje en zijn huizen in vogelvlucht,

Veraf geruisch en een glimp van de zee,

Liggen in voorjaarsschomm'ling tevreê.

Vogels, gespikkeld op 't pralende blauw,

Wolkjes, verschilf'rend, totdat men ze nauw

Langer kan zien in hun spreidend geel-wit,

Kraaien, zich teek'nend op 't duinzand als git.

Helm, op de hellingen wuivend in wind,

Dartelend huppelt hij rond als een kind,

Jolig en jong speelt hij vroolijk den baas,

Overal stoeiend met lentegeblaas.

Luisterend lig ik in 't mollige zand,

Hoor de geluiden van zee en van land,

Hoor, hoe de lente mijn vreugde weer schiep,

Wekte, wat 's winters zoo vast in me sliep.

Wie een rustige badplaats wenscht, waar de zeelucht met een schoone

natuur samenwerkt, om zielerust te herstellen, kan geen beter keuze

doen dan Domburg. 't Is geen drukkende rust die hier heerscht, maar

een kalmte, die tot nieuwe krachtsinspanning sterkt. Als de zeewind

te hevig is, kan men door de wandelingen in de schoone, windvrije

bosschen toch de zuivere lucht inademen.

De kermisdrukte van enkele badplaatsen vindt men hier gelukkig nog

niet. Door dit alles wordt Domburg als herstellingsoord door geen

badplaats in Europa overtroffen. Carmen Sylva bracht hier eenige

zomers door.

Was tot voor weinige jaren Domburg nog uiterst primitief, dit is

allengs verbeterd door de hôtels, die hier zijn opgericht en alle

gemakken voor logies aanbieden. Merkwaardigheden heeft het dorp op

zichzelf geene, waarbij wij behoeven stil te staan.

Nog willen wij wijzen op een zonderlinge vischvangst, die men hier in

Augustus en September nu en dan kan waarnemen. Bij zacht, betrokken

weer wordt een klein, doch volgens Bellamy smakelijk vischje, smelt,

uit het bij eb droogloopende strand met een spade opgedolven en, als

het te voorschijn komt, met vlugge hand gegrepen. Dat smeltvisschen

schijnt in de 18e eeuw een waar volksfeest geweest te zijn, zooals

blijkt uit Bellamy's schoone beschrijving van deze visscherij.

Daar leeft in Zeeland aan het strand

Een kleine, ronde visch,

Die naar der Zeeuwen kieschen smaak

Een lekker voedsel is.

Des zomers, als de zuidewind

Langs kleene golven speelt,

En vriendlijk 't gloeiende gelaat,

Des nijvren landmans streelt,

Dan gaat de jeugd met spade en ploeg

Naar 't breede, vlakke strand,

En ploegt dan, vol van vroolijkheid,

Het dorre, natte zand.

Dan grijpt in de opgeploegde voor

Een rappe hand den visch,

En dikwijls is de vlugste hand

Te traag bij dezen visch.

Slechts zelden heeft dit smeltvisschen thans nog plaats. Zoo is ook

het strandfeest opgehouden, dat daaraan verbonden was, en waarvan de

dichter vertelt:

Intusschen speelt en stoeit de jeugd

En fladdert door het nat,

Dat schuimend, met een groot gedruisch,

In mond en oogen spat.

De jongling grijpt een meisjen op

En draagt haar mede in zee,

Het meisje roept en wringt vergeefs,

Hij draagt haar mede in zee.

De treurige gebeurtenis met Roosje, die den dichter aanleiding gaf

tot dit lied, is bekend; zij moet aan het strand van West-Walcheren

hebben plaats gehad.

Het in zee dragen van meisjes kwam oudtijds op meer plaatsen langs het

strand voor. Jacob Cats geeft hiervan op Schouwen, waar het misschien

bij het stra-rijden gewoonte was, het volgende verhaal:

Een ridder uit het Brittenland

Ging dwalen aan het Zeeuwsche strand

En hadde (zoo het scheen) gezien,

Hoe dat aldaar de jongelien

Zich gaan vermaken in de zee,

Niet verre buiten Zieriksee.

Hij zag het als een zeldzaam ding,

Dat vrij wat uit de regel ging;

En daarom heeft hij 't ons vertelt,

Gelijk hier onder is gesteld.

Ik kwam eens treden op het strand

Daar ik veel jongelieden vand;

Ik zag er zes of zeven paar,

Den eenen hier, den andren daer,

Maar bovenal zoo was er twee,

Die gingen vaardig naar de zee;

Een ieder had een jonge maagd,

Die hij tot in het water draagt;

En of de vrijster vreeze kreeg,

Ja, schier van angst ter neder zeeg,

Ook hem met bleeke lippen bad,

Nog ging hij dieper in het nat,

Totdat het water werd gezien,

Tot aan, ja, boven hare knien.

En nog is 't niet genoeg gedaan:

Het moest er vrij wat holder gaan;

Ten leste neemt de losse kwant

En giet ook water metter hand,

Juist als Diana voortijds plag,

Als zij Acteon bij haar zag:

Hij goot het water hier en daar

Tot in haar schoon gekreukeld haar,

Zoodat, hetgeen eerst geestig stond,

Geleek een natten waterhond.

Ten lesten, als de jonker zag,

Dat hij niet hooger op en mag,

Zoo keert hij weder naar het droog,

Want hij zag tranen in haar oog;

Maar straks, zoo loopt hij naar het strand

En trekt haar naar het mulle zand;

Hij legt haar op een hoogen duin

En rolt dan van een steile kruin,

Tot onder in het lage dal,

En daar eens even weder mal:

Hij zout haar in het gulle zand

En strooit het stof aan alle kant;

Hij laat niet af hoe dat zij wijkt,

En dat zij nauw een mensch gelijkt.

Welk doel had dit spel? Zeer waarschijnlijk van anderen oorsprong,

heeft Cats er toch een praktische beteekenis aan gehecht. Hij zegt:

Gij, hoor toch, waarom dit geschiedt:

Het is, vermits hij daaruit ziet,

Hoe zich een jonge vrijster heeft,

Als hij zoo zeldzaam met haar leeft;

Of zij dan ook een jonkman viert,

Dan of ze lui en leelijk tiert,

En of haar eertijds zoet gestel

Verandert in een norsch gezwel.

En als het eens is uitgemald,

Dan ziet hij, hoe zij hem bevalt

En of hij verder dient te gaan,

Dan of zijn vrijen heeft gedaan.

Het spel, om zijn meisje in zee te dragen, had niet alleen bij Roosje

een treurigen afloop. Françoise van Egmond, o. a., dochter van den

onthoofden graaf Lamoraal, werd er mede het slachtoffer van, wel

niet door verdrinken, maar door een verwonding, die zij kreeg bij het

tegenworstelen, toen zij in zee werd gedragen te Scheveningen in 1598.

Doch wij wenden ons af van de sombere geschiedenissen, welke met de zee

verbonden zijn, en waarvan Zeeland ons veel zou kunnen verhalen. Liever

slaan wij van het duin nog een laatsten blik op de machtige aan onzen

voet, die eeuwig spreekt in duizende talen, voor alle zielen en natiën,

die alle stemmingen doet leven, welke opwellen in het menschenhart.

De zee, de zee klotst voort in eindelooze deining,

De zee, waarin mijn ziel zich-zelf weerspiegel ziet,

De zee is als mijn ziel in wezen en verschijning,

Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.

Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,

En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt,

Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning

En zingt een eeuwig blij en eeuwig-klagend lied.

W. Kloos.

Wij moeten thans afscheid nemen van het vriendelijke Walcheren, dat

niemand, die het bezoekt, nalaten kan, lief te krijgen. De lente is er

schoon door haar bloeiende meidorens en koolzaadvelden, de heete zomer

door zijn frissche zeelucht; de herfst door zijn rijkdom aan tinten

en kleuren, en de winter in Middelburg door zijn gezelligheid. Tot

afscheid spreken wij het den wensch van Beets toe ook als de onze:

Uw vette klei zij meer en meer

Met voedzaam goud beladen;

Uw handel bloei', gelijk weleer,

Langs nieuw beproefde paden;

De ronde Zeeuw veroudre nooit;

De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;

En al wat Zeeuwsch is toone

Den glans van 't Goede en Schoone.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 47 / 74 题